Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2010:BM6323

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
01-06-2010
Datum publicatie
01-06-2010
Zaaknummer
19.996506-08
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2013:CA1944, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De Noordelijke Fraudekamer heeft te Assen in de “ZORG”zaak een verdachte veroordeeld

tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden omdat ook hij zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen. Hij heeft dit feit gepleegd nadat een rechtspersoon binnen een grote zorginstelling, van welke rechtspersoon hij directeur was, een geldbedrag van anderhalf miljoen gulden in de schoot geworpen kreeg. Hij heeft het geldbedrag onder eigen beheer gehouden door het geldbedrag op een bankrekening te plaatsen van deze vennootschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector Strafrecht

Parketnummer: 19/996506-08

datum uitspraak: 1 juni 2010

op tegenspraak

raadsman: mr. G.J.M.E. de Bont, advocaat te Amsterdam.

raadsvrouw: mr. J.M. Sitsen, advocaat te Amsterdam.

VONNIS van de rechtbank te Assen, meervoudige kamer voor strafzaken, Noordelijke Fraudekamer, in de zaak tegen:

[verdachte 2],

geboren op [datum] te [plaats],

wonende te [adres], [plaats], [land],

niet als ingezetene ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens en zonder feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 6 oktober 2009, 9 oktober 2009, 2 februari 2010 en 13 april 2010, 15 april 2010, 16 april 2010, 20 april 2010 en 21 mei 2010.

TENLASTELEGGING

Ter terechtzitting van 13 april 2010 is door de officier van justitie een vordering wijziging tenlastelegging ingediend en is daarmee als volgt komen te luiden:

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

Rubi B.V. en/of verdachte op een of meer tijdstippen gelegen in of

omstreeks de periode van 21 maart 2002 tot en met 13 februari 2009,

te Meppel en/of Zwolle en/of Dronten, althans (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer (rechts)perso(o)n(en), althans alleen,

een voorwerp, te weten een geldbedrag van ongeveer NLG 1.500.000,-, heeft

verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans

van dat geldbedrag gebruik heeft gemaakt, bestaande het voorhanden hebben

hierin dat Rubi B.V. de aandelen van Icare Thuiszorgwinkels B.V. voorhanden

heeft gehad terwijl zich in Icare Thuiszorgwinkels B.V. een bedrag van NLG

1.500.000,- bevond dat toebehoorde aan Stichting de Thuiszorg Icare, althans

aan een ander dan Icare Thuiszorgwinkels B.V. en/of Rubi B.V. terwijl

Rubi B.V. en/of haar mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven voorwerp –

onmiddellijk of middelijk - afkomstig was uit enig misdrijf,

tot welk(e) door Rubi B.V. gepleegde feit(en), hij, verdachte, tezamen

en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opdracht heeft gegeven

en/of aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte, tezamen en in vereniging

met (een) ander(en), althans alleen, feitelijk leiding heeft gegeven;

art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

2.

Rubi B.V. in of omstreeks de periode van 1 februari 2002 tot en met 5 april

2002, te Meppel en/of Zwolle en/of Dronten, althans (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer (rechts)perso(o)n(en), althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen,

door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van

verdichtsels, Stichting de Thuiszorg Icare en/of Icare Beheer en Ontwikkeling

B.V., heeft bewogen tot de afgifte van enig goed en/of tot het aangaan van een

schuld, te weten de verkoop en/of overdracht van de aandelen van Icare

Thuiszorgwinkels B.V. voor een bedrag van EUR 589.914,28,

hebbende Rubi B.V. en/of haar mededader(s) met vorenomschreven oogmerk

listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid, opzettelijk aan

Stichting de Thuiszorg Icare en/of Icare Beheer en Ontwikkeling B.V. een onjuiste voorstelling van zaken gegeven betreffende de waarde van die aandelen,

bestaande die listige kunstgrepen hierin dat Rubi B.V. en/of zijn mededaders aan

de Raad van Commissarissen van Stichting de Thuiszorg Icare in strijd

met de waarheid voor te houden dat er nog een vordering (van Emcart) ten

bedrage van NLG 2.100.000,- / EUR 952.938,45 was en de prijs van EUR

589.914,28 / NLG 1.299.999,82 een goede en/of reële prijs zou zijn, terwijl Rubi

B.V. en/of haar mededader(s) heeft/hebben verzwegen dat deze claim was

vastgesteld op een bedrag van NLG 500.000,-/ EUR 226.890,11

tot welk feit hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en),

althans alleen, opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging

hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), feitelijk

leiding heeft gegeven;

art 326 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen,

terzake dat

hij op of omstreeks 21 maart 2002, te Utrecht, althans (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

een zogenaamde "overname-overeenkomst door middel van overdracht van de

aandelen in Icare Thuiszorgwinkels B.V." - zijnde een geschrift dat bestemd

was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt/doen

opmaken of vervalst/doen vervalsen, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn

mededader(s) valselijk in die overeenkomst opgenomen/doen opnemen dat

sprake is van een vordering van Emcart Groep groot

EUR 952.938,45/ NLG 2.099.999,88, terwijl verdachte heeft verzwegen dat deze

vordering in werkelijkheid was vastgesteld op een bedrag van NLG 500.000,- /

EUR 226.890,11, althans een lager bedrag, zulks met het oogmerk om dat

geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

Rubi B.V. en/of verdachte en/of Jens B.V. op een of meer tijdstippen gelegen

in of omstreeks de periode van 1 april 2002 tot en met 13 februari 2009,

te Meppel en/of Zwolle en/of Dronten, althans (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer (rechts)perso(o)n(en), althans

alleen, aandelen, te weten aandelen Icare Thuiszorgwinkels B.V., heeft/hebben

verworven, voorhanden heeft/hebben gehad, heeft/hebben overgedragen en/of

omgezet, althans van de aandelen Icare Thuiszorgwinkels B.V. gebruik

heeft/hebben gemaakt, terwijl Rubi B.V. en/of verdachte en/of Jens B.V. en/of

diens mededader(s) wist(en) dat die aandelen - onmiddellijk of middellijk – waren verkregen door middel van oplichting en/of valsheid in geschrift althans afkomstig waren uit

enig misdrijf,

tot welk(e) door Rubi B.V. en/of Jens B.V. gepleegde feit(en), hij, verdachte,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opdracht heeft

gegegeven, en/of aan welke verboden gedraging(en) verdachte, tezamen en in

vereniging met (een) ander(en), althans alleen, feitelijk leiding heeft

gegeven;

art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 17 mei 2004, te Lelystad en/of Almere, althans (elders) in

Nederland, opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in

de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de

inkomstenbelasting over het jaar 2002, onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,

immers heeft verdachte opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen of

de Belastingdienst te Lelystad en/of Almere ingeleverde aangiftebiljet

inkomstenbelasting over genoemd jaar, een te laag bedrag aan inkomsten, althans

inkomen opgegeven, althans een te laag belastbaar bedrag, terwijl dat feit ertoe

strekte dat te weinig belasting werd geheven;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is

gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 68 lid 2 ahf/ond a Algemene wet inzake rijksbelastingen

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de verdachte ter zake van het onder 1, 2 primair, 3 en 4 tenlastegelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Nietigheid van de dagvaarding

De verdediging heeft ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat de dagvaarding innerlijk tegenstrijdig is en derhalve nietig moet worden verklaard, nu zij niet voldoet aan de eisen bedoeld in artikel 261 Wetboek van Strafvordering (WvSv). Als voorwerp dat afkomstig zou zijn uit een misdrijf wordt tenlastegelegd “een geldbedrag van ongeveer NLG 1.500.000”, welk geldbedrag Rubi BV dan voorhanden zou hebben gehad. Als feitelijke beschrijving van de verwijtbare gedraging is aangegeven dat Rubi BV “de aandelen van Icare Thuiszorgwinkels BV voorhanden heeft gehad terwijl zich in Icare Thuiszorgwinkels BV een bedrag van NLG 1.500.000 bevond”. Dat roept de vraag op of bedoeld wordt dat Rubi BV een geldbedrag voorhanden zou hebben gehad, of dat bedoeld wordt dat de aandelen in Icare Thuiszorgwinkels BV voorhanden zijn gehad en deze door misdrijf zijn verkregen.

De rechtbank kan de verdediging niet volgen in dit verweer, nu uit de in dagvaarding gegeven omschrijving voldoende duidelijk naar voren komt dat het verwijt hieruit bestaat dat Rubi BV (al dan niet tezamen met verdachte) met een geldbedrag van fl. 1.500.000,-- witwashandelingen heeft gepleegd, welk bedrag hij voorhanden heeft gehad door middel van het voorhanden hebben van de aandelen Icare Thuiszorgwinkels BV (nader: ITW), waarin zich dat geldbedrag bevond.

Naar het oordeel van de rechtbank voldoet de tenlastelegging derhalve wel degelijk aan de eisen die artikel 261 WvSv daaraan stelt.

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging.

Ontvankelijkheid officier van justitie

De verdediging heeft ten aanzien van het primaire onderdeel van het onder 2 tenlastegelegde feit aangevoerd dat dit feit, uitgaande van de laatste dag op de tenlastelegging, is verjaard op 6 april 2008. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat een rechter-commissaris geen bemoeienis heeft gehad bij de aanhouding van de verdachte op 12 maart 2008, een daad van vervolging terzake van het delict niet kan worden gevonden in de rechtshulpverzoeken van 27 februari 2008 en 12 maart 2008 en dat de doorzoeking die op 17 maart 2008 heeft plaatsgevonden, ook niet kan worden aangemerkt als een daad van vervolging terzake van oplichting. Tijdens het verhoor van de verdachte is hij geïnformeerd over de tegen hem lopende verdenkingen te weten: belastingfraude en valsheid in geschrifte. Nu over oplichting niet is gesproken is het aan de verdachte tenlastegelegde feit van oplichting verjaard en dient het Openbaar Ministerie dienaangaande niet-ontvankelijk in de vervolging te worden verklaard.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er binnen de geldende verjaringstermijn sprake is geweest van stuiting van de verjaring als bedoeld in artikel 72 van het Wetboek van Strafrecht (WvSr). Als onderbouwing voert hij aan dat verdachte [verdachte 2] al op 12 maart 2008 op de hoogte was van de tegen hem bestaande verdenkingen. Op 12 maart 2008 is hij namelijk in het huis van medeverdachte [verdachte 1] aangehouden en daar heeft ook in de zaak van [verdachte 2] een doorzoeking plaatsgevonden. Verdachte [verdachte 2] is dezelfde dag en de dagen erna verhoord. Op 12 maart 2008 is toestemming verleend voor de doorzoeking van de woning van verdachte [verdachte 2] in Spanje. Deze doorzoeking heeft door middel van een rechtshulpverzoek plaatsgevonden op 17 maart 2008.

De rechtbank kan de officier van justitie niet volgen in zijn betoog dat er binnen de verjaringstermijn sprake is geweest van een daad van vervolging als bedoeld in artikel 72 WvSr. De door de officier van justitie aangevoerde verrichtingen van politie en justitie, al dan niet in samenhang beschouwd, kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet als zodanig worden aangemerkt. Er is in de bedoelde periode geen dagvaarding uitgebracht of een GVO gestart. Ook anderszins is er geen sprake van een daad of daden van vervolging. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de door de officier van justitie aangegeven verrichtingen slechts aan te merken als opsporingshandelingen en kan niet worden aangenomen dat het al gaat om verrichtingen (van het Openbaar Ministerie of een rechter) die bedoeld zijn om tot een (uitvoerbare) rechterlijke beslissing te komen.

Dit heeft naar het oordeel van de rechtbank tot gevolg dat het onder feit 2, primair, tenlastegelegde feit van oplichting op grond van artikel 70, aanhef en onder sub 2, WvSr is verjaard. Tot 1 februari 2006 gold voor het misdrijf van oplichting immers een maximale gevangenisstraf van 3 jaren, zodat uiterlijk tot 6 april 2008 vervolging had kunnen worden ingesteld.

Het Openbaar Ministerie dient mitsdien niet ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging met betrekking tot het onder feit 2 primair op de dagvaarding vermelde feit.

Bewijsmotiveringen

Met betrekking tot feit 1 (geldbedrag van fl. 1.500.000,--)

Uit de hierboven vermelde tot de gedingstukken behorende documenten blijkt ten aanzien van het pand Fazantendreef 17-19 te Dronten het volgende.

- Door de Stichting De Thuiszorg Icare (nader: de Stichting), vertegenwoordigd door de Raad van Bestuur, bij monde van de medeverdachte [verdachte 1], is in 2001 opdracht gegeven aan het makelaarskantoor [naam 1] om de waarde van het pand, plaatselijk bekend Fazantendreef 17-19 te Dronten, te bepalen. Het was de bedoeling de taxatie te gebruiken ten behoeve van een mogelijke management buy-out. Ing. [naam 2], makelaar/taxateur o.g., werkzaam voor genoemd kantoor, heeft op 16 oktober 2001 een taxatierapport uitgebracht (D3-022, blz. 1651). De taxateur heeft de onderhandse verkoopwaarde, vrij van huur en gebruik, per 16 oktober 2001 vastgesteld op fl. 1.680.000,-- en de executiewaarde vrij van huur en gebruik op fl. 1.470.000,--.

- Uit de koopovereenkomst van eind november 2001 (D3-001, blz. 1470) tussen verdachte [verdachte 2], handelend als directeur van Icare Thuiszorgwinkels BV en een vertegenwoordiger van Eurocommerce Robex Groep BV (nader: Eurocommerce) blijkt dat het pand Fazantendreef 17-19 te Dronten door ITW aan Eurocommerce is verkocht voor

fl. 3.000.000,--. Met ingang van de leveringsdatum heeft Eurocommerce volgens die overeenkomst het verkochte pand verhuurd aan ITW tegen een aanvangshuurprijs van fl. 296.000,-- per jaar. Bij notariële akte van 11 december 2001 (D3-002, blz. 1478) heeft de levering van het pand plaatsgevonden.

- Bij notariële akte van 12 april 2002 (D3-005, blz. 1504) is het pand Fazantendreef 17-19 te Dronten door Eurocommerce overgedragen aan Enna BV, vertegenwoordigd door haar directeur, verdachte [verdachte 2], tegen een koopsom van € 663.653,11. Enna BV neemt volgens deze notariële akte de lopende huurovereenkomst over.

Tot de gedingstukken behoren verder een tweetal documenten, beide gedateerd 3 oktober 2001, afkomstig van de commercieel directeur van Eurocommerce, [getuige 1], en gericht aan de Stichting, ter attentie van medeverdachte [verdachte 1] (D3-019, blz. 1644 en D3-006, blz. 1514). Volgens de inhoud van die brieven zijn ze een vervolg op eerdere contacten tussen Eurocommerce en medeverdachte [verdachte 1]. De brieven hebben betrekking op de door medeverdachte [verdachte 1], namens de Stichting gestelde uitgangspunten met betrekking tot de huur door de Stichting van Eurocommerce van de in aanbouw zijnde kantoorvilla "Le Rhône", gelegen in het Hanzeland te Zwolle. De beide brieven zijn wat inhoud betreft gelijkluidend, behoudens op het onderdeel van "de huisvestingsbijdrage" op de derde bladzijde.

De in het dossier onder bijlage D3-019 opgenomen brief bevat op bladzijde 3 de volgende passage:

"Huisvestingsbijdrage: Indien Icare gebruik maakt van bovenstaande huisvestingsmogelijkheid binnen kantoorgebouw "Le Rhône", stelt Eurocommerce een financiële compensatie beschikbaar ten bedrage van fl. 1.300.000,--. Deze compensatie wordt betaalbaar gesteld per 1 september 2002 en kan vrij door Icare worden besteed."

Deze passage ontbreekt in de brief, die is opgenomen in het dossier onder bijlage D3-006.

[getuige 1] is als getuige door Belastingdienst/FIOD-ECD gehoord (bijlage 3-G05, blz. 3824). Hij heeft daarbij onder meer het volgende verklaard:

"Het initiatief tot de transactie tussen Icare Thuiszorgwinkels B.V. (als verkoper) en Eurocommerce met betrekking tot de Fazantendreef 17-19 te Dronten is genomen door de Stichting Thuiszorg Icare. De heer [verdachte 1] trad op namens Icare.

In het stuk, door u genummerd D3-019, staat op pagina 3 vermeld dat er door Eurocommerce een huisvestingsbijdrage van fl. 1.300.000 zou worden betaald aan Stichting Thuiszorg Icare. Dit had te maken met de verhuur door Eurocommerce van het pand Le Rhône aan Stichting Thuiszorg Icare. Dit stuk is door mij opgemaakt en vervolgens opgestuurd ter beoordeling aan de heer [verdachte 1] van Icare. De heer [verdachte 1] moet toen kennelijk met het voorstel zijn gekomen om de huisvestingsbijdrage op een andere wijze te regelen. Hij moet toen zijn gekomen met het definitieve voorstel om het pand Fazantendreef 17-19 te Dronten in de onderhandelingen te betrekken. De heer [verdachte 1] kwam toen kennelijk met het volgende voorstel. Eurocommerce moest het pand Fazantendreef 17-19 te Dronten kopen voor een prijs van fl. 3.000.000,-- en binnen een half jaar weer verkopen aan Icare Thuiszorgwinkels BV of een door Icare Thuiszorgwinkels aan te wijzen koper. De verkoopprijs van Eurocommerce werd destijds meteen vastgesteld op fl. 3.288.888 verminderd met een bedrag van fl. 1.500.000.

Daarna is door mij, op verzoek van [verdachte 1], een nieuwe brief gedateerd 3 oktober 2001 opgemaakt, door u genummerd D3-006. In deze brief is de passage op pagina 3 betreffende de huisvestingsbijdrage weggelaten. Eurocommerce is hier in meegegaan omdat Eurocommerce hier financieel niets te kort kwam. Daar kwam nog bij dat Eurocommerce maar één belang had en dat was de verhuur van het kantoorpand Le Rhône. In eerste instantie was het de bedoeling om de huisvestingsbijdrage te betalen via de verhuur van het pand Le Rhône aan Stichting Thuiszorg Icare. Door de kosten voor de huisvestingsbijdrage te laten vervallen en dit bedrag te verdisconteren in de te dure inkoop van het pand Fazantendreef leed Eurocommerce per saldo geen financiële schade. Het voordeel voor Icare betreffende deze transactie komt kennelijk niet ten goede aan Stichting Thuiszorg Icare maar aan de koper van het pand Fazantendreef 17-19 te Dronten."

Voor de rechtbank is er geen aanleiding aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige 1] te twijfelen. Door [getuige 1] wordt immers een begrijpelijke verklaring gegeven voor het bestaan van de twee brieven gedateerd 3 oktober 2001 en tevens voor het gegeven dat in de ene brief wel en in de andere brief niet een door Eurocommerce aan de Stichting te betalen huisvestingsbijdrage is opgenomen. Hoewel de verbalisanten her en der minder gelukkige woorden hebben gebruikt in hun weergave van de verklaring van [getuige 1], duiden de inhoud en de strekking van deze verklaring er wel degelijk op dat de getuige uit eigen wetenschap heeft verklaard.

Op grond van de inhoud van de -onder bijlage D3-019 in het dossier opgenomen - brief van 3 oktober 2001 (met passage over de huisvestingsbijdrage) en de tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [getuige 1], in onderlinge samenhang bezien, gaat de rechtbank er van uit dat er tussen de Stichting, vertegenwoordigd door medeverdachte [verdachte 1], en Eurocommerce, vertegenwoordigd door [getuige 1], na overleg overeenstemming was bereikt over de verhuur van de in aanbouw zijnde kantoorvilla "Le Rhône", mede inhoudende dat Eurocommerce een huisvestingbijdrage van fl. 1.300.000,-- aan de Stichting zou gaan betalen. Dat Eurocommerce de verplichting is aangegaan om, in het kader van de huur door de Stichting van “Le Rhône”, een substantieel bedrag aan de Stichting te betalen, blijkt overigens ook wel uit het feit dat –zoals hieronder nader zal worden besproken- Eurocommerce vervolgens bereid is gebleken om een bedrag in dezelfde orde van grootte te steken in de aankoop van het pand aan de Fazantendreef in Dronten.

Op grond van de inhoud van de – onder bijlage D3-006 in het dossier opgenomen – brief van 3 oktober 2001 (zonder passage over de huisvestingsbijdrage) in onderling verband bezien met de verklaring van [getuige 1], gaat de rechtbank ervan uit dat vervolgens op verzoek van medeverdachte [verdachte 1] de hierboven bedoelde afspraken (die al bestonden tussen Eurocommerce en de Stichting) zijn gewijzigd, in die zin dat de huisvestingsbijdrage, die op grond van deze afspraken ten goede moest komen aan de Stichting, is komen te vervallen en dat in plaats daarvan ervoor is gekozen om Eurocommerce het al eerdergenoemde pand aan de Fazantendreef 17-19 te Dronten, dat op dat moment nog in eigendom was bij ITW, te laten kopen voor een bedrag van fl. 1.500.000,-- boven de getaxeerde waarde. Deze nieuwe overeenkomst hield tevens in de verplichting voor Eurocommerce om het pand binnen een half jaar weer te verkopen aan ITW of een door ITW aan te wijzen koper, waarbij de toekomstige verkoopprijs al op dat moment werd vastgesteld op fl. 3.288.888,-- minus een bedrag van fl. 1.500.000,--. Aan dit laatste is klaarblijkelijk op 12 april 2002 uitvoering gegeven door de levering van het pand Fazantendreef 17-19 te Dronten door Eurocommerce aan Enna BV, een vennootschap die werd bestuurd door verdachte [verdachte 2], die op dat moment ook nog directeur van ITW was.

De bovenomschreven handelwijze van medeverdachte [verdachte 1], die ertoe heeft geleid dat een substantieel bedrag dat voor de Stichting bestemd was terecht is gekomen in het vermogen van ITW, in een periode waarin reeds duidelijk was dat ITW niet binnen het Icare-concern zou blijven maar zou worden overgenomen door haar directeur, verdachte [verdachte 2], lijkt geenszins in het belang van de Stichting en roept de nodige vragen op.

Medeverdachte [verdachte 1] heeft de door Eurocommerce te betalen huisvestingsbijdrage – die hij, als voorzitter van de Raad van Bestuur, namens de Stichting in het kader van onderhandelingen over de huur van het pand “Le Rhône” voor de Stichting had gerealiseerd – niet gemeld bij of laten verwerken in de administratie/boekhouding van de Stichting. Medeverdachte [verdachte 1] heeft vervolgens eigenmachtig bewerkstelligd dat deze aan de Stichting toekomende huisvestingsbijdrage kwam te vervallen en heeft vervolgens bedongen dat het verkoopbedrag dat ITW voor het pand Fazantendreef 17-19 te Dronten zou ontvangen, verhoogd werd met fl. 1.500.000.--. Onder de gegeven omstandigheden moet deze constructie naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als het aanwenden van listige kunstgrepen, waardoor de Stichting bewogen werd tot het tenietdoen van een inschuld. Indien medeverdachte [verdachte 1] het recht op de huisvestingsbijdrage had gemeld bij de Stichting en/of het (administratief/boekhoudkundig) bij de Stichting had laten verwerken, had het teniet gaan van de vordering op Eurocommerce immers moeten worden verantwoord in die administratie/boekhouding. Duidelijk is verder dat het oogmerk van medeverdachte [verdachte 1] erop was gericht om ITW (en indirect verdachte [verdachte 2], die de aandelen van ITW zou gaan overnemen) hierdoor te bevoordelen.

Medeverdachte [verdachte 1] heeft zich derhalve schuldig gemaakt aan oplichting.

Aan de overwegingen hiervoor doet niet af dat zowel de Stichting als ITW deel uit maakten van Icare. Het waren immers afzonderlijke rechtspersonen, waarbij – zoals reeds eerder overwogen - tevens van belang is dat al in juni 2001 door de Raad van Bestuur en de Raad van Commissarissen van de Stichting is besloten om ITW af te stoten en de directie van ITW de mogelijkheid te bieden door middel van een management buy-out ITW over te nemen. Aan dit laatste is op 21 maart 2002 daadwerkelijk uitvoering gegeven door de verkoop van de aandelen ITW aan Rubi BV, een rechtspersoon waarvan de directeur van ITW, verdachte [verdachte 2], aandeelhouder was.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte [verdachte 2] wist van het hiervoor beschreven handelen van de medeverdachte [verdachte 1] met betrekking tot – kort gezegd – het teniet doen gaan van de afgesproken huisvestingsbijdrage en de verhoging van het aankoopbedrag van het pand Fazantendreef 17-19 te Dronten. Immers, in de brief van 16 oktober 2001 (D3-023, blz. 1688) afkomstig van [getuige 1], namens Eurocommerce en gericht aan ITW ter attentie van de heer [naam 3] (rechtbank: bedoeld is verdachte [verdachte 2], zoals hij ter terechtzitting ook heeft erkend) staat onder meer het volgende:

“In verband met de huur van kantoorgebouw “Le Rhône” te Zwolle hebben Eurocommerce en Icare Thuiszorgwinkels BV de intentie te komen tot verwerving van het kantoor en bedrijfcomplex gelegen aan de Fazantendreef 17-19 te Dronten.

De koopprijs voor het object bedraagt fl. 3.288.888.

Icare Thuiszorgwinkels BV of een door haar aan te wijzen koper verplicht zich om het bedrijfscomplex van Eurocommerce terug te kopen en wel op uiterlijk 1 april 2002. De terugkoopprijs bedraagt fl. 3.288.888, welke koopprijs alsdan wordt verminderd met een bedrag van fl. 1.500.000,--.”

Het hiervoor beschreven strafbare handelen van de medeverdachte [verdachte 1] heeft er naar het oordeel van de rechtbank toe geleid dat aan ITW een geldbedrag van fl. 1.500.000,-- ten goede is gekomen door de verkoop van het pand Fazantendreef 17-19 te Dronten door ITW aan Eurocommerce. Dat voordeel heeft Rubi BV vervolgens verworven en voorhanden gekregen door de aankoop van de aandelen ITW op 21 maart 2002 en de verwerving van die aandelen. Verdachte [verdachte 2], die directeur was van ITW en aandeelhouder van Rubi BV, wist naar het oordeel van de rechtbank dat Rubi BV de aandelen ITW verwierf en voorhanden kreeg, terwijl zich in ITW een geldbedrag van fl. 1.500.000,-- bevond dat toebehoorde aan de Stichting. Ook leidt de rechtbank uit de inhoud van laatstgenoemde brief af dat verdachte [verdachte 2] wist dat het geldbedrag van fl. 1.500.000,-- afkomstig was van het hiervoor omschreven strafbare handelen van de medeverdachte [verdachte 1].

Deze gang van zaken wordt ondersteund door de verklaring van verdachte [verdachte 2] ter terechtzitting van de rechtbank, inhoudende dat Rubi BV fl. 1.500.000 heeft verworven en dat zij deze geldsom apart op haar bankrekening heeft gezet. Weliswaar heeft hij daarbij verklaard dat hij geen wetenschap heeft van de herkomst van dit geldbedrag, doch de rechtbank acht deze verklaring – gelet op de inhoud van eerdergenoemd brief van 16 oktober 2001, waarin dit geldbedrag en de herkomst daarvan eenduidig naar voren komen - niet geloofwaardig.

Nu Rubi BV het genoemde geldbedrag, door middel van de verkrijging van de aandelen ITW, heeft verworven en voorhanden gehad, is de rechtbank van oordeel dat deze gedragingen aan de rechtspersoon dienen te worden toegerekend. Verdachte [verdachte 2], die de aandelen van deze rechtspersoon in eigendom had, heeft feitelijk leiding gegeven aan die gedraging van Rubi BV.

De rechtbank is mitsdien van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat Rubi BV zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen van een geldbedrag van fl. 1.500.000,--, aan welke verboden gedraging verdachte [verdachte 2] feitelijk leiding heeft gegeven, zoals hem dat onder feit 1 op de dagvaarding wordt verweten.

Met betrekking tot feit 2, subsidiair en 3 (de EmCart claim)

Uit het verslag van de bijeenkomst tussen de Raad van Bestuur van de Stichting en de directie van ITW inzake de verkoop van aandelen van 14 november 2001 (D3-062, blz. 1854), waarbij aanwezig waren medeverdachte [verdachte 1], handelend namens Holding TBO BV, voorzitter van de Raad van Bestuur Icare, medeverdachte [verdachte 2], directeur ITW, [getuige 1], manager Financieel Economische Zaken en [getuige 3], KPMG Accountants, blijkt onder meer het volgende:

"4. Partijen (toevoeging rechtbank: Rubi BV als koper en Icare Thuiszorg Beheer en Ontwikkeling BV (nader: ITBO) als verkoper) komen overeen dat de verkoopprijs van de aandelen ITW fl. 1.300.000,-- zal bedragen.

5. Partijen komen overeen dat de verkoper ITBO balansgaranties zal verstrekken uitgaande van de verklaring van volledigheid van de directie van ITW. Hiervan wordt de claim van EmCart ad fl. 2.100.000,-- uitgesloten.

6. ITW is aansprakelijk voor eventuele betaling van een claim ad fl. 2.100.000,-- voor welk bedrag Stichting de Thuiszorg Icare en ITW beiden zijn gedagvaard."

Uit het verslag van de Raad van Commissarissen van 12 december 2001 (D3-016, blz. 1633) van de Stichting blijkt dat zij akkoord gaat met de verkoop van de aandelen ITW, waarbij de schadeclaim van EmCart door ITW wordt overgenomen.

Uit het inhoudelijke verslag van de Raad van Commissarissen (D3-017, blz. 1638) blijkt dat de uitkomst van de taxatie van ITW door het bureau [naam 4] (nader: RWP) als uitgangspunt voor het verkoopbedrag wordt genomen.

In dat verslag staat onder meer het volgende vermeld:

"Een waarde van 3,5 miljoen gulden wordt alles wegende realistisch geacht. Een nog af te wikkelen schadeclaim van Emcart op Icare/ITW bedraagt 2.1 miljoen gulden. De claim wordt in mindering gebracht op de vastgestelde waarde. Icare wordt gevrijwaard van alle financiële gevolgen die te maken hebben met onderhavige claim.

Onderhandelingen over de verkoopprijs hebben geresulteerd in een verkoopprijs van 1.3 miljoen gulden. Dit is het bedrag dat Icare verwerft voor de verkoop van de aandelen."

Op grond van het voormelde is de rechtbank van oordeel dat, na instemming van de Raad van Commissarissen, al op 14 november 2001 tussen enerzijds Rubi BV als koper en anderzijds ITBO als verkoper is overeengekomen dat de aandelen van ITW zullen worden verkocht voor een bedrag van 1.3 miljoen gulden en dat ITW aansprakelijk is voor de mogelijke gevolgen van de claim van EmCart.

De afspraken zijn geformaliseerd in "de overname overeenkomst door middel van overdracht van de aandelen in Icare Thuiszorgwinkels B.V." van 21 maart 2202 (D3-009, blz. 1541), waarbij partij zijn Rubi BV als koper, ITBO als verkoper, de Stichting, vertegenwoordigd door medeverdachte [verdachte 1] en ITW, vertegenwoordigd door haar directeur, verdachte [verdachte 2].

In deze overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

"- verkoper in het kader van de verkoop van de aandelen door [naam 4], een waardebepaling van de vennootschap (rechtbank: ITW) per 30 juni 2001 heeft laten uitvoeren, welke voor partijen uitgangspunt is geweest voor het vaststellen van de koopprijs;

- de waarde van de vennootschap per 30 juni 2001 door RWP is berekend op (circa)

€ 1.588.230,76, uitgaande van de waardering op activabasis zoals nader is omschreven in dat rapport;

- de Stichting, de vennootschap en hun bestuurders gedagvaard zijn door EmCart Groep B.V c.s. teneinde zich onder andere te weren tegen een vordering groot in hoofdsom € 952.938,45;

- partijen vervolgens hebben afgesproken dat de vennootschap de volledige draagplicht ten aanzien van deze vordering op zich neemt, welke om die reden op de bovengemelde waarde van de vennootschap in mindering is gebracht.

De koopprijs bedraagt € 589.914,28."

De rechtbank kan de officier van justitie niet volgen in het verwijt dat hij verdachte [verdachte 2] onder feit 2, subsidiair, op de dagvaarding maakt. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte [verdachte 2] zich (tezamen met anderen) schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrifte.

Weliswaar stelt de rechtbank vast dat medeverdachte [verdachte 1] in de maand februari 2002 betrokken is geweest bij onderhandelingen over het uiteindelijke bedrag aan te betalen schadevergoeding aan EmCart als gevolg van de door die organisatie neergelegde claim, welke onderhandelingen uiteindelijk hebben geleid tot overeenstemming over een te betalen bedrag aan schade van fl. 500.000,--, en dat verdachte [verdachte 2] hier wetenschap van heeft gehad, maar vast staat dat deze onderhandelingen en daaropvolgende afspraak over het te betalen bedrag aan schadevergoeding, geen invloed kunnen hebben gehad op de al in november 2001 tussen Rubi BV en ITBO gemaakte afspraken over de verkoopprijs van de aandelen ITW, aan welke afspraken, zoals uit het bovenstaande blijkt in december 2001 door de Raad van Commissarissen goedkeuring is verleend. Dat de verkoopprijs van de aandelen fl. 1,3 miljoen zou moeten bedragen is, met andere woorden, reeds toen vastgesteld door partijen. Onderdeel van de gemaakte overeenkomst was verder dat de aansprakelijkheid voor de mogelijke financiële gevolgen van de vordering van EmCart, die eind 2002 nog altijd fl. 2,1 miljoen bedroeg, bij ITW kwam te liggen. De hoogte van het uiteindelijk aan EmCart naar aanleiding van die claim te betalen bedrag stond op dat moment nog niet vast. Het ging immers slechts om een claim en dat gegeven was ook bij de Raad van Commissarissen bekend. Desondanks is er bij het vaststellen van de verkoopprijs voor gekozen om het volledige bedrag van de claim in mindering te brengen op de door de waardedeskundigen vastgestelde waarde van de aandelen ITW en de aansprakelijkheid voor de claim neer te leggen bij ITW, waardoor Icare (de Stichting/ITBO) vanaf dat moment was gevrijwaard van alle financiële gevolgen van die claim.

De overeenkomst van 21 maart 2002 bevat een correcte weergave van de afspraken die al in november 2001 tussen Rubi BV en ITBO zijn gemaakt over de verkoopprijs en de overname van de EmCart claim door ITW. De rechtbank ziet niet in dat verdachte [verdachte 2] in die overeenkomst valselijk heeft verzwegen dat deze claim in werkelijkheid was vastgesteld op fl. 500.000,--. Icare had vanaf november/december 2001, toen de afspraken tussen Rubi BV en ITBO zijn gemaakt en door de Raad van Commissarissen zijn goedgekeurd, immers geen enkele bemoeienis meer met die claim.

De hiervoor vermelde overwegingen leiden tot de conclusie dat verdachte [verdachte 2] moet worden vrijgesproken van het verwijt dat hem onder feit 2, subsidiair, is tenlastegelegd.

Ook dient verdachte te worden vrijgesproken van het feit onder 3, voor zover dat feit betrekking heeft op heeft op witwassen met betrekking tot de aandelen ITW in combinatie met de vordering van de EmCart Groep. Niet bewezen kan immers worden dat er sprake is van een ten onrechte verrekend deel van de vordering van de EmCart Groep via ITW. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat er sprake is van witwassen ten aanzien van de aandelen ITW door verdachte [verdachte 2] in de onder feit 3 op de dagvaarding vermelde periode.

Het verweer van de verdediging inhoudende dat bepaalde documenten dienen te worden uitgesloten van het bewijs omdat sprake is van bescheiden waarop het verschoningsrecht van toepassing is, behoeft onder het hierboven gegeven oordeel van de rechtbank geen bespreking. Immers, ook indien deze documenten wel in de bewijsvoering worden betrokken kan dit niet tot een bewezenverklaring leiden.

Met betrekking tot feit 4

Aan verdachte wordt verweten dat hij over het belastingjaar 2002 opzettelijk de aangifte inkomstenbelasting onjuist of onvolledig heeft gedaan, waardoor er te weinig belasting zou zijn geheven. Het gaat in de eerste plaats om de huisvestingsbijdrage. Verdachte [verdachte 2] zou in verband met die bijdrage persoonlijk fl. 1.500.000,-- hebben genoten. Daarnaast gaat het om het veronderstelde voordeel dat verdachte [verdachte 2] zou hebben genoten uit de eerder in dit vonnis omschreven beperking van de EmCart-claim.

Met betrekking tot de huisvestingsbijdrage heeft verdachte [verdachte 2] ter terechtzitting verklaard dat er fl. 1.500.000,-- op een bankrekening van Rubi BV staat. Voor de rechtbank is er geen aanleiding om aan deze verklaring te twijfelen. Daarnaast heeft de rechtbank met betrekking tot feit 1 bewezen geacht dat Rubi BV een geldbedrag van fl. 1.500.000,-- heeft verworven en voorhanden heeft gehad. Nu uit het strafdossier het tegendeel niet blijkt, is niet uitgesloten dat Rubi BV onder de gegeven omstandigheden het betreffende bedrag in haar boekhouding/administratie heeft opgenomen en dat zij dit bedrag in het kader van de vennootschapsbelasting naar de belastingdienst toe heeft verantwoord. Voor de rechtbank is er geen aanleiding om het door ITW en vervolgens Rubi BV verworven geldbedrag van

fl. 1.500.000,-- (als loon uit dienstbetrekking of als resultaat uit overige werkzaamheden) toe te rekenen aan verdachte [verdachte 2] in persoon.

Nu de rechtbank van oordeel is dat verdachte [verdachte 2] met betrekking tot (de beperking van) de EmCart-claim geen strafbare feiten heeft gepleegd, acht de rechtbank niet bewezen dat hij in zijn aangifte inkomstenbelasting 2002 inkomsten heeft verzwegen die verband houden met (de beperking van) die claim.

Het voorgaande leidt er toe dat verdachte van het onder feit 4 tenlastgelegde dient te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

Rubi B.V. op tijdstippen gelegen in de periode van 21 maart 2002 tot en met 13 februari 2009,

in Nederland, een voorwerp, te weten een geldbedrag van ongeveer NLG 1.500.000,-, heeft verworven en voorhanden heeft gehad, bestaande het voorhanden hebben hierin dat Rubi B.V. de aandelen van Icare Thuiszorgwinkels B.V. voorhanden heeft gehad terwijl zich in Icare Thuiszorgwinkels B.V. een bedrag van NLG 1.500.000,- bevond dat toebehoorde aan Stichting de Thuiszorg Icare, terwijl Rubi B.V. wist dat bovenomschreven voorwerp – onmiddellijk of middelijk - afkomstig was uit enig misdrijf,

tot welk door Rubi B.V. gepleegde feit, hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven;

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. De verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Kwalificatie

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard levert het volgende strafbare feit op:

Onder 1:

Feitelijk leiding geven aan witwassen, begaan door een rechtspersoon.

Motivering straf

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van de verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, de namens verdachte ingebrachte rapportage over zijn persoonlijke omstandigheden en het uittreksel uit het justitieel documentatieregister waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten alsmede de vordering van de officier van justitie.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het feitelijk leidinggeven van witwassen, begaan door een rechtspersoon.

Verdachte heeft dit feit gepleegd, nadat een rechtspersoon binnen een grote zorginstelling, van welke rechtspersoon hij directeur was, een geldbedrag van fl. 1.500.000,-- in de schoot geworpen kreeg. Hij wist dat dit geld bestemd was voor de zorginstelling en dat dit bedrag door middel van oplichting buiten de macht van de zorginstelling was gebracht. Ook wist hij dat deze rechtspersoon zou worden overgenomen door een vennootschap, waarvan hij aandeelhouder was. Desondanks heeft hij van die verwerving op geen enkele wijze melding gemaakt. Integendeel, hij heeft het geldbedrag onder eigen beheer gehouden door het geldbedrag op een bankrekening te plaatsen van bedoelde vennootschap

Naar het oordeel van de rechtbank is deze handelwijze, gelet op zijn toenmalige maatschappelijke positie binnen die grote zorginstelling, als kwalijk te bestempelen.

De rechtbank houdt rekening met het feit dat vordering van de officier van justitie is gebaseerd op een groter aantal bewezenverklaarde feiten en met de door verdachte ter terechtzitting van de rechtbank aangevoerde persoonlijke omstandigheden. Desondanks acht de rechtbank de ernst van het door verdachte gepleegde feit en de omvang van het door het strafbare handelen verkregen geldbedrag van zodanige betekenis dat de enige passende en geboden sanctie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is van aanzienlijke duur dient te zijn.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen

51 en 420 bis lid 1 ahf/onder b van het Wetboek van Strafrecht

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk voor het onder 2 primair tenlastegelegde;

- verklaart het onder 2 subsidiair, 3 en 4 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- verklaart het onder 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart het onder 1 meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

- verklaart de verdachte voor het bewezenverklaarde strafbaar;

- veroordeelt de verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. H.H.A. Fransen, voorzitter, L.W. Janssen en J. van Bruggen, rechters, in tegenwoordigheid van A.E. Tuinstra, als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 juni 2010.