Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2010:BN5596

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
31-08-2010
Datum publicatie
31-08-2010
Zaaknummer
19.605084-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

werkstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf voor voetbalsupporter wegens geweld tegen politieambtenaren op NS-station Coevorden op 08 november 2009.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19.605084-10

Vonnis van de meervoudige strafkamer d.d. 31 augustus 2010 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[naam],

geboren [datum] 1989,

wonende [adres] Aalten.

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 17 augustus 2010.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.G. Doornbos, advocaat te Assen.

Tenlastelegging

De verdachte is ingevolge de ter terechtzitting gewijzigde tenlastelegging bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

hij op of omstreeks 08 november 2009 in de gemeente Coevorden met een ander of anderen, op of aan een openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten het Centraal Station, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen politieambtenaren, [ sl 1. t/m 13], gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, welk geweld bestond uit het schoppen en/of slaan en/of gooien met (bier-) flessen en/of (bier-)blikjes en/of stenen, althans harde voorwerpen en/of het zich (na aftellen) opdringen aan die politieambtenaren en/of spugen en/of schelden/schreeuwen;

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

De eis van officier van justitie

De officier van justitie mr. G. Wilbrink acht hetgeen is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank als volgt zal beslissen:

? een werkstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis;

? 1 maand gevangenisstraf voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren;

hoofdelijke toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [ 1 t/m 13],

alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

? niet ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij [sl.14].

?

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Verweer ten aanzien van ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman van verdachte heeft -kort zakelijk weergeven- aangevoerd dat:

- er geen communicatie tijdens de treinreis en op het station in Coevorden was met de supporters en dat de supporters met geweld de trein zijn ingeslagen;

- de Aanwijzing door het College van Procureurs-Generaal in zake bestrijding voetbalvandalisme en -geweld van 6 november 2006, Staatscourant 22 november 2006, nummer 228, niet is nageleefd;

- er maar 6 willekeurig uitgekozen verdachten (van in totaal 150) worden berecht en stadionverboden hebben opgelegd gekregen en dat alleen zij voor de civiele vorderingen moeten opdraaien;

- de toegepaste fotoconfrontatie ondeugdelijk is.

De raadsman van verdachte heeft geconcludeerd dat het Openbaar Ministerie door bovengenoemde gang van zaken niet ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging.

De rechtbank is uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat een grote groep supporters van De Graafschap uit Doetinchem, waaronder verdachte, voor het bijwonen van een voetbalwedstrijd met de trein onderweg was naar Emmen. Op het station in Coevorden waren politiemensen aanwezig die wilden voorkomen dat de supporters de trein zouden verlaten en zich naar het centrum van Coevorden zouden begeven. Voor de supporters moet dit ook duidelijk zijn geweest, nu zij zich -na aftellen- met geweld door de door politie gevormde linie probeerden te breken. Door de supporters werd niet geschuwd geweld tegen de aanwezige politiemensen te gebruiken, zoals blijkt uit het slaan, schoppen en gooien van bierflessen- en blikken naar deze politiemensen. De politie was genoodzaakt om ter bescherming van zichzelf en ter handhaving van de openbare orde geweld te gebruiken.

De rechtbank is op grond van geschetste gang van zaken van oordeel, dat er geen (communicatie)misverstand bij verdachte kon bestaan omtrent hetgeen de politie van de supporters wilde, namelijk niet de trein uitgaan en zich niet begeven richting het centrum van Coevorden. Tevens was het, gelet op de situatie ter plaatse, door de politie toegepaste geweld gepast en niet disproportioneel en werd de door de raadsman aangehaalde Aanwijzing van de Procureurs-Generaal niet geschonden.

De rechtbank is gebleken dat de officier van justitie maar voor 8 personen, waaronder verdachte, voldoende (wettig) bewijs aanwezig heeft geacht om tot een vervolging te komen. De overige supporters worden derhalve door de officier van justitie niet vervolgd. De rechtbank is van oordeel dat door de vervolging van verdachte geen sprake is van willekeur of dat het OM misbruik heeft gemaakt van zijn vervolgingsmonopolie.

Tenslotte is de rechtbank van oordeel dat de wijze waarop in casu de fotoconfrontatie is uitgevoerd niet de ontvankelijk van de officier van justitie raakt, maar eventueel bewijsuitsluiting tot gevolg kan hebben.

De rechtbank is op grond van vorenstaande van oordeel dat het verweer van de raadsman dient te worden verworpen en dat de officier van justitie kan worden ontvangen in de vervolging.

Bijzondere bewijsoverwegingen

De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat de enkele herkenning van de verdachte(n) van de zes getoonde foto’s van de reeds aangehouden verdachten voor het bewijs dient te worden uitgesloten, nu de regels omtrent de wijze waarop een fotoselectie- en confrontatie dient plaats te vinden niet zijn nageleefd.

De rechtbank is wel van oordeel dat deze foto’s in samenhang kunnen worden gebruikt, indien herkenning van verdachte(n) door verbalisanten voorheen (op heterdaad) reeds heeft plaatsgevonden en/of het reeds opgegeven signalement overduidelijk overeenkomt met de beeltenis van de persoon op de daarna gemaakte foto.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verdachte in juridische zin als medepleger van openlijke geweldpleging kan worden aangemerkt. Uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen blijkt dat door een groep (De Graafschap-supporters) openlijk geweld is gepleegd, bestaande dat geweld uit het schoppen en slaan en gooien met bierflessen en bier-blikjes en het zich (na aftellen) opdringen aan politieambtenaren. Verdachte verklaart zelf dat hij bij deze groep op het perron heeft gestaan terwijl het geweld plaatsvond. Tevens heeft getuige [sl. 8] verdachte herkend als degene die zelf geweld tegen politieambtenaren heeft gebruikt (schoppen en slaan).

Bewijsconstructie

Overeenkomstig de nader op te nemen bewijsmiddelen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 08 november 2009 in de gemeente Coevorden met anderen, op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten het Centraal Station, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen politieambtenaren, [1 t/m 13], gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, welk geweld bestond uit het schoppen en slaan en gooien met bierflessen en bier-blikjes en het zich (na aftellen) opdringen aan die politieambtenaren.

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de bewezenverklaring.

De verdachte zal van het meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen,

strafbaar gesteld bij artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straffen in aanmerking, de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit feit is begaan, hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte (waaronder de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 28 juli 2010, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder ter zake van een misdrijf is veroordeeld), de eis van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman van de verdachte.

De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij heeft deelgenomen aan het plegen van openlijk geweld tegen een aantal -getalsmatig in de minderheid zijnde- politieambtenaren gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediending. Het gepleegde geweld - het schoppen, slaan, gooien met (volle) bierflessen en -blikken en het (na aftellen) opdringen aan die politiemensen- dient als ernstig te worden gekwalificeerd. De getoonde verbale en/of fysieke agressie heeft grote impact (gehad) op de betrokken politieambtenaren, zoals ook blijkt uit de ter zitting afgelegde verklaringen van de slachtoffers [ sl 1 en 7] en de inhoud van de voegingsformulieren van de benadeelde partijen. Verdachte heeft zich bij de gepleegde geweldpleging niet onbetuigd gelaten door te schoppen, te slaan en te schelden.

De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat in dit geval -overeenkomstig de eis van de officier van justitie- een taakstraf in de vorm van een werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf geboden is. De rechtbank vindt mede naar aanleiding van het feit dat -in tegenstelling tot verdachte- een groot aantal supporters niet worden vervolgd ter zake van deze geweldpleging, aanleiding het aantal te werken uren iets te minderen.

Vorderingen van de benadeelde partijen [ 1 t/m 13]

De politieambtenaren die betrokken waren bij het openlijk geweld en tegen wie dit geweld was gericht hebben een vordering tot vergoeding van immateriële schade en in een aantal gevallen bovendien materiële schade ingediend. De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of er aanleiding is tot het toekennen van vergoeding van immateriële schade in een zaak als deze. De rechtbank sluit zich aan bij de overwegingen van het Gerechtshof Leeuwarden (arrest van 27-7-2005, NJ 2005,460) en overweegt als volgt: Politieambtenaren zullen in beginsel beter dan anderen zijn opgewassen tegen (de gevolgen van) tot hen gerichte agressie. Bij de selectie en opleiding komen stressbestendigheid en het kunnen/leren omgaan met geweld aan de orde. Zij worden daarin getraind. Vaststaat voorts dat politieambtenaren door en tijdens hun functievervulling — meer dan een willekeurig ander persoon — worden geconfronteerd met agressie, hetgeen maakt dat er bij hen een zekere gehardheid zal optreden. Een zekere gehardheid is onmisbaar in de juiste uitoefening van de politietaak. In zoverre worden aan politieambtenaren soms hogere eisen gesteld dan aan een ‘gewone’ burger die niet over die opleiding, ervaring en gehardheid beschikt. Dit echter brengt niet met zich dat politieambtenaren tijdens hun functievervulling niet in de situatie kunnen geraken dat zij (immateriële) schade lijden en die schade als benadeelde partij kunnen vorderen.

Gelet op de omstandigheid dat de betreffende politieambtenaren werden geconfronteerd met een massale tegen hen gerichte agressie, waarbij zij ver in de minderheid waren, waarbij zij zijn geschopt en geslagen of waarbij werd getracht hen te schoppen en te slaan en waarbij ze werden bekogeld met blikken en flessen acht de rechtbank aannemelijk dat zij als gevolg daarvan immateriële schade hebben geleden en in een aantal gevallen ook materiële schade.

Vervolgens rijst de vraag of de vordering van voldoende eenvoudig aard is om voor toewijzing in aanmerking te komen. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

In het algemeen zijn plegers van openlijk geweld hoofdelijk aansprakelijk voor het gehele bedrag van de schade die door het openlijk geweld is veroorzaakt. De rechtbank ziet in de omstandigheden van het geval echter aanleiding van dit uitgangspunt af te wijken. Er is sprake geweest van massaal geweld van een grote groep voetbalsupporters van ca 150 personen tegen politieambtenaren. Hoewel alle tot deze groep behorende personen in eerste instantie zijn aangehouden en van allen de personalia zijn genoteerd, is slechts tegen een zeer klein deel van deze groep, acht personen, vervolging ingesteld. De vordering benadeelde partij is dus ook slechts gericht op een zeer klein deel van de werkelijke plegers van het geweld. Voorts blijkt overduidelijk uit het dossier dat degenen die thans voor dit openlijk geweld zijn vervolgd niet de enigen zijn die actief hebben meegedaan aan dit openlijk geweld. Evenmin is gebleken dat hiermee de “harde kern” van de geweldplegende voetbalsupporters is aangepakt. Op grond van deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het in strijd komt met de redelijkheid en billijkheid indien de thans vervolgde verdachten hoofdelijk aansprakelijk zouden worden geacht voor de totale schade. Het is vervolgens niet eenvoudig om vast te stellen op welke wijze de schade dan wel verdeeld zou moeten worden.

Op grond van deze omstandigheid komt de rechtbank tot het oordeel dat de vordering tot schadevergoeding niet eenvoudig van aard is en niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Vordering van de benadeelde partij [sl. 14]

De rechtbank acht het causaal verband tussen het bewezen verklaarde feit (geweld tegen personen) en de schade (veroorzaakt door geweld tegen goederen) niet bewezen. De benadeelde partij zal niet ontvankelijk worden verklaard in haar vordering en zij kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart bewezen dat het tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het strafbare feit zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot

- een taakstraf bestaande uit 160 uren werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid met bevel dat, voor het geval de verdachte deze werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 80 dagen zal worden toegepast. De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren arbeid per dag voor de in verzekering doorgebrachte dagen;

- een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De rechtbank beveelt, dat deze voorwaardelijk opgelegde straf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partijen, [ sl. 1 t/m 14], niet ontvankelijk zijn in hun vorderingen en dat zij hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen. De benadeelde partijen en de verdachte dragen de eigen kosten.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Schoemaker, voorzitter en mr. B.I. Klaassens en

mr. H.T. van Voorst, rechters in tegenwoordigheid van J. Hoogeveen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 31 augustus 2010, zijnde

mr. Klaassens buiten staat dit vonnis binnen de door de wet gestelde termijn mede te ondertekenen.