Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2010:BN0060

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
01-07-2010
Datum publicatie
02-07-2010
Zaaknummer
10/339
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Versnelde behandeling
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter is voorlopig van oordeel dat thans geen concreet aanknopingspunt bestaat voor het oordeel dat de bestreden besluiten in juridische zin de rechterlijke toets niet zouden kunnen doorstaan. Desalniettemin ziet de voorzieningenrechter aanleiding de bestreden besluiten te schorsen. Gezien de stukken in het dossier en gelet op het verhandelde ter zitting, maar ook gelet op de meerdere procedures die bij deze rechtbank aanhangig zijn en zijn geweest, kan worden vastgesteld dat de communicatie tussen partijen te wensen over laat en dat de verstandhouding tussen partijen is verstoord. De voorzieningenrechter wijst in dit verband onder andere naar de miscommunicatie tussen partijen voor wat betreft de vraag wat onder wind- en waterdicht moet worden verstaan. Ook de communicatie in mei 2010 omtrent het verplaatsen van de chalets is niet zodanig geweest dat het voor alle partijen helder is geweest of en onder welke omstandigheden de chalets verplaatst zouden konden worden. In dit verband acht de voorzieningenrechter van belang te melden dat op initiatief van de gemeente een intermediair bij het conflict is betrokken, maar dat deze intermediair tijdelijk zijn werkzaamheden heeft gestaakt, mogelijk in afwachting van de uitkomst van onderhavig verzoek. Nu partijen elkaar verder in het kader van de bezwaarschriftprocedure zullen treffen, en wellicht ook in andere procedures, is de voorzieningenrechter van oordeel, gelet op het vorenstaande en gelet op de belangen over en weer, nu en in de toekomst, dat aanleiding bestaat de werking van de bestreden besluiten te schorsen en dat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening dient te worden toegewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 5:31d
Algemene wet bestuursrecht 5:32
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector Bestuursrecht

Kenmerk: 10/339 GEMWT

Uitspraak van de voorzieningenrechter op de voet van het bepaalde in titel 3 van hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) d.d. 1 juli 2010

in het geding tussen:

[verzoekster]., wonende te Erm, verzoekster,

en

Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Coevorden, verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 29 april 2010 heeft verweerder een last onder dwangsom opgelegd inhoudende dat verzoekster vóór 22 mei 2010 de chalets genummerd 6 en 7 geheel verwijdert en verwijderd houdt van het Ermerstrand en tevens dat verzoeker geen andere bouwwerken op die locatie bouwt of plaatst zonder de daarvoor benodigde vergunning. Verder heeft verweerder bij dit besluit een last onder dwangsom opgelegd inhoudende dat verzoekster vóór 1 september 2010 de chalets genummerd 2, 3 en 4 geheel verwijdert en verwijderd houdt van het Ermerstrand en tevens dat verzoekster geen andere bouwwerken op die locatie bouwt of plaatst zonder de daarvoor benodigde vergunning. Indien verzoekster niet voldoet aan beide lasten verbeurt verzoekster na de gestelde data een dwangsom van € 20.000 per niet afgebroken chalet.

Namens verzoekster is bij brief van 14 mei 2010 tegen dit besluit bij verweerder bezwaar gemaakt.

Bij brief van 17 mei 2010 is tevens namens verzoekster aan de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Verweerder heeft bij brief van 19 mei 2010, verzonden 25 mei 2010 de op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift ingezonden. De gemachtigde van verzoekster heeft hiervan een afschrift ontvangen.

Bij besluit van 15 juni 2010, verzonden op 16 juni 2010, heeft verweerder het besluit genomen tot invordering over te gaan van de op 22 mei 2010 verbeurde dwangsom van € 40.000, met dien verstande dat verzoekster de verbeurde dwangsom vóór 4 juli 2010 aan verweerder dient over te maken.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de rechtbank op 21 juni 2010, alwaar verzoekster in persoon is verschenen, bijgestaan door de heer mr. R. Klarus. Voor verweerder is verschenen de heer mr. N. Drenth.

II. Motivering

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de recht¬bank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Aangezien tijdig bezwaar is gemaakt tegen het besluit waarop het verzoek betrekking heeft en deze rechtbank in de hoofdzaak bevoegd zal zijn, is voldaan aan het connexiteitsvereiste. Ook overigens is er geen beletsel het verzoek om een voorlopige voorziening ontvankelijk te achten.

Tijdens het verhandelde ter zitting heeft verzoekster te kennen gegeven dat het verzoekschrift wordt uitgebreid in die zin dat het verzoek ook betrekking heeft op het besluit van 29 april 2010 voor zover deze ook betrekking heeft op de chalets genummerd 2, 3 en 4.

Voorts heeft verzoekster het verzoek uitgebreid tot het besluit van 15 juni 2010 waarbij verweerder het besluit heeft genomen tot invordering over te gaan van de op 22 mei 2010 verbeurde dwangsom. In verband met het connexiteitsvereiste wordt voornoemd bezwaar tegen de last onder dwangsom geacht mede betrekking te hebben op het besluit inzake de invordering.

Uit proceseconomische redenen heeft de voorzieningenrechter, met instemming van verweerder, het besluit van 29 april 2010, voor zover deze betrekking heeft op de chalets genummerd 2, 3 of 4, bij de beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening betrokken.

Eveneens uit proceseconomische redenen heeft de voorzieningenrechter, met instemming van verweerder, het besluit tot invordering van de verbeurde dwangsom van 15 juni 2010 bij de beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening betrokken.

Voor wat betreft de spoedeisendheid overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Hoewel de dwangsom inmiddels is verbeurd, is de voorzieningenrechter van oordeel dat dit niet weg neemt dat verzoekster nog een spoedeisend belang heeft bij een beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening. Immers, zou dit anders zijn dan zou dat de voorzieningenrechter bij dwangsombesluiten, waarvan de begunstigingstermijn op korte termijn verstrijkt, ertoe nopen een ordemaatregel te treffen. Het standpunt van verweerder dat het spoedeisende karakter van het verzoek om een voorlopige voorziening is komen te vervallen, treft derhalve geen doel.

Feiten en omstandigheden

Verweerder heeft verzoekster bij schrijven van 10 november 2009 gevraagd te stoppen met het bouwen en of verplaatsen van chalets, nadat op 27 oktober 2009 is geconstateerd dat wordt gebouwd zonder de vereiste bouwvergunning.

Deze chalets bevinden zich op het recreatieterrein Ermerstrand, in de zone bekend als Tertio, kadastraal bekend als gemeente Sleen, Rectie R, nummer 2021. Uit het vigerende bestemmingsplan “Recreatieterrein Ermerstrand 1999” volgt dat de chalets staan op grond met de bestemming recreatie, met de nadere aanduiding camping.

Bij schrijven van 25 januari 2010, verzonden op 26 januari 2010, is aan verzoekster een vooraankondiging toegezonden waarin verweerder kenbaar heeftgemaakt voornemens te zijn handhavend op te treden ten opzichte van de chalets genummerd 2, 3, 4, 6 en 7. Aan verzoekster wordt een termijn gegeven van vier weken waarbinnen voornoemde chalets dienen te worden verwijderd.

Verzoekster heeft op 22 februari 2010 een zienswijze ingediend, inclusief 35 bijlagen.

Bij besluit van 23 maart 2010, verzonden 25 maart 2010, heeft verweerder een last onder dwangsom opgelegd inhoudende dat verzoekster binnen vier weken na verzending van het besluit de chalets genummerd 2, 3, 4, 6 en 7 geheel verwijdert en verwijderd houdt en tevens dat verzoekster geen andere bouwwerken op die locatie bouwt of plaatst zonder de daarvoor benodigde vergunning. Indien verzoekster niet binnen vier weken na verzending van het besluit voldoet aan de last, verbeurt verzoekster een dwangsom van € 20.000 per niet afgebroken chalet.

Tegen dit besluit heeft verzoekster op 29 april 2010 een bezwaarschrift ingediend.

Bij besluit van 29 april 2010 heeft verweerder voornoemde last gewijzigd in die zin dat een last onder dwangsom wordt opgelegd inhoudende dat verzoekster vóór 22 mei 2010 de chalets genummerd 6 en 7 geheel verwijdert en verwijderd houdt en dat verzoekster vóór 1 september 2010 de chalets genummerd 2, 3 en 4 geheel verwijdert en verwijderd houdt. Indien verzoekster niet voldoet aan beide lasten verbeurt verzoeker na de gestelde data een dwangsom van € 20.000 per niet afgebroken chalet.

Tegen dit besluit heeft verzoekster op 14 mei 2010 een bezwaarschrift ingediend.

Het besluit van 29 april 2010 is bekend gemaakt aan [verzoekster] ter attentie van [verzoekster], en Recreatiepark Ermerstrand, ter attentie van de [verzoekster], beide gevestigd aan [adres]

Op 17 mei 2010 is onderhavig verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Dit verzoek is ingediend door mr. R. Klarus, gemachtigde van [verzoekster]. Het verzoek heeft (aanvankelijk enkel) betrekking op het besluit van 29 april 2010 waarbij voornoemde last onder dwangsom wordt opgelegd inhoudende dat verzoekster vóór 22 mei 2010 de chalets genummerd 6 en 7 geheel verwijderd en verwijderd houdt. Zoals reeds hiervoor is overwogen, is het verzoekschrift uitgebreid, in die zin dat het verzoek thans ook betrekking heeft op de chalets genummerd 2, 3 en 4.

Standpunten partijen

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het verzoek om een voorlopige voorziening dient te worden afgewezen. Naar de mening van verweerder heeft zij gebruik kunnen maken van haar bevoegdheid om een last onder dwangsom op te leggen.

Verzoekster stelt zich, kort samengevat, op de volgende standpunten.

De chalets zijn niet in eigendom van verzoekster.

Verder meent verzoekster dat sprake is van onduidelijkheid over het beleid ten aanzien van kampeermiddelen. Verzoekster was altijd van mening dat zij zonder bouwvergunning chalets en stacaravans kon plaatsen op de gronden camping en/of recreatieve onderkomens, vanwege het door verweerder gevoerde beleid en vanwege vergelijkbare gevallen van geplaatste chalets. Naar de mening van verzoekster zijn de chalets kampeermiddelen en zijn de chalets niet groter dan 70 m2.

Verzoekster meent verder dat sprake is van zicht op legalisatie. In dit verband stelt verzoekster dat verweerder ten aanzien van alle 250 chalets op Ermerstrand handhavend zou moeten optreden, omdat deze allemaal zonder vergunning zijn gebouwd. Verder stelt verzoekster dat verweerder ten onrechte geen bestemmingsplan in procedure heeft gebracht.

Toepasselijke regelgeving

Artikel 5:31d Awb bepaalt het volgende.

Onder last onder dwangsom wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:

a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en

b. de verplichting tot betaling van een geldsom indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

Artikel 5:32 Awb luidt als volgt.

1. Een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

2. Voor een last onder dwangsom wordt niet gekozen, indien het belang dat het betrokken voorschrift beoogt te beschermen, zich daartegen verzet.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden a. te bouwen zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning en b. een bouwwerk, standplaats of deel daarvan dat is gebouwd zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning, in stand te laten, tenzij voor dat bouwen op grond van artikel 43 geen bouwvergunning is of was vereist.

Ingevolge artikel 40, tweede lid, Woningwet: Voor het bouwen van een tent, tentwagen, kampeerauto, caravan of stacaravan ten behoeve van recreatief nachtverblijf is geen bouwvergunning vereist, indien het bouwen geschiedt in overeenstemming met een bestemmingsplan en de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

In artikel 1, aanhef en onder m, van het bestemmingsplan recreatieterrein Ermerstrand 1999 (het bestemmingsplan) wordt, voor zover hier van belang, bepaald dat onder kampeermiddelen wordt verstaan een tent, een tentwagen, een kampeerwagen of een caravan dan wel enig ander onderkomen (…), voor zover geen bouwwerk zijnde, waarvoor ingevolge artikel 40 van de Woningwet een bouwvergunning is vereist; een en ander voor zover deze onderkomens (…) zijn bestemd voor recreatief nachtverblijf.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van het bestemmingsplan wordt, voor zover hier van belang, bepaald dat de op de plankaart voor recreatieve aangewezen gronden zijn bestemd voor camping, met dien verstande dat de gronden aangegeven met camping ten behoeve van verblijfsaccommodatie uitsluitend standplaatsen voor kampeermiddelen zijn toegestaan (…).

Artikel 3, derde lid, van het bestemmingsplan luidt als volgt.

Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met de in lid 1 gegeven doeleindenomschrijving. Onder verboden gebruik is begrepen het gebruik van een recreatiewoning voor permanente bewoning, met uitzondering van

a. het gebruik van een kampeermiddel voor permanente bewoning van de op de bijlage vermelde chalets

b. het gebruik van kampeermiddelen door personen die kunnen aantonen dat zij op 15 september 1997 het kampeermiddel permanent bewoonden

c. de rechtsopvolgers van de onder a en b genoemde categorieën.

Beoordeling

De voorzieningenrechter stelt voorop, voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, dat dit oordeel een voorlopig karakter heeft en dat dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure bindt.

Ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zal, gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om handhavend op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Ten aanzien van het standpunt van verzoekster dat de betreffende chalets niet in eigendom van verzoekster zijn en dat verweerder daarom de verkeerde overtreder heeft aangeschreven, oordeelt de voorzieningenrechter als volgt. Niet is weersproken dat verzoekster eigenaar is van de grond waarop de betreffende chalets staan. Door natrekking is verzoekster derhalve ook eigenaar van de chalets, tenzij op (een van) de chalets een recht van opstal is gevestigd. Daarvan is niet gebleken zodat het juridisch eigendom bij verzoekster is gebleven. Nu voorts niet is gesteld of gebleken dat het niet in verzoeksters macht ligt om aan de illegale situatie een einde te maken, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder terecht en op juiste gronden verzoekster heeft aangemerkt als overtreder in de zin van artikel 5:32 van de Awb.

Vervolgens stelt de voorzieningenrechter vast dat verzoekster voor de bouw van de chalets geen bouwgunning heeft aangevraagd. De voorzieningenrechter ziet zich gesteld voor de vraag of voor het bouwen van de chalets een bouwvergunning gevraagd had moeten worden.

Een chalet is een bouwwerk in de zin van artikel 1, aanhef en onder d, van het bestemmingsplan, omdat het een constructie is van enige omvang welke hetzij direct of indirect met de grond is verbonden.

Ingevolge artikel 40, tweede lid, Woningwet is voor het bouwen van een tent, tentwagen, kampeerauto, caravan of stacaravan ten behoeve van recreatief nachtverblijf geen bouwvergunning vereist, indien het bouwen geschiedt in overeenstemming met een bestemmingsplan en de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is een chalet geen tent, tentwagen, kampeerauto, caravan of stacaravan, ten behoeve van recreatief nachtverblijf in de zin van het tweede lid van artikel 40 van de Woningwet. Het tweede lid is derhalve niet van toepassing. Dit betekent dat verzoekster een bouwvergunning heeft moeten aanvragen. Gelet op de omstandigheid dat verzoekster geen vergunning heeft gevraagd en dus ook niet heeft verkregen, heeft verzoekster in strijd met artikel 40, eerste lid, van de Woningwet de chalets gebouwd.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder de bevoegdheid heeft om een last onder bestuursdwang dan wel een last onder dwangsom op te leggen en, gelet op de beginselplicht tot handhaven, dat verweerder daartoe in beginsel ook gehouden is.

Alleen in bijzondere gevallen kan van het bestuursorgaan worden verlangd dat het afziet van handhavend optreden tegen de illegale situatie. In dit verband is de vraag van belang of er concreet zicht op legalisering bestaat en of is gebleken van andere bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder in redelijkheid geen gebruik van hun bevoegdheid hebben kunnen maken.

De voorzieningenrechter stelt vast dat er thans geen ontwerp bestemmingsplan is op grond waarvan zou kunnen worden opgemaakt dat de bouw van de chalets in de toekomst tot de mogelijkheden behoort. In strikte zin is derhalve geen concreet zicht op legalisatie. Gelet hierop, maar ook gelet op het voorgaande, is de voorzieningenrechter voorlopig van oordeel dat thans geen concreet aanknopingspunt bestaat voor het oordeel dat de bestreden besluiten in juridische zin de rechterlijke toets niet zouden kunnen doorstaan.

Desalniettemin ziet de voorzieningenrechter aanleiding de bestreden besluiten te schorsen. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Gezien de stukken in het dossier en gelet op het verhandelde ter zitting, maar ook gelet op de meerdere procedures die bij deze rechtbank aanhangig zijn en zijn geweest, kan worden vastgesteld dat de communicatie tussen partijen te wensen over laat en dat de verstandhouding tussen partijen is verstoord.

De voorzieningenrechter wijst in dit verband onder andere naar de miscommunicatie tussen partijen voor wat betreft de vraag wat onder wind- en waterdicht moet worden verstaan. Ook de communicatie in mei 2010 omtrent het verplaatsen van de chalets is niet zodanig geweest dat het voor alle partijen helder is geweest of en onder welke omstandigheden de chalets verplaatst zouden konden worden. In dit verband acht de voorzieningenrechter van belang te melden dat op initiatief van de gemeente een intermediair bij het conflict is betrokken, maar dat deze intermediair tijdelijk zijn werkzaamheden heeft gestaakt, mogelijk in afwachting van de uitkomst van onderhavig verzoek. Nu partijen elkaar verder in het kader van de bezwaarschriftprocedure zullen treffen, en wellicht ook in andere procedures, is de voorzieningenrechter van oordeel, gelet op het vorenstaande en gelet op de belangen over en weer, nu en in de toekomst, dat aanleiding bestaat de werking van de bestreden besluiten te schorsen en dat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening dient te worden toegewezen.

Hoewel de bestreden besluiten worden geschorst en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt toegewezen, ziet de voorzieningenrechter, gelet op het bijzondere karakter van deze zaak, geen aanleiding om een proceskostenveroordeling uit te spreken. Wel dient verweerder het door verzoekster betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe in die zin dat de werking van de besluiten van 29 april 2010 en van 5 juni 2010 worden geschorst tot zes weken nadat verweerder op het bezwaarschrift heeft beslist.

- wijst het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Coevorden aan om het griffierecht ad € 298,00 aan verzoekster te voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. ter Schegget, rechter, bijgestaan door mr. M. Buikema, griffier.

M. Buikema mr. H.J. ter Schegget

In het openbaar uitgesproken op 1 juli 2010

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Afschrift verzonden op: