Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2010:BN5582

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
31-08-2010
Datum publicatie
31-08-2010
Zaaknummer
19.605088-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

werkstraf voor geweld voetbalsupporters tegen politieambtenaren op NS-station te Coevorden op 08 november 2009.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19.605088-10

vonnis van de meervoudige strafkamer d.d. 31 augustus 2010 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [datum] 1987,

wonende [adres] Doetinchem.

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 17 augustus 2010.

Tegen de niet verschenen verdachte is verstek verleend.

Tenlastelegging

De verdachte is ingevolge de ter terechtzitting gewijzigde tenlastelegging bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

hij op of omstreeks 08 november 2009 in de gemeente Coevorden met een ander of anderen, op of aan een openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten het Centraal Station, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen politieambtenaren, [sl. 1 t/m 13], gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, welk geweld bestond uit het schoppen en/of slaan en/of gooien met (bier-) flessen en/of (bier-)blikjes en/of stenen, althans harde voorwerpen en/of het zich (na aftellen) opdringen aan die politieambtenaren en/of spugen en/of schelden/schreeuwen; art 141 lid 1 Wetboek van strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 08 november 2009 in de gemeente Coevorden tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk beledigend (een) ambtena(a)r(en), te weten [sl. 1, 2 en 6], gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, heeft bespuugd en/of in diens/dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "kankermongolen" en/of "kankerhonden, vuile teringlijer", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of

strekking;

art 266 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 267 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

De eis van officier van justitie

De officier van justitie mr. G. Wilbrink acht hetgeen primair is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank als volgt zal beslissen:

? een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis;

? 1 maand gevangenisstraf voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren;

hoofdelijke toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [sl. 1 t/m 13],

alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

? niet ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij [sl. 14].

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Bijzondere bewijsoverwegingen

De rechtbank is van oordeel dat de enkele herkenning van de verdachte(n) van de zes getoonde foto’s van de reeds aangehouden verdachten voor het bewijs dient te worden uitgesloten, nu de regels omtrent de wijze waarop een fotoselectie- en confrontatie dient plaats te vinden niet zijn nageleefd.

De rechtbank is wel van oordeel dat deze foto’s in samenhang kunnen worden gebruikt, indien herkenning van verdachte(n) door verbalisanten voorheen (op heterdaad) reeds heeft plaatsgevonden en/of het reeds opgegeven signalement overduidelijk overeenkomt met de beeltenis van de persoon op de daarna gemaakte foto.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verdachte in juridische zin als medepleger van openlijke geweldpleging kan worden aangemerkt. Uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen blijkt dat door een groep (De Graafschap-supporters) openlijk geweld is gepleegd, bestaande dat geweld uit het schoppen en slaan en gooien met bierflessen en bier-blikjes en het zich (na aftellen) opdringen aan politieambtenaren. Verdachte verklaart zelf dat hij met de supporters is meegereisd en terwijl het geweld plaatsvond een politieambtenaar in het gezicht heeft gespuugd. Tevens hebben politieambtenaren [sl. 2] en [ sl. 6] verdachte herkend als degene die hun heeft gespuugd. De rechtbank acht het spugen door verdachte een significante bijdrage aan de openlijke geweldpleging.

Bewijsconstructie

Overeenkomstig de nader op te nemen bewijsmiddelen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 08 november 2009 in de gemeente Coevorden met anderen, op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten het Centraal Station, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen politieambtenaren, [sl. 1 t/m 13], gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, welk geweld bestond uit het schoppen en slaan en gooien met bierflessen en bier-blikjes en het zich (na aftellen) opdringen aan die politieambtenaren.

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de bewezenverklaring.

De verdachte zal van het primair meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificatie

Het primair bewezen verklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen,

strafbaar gesteld bij artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straf in aanmerking, de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit feit is begaan, hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte (waaronder de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 28 juli 2010, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder ter zake van een misdrijf is veroordeeld) en de eis van de officier van justitie.

De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij heeft deelgenomen aan het plegen van openlijk geweld tegen een aantal -getalsmatig in de minderheid zijnde- politieambtenaren gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediending. Het gepleegde geweld - het schoppen, slaan, gooien met (volle) bierflessen en -blikken en het (na aftellen) opdringen aan die politiemensen- dient als ernstig te worden gekwalificeerd. De getoonde verbale en/of fysieke agressie heeft grote impact (gehad) op de betrokken politieambtenaren, zoals ook blijkt uit de inhoud van de voegingsformulieren van de benadeelde partijen. Verdachte heeft zich bij de gepleegde geweldpleging niet onbetuigd gelaten door te spugen.

De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat in dit geval -anders dan de eis van de officier van justitie- kan worden volstaan met een taakstraf in de vorm van een werkstraf. De rechtbank vindt de rol van verdachte bij de geweldpleging kleiner dan die van andere verdachten en de rechtbank laat ook in positieve zin meewegen dat verdachte zichzelf bij de politie heeft gemeld.

Vorderingen van de benadeelde partijen [sl. 1 t/m 13]

De politieambtenaren die betrokken waren bij het openlijk geweld en tegen wie dit geweld was gericht hebben een vordering tot vergoeding van immateriële schade en in een aantal gevallen bovendien materiële schade ingediend. De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of er aanleiding is tot het toekennen van vergoeding van immateriële schade in een zaak als deze. De rechtbank sluit zich aan bij de overwegingen van het Gerechtshof Leeuwarden (arrest van 27-7-2005, NJ 2005,460) en overweegt als volgt: Politieambtenaren zullen in beginsel beter dan anderen zijn opgewassen tegen (de gevolgen van) tot hen gerichte agressie. Bij de selectie en opleiding komen stressbestendigheid en het kunnen/leren omgaan met geweld aan de orde. Zij worden daarin getraind. Vaststaat voorts dat politieambtenaren door en tijdens hun functievervulling — meer dan een willekeurig ander persoon — worden geconfronteerd met agressie, hetgeen maakt dat er bij hen een zekere gehardheid zal optreden. Een zekere gehardheid is onmisbaar in de juiste uitoefening van de politietaak. In zoverre worden aan politieambtenaren soms hogere eisen gesteld dan aan een ‘gewone’ burger die niet over die opleiding, ervaring en gehardheid beschikt. Dit echter brengt niet met zich dat politieambtenaren tijdens hun functievervulling niet in de situatie kunnen geraken dat zij (immateriële) schade lijden en die schade als benadeelde partij kunnen vorderen.

Gelet op de omstandigheid dat de betreffende politieambtenaren werden geconfronteerd met een massale tegen hen gerichte agressie, waarbij zij ver in de minderheid waren, waarbij zij zijn geschopt en geslagen of waarbij werd getracht hen te schoppen en te slaan en waarbij ze werden bekogeld met blikken en flessen acht de rechtbank aannemelijk dat zij als gevolg daarvan immateriële schade hebben geleden en in een aantal gevallen ook materiële schade.

Vervolgens rijst de vraag of de vordering van voldoende eenvoudig aard is om voor toewijzing in aanmerking te komen. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

In het algemeen zijn plegers van openlijk geweld hoofdelijk aansprakelijk voor het gehele bedrag van de schade die door het openlijk geweld is veroorzaakt. De rechtbank ziet in de omstandigheden van het geval echter aanleiding van dit uitgangspunt af te wijken. Er is sprake geweest van massaal geweld van een grote groep voetbalsupporters van ca 150 personen tegen politieambtenaren. Hoewel alle tot deze groep behorende personen in eerste instantie zijn aangehouden en van allen de personalia zijn genoteerd, is slechts tegen een zeer klein deel van deze groep, acht personen, vervolging ingesteld. De vordering benadeelde partij is dus ook slechts gericht op een zeer klein deel van de werkelijke plegers van het geweld. Voorts blijkt overduidelijk uit het dossier dat degenen die thans voor dit openlijk geweld zijn vervolgd niet de enigen zijn die actief hebben meegedaan aan dit openlijk geweld. Evenmin is gebleken dat hiermee de “harde kern” van de geweldplegende voetbalsupporters is aangepakt. Op grond van deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het in strijd komt met de redelijkheid en billijkheid indien de thans vervolgde verdachten hoofdelijk aansprakelijk zouden worden geacht voor de totale schade. Het is vervolgens niet eenvoudig om vast te stellen op welke wijze de schade dan wel verdeeld zou moeten worden.

Op grond van deze omstandigheid komt de rechtbank tot het oordeel dat de vordering tot schadevergoeding niet eenvoudig van aard is en niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Vordering van de benadeelde partij [sl. 14]

De rechtbank acht het causaal verband tussen het bewezen verklaarde feit (geweld tegen personen) en de schade (veroorzaakt door geweld tegen goederen) niet bewezen. De benadeelde partij zal niet ontvankelijk worden verklaard in haar vordering en zij kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart bewezen dat het primair tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het strafbare feit zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte primair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot

een taakstraf bestaande uit 40 uren werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid met bevel dat, voor het geval de verdachte deze werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 20 dagen zal worden toegepast.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partijen,[1 t/m 14], niet ontvankelijk zijn in hun vorderingen en dat zij hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen. De benadeelde partijen en de verdachte dragen de eigen kosten.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.T. van Voorst, voorzitter en mr. J.J. Schoemaker en mr. B.I. Klaassens, rechters in tegenwoordigheid van J. Hoogeveen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 31 augustus 2010, zijnde mr. Klaassens buiten staat dit vonnis binnen de door de wet gestelde termijn mede te ondertekenen.