Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2010:BO0538

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
15-10-2010
Datum publicatie
15-10-2010
Zaaknummer
19.605085-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht bewezen openlijke geweld gepleegd tegen politieambtenaren in Coevorden. Verder acht de rechtbank bewezen dat verdachte politieambtenaren heeft beledigd en bedreigd en dat hij verzet heeft geboden bij zijn aanhouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19.605085-10

vonnis van de Meervoudige kamer d.d. 15 oktober 2010 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum] 1989,

wonende [adres].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 01 oktober 2010.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.G. Doornbos, advocaat te Assen.

Tenlastelegging

De verdachte is ingevolge de ter terechtzitting gewijzigde tenlastelegging bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

1.

hij op of omstreeks 08 november 2009 in de gemeente Coevorden met een ander of anderen, op of aan een openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten het Centraal Station, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen politieambtenaren, [namen slachtoffers], gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, welk geweld bestond uit het schoppen en/of slaan en/of gooien met (bier-) flessen en/of (bier-)blikjes en/of stenen, althans harde voorwerpen en/of het zich (na aftellen) opdringen aan die politieambtenaren en/of spugen en/of schelden/schreeuwen;

2.

hij op of omstreeks 08 november 2009 in de gemeente Coevorden tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk beledigend (een) ambtena(a)r(en), te weten [namen verbalisanten], gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, heeft bespuugd en/of in diens/dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "kankermongolen" en/of "kankerhonden, vuile teringlijer", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of

strekking;

3. hij op of omstreeks 08 november 2009 in de gemeente Coevorden, [slachtoffer], zijnde een politieambtenaar, gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk [slachtoffer] dreigend de woorden

toegevoegd :"ik pak je nog wel, ik krijg je nog wel", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

4. hij op of omstreeks 08 november 2009 in de gemeente Coevorden, toen (een) aldaar in uniform geklede dienstdoende politieambtena(a)r(en) verdachte, als verdacht van het gepleegd hebben van één of meer op heterdaad ontdekt(e) strafba(a)r(e) feit(en) had(den) aangehouden en had(den) vastgegrepen, althans vast had(den) teneinde verdachte, ter geleiding voor een hulpofficier van justitie, over te brengen naar een politiebureau, zich met geweld tegen die eerstgenoemde opsporingsambtena(a)r(en), werkzaam in de rechtmatige

uitoefening van hun/zijn bediening, heeft verzet door te rukken en te trekken in een richting tegengesteld aan die, waarin die ambtena(a)r(en) verdachte trachtte(n) te geleiden;

5. hij op of omstreeks 09 november 2009 in de gemeente Assen opzettelijk en wederrechtelijk een politiecel / een of meer muren/deuren in het gebouw van de politie, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan politie Drenthe, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Verweer ten aanzien van ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman van verdachte heeft -kort zakelijk weergeven- aangevoerd dat:

- er geen communicatie tijdens de treinreis en op het station in Coevorden was met de supporters en dat de supporters met geweld de trein zijn ingeslagen;

- de Aanwijzing door het College van Procureurs-Generaal in zake bestrijding voetbalvandalisme en -geweld van 6 november 2006, Staatscourant 22 november 2006, nummer 228, niet is nageleefd;

- er maar 6 willekeurig uitgekozen verdachten (van in totaal 150) worden berecht en stadionverboden hebben opgelegd gekregen en dat alleen zij voor de civiele vorderingen moeten opdraaien;

- de toegepaste fotoconfrontatie ondeugdelijk is.

De raadsman van verdachte heeft geconcludeerd dat het Openbaar Ministerie door bovengenoemde gang van zaken niet ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging.

De rechtbank is uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat een grote groep supporters van De Graafschap uit Doetinchem, waaronder verdachte, voor het bijwonen van een voetbalwedstrijd met de trein onderweg was naar Emmen. Op het station in Coevorden waren politiemensen aanwezig die wilden voorkomen dat de supporters de trein zouden verlaten en zich naar het centrum van Coevorden zouden begeven. Voor de supporters moet dit ook duidelijk zijn geweest, nu zij zich -na aftellen- met geweld door de door politie gevormde linie probeerden te breken. Door de supporters werd niet geschuwd geweld tegen de aanwezige politiemensen te gebruiken, zoals blijkt uit het slaan, schoppen en gooien van bierflessen- en blikken naar deze politiemensen. De politie was genoodzaakt om ter bescherming van zichzelf en ter handhaving van de openbare orde geweld te gebruiken.

De rechtbank is op grond van geschetste gang van zaken van oordeel, dat er geen (communicatie)misverstand bij verdachte kon bestaan omtrent hetgeen de politie van de supporters wilde, namelijk niet de trein uitgaan en zich niet begeven richting het centrum van Coevorden. Tevens was het, gelet op de situatie ter plaatse, door de politie toegepaste geweld gepast en niet disproportioneel en werd de door de raadsman aangehaalde Aanwijzing van de Procureurs-Generaal niet geschonden.

De rechtbank is gebleken dat de officier van justitie maar voor 8 personen, waaronder verdachte, voldoende (wettig) bewijs aanwezig heeft geacht om tot een vervolging te komen. De overige supporters worden derhalve door de officier van justitie niet vervolgd. De rechtbank is van oordeel dat door de vervolging van verdachte geen sprake is van willekeur of dat het OM misbruik heeft gemaakt van zijn vervolgingsmonopolie.

Tenslotte is de rechtbank van oordeel dat de wijze waarop in casu de fotoconfrontatie is uitgevoerd niet de ontvankelijkheid van de officier van justitie raakt, maar eventueel bewijsuitsluiting tot gevolg kan hebben.

De rechtbank is op grond van vorenstaande van oordeel dat het verweer van de raadsman dient te worden verworpen en dat de officier van justitie kan worden ontvangen in de vervolging.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie G. Wilbrink acht hetgeen onder 1, 2, 3, 4 en 5 is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank als volgt zal beslissen:

* een werkstraf voor de duur van 220 uren, subsidiair 110 dagen hechtenis;

* 1 maand gevangenisstraf voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren;

hoofdelijke toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [namen slachtoffers],

alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

* niet ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij Nederlandse Spoorwegen.

Bijzondere bewijsoverwegingen

De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat de enkele herkenning van de verdachte(n) van de zes getoonde foto's van de reeds aangehouden verdachten niet zonder meer als bewijs van verdachtes betrokkenheid kan dienen. Een confrontatie aan de hand van slechts een beperkt aantal verdachten zoals in het onderhavige geval is voor het bewijs onvoldoende.

De rechtbank is wel van oordeel dat deze foto's in samenhang kunnen worden gebruikt, indien herkenning van verdachte(n) door verbalisanten voorheen (op heterdaad) reeds heeft plaatsgevonden en/of het reeds opgegeven signalement overduidelijk overeenkomt met de beeltenis van de persoon op de daarna gemaakte foto. Verdachte is door verbalisant [naam verbalisant] op het perron herkend 1 en op grond daarvan direct aangehouden.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verdachte in juridische zin als medepleger van openlijke geweldpleging kan worden aangemerkt. Uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen blijkt dat door een groep (De Graafschap-supporters) openlijk geweld is gepleegd, bestaande dat geweld uit het schoppen en slaan en gooien met bierflessen en bierblikjes en het zich (na aftellen) opdringen aan politieambtenaren. Verdachte heeft verklaard dat hij bij deze groep op het perron heeft gestaan terwijl het geweld plaatsvond. Verdachte heeft aangegeven dat hij die dag een blauw/wit De Graafschapshirt droeg, terwijl hij de enige was met een dergelijk shirt.

Aangever [naam verbalisant] verklaart 2 dat een supporter met een blauw/wit shirt van de Graafschap hem heeft gespuugd en heeft geprobeerd te slaan. Getuige [naam getuige] verklaart 3 dat een supporter met een blauw/wit shirt van de Graafschap regelmatig spuugde. Hij spuugde naar de getuige en raakte hem daarbij. Ook spuugde die supporter naar collega [naam verbalisant].

Uit deze twee verklaringen blijkt voldoende dat verdachte een significante bijdrage heeft geleverd aan het onder 1 tenlastegelegde feit.

Bewijsmotivering

Overeenkomstig de nader op te nemen bewijsconstructie.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het onder 1 tot en met 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 08 november 2009 in de gemeente Coevorden met anderen, op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten het Centraal Station, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen politieambtenaren, [namen slachtoffers], gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, welk geweld bestond uit het schoppen en slaan en gooien met bierflessen en bierblikjes en het zich (na aftellen) opdringen aan die politieambtenaren;

2.

hij op 08 november 2009 in de gemeente Coevorden opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [naam slachtoffer], gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, heeft bespuugd.

3. hij op 08 november 2009 in de gemeente Coevorden, [naam slachtoffer], zijnde een politieambtenaar, gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [naam slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd :"ik pak je nog wel, ik krijg je nog wel";

4. hij op 08 november 2009 in de gemeente Coevorden, toen aldaar in uniform geklede dienstdoende politieambtenaren verdachte, als verdacht van het gepleegd hebben van op heterdaad ontdekte strafbare feiten hadden aangehouden en hadden vastgegrepen ter geleiding voor een hulpofficier van justitie, over te brengen naar een politiebureau, zich met geweld tegen die eerstgenoemde opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, heeft verzet door te rukken en te trekken in een richting tegengesteld aan die, waarin die ambtenaren verdachte trachtten te geleiden;

5. hij op 09 november 2009 in de gemeente Assen opzettelijk en wederrechtelijk een politiecel/muren/deuren in het gebouw van de politie toebehorende aan politie Drenthe, heeft beschadigd.

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de bewezenverklaring. Elk bewijsmiddel is slechts gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdachte zal van het onder 1 tot en met 5 meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificaties

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op:

onder 1: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen,

strafbaar gesteld bij artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht.

onder 2: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar

gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening,

strafbaar gesteld bij artikel 266 juncto artikel 267 van het Wetboek van Strafrecht;

onder 3; bedreigingen met enig misdrijf tegen het leven gericht,

strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht;

onder 4: wederspannigheid,

strafbaar gesteld bij artikel 180 van het Wetboek van Strafrecht;

onder 5: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen,

strafbaar gesteld bij artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straffen in aanmerking, de aard en de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte (waaronder de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 28 juli 2010, waaruit blijkt dat de verdachte eerder ter zake van geweldsdelicten is veroordeeld), de eis van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman van de verdachte.

De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij heeft bijgedragen aan het plegen van openlijk geweld tegen een aantal -getalsmatig in de minderheid zijnde- politieambtenaren gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediending. Het gepleegde geweld - het schoppen, slaan, gooien met (volle) bierflessen en -blikken en het (na aftellen) opdringen aan die politiemensen- dient als ernstig te worden gekwalificeerd. De getoonde verbale en/of fysieke agressie heeft grote impact (gehad) op de betrokken politieambtenaren, zoals ook blijkt uit de inhoud van de voegingsformulieren van de benadeelde partijen.

De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat in dit geval een taakstraf in de vorm van een werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf geboden is. De rechtbank vindt mede naar aanleiding van het feit dat -in tegenstelling tot verdachte- een groot aantal supporters niet worden vervolgd ter zake van deze geweldpleging, aanleiding het aantal te werken uren iets te minderen.

Vorderingen van de benadeelde partijen [namen slachtoffers]

De politieambtenaren die betrokken waren bij het openlijk geweld en tegen wie dit geweld was gericht hebben een vordering tot vergoeding van immateriële schade en in een aantal gevallen bovendien materiële schade ingediend. De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of er aanleiding is tot het toekennen van vergoeding van immateriële schade in een zaak als deze. De rechtbank sluit zich aan bij de overwegingen van het Gerechtshof Leeuwarden (arrest van 27-7-2005, NJ 2005,460) en overweegt als volgt: Politieambtenaren zullen in beginsel beter dan anderen zijn opgewassen tegen (de gevolgen van) tot hen gerichte agressie. Bij de selectie en opleiding komen stressbestendigheid en het kunnen/leren omgaan met geweld aan de orde. Zij worden daarin getraind. Vaststaat voorts dat politieambtenaren door en tijdens hun functievervulling - meer dan een willekeurig ander persoon - worden geconfronteerd met agressie, hetgeen maakt dat er bij hen een zekere gehardheid zal optreden. Een zekere gehardheid is onmisbaar in de juiste uitoefening van de politietaak. In zoverre worden aan politieambtenaren soms hogere eisen gesteld dan aan een 'gewone' burger die niet over die opleiding, ervaring en gehardheid beschikt. Dit echter brengt niet met zich dat politieambtenaren tijdens hun functievervulling niet in de situatie kunnen geraken dat zij (immateriële) schade lijden en die schade als benadeelde partij kunnen vorderen.

Gelet op de omstandigheid dat de betreffende politieambtenaren werden geconfronteerd met een massale tegen hen gerichte agressie, waarbij zij ver in de minderheid waren, waarbij zij zijn geschopt en geslagen of waarbij werd getracht hen te schoppen en te slaan en waarbij ze werden bekogeld met blikken en flessen acht de rechtbank aannemelijk dat zij als gevolg daarvan immateriële schade hebben geleden en in een aantal gevallen ook materiële schade.

Vervolgens rijst de vraag of de vordering van voldoende eenvoudig aard is om voor toewijzing in aanmerking te komen. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

In het algemeen zijn plegers van openlijk geweld hoofdelijk aansprakelijk voor het gehele bedrag van de schade die door het openlijk geweld is veroorzaakt. De rechtbank ziet in de omstandigheden van het geval echter aanleiding van dit uitgangspunt af te wijken. Er is sprake geweest van massaal geweld van een grote groep voetbalsupporters van ca 150 personen tegen politieambtenaren. Hoewel alle tot deze groep behorende personen in eerste instantie zijn aangehouden en van allen de personalia zijn genoteerd, is slechts tegen een zeer klein deel van deze groep, acht personen, vervolging ingesteld. De vordering benadeelde partij is dus ook slechts gericht op een zeer klein deel van de werkelijke plegers van het geweld. Voorts blijkt overduidelijk uit het dossier dat degenen die thans voor dit openlijk geweld zijn vervolgd niet de enigen zijn die actief hebben meegedaan aan dit openlijk geweld. Evenmin is gebleken dat hiermee de "harde kern" van de geweldplegende voetbalsupporters is aangepakt. Op grond van deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat, ondanks het bepaalde in artikel 6:166 van het Burgerlijk Wetboek inzake groepsaansprakelijkheid, het in strijd komt met de redelijkheid en billijkheid indien de thans vervolgde verdachten hoofdelijk aansprakelijk zouden worden geacht voor de totale schade.

Het is vervolgens niet eenvoudig om vast te stellen op welke wijze de schade dan wel verdeeld zou moeten worden.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de vordering tot schadevergoeding niet eenvoudig van aard is en niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Vordering van de benadeelde partij Nederlandse Spoorwegen

De rechtbank acht het causaal verband tussen het bewezen verklaarde feit (geweld tegen personen) en de schade (veroorzaakt door geweld tegen goederen) niet bewezen. De benadeelde partij zal niet ontvankelijk worden verklaard in haar vordering en zij kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart bewezen dat het onder 1 tot en met 5 tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 tot en met 5 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot

* gevangenisstraf voor de duur van ÉÉN MAAND geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De rechtbank beveelt, dat de voorwaardelijk opgelegde straf niet zal worden tenuitvoer-gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de verdachte zich voor het einde van voormelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

* een taakstraf bestaande uit 180 uren werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid met bevel dat, voor het geval de verdachte deze werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 90 dagen zal worden toegepast.

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren arbeid per dag voor de in verzekering doorgebrachte dagen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partijen, [namen slachtoffers] en de Nederlandse Spoorwegen, niet ontvankelijk zijn in hun vorderingen en dat zij hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen. De benadeelde partijen en de verdachte dragen de eigen kosten.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Schoemaker, voorzitter en mr. B.I. Klaassens en mr. H.T. van Voorst, rechters in tegenwoordigheid van D. Witvoet, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 15 oktober 2010, zijnde mr. Van Voorst buiten staat dit vonnis binnen de door de wet gestelde termijn mede te ondertekenen.

1 dossierpagina 311

2 dossierpagina 295

3 dossierpagina 310

??

??

??

??

Parketnummer: 19.605085-10

Uitspraak d.d.: 15 oktober 2010 8

vonnis