Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2010:BM4008

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
30-03-2010
Datum publicatie
10-05-2010
Zaaknummer
278297 EJ VERZ 10-5019
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vastgesteld wordt dat de beschikbare gedingstukken niet de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van een dringende reden. Wel is sprake van een zodanige verandering van omstandigheden dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst niet langer mogelijk lijkt te zijn. In het kader van de beoordelingsruimte binnen de 7:685 BW-procedure valt niet met de vereiste zekerheid vast te stellen dat dit aan verweerder moet worden verweten. Daarnaast kan bepaald niet worden uitgesloten dat daarvoor met name verwijten moeten worden gemaakt aan het adres van het College van Bestuur van verzoekster, respectievelijk de leidinggevenden van verweerder, respectievelijk de instantie die verantwoordelijk is voor de uitvoering en de controle van de in het geding zijnde subsidieregeling. Nu verzoekster haar zeer ernstige beschuldigingen jegens verweerder in feite onvoldoende heeft onderbouwd, moet dat in de aan verweerder toe te kennen vergoeding worden verdisconteerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0434
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ASSEN

Sector kanton

Locatie Emmen

zaaknummer 278297 EJ VERZ 10-5019

uitspraak van 30 maart 2010

in de zaak van

de stichting STICHTING STENDEN HOGESCHOOL, voorheen HOGESCHOOL DRENTHE,

gevestigd te Emmen,

verzoekster

gemachtigde: mr. W.M. Veldjesgraaf

tegen

[Verweerder,]

wonende te [adres],

verweerder

gemachtigde: mr. M.M. Pasman (Stichting Univé Rechtshulp)

1. De procedure

1.1 Bij verzoekschrift ex artikel 7:685 van het Burgerlijk Wetboek (BW) van 9 februari 2010 met producties heeft verzoekster verzocht de arbeidsovereenkomst tussen partijen op de kortst mogelijke termijn te ontbinden, primair wegens een dringende reden, subsidiair wegens veranderingen in de omstandigheden, zonder toekenning van een vergoeding.

1.2 Verweerder heeft bij verweerschrift ex artikel 7:685 BW van 11 maart 2010 primair geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek als zijnde ongegrond en subsidiair, indien ontbinding is geïndiceerd wegens veranderingen in de omstandigheden, verzocht een ontslagvergoeding aan hem toe te kennen van bruto € 90.165,60 (C=1,2) onder voorwaarde dat hij afstand doet van zijn recht op een aanvullende en aansluitende uitkering op grond van de bovenwettelijke uitkeringsregeling HBO, met veroordeling van verzoekster in de kosten van de procedure.

1.3 De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgehad op 16 maart 2010, alwaar verzoekster zich heeft laten vertegenwoordigen door de heer [G], bijgestaan door de gemachtigde mr. W.M. Veldjesgraaf. Verweerder is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. M.M. Pasman. Beide partijen hebben daar hun standpunten mede aan de hand van de overgelegde pleitaantekeningen nader toegelicht.

1.4 Aan het einde van de mondelinge behandeling is vastgesteld dat er geen minnelijke regeling mogelijk was, waarna beschikking is bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

2.1 De kantonrechter stelt als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken het volgende vast.

2.2 Op 1 augustus 1991 is verweerder aangesteld voor bepaalde tijd (met uitzicht op een vast dienstverband) als docent economie aan de Hogeschool Drenthe in schaal 11. Vanaf 1 augustus 1992 heeft verweerder een vaste aanstelling gekregen als Hogeschool docent A in schaal 12.

2.3 Vanaf 1995 is verweerder steeds meer betrokken geraakt bij het uitvoeren van praktisch onderzoek vanuit de contractpoot (TP) van de Hogeschool Drenthe. Later werd de naam (TP) gewijzigd in [Kenniscentrum Y]. Verweerder heeft altijd een gecombineerde taak gehad in zowel het onderwijs als het daaraan gekoppelde onderzoek. In januari 2002 is verweerder gekozen tot lid en benoemd tot voorzitter van de medezeggenschapsraad van de Hogeschool Drenthe. [Verweerder] is voorzitter gebleven tot september 2009. Vanaf september 2009 tot heden is verweerder lid gebleven van de medezeggenschapsraad.

2.4 Medio 2004 is verweerder benaderd door de heer [B], directeur van de opleiding Management, Economie en Techniek, om coördinator contractsactiviteiten te worden. Op 10 januari 2005 zijn er afspraken gemaakt over een vrijstelling van 0,4 fte als Hogeschool docent A ten behoeve van de taak coördinator contractsactiviteiten waarbij verweerder met ingang van 1 november 2004 een toelage van bruto € 200,- per maand werd toegekend als beloning voor het uitvoeren van bedoelde taak. De afspraken zijn schriftelijk bevestigd op 9 november 2005.

2.5 In 2006 is de [Kennisinstelling E] opgericht en is de heer [X] benoemd als directeur. Het takenpakket van verweerder bestond toen uit de volgende componenten: 0,3 fte Hogeschool docent, 0,1 fte lid en voorzitter medezeggenschapsraad, 0,4 coördinator contractsactiviteiten [Kennisinstelling E], 0,2 fte detachering bij [Technologie Centrum Z]. Eind 2006 was de omzet binnen de [Kennisinstelling E] gegroeid naar € 1.600.000,-. Gedurende 2007 en 2008 groeide die omzet door tot bijna € 4.000.000,- eind 2008. Nadat verweerder zijn bemoeienissen met [Kennisinstelling E] had gestaakt, is de omzet met 50% afgenomen.

2.6 De toelage van verweerder is vanaf 1 augustus 2007 verminderd naar een maandelijkse toelage van bruto € 175,-. Op 19 december 2007 werd verweerder in kennis gesteld van het feit dat hij met ingang van 2008 was geplaatst in de functie van manager contractsactiviteiten in functieschaal 12.

2.7 In januari 2008 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen het College van Bestuur van verzoekster en de directeur van [Kennisinstelling E], die daarbij werd ondersteund door verweerder. Aanleiding voor dit gesprek was de afwijzing door [SN] van enkele ingediende subsidievaststellingen. Onderwerpen van gesprek waren de wijze van samenwerking in het algemeen met de kennispartners en de wijze van samenwerking met de in de subsidievaststelling betrokken kennispartners. In februari heeft er een vervolgoverleg plaatsgevonden tussen enerzijds [SN] en anderzijds de heer [X] en verweerder van [Kennisinstelling E]. Onderwerp van gesprek waren de arbeidsovereenkomsten van enkele medewerkers van kennispartners met verzoekster. Op aandringen van [SN] heeft [Kennisinstelling E] betrokken arbeidsovereenkomsten beëindigd. In juni 2008 werd de tekenbevoegdheid van de vaststellingsformulieren van [SN] tevens verschoven van verweerder naar de voor de projecten verantwoordelijke projectleiders. In opdracht van het College van Bestuur van verzoekster heeft [E& Y] de situatie bij [Kennisinstelling E] onderzocht en op 17 februari 2009 een rapport uitgebracht. In dat verband zijn door [E& Y] specifieke werkzaamheden verricht met betrekking tot het uitvoeren van een beoordeling van de projectdossiers van [Kennisinstelling E] als vooronderzoek voor de review door [SN]. Nagegaan is of 144 projectdossiers voldoen aan de voorwaarden van de geldende regelgeving, in welk verband diverse fouten en gebreken zijn vastgesteld. [SN] had in september 2008 een onderzoek ingesteld bij [Kennisinstelling E] en de bevindingen daarvan neergelegd in het Onderzoekrapport Innovatievouchers van 13 februari 2009. Daaruit bleek dat er op veel onderdelen in strijd was gehandeld met de subsidieregeling en de bedoeling van die regeling. [SN] heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoekster van de verstrekte subsidies een bedrag van mogelijk meer dan € 1,5 miljoen moet terugbetalen.

2.8 Eind november 2008 hebben drie managers contractsactiviteiten, onder wie verweerder, het vertrouwen opgezegd in de heer [X] als directeur van [Kennisinstelling E]. Er is overleg gevoerd met de heer [V] van het College van Bestuur, met als resultaat dat de heer [G] werd benoemd als nieuwe ad interim directeur van [Kennisinstelling E]. In december 2008 heeft verweerder in een gesprek met [G] aangegeven dat hij zijn taak als manager contractsactiviteiten wilde neerleggen in verband met zijn gezondheid, de werkdruk en de perikelen rondom [Kennisinstelling E]. In januari 2009 is verweerder gedetacheerd vanuit [Kennisinstelling E] naar de opleiding Management en Economie en heeft hij gedurende twee maanden zijn activiteiten als manager contractsactiviteiten afgebouwd. Daarnaast is de detachering van verweerder bij [Technologie Centrum Z] beëindigd met ingang van 1 januari 2009. met ingang van 1 maart 2009 is de toelage van bruto € 175,- van verweerder ingetrokken wegens het neerleggen van de taak als manager contractsactiviteiten. Bij brief van 1 juli 2009 heeft de vice-voorzitter van het College van Bestuur van verzoekster verweerder gefeliciteerd met zijn hernieuwde uitdaging binnen de opleiding Management en Economie.

2.9 Om meer duidelijkheid te krijgen over de handelwijze van het (voormalig) management van [Kennisinstelling E] (de heer [X], verweerder, de heer [I] en mevrouw [M]) heeft verzoekster KPMG gevraagd om daartoe nader onderzoek te doen. In de rapportage van 16 december 2009 heeft KPMG haar bevindingen uiteengezet. Uit dat rapport komt naar voren dat verweerder in zijn functie als manager contractsactiviteiten bij [Kennisinstelling E] een rol heeft gespeeld bij het veroorzaken van de problemen die aanleiding zijn tot terugvordering van door [SN] verstrekte subsidie. Niet is komen vast te staan dat verweerder persoonlijk voordeel heeft genoten bij zijn handelwijze. Voorafgaande aan de indiening van het verzoekschrift hebben partijen geprobeerd een minnelijke regeling te bewerkstelligen ter zake van de beëindiging van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst. Er is geen minnelijke regeling tot stand gekomen omdat verzoekster niet bereid was af te zien van een schadeclaim jegens verweerder.

3. De beoordeling

3.1 Op grond van de beschikbare gedingstukken en het verhandelde op de zitting stelt de kantonrechter in de eerste plaats vast dat het ontbindingsverzoek geen verband houdt met enig opzegverbod. In de tweede plaats heeft de kantonrechter vastgesteld dat voortzetting van het tussen partijen bestaande dienstverband in de gegeven omstandigheden niet meer tot de reële mogelijkheden lijkt te behoren. De vraag die partijen tot aan het eind van de mondelinge behandeling in feite nog verdeeld heeft gehouden is of aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst een vergoeding moet worden verbonden waarbij verzoekster afziet van een mogelijke schadeclaim jegens verweerder.

3.2 Voor de beantwoording van de vraag of aan verweerder überhaupt een vergoeding ex artikel 7:685 BW kan worden toegekend, is in eerste instantie van bepalende betekenis of de gewichtige reden, op grond waarvan de arbeidsovereenkomst kan worden ontbonden, is gelegen in omstandigheden die een dringende reden als bedoeld in artikel 7:677 lid 1 BW zouden hebben opgeleverd indien de arbeidsovereenkomst deswege onverwijld zou zijn opgezegd. Voor een dringende reden als bedoeld in artikel 7:685 BW gelden derhalve dezelfde maatstaven als bij opzegging wegens dringende reden ingevolge artikel 7:677 lid 1 BW. Aan de bevoegdheid om de arbeidsovereenkomst op staande voet op te zeggen zonder dat het ontslagrecht van toepassing is, worden vanwege het uitzonderingskarakter strenge formele (art. 7:677 BW) en inhoudelijke (artt. 7:678 en 679 BW) eisen gesteld. Waar verzoekster haar verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst primair baseert op een dringende reden, rechtvaardigt dat wat hiervoor onder de vaststaande feiten is vermeld zonder meer de conclusie dat niet aan de voor een dringende reden geldende maatstaven is voldaan. Vastgesteld wordt dat verzoekster naar aanleiding van de contacten met [SN] en na de ontvangst van het rapport van [SN] van 13 februari 2009 (waarin nota bene wordt gesteld dat een aantal bevindingen ten minste wijzen op een redelijk vermoeden van fraude en dienen te leiden tot aangifte, zeker in combinatie) in samenhang met het rapport van [E& Y] van 17 februari 2009 kennelijk geen enkele reden heeft gezien verweerder aan te spreken op de in dat verband geconstateerde fouten en gebreken in de toepassing van de in het geding zijnde subsidieregeling. En dat klemt nog eens te meer waar verzoekster in haar verzoekschrift stelt dat uit het onderzoeksrapport van [SN] al zou blijken dat verweerder bij het rommelen met de innovatievouchers en de problemen die zich thans voordoen een hoofdrol heeft gespeeld, terwijl er niet meer of andere feiten bekend zijn geworden dan die welke toen allemaal al bekend waren, ook niet in het rapport van KPMG van 16 december 2009, en verweerder ten tijde van het verschijnen van het rapport van KPMG, waarin verzoekster kennelijk de dringende reden voor de opzegging meent te vinden, al lang niet meer werkzaam was in de functie van manager contractsactiviteiten en dus ook geen rol meer speelde in de subsidieregeling en zijn functioneren verder geen enkel probleem opleverde.

3.3 Waar uit de beschikbare gedingstukken en het verhandelde op de zitting wel kan worden geconcludeerd dat de arbeidsovereenkomst zal moeten worden ontbonden vanwege veranderingen in de omstandigheden, welke van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen, is vervolgens de vraag aan de orde of verweerder volledig zelf verantwoordelijk kan worden gesteld voor de verandering van omstandigheden, als gevolg waarvan geen vergoeding zou hoeven te worden toegekend. Voor de beantwoording van die vraag moet al meteen worden opgemerkt dat de kantonrechter, in het kader van de beschikbare beoordelingsruimte in een procedure als deze, niet met de vereiste zekerheid heeft kunnen vaststellen of de (op de rapporten van [SN] en KPMG gebaseerde) verwijten van verzoekster jegens verweerder allemaal terecht en gegrond zijn.

3.4 Allereerst moet er in dit verband op worden gewezen dat verzoekster niet met concrete en controleerbare gegevens heeft weersproken dat verweerder in de hier van belang zijnde periode regelmatig langere tijd arbeidsongeschikt is geweest, dat hij zich slechts twee dagen per week bezighield met de subsidieregeling, dat zijn taken in dat verband hoofdzakelijk beperkt bleven tot acquisitie, werkzaamheden die in het verlengde lagen van zijn acquisitiewerkzaamheden bij [Technologie Centrum Z] gedurende 1 dag per week, en dat hij zich daarnaast bezig hield met de ontwikkeling van nieuwe diensten voor [Kennisinstelling E] (bijvoorbeeld ontwikkeling Assurantie Academie) en begeleiding van een aantal losse medewerkers. Verder is niet gebleken van een duidelijke en eenduidige organisatieopzet binnen [Kennisinstelling E], is niet duidelijk vastgelegd welke taken en bevoegdheden aan een ieder zijn toegewezen en is ook onduidelijk waar de ene taak of bevoegdheid begint en de andere ophoudt. Aldus is ook onvoldoende duidelijk geworden waarvoor verweerder precies verantwoordelijk moet worden gehouden in relatie tot de overige betrokkenen binnen [Kennisinstelling E], en het College van Bestuur, de afdeling financiën en de afdeling P & O van verzoekster. Van betekenis daarbij is dat als vaststaand moet worden aangenomen dat het aangaan van dienstverbanden met medewerkers van samenwerkingspartners is afgestemd met de heer [B], die destijds directeur was van de Unit Management Economie en Techniek, die dit op zijn beurt moet hebben besproken met de voorzitter van het College van Bestuur. Verweerder had immers helemaal geen bevoegdheid om mensen aan te nemen. Alleen het College van Bestuur was bevoegd om nieuwe arbeidsovereenkomsten aan te gaan. Alvorens mensen in dienst konden worden genomen verlangde het College van Bestuur een toelichting en/of onderbouwing van de noodzaak hiervan. Het College van bestuur had daarom moeten kunnen weten van de binnen [Kennisinstelling E] toegepaste constructie. Het College van Bestuur is ook nauw betrokken geweest bij de genomen beslissingen naar aanleiding van de gesprekken met [SN]. Waar [Kennisinstelling E] big business was getuige de steeds groter wordende omzetten in 2006, 2007 en 2008, kan het College van Bestuur zich naar het oordeel van de kantonrechter bij zowel het aangaan van de constructie als het beëindigen ervan niet verschuilen achter gebrek aan kennis of onwetendheid ten aanzien van de regeling en verweerder als hoofdverantwoordelijke voor misbruik of oneigenlijk gebruik van de subsidieregeling aanmerken. Voorts wijst de kantonrechter er in dit verband op dat in het rapport van [SN] onder 5.4 Accountantsverslag 2006 is gesteld dat in het accountantsverslag 2006 aan de Raad van Toezicht en het College van Bestuur wordt gesproken over de forse acquisitie van innovatievouchers in 2006 en de onvoldoende kwaliteit van de beheersing van projecten en contractactiviteiten. De uren van de projectadministratie worden volgens dat verslag niet tijdig en niet juist toegerekend aan projecten. Ten tijde van het onderzoek van [SN] zou de urenregistratie volgens verweerder aanmerkelijk zijn verbeterd.

3.5 In de pleitaantekeningen is namens verzoekster gesteld: Dat er op een haast ongelooflijke wijze door [Verweerder] is gerommeld met subsidieaanvragen blijkt duidelijk uit de rapportages van [SN] en KPMG. Vooral uit het rapport van de KPMG blijkt dat [Verweerder] daarbij een hoofdrol heeft gespeeld. Nog afgezien van het feit dat naar het oordeel van de kantonrechter die al te boude stelling van verzoekster als zodanig in de rapportages van [SN] en KPMG volstrekt onvoldoende onderbouwing vindt, heeft verweerder het hem gemaakte verwijt dat hij een hoofdrol heeft gespeeld bij het feit dat binnen [Kennisinstelling E] op ernstige wijze misbruik, althans oneigenlijk gebruik is gemaakt van subsidieregelingen gemotiveerd weersproken en een plausibele verklaring gegeven voor geconstateerde onregelmatigheden. In het licht van verweerders reacties op die geconstateerde onregelmatigheden in de interviews met KPMG en in zijn verweerschrift, wordt vastgesteld dat verzoekster heeft nagelaten voldoende onderbouwing te geven aan haar stelling, dat al met al duidelijk is dat verweerder bij zeer veel projecten heeft gehandeld in strijd met de subsidieregeling en daarbij doelbewust het risico heeft genomen dat betaalde subsidie door [SN] wordt teruggevorderd. Dat verzoekster zelf daarbij al niet echt zeker van haar zaak lijkt te zijn, moge blijken uit de volgende stelling uit de pleitaantekeningen: Zelfs indien bij een of enkele projecten zou komen vast te staan dat [Verweerder] zijn plichten ernstig heeft veronachtzaamd, is dat voor [verzoekster] voldoende om te komen tot een ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een dringende reden.

3.6 Waar de bevindingen van [SN] op zichzelf al niet van allesbepalende betekenis kunnen zijn voor de vraag of er een dringende reden is voor het ontslag van verweerder dan wel of de verandering in omstandigheden die tot ontslag van verweerder aanleiding geeft in overwegende mate aan verweerder is te wijten, heeft de kantonrechter bijvoorbeeld node een verklaring van [SN] gemist waarin afstand wordt genomen van verweerders bewering dat er aanvullende afspraken (inzake gefaseerde opdrachtuitvoering, inzet studenten) zouden zijn gemaakt met SenterNovum die niet in overeenstemming met de regeling zouden zijn. Niet is gebleken dat [SN] daar uitdrukkelijk door verzoekster om is gevraagd. Daarbij verdient hier overigens nog wel opmerking dat verweerder [SN] daar kennelijk ook zelf niet om heeft gevraagd en dat hij evenmin op ander wijze heeft proberen aan te tonen dat die afspraken daadwerkelijk zijn gemaakt, bijvoorbeeld door overlegging van verklaringen van andere klankbordgroepleden. Overigens valt uit het rapport van KPMG op te maken dat verweerder ook diverse onregelmatigheden heeft toegegeven (rapportages [IS] achteraf opgesteld en geantedateerd, achteraf had subsidie Biogas ad € 75.000,- niet vastgesteld moeten worden, gezien creditering van de eigen bijdrage van [EH] had ook creditnota aan [SN] moeten worden gezonden, geen correcte gang van zaken [RA], geen verklaring voor het feit dat er in de urenregistratie slechts drie uur zijn verantwoord en er 130 uur zijn gefactureerd), maar is daarmee nog niet gezegd dat verweerder daar hoofdverantwoordelijk voor kan worden gesteld.

3.7 Zoals hiervoor al is overwogen is het College van Bestuur reeds middels het accountantsverslag 2006 in kennis gesteld van het feit dat de uren van de projectadministratie niet tijdig en niet juist werden toegerekend aan projecten. In het rapport van [SN] is met betrekking tot de urenregistratie (onder punt 5.5 Urenregistratie) aangegeven dat verweerder gedurende het onderzoek heeft verteld dat de urenregistratie tot en met het jaar 2007 niet door alle projectmedewerkers juist en volledig plaats heeft gevonden. Tot 1 januari 2008 werd binnen [Kennisinstelling E] gewerkt met het urenprogramma “Project Q” en volgens verweerder werden vanaf het jaar 2008 alle uren geregistreerd in het urenregistratiesysteem E-Synergie. Onder punt 5.5 van het rapport van [SN] is verder gesteld dat afgaande op het accountantsverslag 2006 en de hierop gegeven toelichting van verweerder voorafgaande aan de inhoudelijke toetsing niet anders kan worden geconcludeerd dan dat de juistheid van alle aanvragen om subsidievaststelling, waarvan de gewerkte uren van de uitvoerende onderzoeker hun oorsprong vinden in de periode tot 1 januari 2008, met betrekking tot dit punt, achteraf niet met voldoende mate van zekerheid kunnen worden vastgesteld. Vastgesteld wordt dat verzoekster de stelling van verweerder dat hij en zijn toenmalige collega [I] aanvankelijk tevergeefs bij het College van Bestuur hebben aangedrongen op het invoeren van een adequaat urenregistratiesysteem op onvoldoende wijze hebben weerlegd. Nu in 2008 het door verweerder bedoelde urenregistratiesysteem pas op aandringen van de heer [X] is ingevoerd, moet de niet tijdige en onjuiste urenregistratie voor 2008 voor rekening van het College van Bestuur worden gelaten. Evenmin is met kracht van argumenten de stelling van verweerder weersproken dat hij in diverse werkoverleggen en personeelsoverleggen het belang heeft benadrukt van een goede urenregistratie, waarbij erop is gewezen dat de urenregistratie de basis diende te zijn voor de facturering. Opgemerkt wordt dat verweerder niet degene was die de uitvoering aanstuurde en dat daarom moet worden aangenomen dat uitsluitend de directie van [Kennisinstelling E] valt te verwijten dat er weinig of niets is gedaan met de waarschuwingen van verweerder met betrekking tot de weinig controleerbare urenregistratie (waar niet is gebleken dat het urenprogramma Project Q voldeed).

3.8 Binnen de hem gegeven beoordelingsruimte kan de kantonrechter vooralsnog niet anders concluderen dan dat verzoekster het functioneren van verweerder inzake de subsidieregeling innovatievouchers niet in het juiste perspectief heeft geplaatst. Aangenomen moet worden dat verweerder zich slechts twee dagen per week met de daaraan verbonden werkzaamheden kon bezighouden en dat hij met name opereerde in een (blijkens de brief van de minister aan de Tweede kamer van 18 maart 2008 waarbij het Evaluatierapport Innovatievouchers is gevoegd) grijs gebied waarin niet alles even duidelijk was. De suggestie in het Evaluatierapport om duidelijkheid te verkrijgen over het grijze gebied door het opstellen van een gedragscode is door de minister in de brief van 18 maart 2008 overgenomen. Er zou een gedragscode moeten worden opgesteld voor kennisinstellingen over wat wel en niet mag, een gedragscode die er nog steeds niet is. Op 18 maart 2008 is ook de wijziging van de subsidieregeling gepubliceerd. Uit de toelichting op de wijzigingen in artikel 8 blijkt dat de aanpassingen verband houden met een verduidelijking van de randvoorwaarden. Het gaat daarbij om twee (juist ook in deze procedure) belangrijke punten, te weten onderaannemers in dienstbetrekking bij de kennisinstelling en inzet studenten. Met betrekking tot de inzet van studenten heeft de minister aangegeven dat studenten niet voor een voucherproject kunnen worden ingezet wanneer zij daarvoor studiepunten kunnen krijgen. Dit mag wel als de kosten van de studenten niet in de projectopdracht meegenomen worden. Niet is gebleken dat verzoekster niet binnen die kaders opereerde. Op 4 juli 2008 heeft de minister uitgelegd dat kennisinstellingen zullen worden geprikkeld om een actief beleid voor vouchers te voeren. Geconstateerd kan worden dat de randvoorwaarden van de subsidieregeling verduidelijking behoefden. De rapporten van [E& Y] en KPMG tonen met name administratieve onvolkomenheden aan in de projectadministratie, die niet de verantwoordelijkheid was van verweerder. Overigens kunnen vraagtekens worden gezet bij het onderzoek van [SN] en KPMG, nu de door de minister gewenste gedragscode er nog steeds niet is. De vraag is immers hoe conclusies kunnen worden verbonden aan gedragingen van kennisinstellingen als blijkt dat kennisinstellingen niet de beschikking hebben over de door de minister wenselijk geachte gedragscode over wat wel of niet kan als onderdeel van het Flankerend beleid Innovatievouchers 2008.

3.9 Alles overziende stelt de kantonrechter vast dat verweerder zijn ogen niet heeft gesloten voor de geconstateerde onvolkomenheden en dat verweerder de nodige verantwoordelijkheid heeft genomen. Nu verweerder zich voorafgaande aan deze procedure onder voorwaarden bereid heeft verklaard akkoord te gaan met een ontslag op eigen verzoek (waaruit kan worden afgeleid dat er ook wat hem betreft sprake is van een verandering van omstandigheden als hierboven bedoeld) en op de zitting is vastgesteld dat voortzetting van het dienstverband niet mogelijk lijkt, is de kantonrechter voornemens de arbeidsovereenkomst te ontbinden per 1 mei 2010. Omdat naar het oordeel van de kantonrechter de verandering in de omstandigheden, waardoor voortzetting van het dienstverband met verweerder niet meer mogelijk is, op grond van dat wat hiervoor is overwogen in hoofdzaak moet worden verweten aan verzoekster, zal aan de ontbinding een vergoeding moeten worden verbonden, berekend op basis van de kantonrechtersformule met correctiefactor 1,5. Uitgaande van de niet door verweerder betwiste salarisgegevens in het verzoekschrift zal de vergoeding derhalve worden vastgesteld op een bedrag van € 67.049,64 bruto. Daarbij zal, zoals door verweerder zelf aangegeven, de voorwaarde worden gesteld dat hij afstand doet van zijn recht op een aanvullende en aansluitende uitkering op grond van de bovenwettelijke uitkeringsregeling HBO. Voorts wordt aanleiding gezien verzoekster te veroordelen in de proceskosten.

3.10 Nu verzoekster zich op het standpunt heeft gesteld geen vergoeding verschuldigd te zijn en de kantonrechter de arbeidsovereenkomst alleen per 1 mei 2010 zal ontbinden als verzoekster voormelde vergoeding aan verweerder zal betalen, moet verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 7:685 lid 9 BW eerst nog in de gelegenheid worden gesteld om het ontbindingsverzoek in te trekken. Daarom zal worden beslist als volgt.

4. De beslissing

De kantonrechter:

I. stelt verzoekster ingevolge artikel 7:685 lid 9 BW in de gelegenheid om haar verzoek in te trekken tot uiterlijk 29 april 2010 te 12.00 uur en wel door middel van een schriftelijke verklaring ter griffie van de rechtbank Assen, sector kanton, locatie Emmen;

en, indien bedoelde intrekking niet of niet tijdig wordt gedaan,

1. ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1 mei 2010;

2. kent aan verweerder de door verzoekster te betalen vergoeding toe van € 67.049,64 bruto, te voldoen op de door verweerder aan te geven wijze, onder voorwaarde dat verweerder afstand doet van zijn recht op een aanvullende en aansluitende uitkering op grond van de bovenwettelijke uitkeringsregeling HBO;

II. veroordeelt verzoekster in alle gevallen in de kosten van de procedure, aan de

zijde van verweerder begroot op € 1000,- aan salaris voor de gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. J.M.H. Pauw en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2010.

typ/conc. 54hp

coll: