Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2010:BN1313

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
01-06-2010
Datum publicatie
15-07-2010
Zaaknummer
271660 \ CV EXPL 09-7029
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Op formele gronden vernietigde machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg: Jeugdzorg niet schadeplichtig voor verblijf dat - achteraf bezien - zonder titel heeft plaatsgevonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector kanton

Locatie Assen

zaak-/rolnummer: 271660 \ CV EXPL 09-7029

vonnis van de kantonrechter van 1 juni 2010

in de zaak van

[Y]., ten deze handelend als bijzonder curator van

[X]

hierna te noemen: [X],

wonende te [adres],

eisende partij,

gemachtigde: mr. J.W.S. Peters,

tegen

De stichting Stichting Bureau Jeugdzorg Drenthe,

hierna te noemen: Jeugdzorg,

gevestigd te Assen,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. R.P. van Boven.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 23 november 2009 met producties;

- de conclusie van antwoord met producties;

- de nadere toelichtingen van partijen.

2. De vaststaande feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten, die vaststaan omdat ze niet of niet voldoende zijn betwist en/of blijken uit de in zoverre onweersproken gelaten inhoud van de overgelegde producties.

2.1 De kinderrechter te Assen heeft op 11 december 2008 een spoedmachtiging verleend tot uithuisplaatsing van [X] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg tot 8 januari 2009.

2.2 Jeugdzorg, [X], zijn advocaat en zijn pleegouders zijn op de zitting van 24 december 2008 door de kinderrechter over de machtiging tot uithuisplaatsing gehoord. Tijdens die zitting heeft Jeugdzorg desgevraagd aangegeven dat zij reeds een verzoekschrift had opgesteld voor een machtiging voor de periode na 8 januari 2009, maar dat dit nog moest worden ingediend. De kinderrechter heeft vervolgens aan de advocaat van [X] gevraagd of deze er bezwaar tegen had dat Jeugdzorg een verlenging ter zitting zou aanvragen. De advocaat van [X] heeft blijkens het proces-verbaal geantwoord graag eerst aan de aanwezigen nog wat meer informatie te willen vragen. Aan het slot van de zitting heeft de kinderrechter aangegeven dat de bekrachtiging van de spoedmachtiging van 11 december 2008 gecombineerd zou worden met een verlenging van die machtiging tot 8 maart 2009, hetgeen bij beschikking van 31 december 2009 is gebeurd.

2.3 [X] heeft vervolgens beroep aangetekend tegen de verleende machtiging. Het gerechtshof te Leeuwarden heeft de beschikking van de kinderrechter van 31 december 2008, voor zover daarbij een machtiging is verleend tot uithuisplaatsing van [X] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg, bij arrest van 19 februari 2009 vernietigd. Het hof overwoog dat uit het systeem van de wet volgt dat het nieuwe verzoek met een verzoekschrift had moeten worden ingeleid en dat uit het proces-verbaal van de zitting van 24 december 2008 niet blijkt dat de advocaat van [X] de vraag van de kinderrechter of er bezwaar tegen bestond dat Jeugdzorg ter zitting een verlengingsverzoek deed uitdrukkelijk (ontkennend) heeft beantwoord. Het hof heeft geoordeeld als volgt:

“In het licht van al hetgeen hiervoor is overwogen, in onderlinge samenhang bezien, moet het door SBJD ter zitting gedane mondelinge verzoek tot gesloten uithuisplaatsing – ook al heeft zij dat blijkens haar stelling gedaan naar aanleiding van de door de kinderrechter ter zitting daartoe gedane suggestie – worden beschouwd als te zijn gedaan in strijd met de fundamentele beginselen van een behoorlijke procesorde, zodat zij daarin (alsnog) niet ontvankelijk dient te worden verklaard.”

2.4 Jeugdzorg heeft op 23 februari 2009 opnieuw een spoedmachtiging aangevraagd voor een termijn van vier weken en een aparte machtiging voor de periode daarna. De kinderrechter heeft de spoedmachtiging op 24 februari 2009 verleend en op 11 maart 2009 bekrachtigd. De machtiging tot uithuisplaatsing voor de periode daarna is eveneens toegewezen.

2.5 [X] heeft van 8 januari 2009 tot en met 22 januari 2010 verbleven in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg. Hij verblijft thans bij Stichting [Z]

3. De vordering en het verweer

3.1 [X] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I voor recht verklaard dat Jeugdzorg jegens eiser ex artikel 6:162 BW onrechtmatig heeft gehandeld en dat Jeugdzorg als gevolg van deze handelwijze jegens [X] schadeplichtig is geworden;

II Jeugdzorg ter zake veroordeelt om binnen veertien dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis tegen finale kwijting aan [X] te betalen een bedrag van € 4.549,16 - althans een bedrag dat de kantonrechter in goede justitie zal vernemen te behoren - te vermeerderen met buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente vanaf 1 september 2009 tot aan de dag der alghele voldoening;

III Jeugdzorg veroordeelt in de kosten van deze procedure.

3.2 [X] legt aan zijn vordering ten grondslag dat Jeugdzorg hem van 8 januari 2009 tot en met 23 februari 2009 zonder titel in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg heeft opgenomen en hem aldus 47 dagen wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd. [X] stelt dat Jeugdzorg daarmee onrechtmatig heeft jegens hem heeft gehandeld en schadeplichtig is geworden.

3.3 Jeugdzorg voert gemotiveerd verweer. Hierop zal voor zover van belang bij de beoordeling nader worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 Vaststaat dat het arrest van het hof te Leeuwarden er toe heeft geleid dat [X]

- achteraf bezien - in de periode van 8 januari 2009 tot en met 23 februari 2009 zonder titel geplaatst is geweest in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg. In geschil is of Jeugdzorg in verband hiermee gehouden is om [X] een schadevergoeding te betalen. [X] beantwoordt die vraag bevestigend; Jeugdzorg, om meerdere redenen, ontkennend.

4.2 De kantonrechter stelt voorop dat – anders dan Jeugdzorg kennelijk ingang wil doen vinden - [X] in zijn vordering tot schadevergoeding kan worden ontvangen. Dat ten aanzien van uithuisplaatsingen geen specifieke wettelijke regeling is getroffen voor het geval iemand – achteraf bezien – zonder een titel geen of een beperkte vrijheid heeft genoten staat daaraan niet in de weg. Wie meent slachtoffer te zijn van een onrechtmatige vrijheidsbe-neming kan door middel van een vordering uit onrechtmatige daad in overeenstemming met artikel 5 lid 5 Evrm (volledige) schadevergoeding vorderen.

Wil die vordering slagen, dan zal wel vast moeten komen te staan dat aan alle vereisten van artikel 6:162 BW is voldaan. Dat betekent onder meer dat sprake moet zijn van onrechtmatig handelen dat aan Jeugdzorg kan worden toegerekend en dat [X] in (causaal) verband daarmee materiële dan wel immateriële schade heeft geleden.

4.3 De kantonrechter is van oordeel dat de vordering van [X] niet kan worden toegewezen. Zij neemt daarbij mede in aanmerking dat weliswaar in formele zin sprake is geweest van een onrechtmatige vrijheidsbeneming, maar dat niet ter discussie staat de plaatsing van [X] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg feitelijk bezien niet ongerechtvaardigd was. Dat die plaatsing is uitgevoerd op basis van een rechterlijke machtiging die later op formele gronden is vernietigd, waardoor achteraf bezien een rechtsgeldige titel ontbrak, kan naar het oordeel van de kantonrechter niet aan Jeugdzorg worden toegerekend. Temeer niet nu is vernietigd omdat machtiging was verleend op basis van een mondeling verzoek en de suggestie om het verzoek op die manier te doen door de behandelende kinderrechter was gedaan. Onder deze omstandigheden kan niet gesteld worden dat de vrijheidsbeneming te wijten is aan Jeugdzorgs schuld of aan een oorzaak die volgens wet of maatschappelijke opvatting voor haar rekening dient te komen. Dat Jeugdzorg in afwachting van de uitspraak in hoger beroep niet alvast een nieuw verzoek bij de kinderrechter heeft ingediend, leidt niet tot een ander oordeel.

4.4 Van toerekenbaarheid aan Jeugdzorg is in beginsel wel sprake in de periode tussen 19 februari 2009 (de dag waarop het hof arrest heeft gewezen) en 24 februari 2009 (de dag waarop de kinderrechter een nieuwe spoedmachtiging verleende). Jeugdzorg was er toen immers mee bekend dat geen titel voor de vrijheidsbeneming aanwezig was. [X] ziet er evenwel aan voorbij dat slechts ruimte is voor toekenning van een schadevergoeding indien hij door het gewraakte handelen daadwerkelijk vermogens- en/of immateriële schade heeft geleden. Het enkele feit dat een rechterlijke machtiging in hoger beroep op formele gronden wordt vernietigd, waardoor met terugwerkende kracht de titel aan een vrijheidsbeneming komt te ontvallen, geeft geen aanspraak op een (forfaitaire) vergoeding naar billijkheid. Dat [X] materiële en/of immateriële schade heeft geleden, is gesteld noch gebleken. Om die reden zal de kantonrechter niet ingegaan op de vraag of (zoals Jeugdzorg stelt en [X] bestrijdt) het verblijf van [X] in de periode van 19 februari tot en met 23 februari 2009 geacht moet worden op vrijwillige basis te hebben plaatsgevonden.

4.5 Het voorgaande brengt mee dat de vordering van [X] wordt afgewezen. De proceskosten zullen overeenkomstig het verzoek van Jeugdzorg worden gecompenseerd.

De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vorderingen van [X] af;

compenseert de proceskosten in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. M.E. van Rossum en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2010.

typ/conc: 201/MEvR

coll: