Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2010:BO2615

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
02-11-2010
Datum publicatie
02-11-2010
Zaaknummer
19.830083-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat, nu de bewezen verklaarde brandstichting aan de verdachte niet kan worden toegerekend wegens de ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens en dat de verdachte gevaarlijk is voor zichzelf en anderen, de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis moet worden geplaatst voor een termijn van één jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19.830083-10

vonnis van de Meervoudige kamer d.d. 02 november 2010 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [datum] 1965,

wonende [adres],

verblijvende in P.I. Noord, locatie De Grittenborgh te Hoogeveen.

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 27 juli 2010 en 19 oktober 2010.

De verdachte is op 19 oktober 2010 niet verschenen.

Als raadsvrouw van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. H.A. Jonker-van Dijk.

Deze is door de verdachte uitdrukkelijk gemachtigd om namens hem de verdediging te voeren.

Tenlastelegging

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

hij op of omstreeks 19 april 2010 te [plaatsnaam], gemeente [naam gemeente], opzettelijk brand heeft gesticht in/op een snorfiets/scooter staande bij de woning het [adres], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk de benzinedop van de tank van die snorfiets/scooter verwijderd en/of (vervolgens) een stuk doek in de tank gedaan en/of (vervolgens) dat doek met een aansteker aangestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met dat doek/die snorfiets/scooter, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die snorfiets/scooter en/of een pvc afvoerpijp en/of raam van een woning, geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan,terwijl daarvan gemeen gevaar voor aldaar aanwezige woningen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor zich in die woning bevindende personen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. C. Westerling acht hetgeen is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank als volgt zal beslissen:

* ontslag van alle rechtsvervolging en plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de termijn van één jaar.

Bewijsmotivering

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft gemotiveerd aangegeven dat verdachte moet worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde feit. Verdachte kan zich niet herinneren dat hij zijn scooter in brand heeft gestoken. Ook kan hij zich niet herinneren dat hij bij de politie een bekennende verklaring heeft afgelegd en neemt hij van deze verklaring uitdrukkelijk afstand.

Verdachte vergeet erg veel en vult de gebeurtenissen op zijn manier in. Nadat verdachte was aangehouden wegens brandstichting ging hij er op dat moment vermoedelijk vanuit dat hij die brand gesticht kon hebben en heeft hij vervolgens de wijze waarop, kennelijk op zijn eigen manier ingevuld samen met de informatie die hij reeds had gekregen en die hij uit de vraagstelling kon afleiden. Overigens is uit het sporenonderzoek niet komen vast te staan dat er sprake was van brandstichting, evenmin dat verdachte dat zou hebben gedaan. Niet uitgesloten kan worden dat iemand anders de scooter van verdachte in brand heeft gestoken.

De raadsvrouw is van mening dat de bekennende verklaring van verdachte niet voor het bewijs mag worden gebruikt.

Daarnaast heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte geen opzet had op de brandstichting. De raadsvrouw heeft daarbij verwezen naar het rapport van drs. De Vries, psycholoog. Verdachte was -kort gezegd- niet in staat te overzien wat hij precies deed en van opzet van de verdachte kan volgens haar dan ook geen sprake zijn.

Voorts ontbreekt in het dossier informatie waaruit de gevaarzetting voor personen en goederen kan worden afgeleid. Toen de brand werd ontdekt was deze al bijna uit en de brandweer werd slechts gealarmeerd om nog wat na te blussen.

Primair dient verdachte dan ook te worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde feit wegens het ontbreken van wettig bewijs.

Subsidiair dient eveneens vrijspraak te volgen omdat de tenlastegelegde opzet niet kan worden bewezen omdat verdachte voor het feit ontoerekeningsvatbaar wordt geacht.

Meer subsidiair dient verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat het feit wettig bewezen kan worden op grond van het dossier. In het beeld dat uit de stukken naar voren komt past niet dat iemand anders dan verdachte de brand heeft gesticht. De getuige [naam getuige] heeft verdachte regelmatig horen zeggen dat hij zijn woning, scooter of scootmobiel in brand zou steken. Ook heeft verdachte gezegd dat het feit dat de moeder van de buurman nog naast hem woonde hem ervan weerhield om het huis in brand te steken.

De politie heeft vragen gesteld waaruit niet kan worden afgeleid dat verdachte de antwoorden heeft gegeven op grond van verkregen informatie.

Met betrekking tot de opzet heeft de officier verwezen naar geldende jurisprudentie inhoudende dat opzet aanwezig kan zijn terwijl er sprake is van ontoerekeningsvatbaarheid. Verdachte heeft een aantal malen aangegeven dat hij zijn woning in de brand wilde steken. Op het moment dat verdachte verwijtbaar handelde was er bij hem sprake van enige mate van inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan en kan er dus worden gesproken van opzet.

Beoordeling

Met betrekking tot het tenlastegelegde feit gaat de rechtbank van de volgende bewijsmiddelen uit.

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van [aangever] d.d. 20 april 2010 1, dat -zakelijk weergegeven- ondermeer het volgende inhoudt.

Aangever doet namens Woonborg aangifte van brandstichting met betrekking tot de huurwoning [adres]. De woning wordt sinds 2000 verhuurd aan Verdachte. Verdachte heeft brand gesticht en daardoor is er schade ontstaan aan de woning. Er zijn twee ruiten gebarsten, de regenpijp is gesmolten en de deur en het kozijn van de schuur zijn geblakerd.

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [naam verbalisant]d.d. 19 april 2010 2, dat -zakelijk weergegeven- ondermeer het volgende inhoudt.

Op 19 april 2010 omstreeks 00.56 uur krijgt verbalisant melding van een brand bij [adres]. Ter plaatse zag verbalisant dat er achter de woning iets brandde.

Verbalisant ziet de overblijfselen van een brom- of snorfiets op de grond liggen. Een deel ervan brandt nog. Ook staat er nog een deel van de bosjes in brand. Op een tafeltje naast de achterdeur ziet verbalisant een tankdop liggen met de sleutel er in.

Verbalisant ziet dat een plastic bloempot die aan de dakgoot van de bijkeuken had gehangen naar beneden was gevallen. Het plastic van de bloempot was voor een deel weggesmolten.

Ondertussen komt de bewoner van het pand aanfietsen. Het is de verbalisant bekende verdachte.

Als verbalisant aan verdachte vraagt wie de tankdop op de tafel had gelegd zegt verdachte dat hij dat heeft gedaan. Verbalisant gaat dan met verdachte naar binnen om een aangifte van de brandstichting op te nemen. Tijdens dat gesprek vertelt verdachte zonder dat hem daar naar was gevraagd, dat zijn woning in brand had moeten gaan. Ook vertelde hij dat hij zijn snorfiets in brand had gestoken.

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] d.d. 20 april 2010 3, dat -zakelijk weergegeven- ondermeer het volgende inhoudt.

Getuige woont met zijn moeder aan het [adres] en is de buurman van verdachte. Verdachte is rond 21.30 uur bij getuige aan de deur geweest. Verdachte wilde bij getuige zijn moeder bellen om te zeggen dat hij in de war was. Op getuige kwam verdachte heel emotioneel en dronken over.

Getuige ziet vervolgens verdachte naar zijn woning fietsen.

Om ongeveer 00.45 uur hoort getuige dat er aangebeld wordt. Na ongeveer 5 minuten gaat getuige naar beneden en opent de voordeur. Er is niemand. Als getuige achter in zijn woning is en naar buiten kijkt ziet hij op de muur van de buren van verdachte een flikkerend licht. Het gaat om een reflecterend licht. Om ongeveer 00.50 uur ziet getuige politie bij verdachte.

Getuige hoort de politie zeggen dat er een brandje is. Even later arriveert de brandweer.

De moeder van getuige heeft van dit alles niets vernomen. Zij gebruikt slaapmedicatie.

Zij zou ook niets hebben meegekregen indien er sprake was geweest van een overslaande brand.

Als getuige later naar buiten gaat om te kijken wat er gebeurd was is de eerste gedachte dat verdachte gedaan heeft wat hij altijd al geroepen heeft. Vorige maand zei verdachte namelijk nog: "Als je moeder hier niet naast woonde, dan had ik al lang het huis in de brand gestoken", of woorden van gelijke strekking.

Getuige heeft verdachte toen nog gewaarschuwd dat niet te doen.

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 19 april 2010 4, dat -zakelijk weergegeven- ondermeer het volgende inhoudt:

V: vraag verbalisant

A: antwoord verdachte

V: waar woon je op dit moment.

A: [adres]

V: Van wie is de woning.

A: Die huur ik van de gemeente [naam gemeente]. het huis is van Woonborg.

V: Hoe lang woon je daar al.

A: goh, geen flauw idee. Ik denk al wel een jaar of 10.

V: Wat betaal je aan huur per maand.

A: ongeveer 230 euro. Ik krijg huursubsidie.

V: Hoe gaat het verder met je leven.

A: Niet goed. Ik wil graag hulpverlening.

V: Ben je verslaafd aan alcohol.

A: Ja, zeg maar van wel.

V: Waar heb je gisteravond je avondeten gehad.

A: Ik heb geen avondeten gehad.

V: de collega's zijn vannacht bij jouw woning geweest. Waarom was dat.

A: Die scooter stond in de fik. Ik ben met benzine bezig geweest.

V: Over welke scooter heb je het.

A: De scooter staat op mijn moeder haar naam. Ik ging er toen altijd mee naar Zuidlaren op en neer.

V: Waar stond de scooter.

A: Hij stond achter het huis op 1 of 1,5 meter van de achtergevel.

V: Je zei dat de scooter in de fik stond. Hoe kwam dat.

A: Ik heb hem zelf in de brand gestoken.

V: Waarmee heb je dat gedaan.

A: Ik heb de benzinedop eraf gedraaid en ik heb een stukje doek in de tank gedaan.

V: Wat heb je toen gedaan.

A: Vuur erbij en toen ben ik weggegaan.

V: Waar kwam de doek vandaan.

A: Van de werkbank af in de schuur. Of het was een krant, dat weet ik niet meer. Ik heb geheugenverlies.

V: Wat zag je toen je de doek in brand stak.

A: Ik heb niet achterom gekeken. Ik ben weggefietst.

V: Waarom heb je de doek in brand gestoken.

A: Ik was er helemaal zat van.

V: Waar was je zat van.

A: Van alles. Een ander heeft wat en ik niets meer. Bekijk het dan allemaal maar. Een ander heeft nu wat en ik niets meer, Dan het laatste ook maar weg.

V: Maar voor hetzelfde geld was je woning in de brand gegaan. Wat vind je daar van.

A: Kon mij niets meer schelen.

V: Wie wonen er naast jou.

A: [getuige].

V: waren die thuis.

A: Ik denk dat ze thuis waren, omdat buurvrouw altijd thuis is.

V: Maar je zei net dat het je niets kon schelen dat je huis in de brand ging. Hoe zit dat.

A: Je hebt me verkeerd begrepen. Ik heb de scooter wel zover van de woning gezet dat mijn woning niet in de brand ging. Ik wilde mijn huis niet in de brand hebben. Dan zou ik zelf dakloos zijn.

V: Waarom besloot je weer terug te gaan naar je huis.

A: Ik wilde zeker weten dat mijn huis niet in de brand zou gaan.

Op grond van deze bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat verdachte het hem verweten feit heeft gepleegd. Verdachte heeft nadat hij naar zijn woning was teruggekeerd spontaan aan verbalisant [naam verbalisant]aangegeven dat hij de snorfiets/scooter in brand had gestoken. Getuige [getuige] heeft aangegeven dat verdachte al meerdere keren tegen hem had gezegd dat hij zijn woning in brand wilde steken.

Verdachte is kort na het incident verhoord en geeft antwoord op de gestelde open vragen. Anders dan de raadsvrouw heeft aangegeven kunnen de gegeven antwoorden zoals hiervoor vermeld, niet als onsamenhangend worden aangemerkt. Ook kan uit de antwoorden niet worden afgeleid dat verdachte de gestelde vragen heeft beantwoord naar aanleiding van informatie die hij mogelijk van de politie heeft gekregen. De gestelde vragen bevatten bovendien geen informatie over de brandstichting.

Overwegingen met betrekking tot het tenlastegelegde opzet

De rechtbank heeft kennis genomen van een psychiatrisch rapport d.d. 21 september 2010, opgemaakt door C.J.F. Kemperman, psychiater.

Dit rapport houdt onder meer in als conclusie - zakelijk weergegeven -:

" Bij verdachte is sprake van een alcoholafhankelijkheid en een cognitieve stoornis n.a.o. met een persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken. Hiervan was ook sprake ten tijde van het tenlastegelegde.

Gesteld kan worden dat verdachtes zelfcontrole ontbrak door de combinatie van een ernstige oordeels- en kritiekstoornis en geheugen-, alcohol- en persoonlijkheidsproblematiek. Verdachte lijkt hierdoor geen inzicht in zijn gedrag te hebben gehad en impulsief te hebben gereageerd. Er is bij verdachte sprake van een afwezige toerekeningsvatbaarheid."

Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van het rapport van drs. T. de Vries, psycholoog, d.d. 29 september 2010, waarin de rapporteur eveneens tot de conclusie komt dat verdachte het tenlastegelegde niet kan worden toegerekend.

De rechtbank verenigt zich, mede gelet op de toedracht van het feit en de persoon van de verdachte, met voormelde conclusies en maakt die tot de hare.

De rechtbank is derhalve van oordeel, dat het hiervoor bewezen verklaarde aan de verdachte niet kan worden toegerekend.

In dit verband overweegt de rechtbank dat de geconstateerde stoornis slechts dan aan de bewezenverklaring van het opzet in de weg staat indien bij de verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen zou hebben ontbroken.

Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank in de onderhavige zaak geen sprake geweest.

In de jurisprudentie wordt al spoedig enig besef of enig benul aangenomen. Op grond van verdachtes activiteit, die een zeker niveau van coördinatie van geestelijke en lichamelijke functies vergde, ligt het aannemen van een minimaal besef dan ook zeker voor de hand.

De rechtbank acht dan ook wettig bewezen dat verdachte, ondanks dat hij volledig ontoerekeningsvatbaar is te achten, opzettelijk brand heeft gesticht.

Overweging mbt gevaar voor personen en goederen

Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant M.A. Dijkstra d.d. 19 april 2010 5, blijkt dat door de brand niet alleen delen van het schuurtje maar ook delen van de woning van verdachte door de brand zijn aangetast. De brand zou over hebben kunnen slaan op de door verdachte bewoonde woning en de woning van de buren van verdachte, nu het ging om een dubbele woning. Bovendien blijkt uit de verklaring van de buurman van verdachte dat zowel hijzelf als zijn slecht ter been zijnde moeder in de buurwoning aanwezig waren. De rechtbank acht op grond hiervan ook dit bestanddeel van het tenlastegelegde bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 19 april 2010 te [naamplaats], gemeente [naam gemeente], opzettelijk brand heeft gesticht op een snorfiets/scooter staande bij de woning [adres], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk de benzinedop van de tank van die snorfiets/scooter verwijderd en vervolgens een stuk doek in de tank gedaan en vervolgens open vuur in aanraking gebracht met dat doek/die snorfiets/scooter, ten gevolge waarvan die snorfiets/scooter en een pvc afvoerpijp en raam van een woning, gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor aldaar aanwezige woningen en levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor zich in die woningen bevindende personen te duchten was.

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de bewezenverklaring.

De verdachte zal van het meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk brand stichten,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en

terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is,

strafbaar gesteld bij artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid

Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen kan het feit niet aan de verdachte worden toegerekend. Verdachte dient daarom te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Motivering maatregel plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis

Door de gedragsdeskundigen, C.J.F. Kemperman, psychiater en drs. T. de Vries, psycholoog, die de verdachte beiden hebben onderzocht, is elk afzonderlijk een met reden omkleed, gedagtekend en ondertekend advies uitgebracht.

De conclusies in het advies van Kemperman, psychiater, d.d. 21 september 2010 luiden:

" Verdachtes geheugenproblemen, alcoholgebruik, ontbrekende inzicht in zijn gedrag en gebrekkige impulscontrole zijn van belang voor de kans op recidive. Het ontbreken van een goede dagbesteding en de vastgestelde hersenbeschadiging zijn van belang voor de kans op recidive.

Geadviseerd wordt een opname in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar. Daarna zou men verdachte door middel van een begeleide woonvorm met aandacht voor het opbouwen van een goede dagbesteding en zijn financiën, verder kunnen begeleiden."

De conclusies in het advies van De Vries, psycholoog, d.d. 29 september 2010 luiden:

" De kans op recidive is groot. Verdachte heeft een verminderd normbesef. Door een combinatie van geheugenproblemen, lage intelligentie, een stoornis in de cognitieve executieve functies, de antisociale persoonlijkheidsstoornis en gebruik van alcohol wordt verdachte onvoorspelbaar en impulsief. Hij overziet de gevolgen van zijn gedrag niet. Er bestaat gevaar voor zichzelf en anderen.

Geadviseerd wordt een opname in een psychiatrisch ziekenhuis waar aandacht wordt besteed aan structuur, dagbesteding en staken van alcoholgebruik."

De rechtbank verenigt zich met de bovenstaande conclusies en maakt die tot de hare.

De rechtbank is, mede gelet op die conclusies, van oordeel dat, nu het bewezen verklaarde aan de verdachte niet kan worden toegerekend wegens de ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens en dat de verdachte gevaarlijk is voor zichzelf en anderen, de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis moet worden geplaatst voor een termijn van één jaar.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 37 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart bewezen dat het tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het strafbare feit zoals hierboven is vermeld, verklaart de verdachte deswege echter niet strafbaar en ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank gelast dat de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis zal worden geplaatst voor de termijn van één jaar.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.I. Klaassens, voorzitter en mr. P.J. Duinkerken en mr. E.C.M. Wolfert, rechters in tegenwoordigheid van D. Witvoet, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 02 november 2010, zijnde mr. Duinkerken buiten staat dit vonnis binnen de door de wet gestelde termijn mede te ondertekenen.

1 dossierpagina 15 ev.

2 dossierpagina 18 ev.

3 dossierpagina 34 ev.

4 dossierpagina 38 ev.

5 dossierpagina 18 ev.

??

??

??

??

Parketnummer: 19.830083-10

Uitspraak d.d.: 02 november 2010 8

vonnis