Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2010:BM7078

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
08-06-2010
Datum publicatie
08-06-2010
Zaaknummer
19.830039-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is er, mede door de proceshouding van verdachte, niet van overtuigd geraakt dat verdachte thans gemotiveerd is voor hulp. Hoewel hij zegt zich te realiseren dat drankmisbruik heeft geleid tot de onderhavige delicten heeft hij de drank niet afgezworen en drinkt hij, met name in het weekend, nog stevig.

In de visie van de verdediging kan worden volstaan met een taakstraf. De rechtbank acht de bewezen geachte feiten daarvoor echter te ernstig. Zij zal aan de verdachte een onvoorwaar-delijke gevangenisstraf opleggen die enerzijds recht doet aan de ernst van de bewezen geachte feiten maar anderzijds uitzicht blijft bieden op voortzetting van de nieuwe levensfase waarin verdachte zegt te zijn terecht gekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummers: 19.830039-10

19.18-670251-08 (vordering na voorwaardelijke veroordeling)

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 8 juni 2010 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

wonende te [adres].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 25 mei 2010.

Verdachte/veroordeelde is verschenen. Hij werd bijgestaan door mr. J.P.J. Botterblom, advocaat te Barneveld.

De officier van justitie, mr. S.M. von Bartheld, acht hetgeen onder 1. tot en met 5. is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank als volgt zal beslissen: vier maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf onder aftrek van voorarrest, toewijzing van de civiele vordering van [slachtoffer 1] en gedeeltelijke toewijzing van de civiele vordering van [slachtoffer 2], beide tevens in de vorm van een schadevergoedings-maatregel, toewijzing van de vordering na voorwaardelijke veroordeling, en opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Verdachte heeft ter terechtzitting desgevraagd ontkend dat hij zich aan de op de dagvaarding ad-informandum gevoegde feiten onder de nummers 1. tot en met 8. heeft schuldig gemaakt. Deze feiten kunnen daarom niet als afgedaan worden beschouwd.

De officier van justitie heeft aangegeven dat hij voornemens was voor de onder 1. tot en met 5. tenlastegelegde feiten en de onder de nummers 1. tot en met 8 ad-informandum gevoegde feiten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden te vorderen en dat hij verdachte alsnog zal vervolgen voor de onder de nummers 1. tot en met 8. op de dagvaarding ad-informandum gevoegde feiten.

Tenlastelegging

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

1. (aangifte blz. 104)

hij op of omstreeks 18 november 2009 te Zuidlaren, gemeente Tynaarlo, opzettelijk en wederrechtelijk een of meer ruit(en) van een woning aan/nabij de [adres], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan[benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

2. (aangifte blz. 107)

hij op of omstreeks 18 november 2009 te Zuidlaren, gemeente Tynaarlo, [bedreigde] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een (Stanley)mes of een lifehammer, althans een voorwerp, naar die [bedreigde] gestoken, althans daarmee een beweging naar haar gemaakt, en/of (daarbij) tegen die [bedreigde] gezegd: "Pas maar op, anders krijg je hem", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

3. (aangifte blz. 149)

hij op of omstreeks 18 november 2009 te Zuidlaren, gemeente Tynaarlo, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een auto (Ford Focus), staande aan/nabij de Julianalaan heeft weggenomen een mobiele telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

4. (aangifte blz. 205)

hij op of omstreeks 18 november 2009 te Zuidlaren, gemeente Tynaarlo, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een auto (Volkswagen Polo), staande aan/nabij de Leenakkersweg heeft weggenomen papieren, een sleutel en/of een radiofrontje, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

5. (aangifte blz. 249)

hij op of omstreeks 9 november 2009 te Zuidlaren, gemeente Tynaarlo, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid kleding, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

De rechtbank zal, waar in de tenlastelegging staat “verdachte en/of zijn mededader(s)” lezen alsof daar staat “verdachte en/of zijn medeverdachte(n)”. De term mededader namelijk impliceert dat verdachte ook als dader moet worden aangemerkt, hetgeen in strijd is met de presumptie van onschuld: een verdachte dient tot aan het moment van onherroepelijke bewezenverklaring van het hem tenlastegelegde voor onschuldig te worden gehouden.

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Bewijsmiddelen

Hetgeen de rechtbank bewezen acht

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het onder 1. tot en met 5. tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij op 18 november 2009 te Zuidlaren, gemeente Tynaarlo, opzettelijk en wederrechtelijk ruiten van een woning aan de Koningstraat, toebehorende aan [benadeelde], heeft vernield;

2.

hij op 18 november 2009 te Zuidlaren, gemeente Tynaarlo, [bedreigde] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een lifehammer naar die Riemersma een beweging gemaakt, en daarbij tegen die [bedreigde] gezegd: Pas maar op, anders krijg je hem, althans woorden van gelijke dreigende aard en strekking;

3.

hij op 18 november 2009 te Zuidlaren, gemeente Tynaarlo, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een auto (Ford Focus), staande aan de Julianalaan heeft weggenomen een mobiele telefoon, toebehorende aan [slachtoffer 1], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak;

4.

hij op 18 november 2009 te Zuidlaren, gemeente Tynaarlo, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een auto (Volkswagen Polo), staande nabij de Leenakkersweg heeft weggenomen papieren, een sleutel en een radiofrontje, toebehorende aan [slachtoffer 2], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van inklimming;

5.

hij op 9 november 2009 te Zuidlaren, gemeente Tynaarlo, tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid kleding, toebehorende aan [benadeelde].

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de bewezenverklaring.

De verdachte zal van het onder 1. tot en met 5. meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificaties

Het onder 1. tot en met 5. bewezen geachte levert respectievelijk op:

onder 1.:

opzettelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen,

strafbaar gesteld bij artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht;

onder 2.:

bedreiging met zware mishandeling,

strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht;

onder 3.:

diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak,

strafbaar gesteld bij artikel 311 in verbinding met artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht;

onder 4.:

diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming,

strafbaar gesteld bij artikel 311 in verbinding met artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht;

onder 5.:

diefstal door twee of meer verenigde personen,

strafbaar gesteld bij artikel 311 in verbinding met artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straf in aanmerking de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte, de eis van de officier van justitie, het pleidooi van de raadsman van de verdachte, de oriëntatiepunten voor de straftoemeting en de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 7 mei 2010, waaruit blijkt dat de verdachte eerder ter zake van soortgelijke misdrijven is veroordeeld, ook tot onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De raadsman van verdachte heeft onder meer aangevoerd dat alles wat verdachte tot nog toe heeft opgebouwd voor niets is geweest als hem een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal worden opgelegd. Hij pleit daarom voor een taakstraf in de vorm van een werkstraf.

Het vorenstaande geldt eveneens ten aanzien van de vordering na voorwaardelijke veroordeling. Verdachte verdient het, aldus de raadsman, om zijn positieve ontwikkeling te kunnen voortzetten. De raadsman pleit daarom voor afwijzing van de vordering, althans tot tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf en omzetting daarvan in een taakstraf, bestaande uit een werkstraf.

De rechtbank overweegt dat uit het reclasseringsadvies van de afdeling Jeugdzorg & Reclassering van het Leger des Heils van 27 april 2010 naar voren komt dat aan verdachte in het verleden diverse voorstellen voor interventie zijn gedaan. Aanvankelijk leek hij gemotiveerd voor hulp, maar toen de trajecten geconcretiseerd werden kwam hij zijn afspraken niet na waardoor de hulpverlening niet van de grond kwam.

De reclassering schat het risico op het onttrekken aan op te leggen voorwaarden als hoog in. Aan verdachte is in vier jaar twee maal een verplicht reclasseringscontact opgelegd, die beide zijn geretourneerd vanwege het niet nakomen van afspraken. De laatste retourzending heeft geresulteerd in een verlenging van het reclasseringscontact tot 18 juni 2011. Daarbij is als bijzondere voorwaarde opgenomen dat verdachte medewerking zou verlenen aan een onderzoek door de AFPN.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij nu een vriendin heeft die nog bij haar ouders woont en bij wie hij is ingetrokken in afwachting van zelfstandige woonruimte voor zichzelf en zijn vriendin. Ook heeft hij via een uitzendbureau werk gevonden. Hij heeft 13 april jl. een intakegesprek gehad en kan bij de AFPN terecht waar hij zich elke dinsdag moet melden.

De rechtbank is er, mede door de proceshouding van verdachte, echter niet van overtuigd geraakt dat verdachte thans gemotiveerd is voor hulp. Hoewel hij zegt zich te realiseren dat drankmisbruik heeft geleid tot de onderhavige delicten heeft hij de drank niet afgezworen en drinkt hij, met name in het weekend, nog stevig.

In de visie van de verdediging kan worden volstaan met een taakstraf. De rechtbank acht de bewezen geachte feiten daarvoor echter te ernstig. Zij zal aan de verdachte een onvoorwaar-delijke gevangenisstraf opleggen die enerzijds recht doet aan de ernst van de bewezen geachte feiten maar anderzijds uitzicht blijft bieden op voortzetting van de nieuwe levensfase waarin verdachte zegt te zijn terecht gekomen.

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

De rechtbank acht het causaal verband tussen het bewezen geachte feit en de schade alsmede de aansprakelijkheid van de verdachte voor die schade bewezen. Het gevorderde bedrag acht zij voldoende aannemelijk gemaakt. De civiele vordering is dan ook gegrond en voor toewijzing vatbaar.

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

De rechtbank acht het causaal verband tussen het bewezen geachte feit en de schade alsmede de aansprakelijkheid van de verdachte voor die schade bewezen. De vordering acht zij tot na te noemen bedrag voldoende aannemelijk gemaakt. De civiele vordering is dan ook gegrond en tot na te noemen bedrag voor toewijzing vatbaar. Voor het overige, te weten de aanschaf van een nieuwe fles motorolie, acht de rechtbank de benadeelde partij niet ontvankelijk in haar vordering omdat het wegnemen van de motorolie niet aan verdachte is tenlastegelegd. Voor dit deel kan de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Schadevergoedingsmaatregelen

Met betrekking tot het onder 3. bewezen geachte feit acht de rechtbank de verdachte jegens het slachtoffer [slachtoffer 1] naar burgerlijk recht tot na te noemen bedrag aansprakelijk voor de schade, die door de strafbare feiten zijn toegebracht.

Aan de verdachte zal de verplichting worden opgelegd dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Met betrekking tot het onder 4. bewezen geachte feit acht de rechtbank de verdachte jegens het slachtoffer [slachtoffer 2] naar burgerlijk recht tot na te noemen bedrag aansprakelijk voor de schade, die door de strafbare feiten zijn toegebracht.

Aan de verdachte zal de verplichting worden opgelegd dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 19.18-670251-08

De rechtbank acht de vordering van de officier van justitie toewijsbaar nu de verdachte, eerder veroordeeld tot een deels voorwaardelijke straf bij vonnis van de rechtbank te Groningen d.d. 6 oktober 2008, zich tijdens de proeftijd, die overigens op 3 maart 2010 met één jaar is verlengd, heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten.

De rechtbank zal gelasten dat de niet tenuitvoergelegde straf alsnog zal worden tenuitvoergelegd.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 14g,14h, 14i, 14j, 27, 36f en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart bewezen dat het onder 1. tot en met 5. tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1. tot en met 5. meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De rechtbank heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van de som van € 64,-- en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], een bedrag van € 64,-- te betalen, bij gebreke van betaling te vervangen door één dag hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en verstaat dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voormeld bedrag ten behoeve van het slachtoffer de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij doet vervallen, alsmede dat betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partij de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag doet vervallen.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van de som van € 182,75 en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is en dat zij dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. De benadeelde partij en de verdachte dragen de eigen kosten.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], een bedrag van € 182,75 te betalen, bij gebreke van betaling te vervangen door drie dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en

verstaat dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voormeld bedrag ten behoeve van het slachtoffer de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij doet vervallen, alsmede dat betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partij de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag doet vervallen.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 19.18-670251-08

De rechtbank gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 6 oktober 2008 door de rechtbank te Groningen gewezen voorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van zes maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.L.M.J. Rooijakkers, voorzitter, en mr H.T. van Voorst en mr. H.R. Bracht, rechters, in tegenwoordigheid van R.C. Sprong, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 8 juni 2010.