Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2010:BM6327

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
01-06-2010
Datum publicatie
01-06-2010
Zaaknummer
19.996513-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De Noordelijke Fraudekamer heeft te Assen in de “ZORG”zaak een verdachte overeenkomstig de vordering van de officier van justitie, veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden. Zij heeft volgens de rechtbank tussen 2002 en 2007 bij drie onroerend goed transacties gebruik gemaakt van een groot aantal door haarzelf valselijk opgemaakte en vervalste documenten, om zo haar wederpartijen een verkeerde voorstelling van zaken voor te spiegelen en hen ertoe te bewegen grote bedragen aan haar te betalen. In totaal heeft zij haar slachtoffers voor circa anderhalf miljoen euro gedupeerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector Strafrecht

Parketnummer: 19/996513-08

datum uitspraak: 1 juni 2010

op tegenspraak

raadsman: mr. H.H. Boersma, advocaat te Amsterdam.

VONNIS van de rechtbank te Assen, meervoudige kamer voor strafzaken, Noordelijke Fraudekamer, in de zaak tegen:

[verdachte 3],

geboren op [datum] te [plaats],

wonende te [woonplaats], [adres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 6 oktober 2009, 9 oktober 2009, 2 februari 2010, 14 april 2010 en 21 mei 2010.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij in of omstreeks de periode van 29 oktober 2002 tot en met 11 januari 2007

te Voorburg en/of Den Haag en/of Amsterdam en/of Exloo en/of (elders) in

Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) (een) geschrift(en), te weten:

1) een intentieovereenkomst d.d. 12 februari 2003 tussen Initial Hokatex B.V.

en Annaduin Management B.V. (bijlage D4-001) en/of een door de notaris

gewaarmerkt exemplaar van die intentieovereenkomst (bijlage D4-036) en/of

2) een ontvangstbevestiging ad EUR 50.000,- d.d. 29 oktober 2002 van [getuige 1]

(bijlage D4-029) en/of

3) een ontvangstbevestiging ad EUR 225.000,- d.d. 12 februari 2003 van [getuige 1]

(bijlage D4-035) en/of

4) een faxbericht d.d. 11 september 2006 van [getuige 2] van Rentokil Initial

aan [getuige 1] (bijlage D4-002) en/of

5) een brief d.d. 11 januari 2007 van [getuige 3] van Rentokil Initial

(bijlage D4-072) en/of

6) een huurovereenkomst - met als datum van ondertekening respectievelijk 28

februari 2006 en 27 februari 2006 - met betrekking tot het pand Macroweg 10 te

Venray (bijlage D4-096) en/of

7) een huurovereenkomst - met als datum van ondertekening respectievelijk 18

november 2005 en 16 november 2005 - met betrekking tot het pand Laan van

Waalhaven (279) te Den Haag (bijlage D4-097)

dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk

heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, immers heeft verdachte opzettelijk in

strijd met de waarheid

Ad 1) die intentieovereenkomst en/of dat exemplaar van die

intentieovereenkomst valselijk namens Initial Hokatex voorzien van een

handtekening van [getuige 1] en/of

Ad 2) die ontvangstbevestiging valselijk voorzien van een handtekening van

[getuige 1] en/of

Ad 3) die ontvangstbevestiging valselijk voorzien van een handtekening van

[getuige 1] en/of

Ad 4) die fax valselijk voorzien van een handtekening van [getuige 2] en/of

Ad 5) die brief valselijk voorzien van een handtekening van [getuige 3]

en/of

Ad 6) die huurovereenkomst valselijk namens Rentokil Initial (Holdings) B.V.

voorzien van een handtekening van [getuige 4] en/of

Ad 7) die huurovereenkomst valselijk namens Rentokil Initial (Holdings) B.V.

voorzien van een handtekening van [getuige 4],

zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en

onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken,

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen,

terzake dat

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2007

te Voorburg en/of Den Haag en/of Amsterdam en/of Exloo en/of (elders) in

Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk gebruik heeft

gemaakt van (een) vals(e) geschrift(en), als was/waren dat/die geschrift(en)

echt en onvervalst, te weten:

1) een intentieovereenkomst d.d. 12 februari 2003 tussen Initial Hokatex B.V.

en Annaduin Management B.V. (bijlage D4-001) en/of een door de notaris

gewaarmerkt exemplaar van die intentieovereenkomst (bijlage D4-036) en/of

2) een ontvangstbevestiging ad EUR 225.000,- d.d. 12 februari 2003 van

[getuige 1] (bijlage D4-035) en/of

3) een faxbericht d.d. 11 september 2006 van D. Wilson van Rentokil Initial

aan [getuige 1] (bijlage D4-002) en/of

4) een brief d.d. 11 januari 2007 van [getuige 2] van Rentokil Initial

(bijlage D4-072) en/of

5) een huurovereenkomst - met als datum van ondertekening respectievelijk 28

februari 2006 en 27 februari 2006 - met betrekking tot het pand Macroweg 10 te

Venray (bijlage D4-096),

dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, welk(e)

geschrift(en) valselijk was/waren voorzien van:

Ad 1) een handtekening van [getuige 1] en/of

Ad 2) een handtekening van [getuige 1] en/of

Ad 3) een handtekening van [getuige 2] en/of

Ad 4) een handtekening van [getuige 3] en/of

Ad 5) een handtekening van [getuige 4],

welk gebruik hierin heeft bestaan dat verdachte:

Ad 1) (een afschrift van) die intentieovereenkomst en/of dat gewaarmerkte

exemplaar van die intentieovereenkomst heeft getoond en/of doen toekomen aan

Pebem Vastgoed B.V./[slachtoffer 1A] en/of Dennenborgh Trust B.V./[slachtoffer 2]

en/of Muermans Groep/[slechtoffer 3A] en/of Van der Vorm Vastgoed B.V./

[slachtoffer 4] en/of Elora B.V./[slachtoffer 5] en/of Florie en Van den Heuvel

B.V./[slachtoffer 6] en/of Havanka B.V./[slachtoffer 7] en/of Romeyn

Projectontwikkeling/[slachtoffer 8] en/of Weidema Beheer B.V./[slachtoffer 9] en/of

Ad 2) (een afschrift van) die ontvangstbevestiging heeft getoond en/of doen

toekomen aan [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 10] en/of

Ad 3) (een afschrift van) dat faxbericht heeft getoond en/of doen toekomen aan

Pebem Vastgoed B.V./[slachtoffer 1A] en/of Dennenborgh Trust B.V./[slachtoffer 2]

en/of Van der Vorm Vastgoed B.V./[slachtoffer 4] en/of Romeyn

Projectontwikkeling/[slachtoffer 8] en/of

Ad 4) (een afschrift van) die brief heeft getoond en/of doen toekomen aan

[slachtoffer 11] en/of

Ad 5) (een afschrift van) die huurovereenkomst heeft getoond en/of doen

toekomen aan Ter Meulen Beheer B.V./[slachtoffer 12] en/of Wijnveen junior

Management B.V./[slachtoffer 13] en/of Vastned Industrial B.V./[slachtoffer 14].

art 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht

2.

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en 31 december 2007 te

Almelo en/of Bilthoven en/of Merum-Herten en/of Rotterdam en/of Amsterdam

en/of Nieuwegein en/of Groningen en/of Lisse en/of Voorburg en/of Den Haag

en/of Exloo en/of (elders) in Nederland, met het oogmerk om zich en/of een

ander wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse naam

en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een

samenweefsel van verdichtsels:

- Pebem Vastgoed B.V./[slachtoffer 1A] en/of Dennenborgh Trust B.V./[slachtoffer 2]

en/of Muermans Groep/[slachtoffer 3A] en/of Van der Vorm Vastgoed B.V./

[slachtoffer 4] en/of Elora B.V./[slachtoffer 5] en/of Florie en Van den Heuvel

B.V./[slachtoffer 6] en/of Havanka B.V./[slachtoffer 7] en/of Romeyn

Projectontwikkeling/[slachtoffer 8] heeft bewogen tot de afgifte van een

geldbedrag van (telkens) EUR 112.500,-, althans een geldbedrag, en/of

- Ter Meulen Beheer B.V./[slachtoffer 12] en/of Wijnveen junior Management

B.V./[slachtoffer 13] en/of VastNed Industrial B.V./[slachtoffer 14] heeft

bewogen tot de koop van het pand Macroweg 10 te Venray voor een bedrag van

respectievelijk EUR 2,5 miljoen en/of een bedrag van EUR 3,4 miljoen,

hebbende verdachte toen en daar met dat oogmerk opzettelijk valselijk en/of

listiglijk en/of bedrieglijk:

- die Pebem Vastgoed B.V./[slachtoffer 1A] en/of Dennenborgh Trust B.V./

[slachtoffer 2] en/of Muermans Groep/[slachtoffer 3A] en/of Van der Vorm Vastgoed

B.V./[slachtoffer 4] en/of Elora B.V./[slachtoffer 5] en/of Florie en Van den

Heuvel B.V./[slachtoffer 6] en/of Havanka B.V./[slachtoffer 7] en/of Romeyn

Projectontwikkeling/[slachtoffer 8] door middel van een valse intentieovereekomst

tussen Initial Hokatex B.V. en Annaduin Management B.V. en/of door middel van

een vals faxbericht, zogenaamd afkomstig van [getuige 2] van Rentokil Initial,

doen voorkomen dat zij een optie had op het terrein Westeinde 50 te Voorburg

van Hokatex Initial B.V. en/of

- die Ter Meulen Beheer B.V./[slachtoffer 12] en/of Wijnveen junior Management

B.V./[slachtoffer 13] en/of VastNed Industrial B.V./[slachtoffer 14] door middel

van een valse huurovereenkomst doen voorkomen dat het pand Macroweg 10 te

Venray voor een periode van 10 jaar zou worden gehuurd door Rentokil Initial

(Holdings) B.V.,

op grond waarvan voornoemd(e) perso(o)n(en) (telkens) werd(en) bewogen tot die

afgifte en/of het aangaan van die schuld en/of het tenietdoen van die inschuld.

art 326 Wetboek van Strafrecht

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden. Daarnaast heeft de officier van justitie geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ter zitting ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit betoogd dat het dossier geen bewijs biedt voor de stelling dat het verdachte is geweest die de in de tenlastelegging genoemde stukken heeft vervalst, zodat voor het primaire onderdeel vrijspraak dient te volgen.

Daarnaast heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte niet wist en ook niet hoefde te vermoeden dat de bedoelde stukken vals of vervalst waren, zodat zij geen opzet, ook niet in voorwaardelijke vorm, heeft gehad op het gebruik maken van de bedoelde stukken als waren zij echt en onvervalst. Ook voor het subsidiaire onderdeel dient daarom in de visie van de verdediging vrijspraak te volgen.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit heeft de verdediging erkend dat verdachte dezelfde optie op het bedrijfsterrein van Hokatex in Voorburg meermalen aan verschillende mensen heeft verkocht. Nu evenwel aan verdachte ten laste is gelegd dat zij in dit verband opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste stukken, terwijl zij wist noch behoefde te weten dat dit het geval was, dient toch vrijspraak te volgen. Datzelfde geldt volgens de verdediging ook met betrekking tot het aan verdachte verweten gebruik van de huurovereenkomst voor het pand aan de Macroweg in Venray.

Bewijsoverwegingen

De rechtbank stelt vast dat de verwijten die aan verdachte gemaakt worden, voortkomen uit een drietal verschillende transacties waarbij zij betrokken is geweest. Het gaat daarbij om de (optie op de) verkoop van het bedrijfsterrein van Initial Hokatex BV aan het Westeinde 50 in Voorburg (hierna ook wel: het Hokatex-terrein), de verhuur van een pand aan de Laan van Waalhaven 279 in Den Haag en de verkoop en verhuur van een pand aan de Macroweg 10 in Venray. De rechtbank zal de tenlastegelegde feiten hieronder nader per transactie bespreken.

Het Hokatex-terrein

Feit 1, primair onder 1 en 4.

Voor wat betreft het Hokatex-terrein in Voorburg geldt het volgende:

Uit de aangiftes in het dossier blijkt dat verdachte in de loop van 2006 en 2007 een achttal natuurlijke en rechtspersonen heeft benaderd met het voorstel om deel te nemen in de aankoop en verdere ontwikkeling van dit bedrijfsterrein. De aangevers hebben tegenover de FIOD verklaard dat verdachte in de besprekingen met hen gebruik heeft gemaakt van een intentieovereenkomst van 12 februari 2003 en -bij een aantal van hen- van een faxbericht van 11 september 2006.

De bedoelde intentieovereenkomst houdt kort gezegd in dat Initial Hokatex BV de intentie heeft om over te gaan tot de verkoop van het bedrijfsterrein in Voorburg aan Annaduin

Management BV, een vennootschap van verdachte, met daarbij de verplichting voor Annaduin om, bij ondertekening van de overeenkomst, als zekerheidsstelling een optiebedrag te voldoen van € 225.000,--. De hierboven bedoelde aangevers hebben verklaard dat verdachte op grond van deze laatste bepaling hen heeft gevraagd een bedrag van € 112.500,-- te betalen, hetgeen zij in alle gevallen ook hebben gedaan.

Het faxbericht van 11 september 2006 stelt afkomstig te zijn van Rentokil Initial Plc, de Engelse moedermaatschappij van Initial Hokatex BV, en is gericht aan de heer [getuige 1] van Initial Textiles & Washroom Services. Kort gezegd houdt deze fax in dat het vertrek van het terrein in Voorburg in het eerste trimester van 2008 voltooid dient te zijn, met het verzoek aan [getuige 1] om verdachte te vragen dienovereenkomstig te handelen. De aangevers aan wie dit faxbericht is getoond, hebben verklaard dat dit voor hen een extra bevestiging vormde van het gegeven dat het terrein in 2008 vrij zou komen en dat verdachte bevoegd was om daarover te beschikken.

Vastgesteld moet echter worden dat de betrokkenen aan de kant van Hokatex en Rentokil tegenover de FIOD ontkend hebben dat deze stukken op waarheid berusten. Zo heeft de getuige [getuige 5], de financieel directeur van Initial Hokatex BV, over de intentieovereenkomst verklaard dat deze beslist niet is opgemaakt door of namens één van de vennootschappen behorend tot het Rentokil Initial concern, waaronder Initial Hokatex BV. Voor wat betreft de fax heeft [getuige 5] verklaard dat dit stuk vals moet zijn, omdat de ondertekenaar daarvan ([getuige 2]) niets te maken heeft met onroerend goed, er twee verschillende lettertypes zijn gebruikt, en de gebruikte bewoordingen (in het bijzonder het begrip "trimester") niet aansluiten bij wat in het (Brits) Engels gebruikelijk is. De verklaring van [getuige 5] is bevestigd door de getuige [getuige 6], financieel controller bij Rentokil Initial (Holdings) BV. Beide getuigen hebben ook verklaard dat er, in ieder geval in de periode dat de intentieovereenkomst zou zijn opgemaakt, geen concrete plannen waren om tot verkoop van het terrein in Voorburg over te gaan.

Ook de getuige [getuige 1], die de intentieovereenkomst zou hebben ondertekend en de fax zou hebben ontvangen, heeft ontkend iets van deze stukken af te hebben geweten. [getuige 1] heeft verklaard dat hij de intentieovereenkomst voor het eerst in 2007, ten kantore van de advocaat van Rentokil, heeft gezien en dat hij op de datum dat hij deze overeenkomst zou hebben getekend, 12 februari 2003, op wintersport in Frankrijk was. Over de fax van 11 september 2006 heeft [getuige 1], in aanvulling op [getuige 5], verklaard dat het bedrijf al begin 2006 het in de fax vermelde adres in East Grinstead had verlaten, dat er geen vennootschap bestaat die Rentokil Initial heet en dat de handtekening onder de fax niet die van [getuige 2] is.

[getuige 2] zelf, die ook als getuige door de FIOD is gehoord, heeft dat laatste bevestigd en heeft daartoe een kopie van zijn paspoort in het dossier laten opnemen. De rechtbank heeft gezien dat beide handtekeningen wel duidelijke verschillen vertonen. [getuige 2] heeft daarnaast nog op andere tekstuele tekortkomingen gewezen, zoals het feit dat in de Engelstalige fax de moedermaatschappij wordt aangeduid als "Rentokil Initial Groep" in plaats van "Group".

Voor wat betreft de handtekening van [getuige 1] onder de intentieovereenkomst, waarvan [getuige 1] heeft verklaard dat die wel met de zijne overeenkomt maar niet door hem is gezet, is door de FIOD gewezen op de handtekeningen die [getuige 1] onder een tweetal andere stukken, die hierna nog nader besproken zullen worden, zou hebben gezet. Net als de

verbalisanten van de FIOD heeft ook de rechtbank geconstateerd dat alle drie de handtekeningen tot op detailniveau zodanig overeenkomen, dat de veronderstelling gerechtvaardigd is dat alle drie van dezelfde bron afkomstig zijn. De rechtbank gaat er derhalve vanuit dat hierbij gebruik is gemaakt van een gekopieerde handtekening van [getuige 1].

Op grond van het voorgaande staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat beide bedoelde stukken, zowel de intentieovereenkomst als de fax, vals of vervalst zijn. Daarmee is vervolgens de vraag aan de orde of het verdachte is geweest die deze stukken valselijk heeft opgemaakt of heeft vervalst.

Daarbij is in de eerste plaats van belang dat de verklaring van verdachte over de herkomst van de intentieovereenkomst en de fax van 11 september 2006 in het licht van de verklaringen van de getuigen [getuige 5], [getuige 6], [getuige 2] en [getuige 1] als volstrekt ongeloofwaardig terzijde geschoven moet worden. De verklaring van verdachte dat de betrokken personen, in het bijzonder [getuige 1], tegenover de FIOD niet naar waarheid verklaard hebben om zo (eigen) malafide praktijken binnen Hokatex of Rentokil te verdoezelen, vindt op geen enkele manier steun in het dossier. Dat betekent dat geen andere conclusie mogelijk is, dan dat de bedoelde stukken, waarvan door verdachte gebruik is gemaakt, door verdachte zelf zijn opgesteld.

De rechtbank acht in dit verband, en met name in het licht van de bevindingen met betrekking tot de drie gelijke handtekeningen van [getuige 1], nog het volgende van belang. Verdachte heeft van een tweetal andere documenten, een fax van 3 oktober 2006 en een fax van 12 januari 2007, beide zogenaamd afkomstig van Dexia Private Banking, erkend dat deze valselijk door haar zijn opgemaakt. Verdachte heeft aangegeven dat het gaat om "het betere knip-en-plakwerk" en dat daarbij gebruik is gemaakt van een gescande handtekening in combinatie met een door haar zelf op de computer opgestelde tekst.

Concluderend acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het valselijk opmaken dan wel vervalsen van de intentieovereenkomst van 12 februari 2003 en van de fax van 11 september 2006, zoals haar onder 1 primair onder 1 en 4 is tenlastegelegd.

Feit 2 eerste gedachtestreepje

Hierboven is reeds genoemd dat een achttal aangevers heeft verklaard dat zij door de intentieovereenkomst en, in een aantal gevallen, door de fax van 11 september 2006 ertoe zijn bewogen om verdachte een bedrag van € 112.500,-- te betalen. Verdachte heeft dit ook toegegeven, zowel tegenover de FIOD als ter terechtzitting. Nu de rechtbank bewezen acht dat verdachte deze stukken zelf valselijk heeft opgemaakt dan wel heeft vervalst, kan tevens het onder 2, eerste gedachtestreepje, tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen worden, te weten dat verdachte de hier genoemde aangevers heeft opgelicht door middel van vals opgemaakte of vervalste stukken.

Feit 1 primair onder 3 en 5

In de tenlastelegging worden ten slotte nog twee stukken genoemd die betrekking hebben op de kwestie rond het Hokatex-terrein, en waarvan verdachte eveneens wordt verweten deze valselijk te hebben opgemaakt dan wel te hebben vervalst. Dit betreft een ontvangstbevestiging van een bedrag van € 225.000,--, gedateerd op 12 februari 2003 en ondertekend door [getuige 1], en een brief van 11 januari 2007, afkomstig van [getuige 3] van Rentokil Initial.

Volgens verdachte heeft [getuige 1] ten tijde van het sluiten van de al eerder genoemde intentieovereenkomst op 12 februari 2003 van haar het in die overeenkomst genoemde optiebedrag van € 225.000,-- ontvangen. De ontvangstbevestiging zou daarvan het bewijs vormen. Zoals hierboven al eerder aangegeven, is van de zijde van Hokatex en Rentokil echter ontkend dat deze overeenkomst ooit is gesloten. [getuige 1] heeft daarbij ook ontkend ooit een dergelijk bedrag van verdachte te hebben ontvangen, en heeft in zijn verklaring tegenover de FIOD aangegeven dat hij die dag niet in Nederland was, hetgeen hij met zijn agenda heeft onderbouwd.

De rechtbank constateert ook in dit geval, evenals de verbalisanten van de FIOD, dat de handtekening van [getuige 1] onder de ontvangstbevestiging tot op detailniveau nagenoeg identiek is aan de handtekening onder de intentieovereenkomst en aan die onder een andere, nog te bespreken ontvangstbevestiging. Ook hier is de conclusie derhalve gerechtvaardigd dat alle drie de handtekeningen uit dezelfde bron afkomstig zijn, en dat die bron, gelet op haar hierboven aangehaalde verklaringen over de valselijk opgestelde faxen van Dexia Private Banking, verdachte zelf is geweest.

In de brief van 11 januari 2007 wordt, zakelijk weergegeven, aan een ieder die het aangaat bevestigd dat aan verdachte de bevoegdheid toekomt om Rentokil Initial en al haar onderdelen juridisch te vertegenwoordigen, in het bijzonder de bevoegdheid om bindende onderhandelingen te voeren namens (onder meer) Initial Hokatex BV. De getuige [slachtoffer 11], directeur van Schouten & De Jong Projectontwikkeling, heeft verklaard dat verdachte deze brief aan hem heeft getoond, nadat hij haar had gevraagd om aan te tonen dat zij Hokatex rechtsgeldig kon vertegenwoordigen rond de verkoop van het Hokatex-terrein.

Ook ten aanzien van deze brief heeft de getuige [getuige 6], financieel controller bij Rentokil Initial, verklaard dat deze vals is, in dit geval omdat de handtekening die onder de brief staat niet die van de ondertekenaar, [getuige 3], is. Ter onderbouwing hiervan heeft [getuige 6] een kopie van diens paspoort aan het dossier laten toevoegen. De rechtbank constateert dat de handtekening onder de brief van 11 januari 2007 inderdaad geen gelijkenis vertoont met die in het paspoort.

Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank ongeloofwaardig de verklaring van verdachte dat zij deze brief van [getuige 3] zou hebben gekregen. Ook in dit geval kan niet anders dan worden aangenomen dat verdachte zelf deze brief heeft opgesteld, zoals zij in andere gevallen ook heeft gedaan, waarschijnlijk om zo aan het verzoek van [slachtoffer 11] te kunnen voldoen.

Ook hetgeen verdachte onder 1. primair onder 3 en 5 ten laste is gelegd kan derhalve wettig en overtuigend bewezen worden.

Het pand aan de Laan van Waalhaven

Feit 1 primair onder 2 en 7

Met betrekking tot de verhuur van het pand aan de Laan van Waalhaven 279 in Den Haag overweegt de rechtbank als volgt.

De getuige [getuige 7] heeft tegenover de FIOD verklaard dat hij in november 2005 via Annaduin Management een huurovereenkomst heeft afgesloten met Rentokil Initial BV voor het pand aan de Laan van Waalhaven, dat er vanaf het begin sprake was huurachterstanden en dat de huur die betaald werd, betaald werd door Annaduin en niet door Rentokil. [getuige 7] heeft verder aangegeven dat hij na enige tijd contact heeft opgenomen met Rentokil, maar dat dit bedrijf ontkende ooit een huurcontract voor het betreffende pand te hebben afgesloten. Daarnaast heeft [getuige 7] verklaard dat hij ten behoeve van het afsluiten van de huurovereenkomst een bedrag van € 50.000,-- als "tekengeld" heeft betaald aan verdachte.

De huurovereenkomst in kwestie betreft een overeenkomst gesloten tussen [getuige 7] namens Top Goed Bedrijfsvastgoed BV en Rentokil Initial (Holdings) BV, vertegenwoordigd door haar directeur [getuige 4], per adres Annaduin Management in Voorburg. De overeenkomst is ondertekend door [getuige 7] op 18 november 2005 en door [getuige 4] op 16 november 2005.

De getuige [getuige 6] heeft tegenover de FIOD verklaard dat Rentokil niet van deze overeenkomst op de hoogte was, dat hij het pand niet kent, dat Rentokil nooit een factuur voor de huur heeft ontvangen of betaald en dat ook deze overeenkomst derhalve vals is. Daarbij heeft [getuige 6] andermaal aangegeven dat de handtekening die onder deze overeenkomst staat niet toebehoort aan degene van wie deze afkomstig zou zijn, in dit geval de heer [getuige 4]. Ook hier heeft [getuige 6] ter onderbouwing daarvan een kopie van diens paspoort aan het dossier laten toevoegen. Ook de rechtbank heeft geconstateerd dat de beide handtekeningen geen enkele gelijkenis met elkaar vertonen.

De verklaring van verdachte dat de huurovereenkomst wel degelijk namens Rentokil zou zijn gesloten en door [getuige 4] zou zijn getekend, moet derhalve ongeloofwaardig worden geacht, te meer nu uit geen enkel ander authentiek stuk uit het dossier blijkt dat Rentokil op wat voor manier dan ook bij de huur van dit pand zou zijn betrokken. Integendeel, alles wijst erop dat het Annaduin Management BV, een van de vennootschappen van verdachte, is geweest die het pand heeft betrokken. Verdachte heeft dat ook verklaard, zij het dat volgens haar sprake was van onderhuur. Van dat laatste ontbreekt echter ieder bewijs. Ook hier kan derhalve geen andere conclusie worden getrokken dan dat de huurovereenkomst valselijk is opgesteld en dat het verdachte is geweest die dat heeft gedaan.

Volgens verdachte heeft zij het bedrag van € 50.000,-- dat door [getuige 7] aan haar is betaald, in het kader van het afsluiten van de huurovereenkomst doorbetaald aan [getuige 1]. Reeds het gegeven dat die huurovereenkomst naar het oordeel van de rechtbank vals is, tast de geloofwaardigheid van die verklaring aan. [getuige 1] heeft bovendien ontkend dat hij dit bedrag van verdachte heeft ontvangen. De getuige [getuige 8], een secretaresse die volgens verdachte bij het overhandigen van het bedrag aanwezig zou zijn geweest, heeft eveneens ontkend dat zij ooit heeft gezien dat er dergelijke bedragen op kantoor werden betaald.

Ten slotte stelt de rechtbank ook hier, met de verbalisanten van de FIOD, vast dat de handtekening van [getuige 1] onder de ontvangstbevestiging tot op detailniveau overeenkomt met diens eerdergenoemde handtekeningen onder de intentieovereenkomst van 12 februari 2003 en de ontvangstbevestiging van het bedrag van € 225.000,--. Dit samenstel van feiten en omstandigheden, in combinatie met de al eerder genoemde verklaringen van verdachte over het gebruik van een ingescande handtekening bij door haar valselijk opgemaakte stukken, maakt dat de rechtbank ook in dit geval van oordeel is dat verdachte de bron is van deze handtekening.

De rechtbank acht verdachte derhalve tevens schuldig aan het valselijk opmaken, dan wel het vervalsen, van de huurovereenkomst met betrekking tot het pand aan de Laan van Waalhaven en de ontvangstbevestiging van € 50.000,--, zoals haar onder 1 primair onder 2 en 7 is tenlastegelegd.

Het pand aan de Macroweg

Feit 1 primair onder 6 en feit 2 tweede gedachtestreepje

Als laatste overweegt de rechtbank ten aanzien van de verhuur van het pand aan de Macroweg 10 in Venray als volgt.

Uit de stukken blijkt dat het pand in kwestie begin maart 2006 is gekocht door Annaduin Management, waarna het vrijwel meteen is doorverkocht aan twee vastgoedondernemers, [slachtoffer 13] en [slachtoffer 12], en vervolgens aan het bedrijf VastNed Industrial B.V.

[slachtoffer 13] en [slachtoffer 12] hebben tegenover de FIOD verklaard dat verdachte hen heeft benaderd om het pand in kwestie te kopen en dat zij daarbij aangaf dat er met betrekking tot dit pand een huurovereenkomst voor de duur van 10 jaar kon worden afgesloten met Rentokil Initial (Holdings) BV. Zowel [slachtoffer 13] als [slachtoffer 12] hebben verklaard dat dit meerjarige huurcontract voor hen de doorslag gaf bij de beslissing om het pand aan te kopen, omdat het pand daardoor goed verkoopbaar zou zijn. Echter, enige tijd na de aan- en doorverkoop werden zij door VastNed benaderd omdat de huur van het pand niet meer werd betaald. Vervolgens bleek dat Rentokil ontkende ooit een huurovereenkomst voor dit pand te hebben afgesloten.

De betreffende huurovereenkomst is gesloten tussen de vennootschappen van [slachtoffer 13] en [slachtoffer 12] enerzijds en Rentokil Initial (Holdings) BV, vertegenwoordigd door haar directeur [getuige 4], per adres Annaduin Management BV, anderzijds. De overeenkomst is op 28 februari 2006 getekend door [slachtoffer 13] en [slachtoffer 12] en op 27 februari 2006 door [getuige 4].

De getuige [getuige 6] heeft over deze kwestie verklaard dat Rentokil in februari 2007 is aangesproken op betaling van de achterstallige huurpenningen en dat hij in dat verband voor het eerst kennis heeft genomen van deze overeenkomst. Hij heeft verder verklaard dat Rentokil Initial (Holdings) BV geen panden op naam heeft staan. Ook de getuige [getuige 1] heeft aangegeven dat in de tijd dat hij bij Hokatex werkzaam is geweest (tot 2006) het betreffende pand niet bij Rentokil in gebruik is geweest. Verder heeft ook hij erop gewezen

dat het niet voor de hand ligt dat de Rentokil Initial (Holdings) BV een dergelijke overeenkomst aangaat, in plaats van één van de werkmaatschappijen.

[getuige 6] heeft daarnaast aangegeven dat de handtekening die onder deze overeenkomst is gezet wederom niet de handtekening van [getuige 4] is. Ook de rechtbank constateert opnieuw dat de handtekening onder de huurovereenkomst niet overeenkomt met die in het paspoort van [getuige 4].

Volgens verdachte zou zij de betreffende handtekening verkregen hebben via bemiddeling door [getuige 1] dan wel ene [naam 1] en zou vervolgens de huur door Annaduin Management betaald worden, na maandelijkse goedkeuring door [getuige 1]. De rechtbank stelt evenwel vast dat [getuige 1], zoals gezegd, elke betrokkenheid bij dit pand heeft ontkend en dat zowel [getuige 6] als [getuige 1] hebben verklaard dat zij geen [naam 1] kennen. De FIOD heeft deze persoon evenmin kunnen traceren. De rechtbank merkt verder op dat het niet in de rede ligt dat verdachte maandelijks toestemming moest verkrijgen voor het uitbetalen van de huur, nu uit de verklaringen van [slachtoffer 13], [slachtoffer 12] en verdachte zelf blijkt dat uit de winst die behaald is met de doorverkoop van het pand aan VastNed Industrial BV, een bedrag ter hoogte van de jaarlijkse huur aan Annaduin Management is overgemaakt. Het was dus verdachte zelf die over dit bedrag kon beschikken.

De verklaringen van verdachte moeten derhalve ook als het gaat om de totstandkoming van de huurovereenkomst voor dit pand als ongeloofwaardig terzijde geschoven worden. Ook hier geldt dat er zich in het dossier geen enkel authentiek stuk bevindt dat er op wijst dat Rentokil op enigerlei wijze bij dit pand betrokken is geweest. Net als in de kwestie rond de verhuur van het pand aan de Laan van Waalhaven in Den Haag is het verdachte geweest die de afspraken heeft gemaakt en die enige tijd de huur heeft betaald. Van enig belang van Rentokil Initial (Holdings) BV bij de huur van het pand aan de Macroweg 10 te Venray is uit het dossier niet gebleken.

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank ook ten aanzien van deze huurovereenkomst wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het valselijk opmaken, dan wel vervalsen, daarvan, zoals haar onder 1 primair onder 6 ten laste is gelegd. Uit dat oordeel en uit de hierboven aangehaalde verklaringen van [slachtoffer 13] en [slachtoffer 12] volgt tevens dat de rechtbank bewezen acht dat verdachte valselijk van deze huurovereenkomst gebruik heeft gemaakt om deze beide aangevers ertoe te bewegen het pand te kopen, zoals haar onder 2, tweede gedachtestreepje, is tenlastegelegd.

Vrijspraak

De rechtbank zal de verdachte van het onder 1 primair in de tenlastelegging genoemde onderdeel “en/of een door de notaris gewaarmerkt exemplaar van die intentieovereenkomst (bijlage D4-036)” vrijspreken. Dat de intentieovereenkomst zelf vals of vervalst is heeft de rechtbank hierboven reeds overwogen. Het waarmerken van deze overeenkomst is echter niet door verdachte, maar door de notaris gebeurd, en maakt bovendien deze overeenkomst niet extra vals.

De rechtbank zal de verdachte van het onder 2 in de tenlastelegging genoemde onderdelen “[slachtoffer 1A]” vrijspreken nu uit de stukken blijkt dat niet [slachtoffer 1A] doch [slachtoffer 1B] door de verdachte is bewogen tot de afgifte van een geldbedrag.

De rechtbank zal de verdachte van het onder 2 in de tenlastelegging genoemde onderdelen “[slachtoffer 3A]” vrijspreken nu uit de stukken blijkt dat [slachtoffer 3A] adviseur van de Muermans groep is en niet hij, doch [slachtoffer 3B], door de verdachte is bewogen tot de afgifte van een geldbedrag.

De rechtbank zal de verdachte van het onder 2 in de tenlastelegging genoemde onderdelen “VastNed Industrial B.V./[slachtoffer 14]” en “en/of een bedrag van EUR 3,4 miljoen” vrijspreken. Het is immers niet verdachte geweest die VastNed ertoe bewogen heeft het pand aan de Macroweg in Venray te kopen, maar [slachtoffer 13] en [slachtoffer 12], die zich daarbij bovendien niet opzettelijk aan oplichting schuldig hebben gemaakt. Voor zover de officier van justitie het oog heeft gehad op het verwijt dat verdachte deze oplichting heeft doen plegen, moet worden vastgesteld dat deze variant niet is tenlastegelegd.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

zij in de periode van 29 oktober 2002 tot en met 11 januari 2007 te Voorburg en elders in

Nederland, meermalen, telkens een geschrift, te weten:

1) een intentieovereenkomst d.d. 12 februari 2003 tussen Initial Hokatex B.V. en Annaduin Management B.V. (bijlage D4-001) en

2) een ontvangstbevestiging ad EUR 50.000,- d.d. 29 oktober 2002 van [getuige 1] (bijlage D4-029) en

3) een ontvangstbevestiging ad EUR 225.000,- d.d. 12 februari 2003 van [getuige 1] (bijlage D4-035) en

4) een faxbericht d.d. 11 september 2006 van [getuige 2] van Rentokil Initial aan [getuige 1] (bijlage D4-002) en

5) een brief d.d. 11 januari 2007 van [getuige3] van Rentokil Initial (bijlage D4-072) en

6) een huurovereenkomst - met als datum van ondertekening respectievelijk 28 februari 2006 en 27 februari 2006 - met betrekking tot het pand Macroweg 10 te Venray (bijlage D4-096) en

7) een huurovereenkomst - met als datum van ondertekening respectievelijk 18 november 2005 en 16 november 2005 - met betrekking tot het pand Laan van Waalhaven (279) te Den Haag (bijlage D4-097)

die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte opzettelijk in strijd met de waarheid

Ad 1) die intentieovereenkomst valselijk namens Initial Hokatex voorzien van een handtekening van [getuige 1] en

Ad 2) die ontvangstbevestiging valselijk voorzien van een handtekening van [getuige 1] en

Ad 3) die ontvangstbevestiging valselijk voorzien van een handtekening van [getuige 1]en

Ad 4) die fax valselijk voorzien van een handtekening van [getuige 2] en

Ad 5) die brief valselijk voorzien van een handtekening van [getuige 3] en

Ad 6) die huurovereenkomst valselijk namens Rentokil Initial (Holdings) B.V. voorzien van een handtekening van [getuige 4] en

Ad 7) die huurovereenkomst valselijk namens Rentokil Initial (Holdings) B.V. voorzien van een handtekening van [getuige 4],

zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken.

2.

zij in de periode van 1 januari 2006 tot en 31 december 2007 te Almelo en Bilthoven en Merum-Herten en Rotterdam en Amsterdam en Nieuwegein en Groningen en Lisse en Voorburg en Den Haag en Exloo en/of elders in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels:

- Pebem Vastgoed B.V. en Dennenborgh Trust B.V./[slachtoffer 2] en Westeinde Vastgoed B.V./[slachtoffer 3B] en Van der Vorm Vastgoed (Investering) B.V./[slachtoffer 4] en Handels- en exploitatiemaatschappij Elora B.V./[slachtoffer 5] en Florie en Van den Heuvel

B.V./[slachtoffer 6] en Havanka Vastgoed B.V./[slachtoffer 7] en Romeyn

Projectontwikkeling II B.V./[slachtoffer 8] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van telkens EUR 112.500,-, en

- Ter Meulen Beheer B.V./[slachtoffer 12] en Wijnveen junior Management B.V./[slachtoffer 13] heeft bewogen tot de koop van het pand Macroweg 10 te Venray voor een bedrag van respectievelijk EUR 2,5 miljoen,

hebbende verdachte toen en daar met dat oogmerk opzettelijk listiglijk en bedrieglijk:

- die Pebem Vastgoed B.V. en Dennenborgh Trust B.V./[slachtoffer 2] en Westeinde Vastgoed B.V./[slachtoffer 3B] en/of Van der Vorm Vastgoed (Investering) B.V./[slachtoffer 4] en Handels- en exploitatiemaatschappij Elora B.V./[slachtoffer 5] en Florie en Van den Heuvel B.V./[slachtoffer 6] en Havanka Vastgoed B.V./[slachtoffer 7] en Romeyn

Projectontwikkeling II B.V./[slachtoffer 8] door middel van een valse intentieovereenkomst

tussen Initial Hokatex B.V. en Annaduin Management B.V. en/of door middel van een vals faxbericht, zogenaamd afkomstig van [getuige 2] van Rentokil Initial, doen voorkomen dat zij een optie had op het terrein Westeinde 50 te Voorburg van Hokatex Initial B.V. en

- die Ter Meulen Beheer B.V./[slachtoffer 12] en Wijnveen junior Management B.V./[slachtoffer 13] door middel van een valse huurovereenkomst doen voorkomen dat het pand Macroweg 10 te Venray voor een periode van 10 jaar zou worden gehuurd door Rentokil Initial (Holdings) B.V.,

op grond waarvan voornoemde personen telkens werden bewogen tot die afgifte en/of het aangaan van die schuld.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Door kennelijke vergissingen staat telkens in het onder 2 tenlastegelegde:

“Muermans Groep” in plaats van “Westeinde Vastgoed B.V./[slachtoffer 3B]” en

“Van der Vorm Vastgoed B.V.” in plaats van “Van der Vorm Vastgoed (Investering) B.V.” en

“Elora B.V.” in plaats van “Handels- en exploitatiemaatschappij Elora B.V.” en

“Havanka B.V.” in plaats van “Havanka Vastgoed B.V.” en

“Romeyn Projectontwikkeling” in plaats van “Romeyn Projectontwikkeling II B.V.” en “intentieovereekomst” in plaats van “intentieovereenkomst”.

De rechtbank gaat telkens van het laatste uit. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

De rechtbank heeft daarnaast de verder in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. De verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Kwalificatie

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard levert de volgende strafbare feiten op:

Onder 1 primair:

Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Onder 2:

Oplichting, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte heeft ten aanzien van de onder 2, eerste gedachtestreepje, bedoelde oplichtingen verklaard dat zij tot haar handelen is gekomen omdat zij dringend geld nodig had als gevolg van het feit dat zij door een aantal niet nader genoemde personen werd afgeperst. Voor zover verdachte heeft beoogd een beroep te doen op een overmachtsituatie, is die overmacht naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden. In de eerste plaats zijn de gestelde afpersingen nauwelijks door verdachte geconcretiseerd, noch worden zij door enige getuige bevestigd of door enig stuk in het dossier onderbouwd, zodat niet zonder meer van de juistheid van haar verklaringen op dit punt kan worden uitgegaan. Daar komt bij dat verdachte met de bedoelde oplichting een veel hoger geldbedrag heeft binnengekregen dan dat zij naar haar eigen zeggen aan haar afpersers zou hebben betaald.

Motivering straf

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van de verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, de omtrent de verdachte opgemaakte reclasseringsrapportage, het uittreksel uit het justitieel documentatieregister alsmede de vordering van de officier van justitie.

Verdachte heeft zich tussen 2002 en 2007 bij drie onroerend goed transacties gebruik gemaakt van een groot aantal door haarzelf valselijk opgemaakte of vervalste documenten, om zo haar wederpartijen een verkeerde voorstelling van zaken voor te spiegelen en hen ertoe te bewegen grote bedragen aan haar te betalen. In totaal heeft zij haar slachtoffers voor circa anderhalf miljoen euro gedupeerd. Dat is niet alleen kwalijk omdat zo een aantal personen veel schade heeft geleden, maar ook omdat het handelsverkeer bij uitstek op wederzijds vertrouwen is gebaseerd en dat vertrouwen heeft verdachte op grote schaal misbruikt. Dit soort gedragingen kunnen ertoe leiden dat mensen in de toekomst minder makkelijk zaken met elkaar doen en de schade die dat voor de economie tot gevolg heeft, treft uiteindelijk de hele samenleving.

Over haar exacte beweegredenen heeft verdachte geen openheid van zaken gegeven. Verdachte heeft de meeste aan haar gemaakte verwijten ontkend, en voor het overige gesteld dat zij gedwongen was om veel geld te genereren omdat zij werd afgeperst. Dat laatste is echter niet aannemelijk geworden. Het lijkt er derhalve op dat vooral hebzucht en geldelijk gewin de drijfveren voor verdachte zijn geweest. In ieder geval kunnen de verweten gedragingen haar ten volle worden toegerekend.

De reclassering heeft aangegeven dat de kans op herhaling van dergelijke feiten laag is. Dat is een conclusie die de rechtbank niet zonder meer kan delen. Alleen al het feit dat verdachte grotendeels heeft ontkend, en daarmee dus heeft aangegeven niet de verantwoordelijkheid te willen dragen voor datgene waaraan zij zich schuldig heeft gemaakt, staat daaraan in de weg. Daar komt bij dat verdachte, weliswaar in het wat verdere verleden, al eerder is veroordeeld voor belastingfraude en verduistering, delicten waarbij geldelijk gewin eveneens op de voorgrond staat.

Daarnaast heeft de reclassering het nodige geschreven over de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft die omstandigheden ter zitting ook toegelicht. Daarbij is met name aan de orde geweest haar precaire financiële situatie, als gevolg van haar faillissement, en de zwakke gezondheid van haar echtgenoot, voor wie zij derhalve de zorg heeft.

Hoewel de rechtbank oog heeft voor de door en namens verdachte aangevoerde omstandigheden, dient in dit geval echter het belang van de samenleving bij vergelding en normhandhaving zwaarder te wegen dan de persoonlijke belangen van verdachte. Alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf doet recht aan de aard en de ernst van de feiten waaraan zij schuldig heeft gemaakt. De rechtbank zal daarbij aansluiten bij de door de officier van justitie gevorderde straf. De hoogte daarvan is passend bij zowel de ernst van de feiten als de persoonlijke situatie van verdachte.

Vordering van de benadeelde partij Van der Vorm Vastgoed B.V.:

Als benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd Van der Vorm Vastgoed B.V., bij monde van [benadeelde/slachtoffer 4], wonende te Wassenaar.

De benadeelde partij heeft schriftelijk en mondeling ter terechtzitting opgave gedaan van de inhoud van de vordering en van de gronden waarop deze berust.

Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks schade is toegebracht tot een bedrag van € 112.500,--. De rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 57, 225 lid 1 (oud) en 326 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart het onder 1 primair en 2 meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

- verklaart de verdachte voor het bewezenverklaarde strafbaar;

- veroordeelt de verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij Van der Vorm Vastgoed BV:

Wijst de vordering van de benadeelde partij Van der Vorm Vastgoed B.V., bij monde van [benadeelde/slachtoffer 4], wonende te Wassenaar, toe en veroordeelt de veroordeelde tot betaling van aan de benadeelde partij van een bedrag van € 112.500,00 (zegge: éénhonderdtwaalfduizendvijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente.

Veroordeelt de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. H.H.A. Fransen, voorzitter, L.W. Janssen en J. van Bruggen, rechters, in tegenwoordigheid van A.E. Tuinstra, als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 juni 2010.