Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2010:BO0052

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
08-10-2010
Datum publicatie
11-10-2010
Zaaknummer
19.810353-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De raadsvrouwe van verdachte heeft gesteld dat er gedurende het langdurige onderzoek door politie en justitie de volgende grove fouten zijn gemaakt:

- verdachte is door de pseudokoper uitgelokt tot het plegen van strafbare feiten waar voordien zijn opzet niet op gericht was. De contacten zijn gelegd op initiatief van de pseudokoper [naam pseudokoper]. Het initiatief voor de uitvoer van verdovende middelen naar Zweden kwamen van [naam pseudokoper]. Indien [naam pseudokoper] niet ten tonele was verschenen, zou verdachte nooit zijn benaderd voor de uitvoer van drugs naar Zweden en zouden er daarover nooit besprekingen zijn gevoerd;

- er is sprake geweest van infiltratie. Na de aankoop van de ene kilo cocaïne is het traject van pseudokoop voortgezet. Er is geen sprake van een eenmalige inzet. Daarnaast wordt de pseudokoper [naam pseudokoper] als infiltrant aangeduid;

- de bevelen tot pseudokoop zijn op onjuiste gronden en onterecht afgegeven en er is onvoldoende toezicht gehouden op het onderzoek. Er waren tot 3 februari 2009 helemaal nog geen contacten gelegd met personen in de omgeving van de "groep [verdachte]", zodat de bevelen verlenging van 3 februari 2009 ten onrechte zijn afgegeven. Er is daarnaast door de officier van justitie onvoldoende toezicht gehouden op het handelen van de pseudokoper [naam pseudokoper];

- de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit zijn geschonden en er is sprake van willekeur. Het onderzoek is ontspoord en de afwegingen om over te gaan tot het toepassen van bijzondere opsporingsmethoden zijn alleen gemaakt om verdachte achter de tralies te krijgen.

Naar de mening van de raadsvrouw is niet voldaan aan de beginselen van een behoorlijke procesorde. Dit heeft tot gevolg dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging, althans dienen alle bewijsmiddelen die rechtstreeks voortvloeien uit de inzet van de pseudokopers van bewijs te worden uitgesloten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummers: 19.810353-09 en 18.630317-08

vonnis van de meervoudige strafkamer d.d. 8 oktober 2010 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [geboortedatum] 1970,

thans gedetineerd in [plaats van detentie].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 2 maart 2010, op 28 mei 2010, op 24 augustus 2010 en van 13 tot en met 16 september 2010 en is gesloten op 29 september 2020.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. S. van Dongen, advocaat te Rotterdam.

De tenlasteleggingen

De verdachte is ingevolge de ter terechtzitting van 13 september 2010 gevoegde zaken bij dagvaardingen tenlastegelegd, dat

Parketnummer: 19.810353-09

1.

hij op of omstreeks 01 februari 2009 om ongeveer 04.15 uur, in ieder geval

gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, te Assen in een woning aan/nabij

de [adres], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door

geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van

een hoeveelheid wiet, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan die [slachtoffer 1] of aan een derde,

- zich door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming en/of

(anderszins) met geweld de toegang hebben/heeft verschaft tot die woning

waarin die [slachtoffer 1] zich bevond en/of

- zich aan die [slachtoffer 1] hebben/heeft vertoond, waarbij verdachte en/of zijn

mededader(s) een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de

hand hebben/heeft gehad en/of

- zich aan die [slachtoffer] hebben/heeft vertoond, waarbij verdachte en/of zijn

mededader(s) een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp,

in de hand hebben/heeft gehad en/of

- dreigend tegen die [slachtoffer 1] hebben/heeft gezegd: "Wij willen wiet" en/of

nadat die [slachtoffer 1] had gezegd dat hij geen wiet had: "Je liegt, je liegt",

althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- in die woning op zoek zijn/is gegaan naar wiet, althans enig goed van

hun/zijn gading,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen,

ter zake dat

hij op of omstreeks 01 februari 2009 om ongeveer 04.15 uur, in ieder geval

gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, te Assen in een woning aan/nabij

de [adres], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een hoeveelheid wiet,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

die woning waarin die [slachtoffer 1] zich bevond, zijn/is binnengegaan en/of tegen

die [slachtoffer 1] hebben/heeft gezegd: "Wij willen wiet", althans woorden van gelijke

aard en/of strekking en/of in die woning op zoek zijn/is gegaan naar wiet,

althans enig goed van hun/zijn gading,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welke poging tot diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van

geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk

om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij

betrapping op heter daad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan het misdrijf

hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te

verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en)

dat verdachte en/of zijn medader(s)

- zich door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming en/of

(anderszins) met geweld de toegang hebben/heeft verschaft tot die woning

waarin die [slachtoffer 1] zich bevond en/of

- zich aan die [slachtoffer 1] hebben/heeft vertoond, waarbij verdachte en/of zijn

mededader(s) een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de

hand hebben/heeft gehad en/of

- zich aan die [slachtoffer 1] hebben/heeft vertoond, waarbij verdachte en/of zijn

mededader(s) een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp,

in de hand hebben/heeft gehad en/of

- nadat die [slachtoffer 1] had gezegd dat hij geen wiet had, dreigend tegen die [slachtoffer 1] hebben/heeft gezegd: "Je liegt, je liegt", althans woorden van gelijke

dreigende aard en/of strekking en/of

- bij het verlaten van die woning dreigend tegen die [slachtoffer 1] hebben/heeft

gezegd dat die [slachtoffer 1] op bed moest gaan liggen en/of dat die [slachtoffer 1] met

niemand mocht bellen en/of geen contact mocht opnemen met de politie, althans

woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 07 maart 2009 tussen ongeveer 00.00 en 02.00 uur, in ieder

geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, te Assen in een woning

aan/nabij de [adres], tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft

weggenomen een hoeveelheid goud/sieraden, een of meer laptop(s), een

geldbedrag en/of een hoeveelheid cocaïne, in elk geval enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of

vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2],

die aanwezig was in die woning, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor

te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heter daad

aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken,

hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke

bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s)

- zich met geweld de toegang tot die woning hebben/heeft verschaft, waarbij

verdachte en/of zijn mededader(s) (ieder) een pistool, althans een op een

vuurwapen gelijkend voorwerp, in de hand hebben/heeft gehad en/of

- dat pistool/voorwerp tegen het gezicht/hoofd van die [slachtoffer 2] hebben/heeft

gehouden, althans dat pistool/voorwerp op die [slachtoffer 2] hebben/heeft gericht

en/of

- die [slachtoffer 2] hebben/heeft gedwongen op zijn knieën op de vloer te gaan

zitten en/of

- die [slachtoffer 2] hebben/heeft gefouilleerd en/of

- die [slachtoffer 2] hebben/heeft gedwongen op de vloer te gaan liggen en/of

- tegen de nek van die [slachtoffer 2] hebben/heeft gedrukt en/of

- (meermalen) dat pistool/voorwerp op het hoofd van die [slachtoffer 2] hebben/heeft

gezet en/of

- de armen van die [slachtoffer 2] op diens rug hebben/heeft vastgebonden en/of

- die [slachtoffer 2] hebben/heeft meegetrokken naar de/een bovenverdieping van die

woning en/of

- die [slachtoffer 2] op die bovenverdieping op de vloer hebben/heeft gelegd en/of

- dreigend tegen die [slachtoffer 2] hebben/heeft gezegd: "Als je beweegt of

schreeuwt, dan schiet ik je hartstikke dood", althans woorden van gelijke

dreigende aard en/of strekking en/of

- de benen van die [slachtoffer 2] hebben/heeft vastgebonden;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen,

ter zake dat

hij op of omstreeks 07 maart 2009 tussen ongeveer 00.00 en 02.00 uur, in ieder

geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, te Assen in een woning

aan/nabij de [adres], tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk

te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft

gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid goud/sieraden, een of meer

laptop(s), een geldbedrag en/of een hoeveelheid cocaïne, in elk geval van enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] of aan een derde, welk

geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte

en/of zijn mededader(s)

- zich met geweld de toegang tot die woning hebben/heeft verschaft, waarbij

verdachte en/of zijn mededader(s) (ieder) een pistool, althans een op een

vuurwapen gelijkend voorwerp, in de hand hebben/heeft gehad en/of

- dat pistool/voorwerp tegen het gezicht/hoofd van die [slachtoffer 2] hebben/heeft

gehouden, althans dat pistool/voorwerp op die [slachtoffer 2] hebben/heeft gericht

en/of

- die [slachtoffer 2] hebben/heeft gedwongen op zijn knieën op de vloer te gaan

zitten en/of

- die [slachtoffer 2] hebben/heeft gefouilleerd en/of

- die [slachtoffer 2] hebben/heeft gedwongen op de vloer te gaan liggen en/of

- tegen de nek van die [slachtoffer 2] hebben/heeft gedrukt en/of

- (meermalen) dat pistool/voorwerp op het hoofd van die [slachtoffer 2] hebben/heeft

gezet en/of

- de armen van die [slachtoffer 2] op diens rug hebben/heeft vastgebonden en/of

- die [slachtoffer 2] hebben/heeft meegetrokken naar de/een bovenverdieping van die

woning en/of

- die [slachtoffer 2] op die bovenverdieping op de vloer hebben/heeft gelegd en/of

- dreigend tegen die [slachtoffer 2] hebben/heeft gezegd: "Als je beweegt of

schreeuwt, dan schiet ik je hartstikke dood", althans woorden van gelijke

dreigende aard en/of strekking en/of

- de benen van die [slachtoffer 2] hebben/heeft vastgebonden;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 19 januari 2009, althans in of omstreeks de maand januari

2009, te Assen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een

hoeveelheid hennep/wiet, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of

vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of

gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heter daad aan zichzelf en/of

aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van

het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld

hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s)

- de woning waarin die [slachtoffer 3] zich bevond aan/nabij de [adres], zijn/is

binnengedrongen/binnengegaan, waarbij zij/hij hun/zijn gezicht(en)

(gedeeltelijk) had(den) bedekt met een panty, althans textiel en/of

- een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, hebben/heeft

gericht op die [slachtoffer 3], althans dat pistool/voorwerp zichtbaar voor die

[slachtoffer 3] in de hand hebben/heeft gehouden en/of

- tegen die [slachtoffer 3] hebben/heeft geduwd en/of

- die [slachtoffer 3] met dat pistool/voorwerp in het gezicht, althans tegen het

hoofd hebben/heeft geslagen en/of

- die [slachtoffer 3] hebben/heeft gestompt en/of geslagen en/of geschopt en/of

- (tijdens het knippen van die hennep/wiet) die [slachtoffer 3] onder schot

hebben/heeft gehouden;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen,

ter zake dat

hij op of omstreeks 19 januari 2009, althans in of omstreeks de maand januari

2009, te Assen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te

bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 3] heeft

gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid hennep/wiet, in elk geval van

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] of aan een derde, welk

geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte

en/of zijn mededader(s)

- de woning waarin die [slachtoffer 3] zich bevond aan/nabij de [adres], zijn/is

binnengedrongen/binnengegaan, waarbij zij/hij hun/zijn gezicht(en)

(gedeeltelijk) had(den) bedekt met een panty, althans textiel en/of

- een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, hebben/heeft

gericht op die [slachtoffer 3], althans dat pistool/voorwerp zichtbaar voor die

[slachtoffer 3] in de hand hebben/heeft gehouden en/of

- tegen die [slachtoffer 3] hebben/heeft geduwd en/of

- die [slachtoffer 3] met dat pistool/voorwerp in het gezicht, althans tegen het

hoofd hebben/heeft geslagen en/of

- die [slachtoffer 3] hebben/heeft gestompt en/of geslagen en/of geschopt en/of

- (tijdens het knippen van die hennep/wiet) die [slachtoffer 3] onder schot

hebben/heeft gehouden;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 01 juni 2009 om ongeveer 03.25 uur, in ieder geval

gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, te Valthermond, althans in de

gemeente Borger-Odoorn in een woning aan/nabij de [adres], tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meer geldbedrag(en), een

of meer gsm('s), een hoeveelheid sieraden, een hoeveelheid kleding, sleutels,

een bankpasje en/of een hoeveelheid hennep/wiet, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6]

en/of [slachtoffer 7], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of

zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of

gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te

bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heter daad aan

zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken,

hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke

bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s)

- de woning waarin die [slachtoffer 4] en/of die [slachtoffer 5] en/of die [slachtoffer 6]

zich bevond(en), zijn/is binnengedrongen/binnengegaan waarbij zij/hun

hun/zijn gezicht(en) (gedeeltelijk) had(den) bedekt met een panty, althans

textiel en/of

- zich aan die [slachtoffer 4] en/of die [slachtoffer 5] en/of die [slachtoffer 6] hebben/heeft

vertoond terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) (een) vuurwapen(s),

althans op (een) vuurwapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en) in de hand

had(den) en/of

- die [slachtoffer 4] met een (vuur)wapen, althans een voorwerp, in het gezicht,

althans tegen het hoofd, hebben/heeft geslagen en/of

- die [slachtoffer 4] tegen de grond hebben/heeft gewerkt en/of

- die [slachtoffer 4] hebben/heeft gestompt en/of geslagen en/of geschopt en/of

- die [slachtoffer 4] hebben/heeft gedwongen/bevolen op z'n buik op de grond te

gaan liggen en/of

- die [slachtoffer 5] tegen de grond hebben/heeft gewerkt en/of

- hun/zijn voeten op de rug van die [slachtoffer 4] hebben/heeft gezet en/of

- dreigend tegen die [slachtoffer 4] hebben/heeft gezegd dat zij/hij geld wilde(n)

hebben, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- een (vuur)wapen tegen/nabij het hoofd van die [slachtoffer 4] hebben/heeft gehouden

en/of (vervolgens) dat wapen hebben/heeft doorgeladen en/of

- dreigend tegen die [slachtoffer 4] hebben/heeft gezegd dat ze deze met een mes

open zou(den) snijden, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of

strekking en/of

- dreigend tegen die [slachtoffer 4] hebben/heeft gezegd dat zij/hij meer geld

wilde(n) hebben, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking

en/of

- de handen/polsen van die [slachtoffer 4] (op diens rug) hebben/heeft geboeid en/of

- die [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] hebben/heeft vastgebonden (aan een verwarming)

en/of

- de borsten van die [slachtoffer 5] hebben/heeft ontbloot door haar shirt van

haar lichaam af te trekken en/of

- aan de kleding van die [slachtoffer 6] hebben/heeft getrokken en/of

- dreigend tegen die [slachtoffer 5] hebben/heeft gezegd: "Straks ga ik jou nog wel dood

(maken), maar eerst moet ik jouw man even regelen", althans woorden

van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- dreigend tegen die [slachtoffer 5] hebben/heeft gezegd: "Straks ga ik jou nog neuken,

maar eerst ga ik jouw man opereren. Ik ga een mes pakken en dan laat ik

je het zien en daarna ben jij aan de beurt", althans woorden van gelijke

dreigende aard en/of strekking en/of

- die [slachtoffer 5] (met een pistool/voorwerp) tegen het hoofd hebben/heeft

geslagen en/of

- die [slachtoffer 5] hebben/heeft geschopt en/of

- die [slachtoffer 6] met een pistool/voorwerp tegen het hoofd hebben/heeft

geslagen en/of

- dreigend tegen die [slachtoffer 6] hebben/heeft gezegd: "Je moet er niet

tegenin gaan anders krijg je een gat in je hoofd", althans woorden van

gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- die [slachtoffer 6] hebben/heeft geschopt en/of

- een pistool/vuurwapen tegen/nabij het hoofd van die [slachtoffer 5] en/of die [slachtoffer 6] hebben/heeft gehouden en/of

- dreigend tegen die [slachtoffer 5] hebben/heeft gezegd: "Ik schiet jou dood" en/of

"Nu stil jij, kankerwijf, of ik schiet jou dood", althans woorden van

gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- die [slachtoffer 6] en/of die [slachtoffer 5] hebben/heeft gedwongen/bevolen op de

grond te gaan liggen en/of

- de borsten van die [slachtoffer 6] hebben/heeft betast;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen,

ter zake dat

hij op of omstreeks 01 juni 2009 om ongeveer 03.25 uur, in ieder geval

gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, te Valthermond, althans in de

gemeente Borger-Odoorn in een woning aan/nabij de [adres], tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich

en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of

bedreiging met geweld [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] heeft

gedwongen tot de afgifte van een of meer geldbedrag(en), een of meer gsm('s),

een hoeveelheid sieraden, een hoeveelheid kleding, sleutels, een bankpasje

en/of een hoeveelheid hennep/wiet, in elk geval van enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7]

of aan een derde, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin

bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s)

- de woning waarin die [slachtoffer 4] en/of die [slachtoffer 5] en/of die [slachtoffer 6]

zich bevond(en), zijn/is binnengedrongen/binnengegaan waarbij zij/hun

hun/zijn gezicht(en) (gedeeltelijk) had(den) bedekt met een panty, althans

textiel en/of

- zich aan die [slachtoffer 4] en/of die [slachtoffer 5] en/of die [slachtoffer 6] hebben/heeft

vertoond terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) (een) vuurwapen(s),

althans op (een) vuurwapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en) in de hand

had(den) en/of

- die [slachtoffer 4 met een (vuur)wapen, althans een voorwerp, in het gezicht,

althans tegen het hoofd, hebben/heeft geslagen en/of

- die [slachtoffer 4] tegen de grond hebben/heeft gewerkt en/of

- die [slachtoffer 4] hebben/heeft gestompt en/of geslagen en/of geschopt en/of

- die [slachtoffer 4] hebben/heeft gedwongen/bevolen op z'n buik op de grond te

gaan liggen en/of

- die [slachtoffer 5] tegen de grond hebben/heeft gewerkt en/of

- hun/zijn voeten op de rug van die [slachtoffer 4] hebben/heeft gezet en/of

- dreigend tegen die [slachtoffer 4] hebben/heeft gezegd dat zij/hij geld wilde(n)

hebben, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- een (vuur)wapen tegen/nabij het hoofd van die [slachtoffer 4] hebben/heeft gehouden

en/of (vervolgens) dat wapen hebben/heeft doorgeladen en/of

- dreigend tegen die [slachtoffer 4] hebben/heeft gezegd dat ze deze met een mes

open zou(den) snijden, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of

strekking en/of

- dreigend tegen die [slachtoffer 4] hebben/heeft gezegd dat zij/hij meer geld

wilde(n) hebben, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking

en/of

- de handen/polsen van die [slachtoffer 4] (op diens rug) hebben/heeft geboeid en/of

- die [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] hebben/heeft vastgebonden (aan een verwarming)

en/of

- de borsten van die [slachtoffer 5] hebben/heeft ontbloot door haar shirt van

haar lichaam af te trekken en/of

- aan de kleding van die [slachtoffer 6] hebben/heeft getrokken en/of

- dreigend tegen die [slachtoffer 5] hebben/heeft gezegd: "Straks ga ik jou nog wel dood

(maken), maar eerst moet ik jouw man even regelen", althans woorden

van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- dreigend tegen die [slachtoffer 5] hebben/heeft gezegd: "Straks ga ik jou nog neuken,

maar eerst ga ik jouw man opereren. Ik ga een mes pakken en dan laat ik

je het zien en daarna ben jij aan de beurt", althans woorden van gelijke

dreigende aard en/of strekking en/of

- die [slachtoffer 5] (met een pistool/voorwerp) tegen het hoofd hebben/heeft

geslagen en/of

- die [slachtoffer 5] hebben/heeft geschopt en/of

- die [slachtoffer 6] met een pistool/voorwerp tegen het hoofd hebben/heeft

geslagen en/of

- dreigend tegen die [slachtoffer 6] hebben/heeft gezegd: "Je moet er niet

tegenin gaan anders krijg je een gat in je hoofd", althans woorden van

gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- die [slachtoffer 6] hebben/heeft geschopt en/of

- een pistool/vuurwapen tegen/nabij het hoofd van die [slachtoffer 5] en/of die [slachtoffer 6] hebben/heeft gehouden en/of

- dreigend tegen die [slachtoffer 5] hebben/heeft gezegd: "Ik schiet jou dood" en/of

"Nu stil jij, kankerwijf, of ik schiet jou dood", althans woorden van

gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- die [slachtoffer 6] en/of die [slachtoffer 5] hebben/heeft gedwongen/bevolen op de

grond te gaan liggen en/of

- de borsten van die [slachtoffer 6] hebben/heeft betast;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

Parketnummer: 18.630317-08

1.

hij op of omstreeks 9 juli 2009, in de gemeente Groningen, althans in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld

in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer 1000 gram, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel

als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens

het vijfde lid van artikel 3a van die wet, immers heeft verdachte opzettelijk

toen en aldaar tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, die ongeveer 1000 gram cocaine, althans die hoeveelheid van een

materiaal bevattende cocaine, ten vervoer, met bestemming naar het buitenland,

te weten Zweden, aan (een) perso(o)n(en) aangeboden;

art 2 ahf/ond A Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 5 Opiumwet

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 9 juli 2009, in de gemeente Groningen, althans in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in

elk geval aanwezig heeft gehad, ongeveer 1000 gram, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel

vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 9 juli 2009, in de gemeente Groningen, althans in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk telen,

bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren

en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een

materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel vermeld op de bij de

Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, een of meer

anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen

plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn

en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen

voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan hij en/of zijn mededader(s) wist(en) of

ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het

plegen van die feiten,

immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s),

toen en aldaar

- contacten gelegd en/of onderhouden met elkaar en/of met (een contactpersoon

van) de afzender(s)/leverancier(s) van die hoeveelheid cocaine, en/of

- besprekingen gevoerd en/of bijgewoond en/of afspraken gemaakt over aan wie

en op

welke plaats en op welk moment en op welke wijze die hoeveelheid cocaine

zou worden overgedragen en/of afgeleverd, en/of

- ten behoeve van onder meer de onderhandelingen en/of transport een auto

beschikbaar gesteld;

art 10a lid 1 ahf/sub 2 alinea Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

art 10 lid 5 Opiumwet

2.

hij in of omstreeks de periode van 13 augustus 2009 tot en met 16 september

2009, in de gemeente Groningen en/of Amsterdam, althans in Nederland, tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in

het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen,

bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren

en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een

materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel vermeld op de bij de

Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, een of meer

anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen

plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn

en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,

immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s),

toen en aldaar

- contacten gelegd en/of onderhouden met elkaar en/of met (een contactpersoon

van) de afzender(s)/leverancier(s) van die hoeveelheid cocaine, en/of

- besprekingen gevoerd en/of bijgewoond en/of afspraken gemaakt over aan wie

en op welke plaats en op welk moment en op welke wijze die hoeveelheid cocaine

zou worden overgedragen en/of afgeleverd;

art 10a lid 1 ahf/sub 1 alinea Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

art 10 lid 5 Opiumwet

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2009 tot en met 16 september 2009,

in de gemeente Groningen, een wapen van categorie II onder 3, te weten een

(dubbelloops) jacht/hagelgeweer, merk Breda, model Vega Lusso, en/of munitie

van categorie II en/of III, te weten twee hagelpatronen en/of 1 kogelpatroon 9

mm Luger voorhanden heeft gehad;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlasteleggingen worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

De rechtbank zal, waar in de tenlasteleggingen staat "verdachte en/of zijn mededader(s)" lezen alsof daar staat "verdachte en/of zijn medeverdachte(n)". De term mededader namelijk impliceert dat verdachte ook als dader moet worden aangemerkt, hetgeen in strijd is met de presumptie van onschuld: een verdachte dient tot aan het moment van onherroepelijke bewezenverklaring van het hem tenlastegelegde voor onschuldig te worden gehouden.

De vordering van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie, bij monde van de officieren van justitie mrs. H. Louwes en C. Westerling, acht hetgeen in de tenlastelegging met parketnummer 19.810353-09 onder 1. primair (poging tot medeplegen van diefstal met geweld aan [adres]), onder 2. primair (medeplegen van diefstal met geweld aan de [adres]), 3. primair (medeplegen van diefstal met geweld aan de [adres]), 4. primair (medeplegen van diefstal met geweld aan de [adres]) is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie mr. J.F. Severs acht hetgeen in de tenlastelegging met parketnummer 18.630317-08 onder 1. primair, onder 2 en onder 3 is tenlastegelegd eveneens wettig en overtuigend bewezen. Het openbaar ministerie vordert dat de rechtbank de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 JAREN.

Het openbaar ministerie verzoekt de rechtbank voorts om de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe te wijzen, alsmede een beslissing te nemen met betrekking tot de in beslag genomen goederen.

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Met betrekking tot de formele verweren zoals opgeworpen door de raadsvrouwe mr. Van Dongen in de Opiumzaak, overweegt de rechtbank het volgende.

Parketnummer: 18.630317-08

De raadsvrouwe van verdachte heeft gesteld dat er gedurende het langdurige onderzoek door politie en justitie de volgende grove fouten zijn gemaakt:

- verdachte is door de pseudokoper uitgelokt tot het plegen van strafbare feiten waar voordien zijn opzet niet op gericht was. De contacten zijn gelegd op initiatief van de pseudokoper [naam pseudokoper]. Het initiatief voor de uitvoer van verdovende middelen naar Zweden kwamen van [naam pseudokoper]. Indien [naam pseudokoper] niet ten tonele was verschenen, zou verdachte nooit zijn benaderd voor de uitvoer van drugs naar Zweden en zouden er daarover nooit besprekingen zijn gevoerd;

- er is sprake geweest van infiltratie. Na de aankoop van de ene kilo cocaïne is het traject van pseudokoop voortgezet. Er is geen sprake van een eenmalige inzet. Daarnaast wordt de pseudokoper [naam pseudokoper] als infiltrant aangeduid;

- de bevelen tot pseudokoop zijn op onjuiste gronden en onterecht afgegeven en er is onvoldoende toezicht gehouden op het onderzoek. Er waren tot 3 februari 2009 helemaal nog geen contacten gelegd met personen in de omgeving van de "groep [verdachte]", zodat de bevelen verlenging van 3 februari 2009 ten onrechte zijn afgegeven. Er is daarnaast door de officier van justitie onvoldoende toezicht gehouden op het handelen van de pseudokoper [naam pseudokoper];

- de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit zijn geschonden en er is sprake van willekeur. Het onderzoek is ontspoord en de afwegingen om over te gaan tot het toepassen van bijzondere opsporingsmethoden zijn alleen gemaakt om verdachte achter de tralies te krijgen.

Naar de mening van de raadsvrouw is niet voldaan aan de beginselen van een behoorlijke procesorde. Dit heeft tot gevolg dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging, althans dienen alle bewijsmiddelen die rechtstreeks voortvloeien uit de inzet van de pseudokopers van bewijs te worden uitgesloten.

Is er sprake van uitlokking?

De rechtbank stelt vast dat uit de processen-verbaal van bevindingen van de pseudokoper [naam pseudokoper] blijkt dat nadat het contact tussen de pseudokoper [naam pseudokoper] en verdachte tot stand was gekomen, verdachte aan [naam pseudokoper] heeft verteld dat hij al langer betrokken is bij de handel in cocaïne, dat hij in staat is om grote hoeveelheden te leveren en dat hij al contacten heeft die voor het vervoer van drugs van en naar het buitenland kunnen zorgen. De opzet van verdachte was er met andere woorden al vóór het contact met pseudokoper [pseudokoper] op gericht om grote partijen verdovende middelen uit te voeren. Uit die processen-verbaal van bevindingen blijkt immers onder meer dat door verdachte is verklaard dat hij vroeger veel zaken deed en dat hij toen wel 5 kilogram per week gelijk kon verkopen en dat hij nu niet meer dan 2 á 3 kilo inkoopt1, dat hij wel iedere week cocaïne kan leveren2, dat hij aan 10 kilo wit kan komen3, dat hij een oom heeft die kan zorgen voor vervoer van drugs en dat zijn oom er voor kan zorgen dat de drugs op een rechtstreekse vlucht naar Zweden worden geplaatst4, dat hij ook 10 kilo kan leveren5, dat hij een chef kende op Schiphol die dingen voor hem regelde en dat de leveranciers direct moeten worden betaald6, dat hij via een neef over 7 kilo kan beschikken7, dat hij een Colombiaan kent die 25 kilo kan leveren8 en dat de drugs overal naar toegebracht kunnen worden9.

Nu er geen reden is om aan te nemen dat de verklaringen van verdachte tegenover de pseudokoper [pseudokoper] onjuist zijn, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangenomen dat bij de tenuitvoerlegging van het bevel tot pseudokoop verdachte is gebracht tot andere strafbare feiten dan waarop diens opzet al van te voren was gericht. Daaraan doet onder de gegeven omstandigheden niet af dat het voorstel om verdovende middelen specifiek naar Zweden uit te voeren van de pseudokoper [pseudokoper] kwam.

Is er sprake van infiltratie?

Van infiltratie is sprake indien een opsporingsambtenaar deelneemt of medewerking verleent aan een groep van personen waarbinnen naar redelijkheid kan worden vermoed dat misdrijven worden beraamd of gepleegd.

De rechtbank is niet gebleken dat verdachte daadwerkelijk deel uitmaakte van een groep die misdrijven (ten aanzien van de uitvoer van verdovende middelen) pleegde of beraamde. De rechtbank gaat er van uit dat verdachte zijn handelingen met betrekking tot verdovende middelen niet in groepsverband, maar zelfstandig initieerde en verrichtte. Dat hij daarbij contacten onderhield met anderen (bijvoorbeeld leveranciers van verdovende middelen en personen die hem in verband met in- en uitvoer van drugs bepaalde diensten konden verlenen) doet daaraan niet af.

Weliswaar kan worden vastgesteld dat na de levering van de ene kilo cocaïne aan de pseudokoper er opnieuw is getracht een pseudokoop in Amsterdam te laten plaatsvinden. De rechtbank is echter van oordeel dat het bevel tot pseudokoop aanvankelijk was gericht op de levering van één partij cocaïne. Toen na de levering van de ene kilo cocaïne uit nieuwe CIE-informatie en telefoontaps bleek dat de verdachte [verdachte] nog steeds in drugs handelde, heeft er een hernieuwd contact plaatsgevonden tussen de pseudokoper [naam pseudokoper] en verdachte [verdachte] en is besloten om nog een keer een opdracht tot pseudokoop af te geven. Uiteindelijk is die beoogde volgende pseudokoop (in Amsterdam) niet doorgegaan. Van infiltratie is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

Evenmin leidt de relatie die de pseudokoper [naam pseudokoper] onderhield met [betrokkene] en zijn partner [betrokkene 2] tot de conclusie dat er sprake is van infiltratie. Naar het oordeel van de rechtbank was dat contact er slechts op gericht om in contact te komen met de verdachte [verdachte] en bij hem voldoende vertrouwen te wekken om tot de (eenmalige) verkoop van een partij cocaïne over te gaan. De omstandigheid dat de pseudokoper in het proces-verbaal ook als "infiltrant" wordt aangeduid leidt er naar het oordeel van de rechtbank ook niet toe dat er sprake is van infiltratie.

Zijn de bevelen onterecht afgegeven of is er onvoldoende toezicht gehouden op de uitvoering en invulling van de bevelen pseudoverkoop?

De rechtbank kan de raadsvrouwe niet volgen in haar verweer dat de bevelen verlenging van 3 februari 2009 op onjuiste gronden zijn afgegeven. Vaststaat dat het op 6 november 2008 afgegeven bevel pseudokoop slechts betrekking had op een beperkte periode. Omdat er in de periode tot 3 februari 2009 niet of slechts in heel beperkte mate contact is gelegd met "de groep [verdachte]", zijn die bevelen verlenging volgens de raadsvrouw op onjuiste gronden afgegeven. De rechtbank deelt dit standpunt van de raadsvrouw niet. De omstandigheid dat het bevel voor een beperkte periode is afgegeven duidt er juist op dat de officier van justitie heeft beoogd de vinger aan de pols te houden voor wat betreft de voortgang in het kader van het bewerkstelligen van de beoogde pseudokoop. Dat er in die beperkte periode nog geen noemenswaardige contacten met "de groep [verdachte]" zijn gelegd leidt er naar het oordeel van de rechtbank niet toe dat de bevelen verlenging op onjuiste gronden zijn afgegeven. Hierbij is van belang dat het aannemelijk is dat de pseudokoper tijd nodig heeft om contact met personen in "de groep [verdachte]" te leggen en om bij hen vertrouwen te winnen, zodat uiteindelijk wordt overgegaan tot de verkoop van een partij verdovende middelen. Dat er in het proces-verbaal voor de aanvraag een onjuistheid is opgenomen doet aan het oordeel van de rechtbank niet af.

Dat er, zoals de raadvrouwe stelt, voor de contacten en onderhandelingen over de levering van cocaïne met medeverdachte [medeverdachte] tot 6 april 2009 geen wettelijke basis zou zijn kan de rechtbank evenmin volgen. Naar het oordeel van de rechtbank valt niet in te zien waarom deze contacten niet vallen onder de door de officier al afgegeven en geldende bevelen. Daarnaast merkt de officier van justitie terecht op dat de contacten tussen [pseudokoper] en verdachte [verdachte] niet tot stand zijn gekomen door de [medeverdachte], maar op initiatief van [betrokkene].

Ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat door de officier van justitie onvoldoende regie of toezicht is gehouden op de activiteiten in het kader van het bewerkstelligen van een pseudokoop. In zijn conclusie van repliek heeft de officier van justitie gedetailleerd aangegeven welke regie en toezicht hij gedurende de activiteiten van de pseudokopers heeft uitgeoefend. Voor de rechtbank is er geen aanleiding aan de juistheid van dit overzicht te twijfelen. Evenmin is er reden om aan te nemen dat er in onvoldoende mate regie en het toezicht is geweest.

Zijn de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit geschonden?

Naar het oordeel van de rechtbank kon het openbaar ministerie in redelijkheid overgaan tot het toepassen van de toegepaste bijzondere opsporingsmethoden.

Uit de resultaten van de aanvankelijk ingezette klassieke opsporingsmethoden (telefoontaps en observaties) kwam naar voren dat verdachte [verdachte] veel samenkwam met anderen in de woning aan [adres] te Groningen, welk pand als uitvalsbasis diende voor de handel in verdovende middelen. Uit CIE-informatie bleek bovendien dat het ging om grote partijen verdovende middelen, waarbij ook sprake was van het ronselen van koeriers voor het vervoer van bolletjes vanuit de Antillen naar Nederland. Toen de klassieke opsporingsmethoden geen resultaat opleverden zijn de politie en het openbaar ministerie overgegaan tot toepassing van bijzondere opsporingsmethoden.

Naar het oordeel van de rechtbank is het toepassen van de gehanteerde bijzondere opsporingsmethoden en de wijze waarop deze methoden zijn uitgeoefend, onder gegeven omstandigheden, niet disproportioneel te achten. Evenmin is de rechtbank gebleken dat er in redelijkheid op een andere wijze tot verdere opsporing had kunnen worden overgegaan.

Dat het onderzoek er - zoals de raadsvrouwe stelt - enkel op was gericht om verdachte [verdachte] achter de tralies te krijgen mist feitelijke grondslag: Ook medeverdachten zijn vervolgd.

De rechtbank is niet gebleken dat het openbaar ministerie heeft gehandeld in strijd met de eisen van proportionaliteit en/of subsidiariteit. Evenmin is de rechtbank gebleken dat er sprake is van willekeur van de zijde van het openbaar ministerie in het kader van het onderzoek naar strafbare feiten gepleegd door verdachte (en medeverdachten) of de tegen hem ingezette vervolging.

De rechtbank verwerpt de verweren van de raadsvrouwe.

Vrijspraak

Parketnummer: 19.810353-09

De verdachte dient van het onder 1 en onder 3 tenlastegelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

Feit 1

Met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde feit (de overval aan [adres]) overweegt de rechtbank het volgende.

Op grond van de aangifte en de tegenover de verbalisanten afgelegde aanvullende verklaringen van dhr. [slachtoffer 1] gaat de rechtbank - zakelijk weergegeven en voor zover van belang - uit van het volgende:

[slachtoffer 1] wordt op 1 februari 2010 vlak na 4 uur in de morgen in zijn woning aan het [adres] te Assen wakker van lawaai. Hij staat op om te kijken wat er aan de hand is. Op de overloop ziet hij plotseling een man met een mes in zijn hand. In de hal ziet hij nog een man met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. De man met het mes spreekt hem aan en zegt:" Wij willen wiet". [slachtoffer 1] antwoordt hierop:"Ik heb geen wiet". Daarop zegt de man met het mes: "Je liegt, je liegt". Hij ziet in zijn woning nog twee andere mannen. De in de woning aanwezige mannen hebben een donkere huidskleur. De mannen lopen heen en weer door het huis. De man met het mes kijkt op zolder, nadat [slachtoffer 1] het luik van de vlizotrap naar zolder voor hem heeft geopend. De mannen geven aan dat ze informatie hebben dat [slachtoffer 1] wiet heeft. Ze vragen of de grijze auto die voor de deur van de woning staat van [slachtoffer 1] is. [slachtoffer 21] geeft aan dat deze niet hem is, maar van de overbuurman. De mannen komen er achter - zo leidt [slachtoffer 1] uit hun gedragingen en opmerkingen af - dat ze op het verkeerde adres zijn. Vlak voordat de mannen weggaan worden [slachtoffer 1] zijn autosleutels van beneden naar boven toegeworpen. Om ongeveer kwart voor 5 zijn de mannen vertrokken.

[slachtoffer 1] stelt na het vertrek van de mannen vast dat zij aan zijn portemonnee met geld hebben gezeten, die hij op de keukentafel had neergelegd. Deze portemonnee is nog aanwezig maar ligt na het vertrek van de mannen niet meer op dezelfde plek. Het geld zit nog in de portemonnee. [slachtoffer 1] mist niets uit zijn woning.

[slachtoffer 1], die al een jaar of acht de enige bewoner is van de woning aan het [adres], geeft in zijn aangifte aan dat hij geen wiet in zijn bezit heeft en ook nooit heeft gehad.

Verder denkt [slachtoffer 1] dat de mannen in zijn auto hebben gezeten, omdat hij na vertrek van de mannen vaststelt dat de deur aan de passagierszijde van de nog aanwezige auto niet meer op slot zit, het dashboardkastje openstaat en een in de auto aanwezige sleutel door hem op een andere plaats is gevonden.

[slachtoffer 1] geeft in zijn aangifte van de man met het mes en van de man met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp signalementen.

Uit de processtukken komt niet naar voren dat er zich in de woning van één van de buurtgenoten wiet of een hennepkwekerij heeft bevonden.

Door de verbalisanten worden [slachtoffer 1] foto's van verdachte [verdachte] en de medeverdachte [medeverdachte] getoond. Bij het zien van de foto van medeverdachte [medebverdachte] geeft hij aan dat dit één van de overvallers zou kunnen zijn. Als hem een foto van verdachte [verdachte] wordt getoond stelt hij dat deze man lijkt op een van de overvallers.

Tijdens het opsporingsonderzoek is communicatie met mobiele telefoons opgenomen. Het gaat dan onder meer om opgenomen gesprekken die werden gevoerd via een aansluiting met een zogenaamd IMEI-nummer dat in gebruik is bij de medeverdachte [medeverdachte]. Uit het naar aanleiding van dat onderzoek opgemaakte proces-verbaal10 blijkt dat met behulp van dit IMEI-nummer op 1 februari 2010 om 04:43:27 uur is getracht contact te leggen met een andere mobiele telefoon. Daarbij maakte het getapte toestel van medeverdachte [medeverdachte] gebruik van een mast gelegen aan de Stationsstraat te Assen. Het telefonische gesprek is niet tot stand gekomen. Wel is er op de opnames een achtergrondgesprek te horen. De verbalisanten geven aan dat dit gesprek plaatsvindt tussen verdachte [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte]. Zij herkennen hun stemmen. Het gesprek heeft - zakelijk weergeven - als inhoud dat er in een huis is gezocht en dat er niets is gevonden. Specifiek wordt in dat gesprek door - naar de verbalisanten stellen - verdachte [verdachte] gezegd dat hij ook op zolder was en dat daar ook niets is gevonden.

Vooropgesteld dient te worden dat de rechtbank bewezen acht dat het verdachte [verdachte] is geweest die samen met medeverdachte [medeverdachte] en anderen in de vroege ochtend van 1 februari 2010 wederrechtelijk de woning van het slachtoffer [slachtoffer 1] aan het [adres] te Assen is binnengedrongen en dat zij vervolgens die [slachtoffer 1] hebben bedreigd met een mes en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp.

De rechtbank baseert zich hierbij op het door [slachtoffer 1] gegeven signalement van twee van de personen die zijn woning zijn binnengedrongen, waarna hij bij het tonen van onderscheiden foto's van verdachte [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte] in beide gevallen aangeeft dat de persoon op de foto een van de overvallers zou kunnen zijn, in combinatie met het opgenomen achtergrondgesprek op het telefoonnummer van medeverdachte [medeverdachte]. Daarbij is van belang dat dit achtergrondgesprek plaats heeft gevonden in of in de omgeving van Assen, vlak nadat de personen de woning van [slachtoffer 1] hadden verlaten, terwijl de stemmen van [medeverdachte] en [verdachte] door de verbalisanten worden herkend. De inhoud van het achtergrondgesprek (het zoeken en niet vinden) sluit naadloos aan op de verklaring van [slachtoffer 1], waarin hij aangeeft dat de personen die zijn woning zijn binnengedrongen zochten naar wiet en dit niet hebben gevonden, omdat hij geen wiet in zijn bezit heeft. In het bijzonder valt in dit verband op dat [slachtoffer 1] aangeeft dat de man met het mes op zolder heeft gekeken en dat ook tijdens achtergrondgesprek wordt gesproken over het zoeken op zolder.

De hierboven omschreven strafbare gedragingen (het wederrechtelijk binnendringen van de woning en het bedreigen van [slachtoffer 1]) worden verdachte [verdachte] echter niet verweten. De officier van justitie heeft er voor gekozen om hem slechts te verwijten dat hij zich (samen met anderen) schuldig heeft gemaakt aan - zakelijk weergegeven - een poging om van [slachtoffer 1] een hoeveelheid wiet af te persen, althans een poging om (samen met anderen), met geweld of onder bedreiging van geweld tegen die [slachtoffer 1], een hoeveelheid wiet uit diens woning weg te nemen.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de hiervoor omschreven feiten en omstandigheden tot de conclusie leiden dat er sprake is van een absoluut ondeugdelijke poging. Bij positieve beantwoording van deze vraag is verdachte straffeloos, omdat niet bewezen kan worden dat sprake is van (een begin van) uitvoering. In dat geval dient vrijspraak te volgen.

Van een absoluut ondeugdelijke poging is sprake indien het feitelijk handelen van de verdachte hetzij vanwege het middel, hetzij vanwege het object, noch in concreto noch in abstracto, geschikt is om het uiteindelijk doel te bereiken. Het moet met andere woorden gaan om het handelen dat nooit tot het beoogde resultaat kan leiden. De absoluut ondeugdelijke poging moet worden onderscheiden van de relatief ondeugdelijke poging. Van een relatief ondeugdelijke poging is sprake indien het handelen van de verdachte normaliter wel het beoogde resultaat zou opleveren. In de laatste situatie kan (een begin van) uitvoering van het voorgenomen misdrijf wel worden aangenomen.

Op grond van de aangifte en aanvullende verklaringen van [slachtoffer 1] in onderlinge samenhang bezien met de inhoud van het opgenomen achtergrondgesprek en het tijdstip en de plaats van dat gesprek, gaat de rechtbank uit van het volgende:

Verdachte en zijn medeverdachten zijn de woning van [slachtoffer 1] binnengedrongen en hebben zijn woning doorzocht met de enkele intentie om daar (van [slachtoffer 1], althans uit zijn woning) wiet weg te nemen. Toen hen duidelijk werd dat in de woning van [slachtoffer 1] geen wiet aanwezig was, zijn ze vertrokken. Ze hebben niets weggenomen, hoewel ze daartoe wel gelegenheid hadden.

Uit de aangifte van [slachtoffer 1] blijkt dat hij zelf nimmer wiet voorhanden heeft gehad en dat hij geen betrokkenheid heeft en ook nooit heeft gehad bij wiet of een hennepkwekerij, op welke wijze dan ook. Ook acht de rechtbank aannemelijk dat er in zijn woning aan het [adres], in ieder geval gedurende de tijd (ongeveer acht jaar) dat hij daar heeft gewoond, ook nooit enige wiet, laat staan een hennepkwekerij, aanwezig is geweest. Daarnaast bevat het dossier geen gegevens waaruit kan worden afgeleid dat zich in de directe omgeving van de woning van [slachtoffer 1] (bijvoorbeeld in een woning van een buurtgenoot) een hoeveelheid wiet of een hennepkwekerij heeft bevonden.

De rechtbank stelt vast dat het voor verdachte en zijn medeverdachten volstrekt onmogelijk was om van [slachtoffer 1] wiet af te persen of uit zijn woning wiet weg te nemen. Er was onder de gegeven omstandigheden geen enkele reële kans dat de poging zou slagen, omdat het door verdachte en zijn medeverdachten gekozen object volstrekt ongeschikt was om het beoogde doel (het verkrijgen van wiet) te realiseren. Niet alleen was het voor verdachte en zijn medeverdachten in het onderhavige geval absoluut onmogelijk om van de persoon [slachtoffer 1] wiet af te persen of uit zijn woning wiet weg te nemen, ook moet naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat er normaliter geen sprake is van een reële kans dat na het binnendringen van een willekeurige (vergelijkbare) woning - al dan niet in de buurt van de woning van [slachtoffer 1] - in die woning of bij de bewoners weg te nemen wiet voorhanden is.

Nu er geen sprake is van uitvoering van het voorgenomen misdrijf van afpersing of diefstal met geweld of bedreiging met geweld, dient verdachte naar het oordeel van de rechtbank te worden vrijgesproken van zowel hetgeen hem onder feit 1. primair als subsidiair wordt verweten.

Feit 3

Met betrekking tot het onder 3 tenlastegelegde feit (de overval aan [adres] ) overweegt de rechtbank als volgt.

Op grond van het strafdossier met nummer 2009015706 van de politie Drenthe, district Noord, unit recherche Noord, met codenaam "Groen/Gaasp" en het verhandelde ter terechtzitting gaat de rechtbank uit van de navolgende feitelijke gang van zaken.

Op 19 januari 2009 heeft er in een woning aan de [adres] te Assen een diefstal met geweld plaatsgevonden door een aantal Antillianen waarbij een oogst hennep is buitgemaakt. De rechtbank gaat hiervan uit op grond van de verklaringen van [namen betrokkenen] die verklaren over onder meer de datum van de overval en de verklaringen van [namen betrokkenen] over de aanwezigheid van een hennepplantage in deze woning. [slachtoffer 3] was op het moment van de overval in de woning aanwezig. [slachtoffer 3] verklaart dat hij tegen middernacht de hond wilde gaan uitlaten en de deur open deed. Opeens stonden er vijf mannen binnen, een aantal met panty's over hun hoofd. Twee van de mannen duwden hem en één richtte een pistool op hem. Hij probeerde het pistool af te pakken, maar de man gaf hem een klap met dat pistool op het hoofd, boven zijn linkeroog. Daarna werd [slachtoffer 3] getrapt en geslagen. Hij kwam op de grond terecht en één van de mannen hield hem onder schot met een 9mm. De andere vier mannen gingen naar boven en roofden de hennep. Daarna zijn zij vertrokken, met achterlating van een rode koevoet. Volgens [slachtoffer 3] betrof het Antilliaanse mannen. Bij de politie noemt [slachtoffer 3] de man met het pistool "Scarface", bij de rechter-commissaris heeft hij het over "een raar gezicht". Als [slachtoffer 3] een aantal foto's worden getoond herkend hij verdachte [medeverdachte] (foto 18) als één van de overvallers die géén masker droeg11. Daarnaast herkent hij verdachte [verdachte] (foto 19) als degene die hem met een pistool op het hoofd heeft geslagen. De verklaring van [slachtoffer 3] wordt ondersteund door de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte] die verklaart dat hij op de avond van de 19e januari 2009 samen met medeverdachte [mede verdachte] bij [betrokkene] thuis is. [medeverdachte] gaf aan dat hij graag geld wilde verdienen en [medeverdachte] heeft hem toen verteld over de hennepplantage van [slachtoffer 2]. Hierop heeft [medeverdachte] gebruik gemaakt van de telefoons van [medeverdachte] en[betrokkene] en daarmee naar anderen gebeld. [medeverdachte] heeft gehoord dat er een afspraak werd gemaakt bij de McDonalds in Assen. Als [medeverdachte] en [medeverdachte] rond sluitingstijd bij McDonald's zijn aangekomen treffen zij daar "Rasta" die [medeverdachte] herkent als foto 16 ([medeverdachte]). "Rasta" is vervolgens in een groene Volkswagen Bora gaan zitten. Na een telefoongesprek van "Rasta" arriveren twee personen die [medeverdachte] herkent als [medeverdachte] (foto 18) en [verdachte] (foto 19) in een blauwe Mazda. [medeverdachte] heeft vervolgens [medeverdachte] naar de [adres] gebracht. De andere mannen volgden in een andere auto. [medeverdachte] heeft verklaard dat [medeverdachte] heeft gezegd dat hij "het goed zou maken met hem" waarmee hij bedoelde dat hij, [medeverdachte], iets zou krijgen voor zijn diensten. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat [medeverdachte] een grote rode koevoet onder zijn jas draagt en dat hij bij één van de andere mannen, die van foto 18 ([medeverdachte]), een vuurwapen heeft gezien. Nadat de mannen zijn uitgestapt is [medeverdachte] weggereden. Later heeft hij gehoord dat [slachtoffer 3] is overvallen. Hij heeft nog contact gehad met [medeverdachte] over "het goed maken", maar hij heeft nooit iets van [meedeverdachte] gekregen12.

Voornoemde verklaringen worden voorts ondersteund door de taps die zijn opgenomen in het onderzoek "Dauw", waaruit blijkt dat de verdachten [medeverdachten] op de avond van 19 januari 2009 telefonisch contact met elkaar hadden13. Om 21:52 uur wordt [medeverdachte] gebeld door een voor het team onbekende man. Gelet op de hiervoor aangehaalde verklaring van [medeverdachte] betreft het [medeverdachte] die op dat moment gebruik maakt van de telefoon van [medeverdachte]. [medeverdachte] zegt dan dat hij met een Marokkaanse vriend is, vraagt om het nummer van "[medeverdachte]" en zegt dat "Rasta" naar Assen moet komen. Later (om 22:19 uur) spreken zij ([medeverdachten]) af bij McDonalds in Assen. Om 22:46 uur belt [medeverdachte] ("Rasta") met [medeverdachte] en zegt dat hij in "A" is en dat [medeverdachte] meteen moet komen en dat hij met [betrokkene] moet komen. Omstreeks 23:12 uur is er weer contact tussen [medeverdachten] [medeverdachte] zegt dat hij er bijna is. [medeverdachte] vraagt waar "Rasta" is. "Rasta" zegt dat hij is waar de kinderen met de grote M eten. De telefoon straalt dan de telefoonmast aan het [adres] te Assen aan.

Ter terechtzitting van 14 september 2010 heeft verdachte [medeverdachte] desgevraagd verklaard dat hij een broer heeft die [naam] heet.

De rechtbank overweegt ten aanzien van verdachte [verdachte] dat de beschrijving die [slachtoffer 3] geeft van de persoon die hem een klap met het pistool op het hoofd geeft en die hij "Scarface" noemt, niet in overeenstemming is met het litteken dat [verdachte] heeft op zijn rechterwang. [slachtoffer 3] heeft bovendien verklaard dat hij over de persoon die hem onder schot heeft gehouden vóór het verhoor door de politie heeft gesproken met [slachtoffer 2]. Niet valt uit te sluiten dat de verklaring over "Scarface" en de fotoherkenning van [verdachte] door [slachtoffer 3] door dit gesprek met [slachtoffer 2] is beïnvloed. Nu de rechtbank de herkenning door [slachtoffer 3] niet als bewijs meeneemt, acht de rechtbank de enkele herkenning door [medeverdachte], die verdachte herkent als één van de mannen bij McDonalds onvoldoende. Hierbij acht de rechtbank van belang dat [medeverdachte] in dit kader heeft verklaard dat hij de persoon die hij herkend op foto 19 ([verdachte]) slechts een kort moment in het donker op een parkeerplaats in een auto heeft waargenomen, terwijl hij tevens aangeeft dat hij [verdachte] verder niet kent uit andere hoofde. De rechtbank is op grond van het hiervoor overwogene van oordeel dat zij niet de overtuiging heeft gekregen dat [verdachte] betrokken is geweest bij de overval in de [adres].

Parketnummer: 18.630317-08

Feit 3

Tijdens een doorzoeking van de woning aan de [adres] te Groningen op 16 september 2009, werd een dubbelloopjachtgeweer met afgezaagde loop met munitie gevonden in de meterkast. Het wapen en de patronen zijn onderzocht op DNA-sporen, dit heeft echter niets opgeleverd. Het openbaar ministerie heeft verdachte het voorhanden hebben van dit wapen tenlastegelegd op grond van de verklaring van de bewoonster van de woning dat verdachte [verdachte] sinds juli 2009 enkele nachten per week bij haar in de woning verbleef. Verdachte heeft ontkend dat hij iets met het wapen te maken heeft.

De rechtbank zal verdachte van het onder 3 tenlastegelegde vrijspreken, omdat zij dit niet wettig en overtuigend bewezen acht. De enkele omstandigheid dat het wapen is aangetroffen in een woning waar verdachte met enige regelmaat verblijft is onvoldoende om zijn betrokkenheid bij dat wapen aan te nemen. In dit verband is van belang dat naast de bewoonster en verdachte ook anderen (tijdelijk) in de woning verbleven.

Bewijsmotivering

Parketnummer: 19.810353-09

Op 20 april 2009 is door de afdeling recherche Noord van de politie Drenthe een onderzoek gestart naar een aantal diefstallen met geweld, gepleegd in de gemeente Assen. De overvallen hadden met elkaar gemeen dat zij werden gepleegd door een groep van personen veelal omschreven als van Antilliaanse afkomst, dat bij de overvallen gebruik werd gemaakt van (grof) geweld en vertoon van vuurwapens en dat de overvallers kennelijk uit waren op het buit maken van geld en verdovende middelen. Het onderzoek kreeg de codenaam "Groen". Op 1 juni 2009 wordt door een groep personen, onder wie een aantal van Antilliaanse afkomst, een diefstal door middel van geweld gepleegd op de bewoners van perceel [adres] te Valthermond. Aanvankelijk deed een rechercheteam van het district Zuid-Oost Drenthe onderzoek naar deze overval. Het onderzoek kreeg de codenaam "Gaasp". In een later stadium werden de teams "Groen" en "Gaasp" gevoegd tot één onderzoeksteam.

In het onderzoek Groen/Gaasp is gebruik gemaakt van onderzoeksgegevens uit het onderzoek "Dauw" van de districtsrecherche Noordoost van de regiopolitie Groningen, naar de handel in verdovende middelen, alsmede van onderzoeksgegevens uit het onderzoek "Nana" van de afdeling verdovende middelen van het district Noord van de regiopolitie Drenthe.

Feit 2: [adres] te Assen

Op grond van het strafdossier met nummer 2009015706 van de politie Drenthe, district Noord, unit recherche Noord, met codenaam "Groen/Gaasp" en het verhandelde ter terechtzitting gaat de rechtbank uit van de navolgende feitelijke gang van zaken.

(volgt beschrijving gang van zaken)

Uit voornoemde bewijsmiddelen blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat sprake was van een nauwe en volledige samenwerking tussen de verdachten en daarmee staat tevens vast dat sprake is van medeplegen. Verdachte [verdachte] is derhalve ook voor die daden die niet feitelijk door hemzelf, maar die door (een van) zijn medeverdachten (is) zijn verricht, aansprakelijk.

Feit 5: [adres] te Valthermond

Op grond van het strafdossier met nummer 2009015706 van de politie Drenthe, district Noord, unit recherche Noord, met codenaam "Groen/Gaasp" en het verhandelde ter terechtzitting gaat de rechtbank uit van de navolgende feitelijke gang van zaken.

(volgt beschrijving gang van zaken)

Uit het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, leidt de rechtbank af dat het aan verdachte onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht. Uit voornoemde bewijsmiddelen blijkt naar het oordeel van de rechtbank voorts dat sprake was van een nauwe en volledige samenwerking tussen de verdachten en daarmee staat tevens vast dat sprake is van medeplegen. Verdachte [verdachte] is derhalve ook voor die daden die niet feitelijk door hemzelf, maar die door (een van) zijn medeverdachten (is) zijn verricht, aansprakelijk.

Parketnummer: 18.630317-08

Feit 1 en 2

De raadsvrouwe van verdachte heeft als uitdrukkelijk onderbouwd standpunt vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder 1 en onder 2 tenlastegelegde feit, omdat voor deze feiten onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig zou zijn.

Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte nimmer de bedoeling heeft gehad om verdovende middelen te leveren aan de pseudokopers. Verdachte heeft slechts gedaan alsof hij verdovende middelen kon leveren, om zo [pseudokoper] op te lichten en de geldbedragen die bestemd waren voor de levering van verdovende middelen in handen te krijgen (een zogenaamde "ripdeal"). Verdachte heeft nimmer opzet gehad op het daadwerkelijk leveren van cocaïne aan [pseudokopers]. Voor wat betreft de levering van de cocaïne op 9 juli 2009 geldt dat verdachte deze nooit daadwerkelijk in handen heeft gehad. De kilo is geleverd door [leverancier], in samenwerking met [medewerker] en is in ontvangst genomen door pseudokoper [pseudokoper]. Deze heeft het geld overhandigd aan [leverancier]. Verdachte heeft nooit iets van het geld in handen gehad.

De rechtbank overweegt het volgende

Uit het proces-verbaal van de politie Groningen met dossiernummer 01NWR08007 d.d. 4 januari 2010 met codenaam DAUW blijkt de navolgende gang van zaken.

Op 8 juni 2008 is er door de politie van Delfzijl een opsporingsonderzoek ingesteld naar aanleiding van een gewapende overval op mensen in een woning in Delfzijl. Tijdens dat onderzoek kwamen processen-verbaal binnen van de CIE met informatie die betrekking had op een groep personen die mogelijk betrokken was bij deze overval. In die processen-verbaal werd telkens de naam [verdachte] genoemd. De CIE processen-verbaal vermeldden tevens dat deze groep zich bezig zou houden met de handel in harddrugs. In het onderzoek naar de handel in harddrugs zijn verschillende klassieke opsporingsmethoden toegepast waaronder het inzetten van een observatieteam en het plaatsen van telefoontaps. In het najaar van 2008 is besloten om tevens de bijzondere opsporingsbevoegdheden stelselmatige informatie-inwinning onder dekmantel (artikel 126j Wetboek van Strafvordering) en pseudokoop (artikel 126i Wetboek van Strafvordering) in te zetten. Een en ander heeft er toe geleid dat op 9 juli 2009 een kilo cocaïne is geleverd aan pseudokoper [naam]. De rechtbank acht op grond van de hieronder te vermelden bewijsmiddelen, bewezen dat het verdachte [verdachte] is geweest die (samen met medeverdachten) deze kilo cocaïne heeft geleverd. Ook na de levering op 9 juli 2009 is er contact geweest tussen verdachte [verdachte], zijn medeverdachten, en de pseudokopers over levering van een (grotere) hoeveelheid cocaïne. Deze levering is uiteindelijk niet doorgegaan en verdachte [verdachte] is op 16 september 2009 aangehouden.

De rechtbank baseert haar beoordeling op de volgende bewijsmiddelen.

(volgt vermelding bewijsmiddelen)

Bewezenverklaring

Parketnummer: 19.810353-09

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het onder 2 primair en onder 4 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2.

hij op 07 maart 2009 tussen ongeveer 00.00 en 02.00 uur, te Assen in een woning aan de [adres], tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid goud, laptops, een geldbedrag en een hoeveelheid cocaïne, toebehorende aan anderen dan aan verdachte en zijn mededaders, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2], die aanwezig was in die woning, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en zijn mededaders

- zich met geweld de toegang tot die woning hebben verschaft, waarbij verdachte en zijn mededaders een pistool, in de hand hebben gehad en

- dat pistool tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] hebben gehouden en

- die [slachtoffer 2] hebben gedwongen op zijn knieën op de vloer te gaan zitten en

- die [slachtoffer 2] hebben gefouilleerd en

- die [slachtoffer 2] hebben gedwongen op de vloer te gaan liggen en

- (meermalen) dat pistool op het hoofd van die [slachtoffer 2] hebben gezet en

- de armen van die [slachtoffer 2] op diens rug hebben vastgebonden en

- die [slachtoffer 2] hebben meegetrokken naar de bovenverdieping van die woning en

- die [slachtoffer 2] op die bovenverdieping op de vloer hebben gelegd en

- dreigend tegen die [slachtoffer 2] hebben gezegd: "Als je beweegt of schreeuwt, dan schiet ik je hartstikke dood" en

- de benen van die [slachtoffer 2] hebben vastgebonden;

4.

hij op 01 juni 2009 om ongeveer 03.25 uur, te Valthermond, in een woning aan de [adres], tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag, een hoeveelheid sieraden, een hoeveelheid kleding en een hoeveelheid hennep, toebehorende aan [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en zijn mededaders

- de woning waarin die [slachtoffers] zich bevonden, zijn binnengedrongen waarbij zij hun gezichten (gedeeltelijk) hadden bedekt met een panty, en

- zich aan die [slachtoffers] hebben vertoond terwijl verdachte en zijn mededaders vuurwapens in de hand hadden en

- die [slachtoffer 4] met een (vuur)wapen tegen het hoofd hebben geslagen en

- die [slachtoffer 4] tegen de grond hebben gewerkt en

- die [slachtoffer 4] hebben gestompt en geslagen en geschopt en

- die [slachtoffer 4] hebben gedwongen op z'n buik op de grond te gaan liggen en

- die [slachtoffer 5] tegen de grond hebben gewerkt en

- hun voeten op de rug van die [slachtoffer 4] hebben gezet en

- dreigend tegen die [slachtoffer 4] hebben gezegd dat zij geld wilden hebben en

- een (vuur)wapen tegen het hoofd van die [slachtoffer 4] hebben gehouden en (vervolgens) dat wapen hebben doorgeladen en

- dreigend tegen die [slachtoffer 4] hebben gezegd dat ze deze met een mes open zouden snijden en

- dreigend tegen die [slachtoffer 4] hebben gezegd dat zij meer geld wilden hebben, en

- de polsen van die [slachtoffer 4] (op diens rug) hebben geboeid en

- die [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] hebben vastgebonden (aan een verwarming) en

- de borsten van die [slachtoffer 5] hebben ontbloot door haar shirt van haar lichaam af te trekken en

- aan de kleding van die [slachtoffer 6] hebben getrokken en

- dreigend tegen die [slachtoffer 5] hebben gezegd: "Straks ga ik jou nog wel dood (maken), maar eerst moet ik jouw man even regelen", en

- dreigend tegen die [slachtoffer 5] hebben gezegd: "Straks ga ik jou nog neuken, maar eerst ga ik jouw man opereren. Ik ga een mes pakken en dan laat ik je het zien en daarna ben jij aan de beurt", en

- die [slachtoffer 5] (met een pistool) tegen het hoofd hebben geslagen en

- die [slachtoffer 6] met een pistool tegen het hoofd hebben geslagen en

- dreigend tegen die [slachtoffer 67] hebben gezegd: "Je moet er niet tegenin gaan anders krijg je een gat in je hoofd", en

- die [slachtoffer 6] hebben geschopt en

- een vuurwapen tegen het hoofd van die [slachtoffer 5] en die [slachtoffer 6] hebben gehouden en

- dreigend tegen die [slachtoffer 5] hebben gezegd: "Ik schiet jou dood" en "Nu stil jij, kankerwijf, of ik schiet jou dood", en

- die [slachtoffer 6] en die [slachtoffer 5] hebben gedwongen op de grond te gaan liggen en

- de borsten van die [slachtoffer 6] hebben betast.

Parketnummer: 18.630317-08

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 9 juli 2009, in de gemeente Groningen, tezamen en in vereniging met een ander,

opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer 1000 gram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, immers heeft verdachte opzettelijk toen en aldaar tezamen en in vereniging met een ander die ongeveer 1000 gram cocaïne, ten vervoer, met bestemming naar het buitenland, te weten Zweden, aan personen aangeboden;

2.

hij in de periode van 13 augustus 2009 tot en met 16 september 2009, in de gemeente Groningen en Amsterdam, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, vervoeren en buiten het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden, immers heeft verdachte toen en aldaar

- contacten gelegd en onderhouden met de leverancier van die hoeveelheid cocaïne, en

- besprekingen gevoerd en afspraken gemaakt over aan wie en op welke plaats en op welk moment en op welke wijze die hoeveelheid cocaïne zou worden afgeleverd.

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de bewezenverklaring. Elk bewijsmiddel is slechts gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdachte zal van het onder meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificaties

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op:

Parketnummer: 19.810353-09

onder 2. primair: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, in de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning,

strafbaar gesteld bij artikel 310 juncto 312 van het Wetboek van Strafrecht;

onder 4. primair: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, in de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning,

strafbaar gesteld bij artikel 310 juncto 312 van het Wetboek van Strafrecht;

Parketnummer: 18.630317-08

onder 1. primair: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder A van de Opiumwet gegeven verbod,

strafbaar gesteld bij artikel 10 van de Opiumwet;

onder 2: een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voorbereiden of bevorderen,

strafbaar gesteld bij artikel 10a van de Opiumwet.

Strafbaarheid

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straf in aanmerking: de aard en de ernst van de gepleegde feiten; de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan; hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte; de eis van de officier van justitie; het pleidooi van de raadsvrouwe van de verdachte; de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 31 augustus 2010, waaruit blijkt dat de verdachte eerder ter zake van misdrijven is veroordeeld, alsmede het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport.

De rechtbank heeft voorts in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de levering van cocaïne bedoeld voor de export en de voorbereiding van internationale handel in cocaïne van nog grotere omvang. De rechtbank overweegt dat de handel in verdovende middelen bij wet strafbaar is gesteld om de volksgezondheid te beschermen. Het is een feit van algemene bekendheid dat drugsgebruik ernstige schade berokkent aan de gebruikers daarvan en dat het kan leiden tot ernstige verslavingsproblematiek met alle daarmee samenhangende onwenselijke gevolgen voor de gebruiker en voor de samenleving. Drugsgebruik en drugshandel gaan immers meestal gepaard met andere vormen van gewelds- en vermogens- criminaliteit.

De rechtbank heeft gelet op de omvang van de bewezen verklaarde drugshandel en de rol van verdachte daarin. Verdachte heeft een aanzienlijke hoeveelheid cocaïne geleverd voor de uitvoer naar Zweden en heeft bovendien de levering van meerdere kilo's voorbereid. In dit geheel heeft hij een sturende rol gespeeld. Verdachte heeft zich voorts gedurende het onderzoek voortdurend beroepen op zijn zwijgrecht en ter terechtzitting slechts verklaard dat hij niets met drugs te maken heeft. Hij heeft geen enkel inzicht gegeven in hoe hij aan de drugs kon komen, in een eventuele op de achtergrond opererende organisatie, noch in zijn rol bij een en ander.

Verdachte is voorts schuldig bevonden aan het medeplegen van een aantal -zeer gewelddadige- overvallen op woningen. Ook met betrekking tot deze feiten heeft verdachte er het zwijgen toe gedaan en enkel ter terechtzitting verklaard "dat hij geen overvallen doet". De rechtbank denkt daar, zoals hiervoor uiteen gezet, anders over en zij rekent verdachte voornoemde feiten zwaar aan.

De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat in dit geval een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden is.

De rechtbank komt daarbij tot een gevangenisstraf van kortere duur dan door het openbaar ministerie is gevorderd op grond van het feit dat verdachte van een aantal overvallen wordt vrijgesproken.

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

De heer [slachtoffer 1] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend ten bedrage van € 1000,00 immateriële schade en € 16,10 materiële schade.

De rechtbank acht het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan niet bewezen. De benadeelde partij zal derhalve niet ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering en hij kan zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Motivering van de maatregel onttrekking aan het verkeer

De rechtbank acht de in beslag genomen voorwerpen, te weten een dubbelloops jachtgeweer en drie stuks patronen, vatbaar voor onttrekking aan het verkeer aangezien deze voorwerpen zijn aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar door verdachte begane strafbare feiten en het ongecontroleerde bezit van de betreffende voorwerpen in strijd is met de wet.

Bewaring ten behoeve van de rechthebbende

Nu met betrekking tot de in beslag genomen voorwerpen te weten een Australisch paspoort ten name van [tenaamgestelde 1] en een rijbewijs ten name van [tenaamgestelde 2], thans geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt, zal de rechtbank de bewaring van die voorwerpen ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 27, 47, 310, 312 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede de artikelen 3, 10 en 10a van de Opiumwet.

Beslissing van de rechtbank

Parketnummer: 19.810353-09

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1. en onder 3. is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank verklaart bewezen dat het onder 2. primair en onder 4. primair tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven zijn vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2. en onder 4. meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Parketnummer: 18.630317-08

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 3. is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank verklaart bewezen dat het onder 1. primair en onder 2. tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven zijn vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1. en onder 2. meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (ACHT) JAREN.

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De rechtbank verklaart onttrokken aan het verkeer de navolgende in beslag genomen voorwerpen:

- een dubbelloops jachtgeweer en drie patronen.

De rechtbank gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de navolgende in beslag genomen voorwerpen:

- een Australisch paspoort ten name van tenaamgestelde 1] en een rijbewijs ten name van [tenaamgestelde 2].

De rechtbank gelast de teruggave aan verdachte van de navolgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen:

- een televisie en een reisdocument van Gerard Borgeld reizen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet ontvankelijk is in zijn vordering en dat hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. De benadeelde partij en de verdachte dragen in dat geval de eigen kosten.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.H.A. Fransen, voorzitter en mrs. B.I. Klaassens en H.R. Bracht, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.D. Vermeer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 8 oktober 2010, zijnde mr. Bracht buiten staat dit vonnis binnen de daarvoor gestelde termijn mede te ondertekenen.