Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2010:BN2521

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
21-04-2010
Datum publicatie
27-07-2010
Zaaknummer
78302 - HA ZA 10-177
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

(Risico-)aansprakelijkheid gemeente voor schade als gevolg van ongeval door gladheid?

Art. 6:174 / 6:162 BW.

Toetsing Beleidsplan Gladheidsbestrijding. Art. 3:2 / 3:4 AWB.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2010, 93
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ASSEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 78302 / HA ZA 10-177

Vonnis van 21 april 2010

in de zaak van

[EISERES],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. J. Zaal,

tegen

de rechtspersoonlijkheid bezittende

GEMEENTE ASSEN,

zetelend te Assen,

gedaagde,

advocaat mr. M.C. Sinke.

Gedaagde zal hierna de gemeente genoemd worden.

1. De procedure

Voor het verloop van het schriftelijke deel van de procedure verwijst de rechtbank naar het tussenvonnis van de kantonrechter d.d. 23 februari 2010, waarbij deze zich onbevoegd heeft verklaard en de verdere behandeling van de zaak heeft verwezen naar de rolzitting van de sector handelsrecht d.d. 24 maart 2010.

Vervolgens is door de behandelend rechter besloten dat vonnis wordt gewezen.

2. De vordering

Eiseres vordert dat de rechtbank bij vonnis, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de gemeente veroordeelt om aan haar te betalen een bedrag van € 3.106,37, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 3 september 2008 tot aan de dag der algehele voldoening, en de gemeente te veroordelen tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten ad € 768,00, alsmede de kosten van het geding.

Daarbij geeft eiseres aan dat zij haar vorderingen niet beperkt en dat het mogelijk is dat zij meer schade heeft geleden die zij ook vergoed wil zien.

3. De vaststaande feiten

3.1. Tussen partijen staat het volgende vast.

3.2. Op 20 december 2007 vond in de gemeente Assen, op een openbare weg genaamd de Industrieweg, rond 10.00 uur een ongeval plaats op de bushalte in de nabijheid van het Nassau College.

Eiseres overkwam dit ongeval bij het uitstappen van de bus.

Zij had kort daarvoor de bus genomen in haar woonwijk, Marsdijk, en was met die bus naar voormelde halte gereisd om van daar naar de door haar nieuw gekochte woning te lopen.

Bij het uitstappen is zij met een been de grond rakend, met dit been weggegleden waarna zij in een ongelukkige houding is beland en vervolgens op de grond is komen te liggen, daarbij een ernstige fractuur oplopend.

3.3. Eiseres had geen maatregelen genomen die zouden kunnen voorkomen dat zij door gladheid zou vallen en mogelijk ernstig letsel zou oplopen.

Zij heeft daaraan niet gedacht, althans zij heeft geen kennis genomen van een bericht dat het vroor/had gevroren maar heeft wel kennis genomen van de situatie in haar woonwijk. Naar haar zeggen was daar geen gladheid aanwezig dan wel te constateren, in ieder geval niet bij de opstaphalte.

Bij en/of ten behoeve van het uitstappen van de bus heeft eiseres ook geen bijzondere maatregelen genomen die een eventuele val door gladheid van de stoep konden voorkomen: zij is op de gebruikelijke wijze uitgestapt met vasthouden van de trapleuning en zijwaarts uitstappen. Zij beschrijft die wijze daarbij als ‘een busreiziger heeft meestal niet veel tijd om uit te stappen’.

3.4. De gemeente had van haar kant wel maatregelen genomen om te voorkomen dat door (plaatselijk) optredende gladheid ongelukken gebeuren. Echter, die maatregelen hebben geen gevolg gehad voor de gladheid om 10.00 uur bij de bushalte aan de Industrieweg; welke gladheid in verband staat met de val van eiseres. Die gladheid heeft ook anderen onaangenaam verrast: bij het bieden van hulp aan eiseres gleed de buschauffeur uit.

3.5. De raadsvrouw van eiseres heeft de gemeente aansprakelijk gesteld. De gemeente heeft haar verzekeraar ingeschakeld en de claim is afgewezen.

Daarop ontstond volgens de raadsvrouw de noodzaak om zich tot de rechtbank te wenden.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Bij de inleidende dagvaarding stelt eiseres zich op het standpunt dat de gemeente voor de schade aansprakelijk is nu deze bezitter was van een gebrekkige openbare weg en er ook niet voor heeft gezorgd dat er geen ijs bij de bushalte lag, aldus haar verplichting tot onderhoud en/of zorg veronachtzamend.

De gemeente stelt dat zij voor de onderhavige schade niet aansprakelijk geacht kan worden, met name niet in het licht van artikel 6:174 BW. Zij acht zich niet ook niet aansprakelijk voor schade veroorzaakt door gladheid bij de bushalte.

4.2. Eiseres heeft haar standpunt met name als volgt onderbouwd:

‘Voorop dient te worden gesteld dat gladheid op de weg, op zichzelf, geen gebrek in de zin van artikel 6:174 BW oplevert. Onder een gebrekkige toestand kan wel worden verstaan een gevaarlijke toestand die onveranderd wordt gelaten. Dit laatste kan bijvoorbeeld het geval zijn indien de wegbeheerder tekortschiet in de op hem rustende zorgverplichting waaronder ook kan worden verstaan het bestrijden van gladheid die optreed door vorming van ijzel.

De kelderluik criteria spelen een rol bij het vaststellen of aan de zorgplicht is voldaan. Zo speelt bijvoorbeeld een rol de bezwaarlijkheid van het treffen van voorzorgsmaatregelen in een specifiek geval en wat de weggebruiker kon weten en verwachten en of de weggebruiker daarmee ook voldoende rekening heeft gehouden.’

en

‘Uit een gesprek met een docent van het Drenthe College bleek dat er zich zowel voor als na haar ongeluk verschillende ongevallen hadden voorgedaan. Er was namelijk sprake van extreme gladheid. De gladheid was in de ochtend van 20 december 2007 vrij plotseling ontstaan. Door de media was niet voor gladheid gewaarschuwd.’

en

‘Het gladheidsbestrijdingsplan benoemt geen andere situaties die worden aangemerkt las calamiteit. Derhalve is op grond van het plan alleen ruimte om bij hevige en langdurige sneeuwval buiten de standaardroutes de gladheid te bestrijden. Indien er sprake is van extreme gladheid door ijzel dan voorziet het plan niet in mogelijkheden om hier iets aan te doen.’

en

‘Kortom: de gemeente Assen stelt zich op het standpunt dat op grond van de gladheidsbestrijdingsplan op/aan de uitstapplaats van de bushalte Industrieweg niet wordt gestrooid. Dit zou slechts ander zijn indien er sprake zou zijn van een extreme situatie. De gemeente Assen stelt zich op het standpunt dat er op 20 december 2007 geen sprake was van een extreme situatie en dat daarom niet is gestrooid bij de desbetreffende locatie.’

en

‘Vastgesteld kan worden dat er op 20 december 2007 sprake was van een gevaarlijke toestand. De extreme gladheid was in de vroege ochtend ontstaan. Dit volgt ook uit het feit dat voorafgaand aan het ongeval van [eiseres] al meerdere ongelukken hadden plaatsgevonden. Derhalve wist althans behoorde de gemeente Assen te weten dat er sprake was van een gevaarlijke situatie die zij desondanks heeft laten voortbestaan. Dit betekent dat de gemeente Assen aansprakelijk is nu het ongeval van [eiseres] zich heeft voorgedaan. De gemeente Assen had het ongeval kunnen voorkomen door eenvoudige maatregelen te treffen, bijvoorbeeld door het handmatig (laten) strooien op/aan de bushalte Industrieweg. Tot op heden heeft de gemeente Assen niet genoegzaam aangetoond waarom zij deze gevaarlijke situatie heeft laten voortbestaan.’

en

‘[eiseres] was niet op de hoogte van de gladheid, omdat er via de media niet voor gladheid was gewaarschuwd. Indien zij op de hoogte was geweest van de extreme gladheid dan was zij binnenshuis gebleven. Vervolgens heeft [eiseres] voldoende zorgvuldigheid betracht bij het uitstappen van de bus. Zij heeft de trapleuning in de bus vastgepakt en is vervolgens zijwaarts de bus uitgestapt. Hierdoor heeft zij haar schade weten te beperken. Had zij immers de trapleuning niet vastgehouden dan had het ongeluk veel ernstiger kunnen zijn. Het ongeval is dan ook enkel en alleen veroorzaakt door de ernstige gladheid ter plaatse.’

en

‘De mate van waarschijnlijkheid dat het slachtoffer mogelijke gladheid bij een uitstapplaats van een bushalte niet (tijdig) onderkent is groot. Immers, een busreiziger heeft meestal niet veel tijd om uit te stappen.

Zeker op het moment dat meerdere reizigers tegelijk bij dezelfde halte uitstappen, is het zeer waarschijnlijk dat de busreiziger de gladheid niet tijdig onderkent. Er is weinig tijd en/of mogelijkheid om de ondergrond op gladheid te controleren.

Dit brengt met zich mee dat de kans op een ongeval bij het uitstappen van een bus bij plotseling optredende gladheid groot is. Dit bleek ook het geval toen op donderdag

20 december 2009 het gevaar zich verwezenlijkte doordat [eiseres] ten val kwam. Zij was ook niet de enige die de gladheid niet op tijd had onderkend. De buschauffeur die haar ter hulp schoot, kwam ook bijna ten val.

De mogelijke schade die een slachtoffer kan oplopen bij het ten val komen bij een bushalte ten gevolge van gladheid, zal veelal bestaan uit lichamelijk letsel bestaande uit botbreuken en/of kneuzingen. De gevolgen kunnen ernstig zijn. Dit geldt ook voor [eiseres]. Zij heeft financiële schade opgelopen ten gevolge van haar val, maar ook loopt zij nog steeds met een rollator. De val heeft grote gevolgen gehad voor haar bewegingsvrijheid.’

4.3. De gemeente heeft van haar kant met name de volgende uiteenzettingen gegeven:

‘Gladheid op de weg valt in beginsel niet onder de reikwijdte van artikel 6:174 BW, daar gladheid van de weg geen gebrek oplevert aan het weglichaam en/of de weguitrusting in de zin van artikel 6:174 BW.

De weg voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen.

Vooropgesteld moet worden dat de gemeente niet verwacht kan worden dat de openbare weg onder alle omstandigheden vrij van gladheid is. Er bestaat voor de wegbeheerder met andere woorden geen garantieplicht, maar een inspanningsplicht. De weggebruiker mag niet verwachten dat de weg steeds in perfecte staat verkeert. De weggebruiker zal steeds met enig risico rekening moeten houden. In de wintermaanden mag de weggebruiker niet verwachten dat de weg in alle omstandigheden ijzelvrij is, zeker niet als in de media is gewaarschuwd. De gemeente dient er bij uitoefening van haar beheerstaak van de openbare weg rekening mee te houden dat niet alle verkeersdeelnemers steeds de nodige voorzichtigheid en oplettendheid in acht zullen nemen.

De gemeente heeft, met inachtneming van het bovenstaande, aan haar zorgplicht voldaan. Zij heeft in de avond van 19 december 2007 de hoofdwegen gestrooid en op 20 december 2007 vanaf ’s ochtends 06:00 uur wederom de hoofdwegen gestrooid, in overeenstemming met de vastgestelde strooiroute. Dit was, gezien de lichte waarschuwing van MeteoConsult, een proportionele maatregel ter bestrijding van eventuele gladheid. Toen de volgende ochtend om kwart over zeven door de heer [medewerker gemeente] werd geconstateerd dat sprake was van meer gladheid dan was verwacht, heeft hij alsnog opdracht gegeven met al het beschikbare materieel de hoofdwegen en de fietspaden te strooien.’

en

‘De gemeente heeft voldoende adequaat gereageerd op de gladheid. De gemeente heeft overeenkomstig haar beleidsplan de maatregelen genomen zoals omschreven onder paragraaf 2.2 en 2.3. De gemeente heeft hiermee voldaan aan haar zorgplicht.

Hierbij merkt de gemeente op dat zij beleidsvrijheid heeft in de wijze waarop zij voldoet aan haar beheerstaak inzake de openbare weg en meer specifiek haar inspanningsverplichting inzake gladheidsbestrijding. Ook heeft de gemeente slechts beperkte financiële middelen om aan haar zorgplicht te voldoen. Verwacht mag worden dat zij deze beperkte financiële middelen zo efficiënt mogelijk inzet, hetgeen met zich meebrengt dat prioriteiten dienen te worden gesteld.’

en

‘In het kader van het gladheidsbestrijdingsplan de grote busstations bij het NS-station en in de wijk Marsdijk, aangemerkt als locaties van bijzonder belang.

[eiseres] stelt onder punt 21 van de dagvaarding dat ook de bushalte aan de Industrieweg als locatie van bijzonder belang zou moeten worden aangemerkt. Doordat de gemeente dit niet heeft gedaan zou [eiseres] onevenredig zwaar zijn getroffen. De gemeente merkt hierover in de eerste plaats op dat een vergelijking tussen een busstation en een enkele bushalte niet kan worden gemaakt, nu het busstation en de enkele bushalte aanzienlijk in omvang en in drukte verschillen. Daarnaast zijn er in de gemeente meerdere bushaltes die op momenten van de dag druk zijn, maar desondanks niet als locatie van bijzonder belang zijn aangemerkt. Binnen de aan de gemeente beschikbaar staande middelen bestaat geen mogelijkheid om al deze bushaltes structureel handmatig te strooien. De gemeente wijst er daarnaast op dat ook de busmaatschappijen gebruik kunnen maken van het gratis ter beschikking gestelde strooizout, teneinde een handje te helpen bij gladheidsbestrijding.

De inhoud van de beleidsregel komt overeen met andere ‘gladheidbestrijdingsplannen’ die op de site van VNG als praktijkvoorbeeld worden aangeboden. Ook in deze plannen wordt voor wat betreft de vast te stellen strooiroutes een onderscheid gemaakt tussen hoofdwegen en secundaire wegen, busroutes en fietspaden. Er wordt geen melding gemaakt van het strooien van bushaltes en/of voetpaden. Ook in deze plannen wordt voor de gemiddelde duur van het voltooien van de strooiroutes rekening gehouden met ongeveer 3 uur. Het gladheidsbestrijdingsplan van de gemeente voldoet aan de door VNG gehanteerde standaarden.’

en

‘De gemeente heeft op 20 december 2007 het gladheidsbestrijdingsplan nageleefd en adequaat gehandeld toen de gladheid ernstiger bleek te zijn dan werd verwacht. Uit het logboek blijkt dat binnen een kwartier na de constatering van de heer [medewerker gemeente] de eerste strooiwagen is vertrokken.’

en

‘Ook kon [eiseres] op de hoogte zijn van gladheid. Onder punt 19 van de dagvaarding stelt [eiseres] dat zij niet op de hoogte was van gladheid, nu hiervoor in de media niet was gewaarschuwd. De gemeente betwist dat. Uit de gegevens van het KNMI, station Eelde, blijkt dat er zowel op 19 december 2007 als op 20 december 2007 sprake was van vochtig/mistig weer met een gemiddelde temperatuur die onder het vriespunt lag. Een zekere mate van gladheid kan dan altijd verwacht worden.’

4.4. Bij de beoordeling van het geschil gaat de rechtbank er van uit:

- dat er geen sprake was van een langere periode waarin aaneensluitend gladheid heeft bestaan;

- dat er op 20 december 2007 niet op alle gedeeltes van de openbare weg sprake was van gladheid die om 10.00 uur nog aanwezig was;

- dat er die dag bij de gemeente geen waarschuwing of klacht is ingekomen over een gevaarlijke situatie bij de bushalte aan de Industrieweg;

- dat hetgeen de gemeente heeft verklaard over de snelle inzet van mensen en middelen op 20 december 2007 juist is, nu die verklaring steunt vindt in de stukken en niet is weersproken.

4.5. De vordering van eiseres, zoals neergelegd in de inleidende dagvaarding, steunt primair op de risicoaansprakelijkheid die geldt voor een bezitter van een openbare weg, als neergelegd in artikel 6:174 BW.

Die aansprakelijkheid doet zich in beginsel voor als de openbare weg niet in goede staat verkeert. Voor een goede staat van de openbare weg moest de gemeente zorgen.

De stoep bij de bushalte verkeerde als zodanig in goede staat. Er lag alleen iets op dat geen onderdeel uitmaakt van de weg in de meest ruime zin van het woord (lichaam, uitrusting, waarschuwingen e.d.).

Op die opstal (de stoep), een zakenrechtelijk begrip, heeft de risico-aansprakelijkheid van artikel 6:174 BW betrekking en niet op hetgeen zich op die opstal bevindt en daar geen deel van uitmaakt. Dat is bij ijs/ijzel/sneeuw het geval: ‘Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat de aanwezigheid van ijzel op het wegdek niet een gebrek is in de zin van art. 6:174’ (LJN: AE2202, HR, 03 mei 2002, NJ 2002/465, Rook/Staat).

De primaire grondslag van de aansprakelijkstelling leidt dus niet tot aansprakelijkheid.

Dit heeft tot gevolg dat een aansprakelijkheid van de gemeente uitsluitend kan berusten op artikel 6:162 BW, de generale aansprakelijkheidsregeling. Daarvoor geldt dat de wegbeheerder onder omstandigheden aansprakelijk kan zijn voor de gevolgen van weersomstandigheden die het gebruiken van de weg gevaarvoller maken dan de gebruiker op dat moment beseft.

Wat die omstandigheden betreft, geldt het volgende.

4.6. Als niet weersproken en passend bij de vaststaande feiten wordt aangenomen dat eiseres niet besefte dat ter plaatse van haar uitstap uit de bus, een gevaarlijke situatie bestond als gevolg van gladheid van de stoep. Dat zij dit besef wel had kunnen hebben, zoals de gemeente stelt, is onvoldoende om tot het afwijzen van aansprakelijkheid van de gemeente te komen. De gemeente volgt zelf terecht een andere norm door gladheid te bestrijden en het omgaan met gladheid dus geheel niet aan de voorzichtigheid en oplettendheid van de weggebruiker over te laten. Immers, hoewel gladheid op zichzelf niet onder artikel 7:174 BW valt, is de norm wel gelijk: het beherend overheidslichaam moet voldoen aan de eisen die in de gegeven omstandigheden mogen worden gesteld aan het veilig kunnen gebruiken van de weg.

Dat is bijvoorbeeld het geval als na een melding van een gevaarlijke situatie niet wordt opgetreden waar dit bij uitstek de taak voor de wegbeheerder is in dat concrete geval.

Dat eiseres niet op de hoogte was van het gevaar maar het wel kon zijn, is derhalve op zichzelf onvoldoende reden om het ongeval en de gevolgen daarvan voor haar rekening te houden.

4.7. De gemeente neemt terecht als uitgangspunt dat haar taak inhoudt dat zij zelf onderzoekt of er een gevaar kan optreden en of zich dit (heeft) verwezenlijkt, en ook of een niet verwacht gevaar niettemin is ingetreden, en dat zij de maatregelen moet nemen die beantwoorden aan haar verantwoordelijkheid ten opzichte van de weggebruikers (hierna te noemen: de zorgplicht).

Eiseres verwijt de gemeente dat zij die taak heeft verwaarloosd. De gemeente bestrijdt dit en wijst op haar beleid en de uitvoering daarvan op 20 december 2007.

4.8. In het geval van gladheid, een veel voorkomend gevaar dat tot ernstige ongevallen kan leiden, heeft de gemeente, net als andere gemeenten, haar onderzoeks- en handelingsplicht uitgewerkt in richtlijnen; zijnde een onderdeel van het periodiek te evalueren Beleidsplan Gladheidsbestrijding. Eiseres bestrijdt niet dat de gemeente in zoverre aan haar zorgplicht heeft voldaan.

Eiseres vindt echter dat een onderdeel van het Beleidsplan niet beantwoordt aan de zorgplicht van de gemeente.

Uit het feit dat zij, geconfronteerd met het verweer van de gemeente over de onmogelijkheid om overal in de gemeente gladheid te bestrijden, stelt dat ‘de’ busreiziger een groot risico loopt bij uitstappen, omdat deze daarvoor niet veel tijd heeft en vaak met andere passagiers moet uitstappen, volgt dat eiseres vindt dat de gemeente alle halteplaatsen van bussen vrij van gladheid moet houden, ongeacht waar deze liggen, hoe veel het er zijn, of gladheid te verwachten was, hoe lang er sprake is van gladheid, of de gladheid zich overal voordoet, en ongeacht de inzet van de publieke middelen die dit vergt.

Voor zover zij dit niet zou vinden, dan wel haar standpunt op dit punt zou aanpassen, geldt dat hetgeen zij over de bushalte aan de Industrieweg heeft gesteld, niet een overtuigend onderscheid aanbrengt met de andere bushaltes waar óók niet wordt gestrooid. Ook dan is het dus de vraag of meer van de gemeente mocht worden verwacht dan zij heeft geregeld in haar Beleidsplan.

4.9. De rechtbank stelt vast dat de zorgplicht grenzen heeft omdat deze naar de huidige opvattingen de gemeente ruimte biedt voor afwegingen, en wel in die zin dat er ook gewicht toekomt aan omstandigheden die verband houden met keuzes die de overheid/politiek maakt. Daaronder vallen bijvoorbeeld de bereidheid om belasting te heffen/verhogen om nog meer maatregelen te kunnen nemen dan er al genomen worden. De gemeente duidt dit aan met ‘de beschikbare middelen’; daarmee kennelijk doelend op wat de gemeenteraad beschikbaar heeft gesteld door het goedkeuren van het Beleidsplan, inclusief en vanwege de daaraan verbonden begrotings- en uitgavenposten.

De vraag is vervolgens of het aan de rechter is om de gemeente, als zij er zelf niet voor kiest, te dwingen wel een bepaalde keuze te maken.

4.10. Niet in geschil is dat het standpunt van eiseres gevolgen heeft voor het budget dat beschikbaar moet worden gesteld voor gladheidsbestrijding. En niet in geschil is dat dit de regeling van het bestuur van de gemeente betreft zodat primair daar de bevoegdheid ligt om, binnen de wettelijke kaders, keuzes te maken tussen allerlei belangen van verschillend gewicht en verschillende aard.

Nu niet gezegd kan worden dat een specifieke wetsregel verplicht tot gladheidsbestrijding bij bushaltes, en er dus sprake is van een te maken afweging van verschillende belangen, kan de rechter de daaraan inherente afwegingsvrijheid niet doorkruisen op de enkele grondslag dat hij zelf tot een andere afweging zou komen.

Beslissend is of de afwegingen die door de gemeente zijn gemaakt bij de totstandkoming van haar Beleidsplan, en die uitgebreid zijn verwoord in het voorstel aan de Raad, strijdig zijn met enige rechtsregel. In dit verband gaat het tussen partijen om de regels die zijn neergelegd in de artikelen 3:2 (zorgvuldige voorbereiding van besluiten) en 3:4 eerste en vooral het tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (onevenredigheid van belangenafweging).

4.11. De rechtbank is er niet van overtuigd dat de gemeente zich niet aan deze regels heeft gehouden. Al hetgeen eiseres heeft aangevoerd leidt met name niet tot de conclusie dat het nalaten om alle bushaltes in de gemeente Assen op het door eiseres gewenste moment ijsvrij te doen zijn, haar als belanghebbende daarbij onevenredig treft in verhouding tot onder meer het beslag dat op de middelen wordt gelegd en de praktische problemen die het verlangen van eiseres meebrengen.

De rechtbank acht het een zaak van normaal maatschappelijk risico als men valt door gladheid ergens in de gemeente en ziet niet waarom dit niet zou gelden voor stoepen die bij bushaltes liggen. Waarom zou dit dan niet ook gelden voor stoepen bij bejaardenhuizen, scholen, winkelcentra etc. ?

Om dergelijke pech te voorkomen moet men primair zelf maatregelen nemen. Die maatregelen zijn tal van soort en aard (weerbericht controleren, snelheid aanpassen, sokken om de schoenen, winterbanden etc.).

Gaat het dan toch mis op een plek en gaat het om een plek die conform het - rechtmatige- beleid van de gemeente Assen niet is gestrooid, dan moet dit worden betiteld als ‘pech’ en niet als een ongeluk waarvan de gevolgen op de gemeente kunnen worden afgewenteld.

4.12. Daarmee is de rechtbank toe aan de vraag of het beleid van de gemeente op

20 oktober 2007 meebracht dat om 10.00 uur de stoep van de bushalte aan de Industrieweg gestrooid had moeten zijn.

Die vraag wordt ontkennend beantwoord omdat er sprake was van eenmalige gladheid, dat wil zeggen net op die dag was het daar glad terwijl dat elders en eerder niet het geval was. Het beleid brengt dan mee dat niet alsnog gestrooid wordt op andere dan de aangewezen routes en plaatsen.

Eiseres had de pech juist daar te zijn en is gevallen. Of dit voorkomen had kunnen worden met maatregelen van de kant van eiseres, kan in het midden blijven nu voorop staat dat de gemeente haar zorgplicht niet heeft verzuimd.

4.13. Gelet op dit alles moet de conclusie zijn dat er geen aansprakelijkheid van de gemeente is en dat de vorderingen dus niet kunnen worden toegewezen.

4.14. Eiseres dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden verwezen in de kosten van het geding. De kosten aan de zijde van de gemeente worden begroot op:

- vast recht € 314,00

- salaris advocaat 960,00 (2,5 punten × tarief € 384,00)

Totaal € 1.274,00.

BESLISSING

De rechtbank

1. wijst de vorderingen af,

2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van de gemeente Assen tot op heden begroot op € 1.274,00,

3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.J. Lennaerts en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2010.