Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2010:BL9070

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
23-03-2010
Datum publicatie
26-03-2010
Zaaknummer
77269 / KG ZA 09-292
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Rechtmatigheid lijfsdwang na niet-nakoming omgangsregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnissen 23 maart 2010 en 3 februari 2010

-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

vonnis

RECHTBANK ASSEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 77269 / KG ZA 09-292

Vonnis in kort geding

in de zaak van

[DE MAN]

wonende te [woonplaats],

executant,

tegen

[DE VROUW],

wonende te [woonplaats],

geëxecuteerde.

Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- Het proces-verbaal van de deurwaarder ex artikel 438 lid 4 Rv;

- de mondelinge behandeling op 23 maart 2010, alwaar [de man], en [de vrouw], zijn verschenen, alsmede gerechtsdeurwaarder E. Cuiper.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Partijen hebben tot november 2005 een affectieve relatie gehad.

2.2. Uit de relatie is het navolgende, thans nog minderjarig kind geboren: [het kind], geboren te [woonplaats] op 31 maart 2002 (hierna genoemd [het kind]).

2.3. De vrouw heeft het gezag over [het kind]. [het kind] verblijft sinds de beëindiging van de relatie bij zijn moeder.

2.4. Bij beschikking van het gerechtshof te Leeuwarden van 1 december 2009 is bepaald dat:

- voor een periode van twee maanden, te beginnen op zaterdag 12 december 2009, een omgangsregeling tussen [het kind] en de man geldt, inhoudende dat de man gerechtigd is [het kind] bij zich te ontvangen gedurende een zaterdagmiddag per veertien dagen van 14.00 uur tot 17.00 uur, met dien verstande dat de man [het kind] haalt en terugbrengt,

- dat de daaropvolgende periode, te beginnen op zaterdag 13 februari 2010 een omgangsregeling tussen [het kind] en de man geldt, inhoudende dat de man gerechtigd is [het kind] bij zich te ontvangen gedurende een zaterdag per veertien dagen van 10.00 uur tot 17.00 uur, met dien verstande dat de man [het kind] haalt en terugbrengt,

- dat voor de periode met ingang van zaterdag 18 december 2010 geldt dat de man gerechtigd is [het kind] bij zich te ontvangen gedurende een weekend per veertien dagen van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur, met dien verstande dat de man [het kind] haalt en terugbrengt.

2.5. Bij vonnis van de voorzieningenrechter van 3 februari 2010 is onder 5.1. e.v. onder meer bepaald, dat de vrouw dient mee te werken aan de omgangsregeling zoals is vastgesteld bij beschikking van het Gerechtshof te Leeuwarden d.d. 1 december 2009.

Voorts is bepaald dat de vrouw voor iedere keer dat zij hij in strijd handelt met het onder 5.1. van het vonnis bepaalde handelt, zij aan de man een dwangsom verbeurt van € 500,- tot een maximum aan te verbeuren dwangsommen van € 4.000,-;

- dat de man gemachtigd is om de tenuitvoerlegging van het vonnis te bewerkstelligen door gijzeling van de vrouw gedurende twee dagen voor iedere dag dat zij in gebreke blijft aan het onder 5.1. van het vonnis bepaalde te voldoen;

- dat de man gemachtigd is om met behulp van de sterke arm van politie en justitie de tenuitvoerlegging van dit vonnis te bewerkstelligen, indien de vrouw in gebreke blijft aan het onder 5.1. van dit vonnis bepaalde te voldoen; met uitvoerbaar bij voorraad verklaring van het vonnis.

3. De beoordeling

3.1. De man heeft zich naar zijn zeggen ter uitvoering van voormeld vonnis van de voorzieningenrechter driemaal bij de vrouw gemeld, teneinde de nakoming van de omgangsregeling te doen uitvoeren.

3.2. De vrouw heeft haar medewerking niet verleend. Zij voert aan dat de man slechts tweemaal de nakoming heeft verzocht. De vrouw heeft aangevoerd dat [het kind] niet aan de man is meegegeven aangezien zij dat niet in het belang van [het kind] achtte.

3.3. Vervolgens is de man overgegaan tot tenuitvoerlegging van voormeld vonnis van de voorzieningenrechter.

3.4. Daartoe heeft de deurwaarder zich op 23 maart 2010 om 11.45 uur begeven naar het adres van de vrouw, waarna zij om 12.15 uur in gijzeling is gesteld. Daarna heeft de vrouw de rechtmatigheid van de lijfsdwang betwist waardoor het onderhavige executie -geschil is ontstaan en de deurwaarder de vrouw heeft overgebracht naar het gerechtsgebouw te Assen teneinde een uitspraak over de wettigheid van de lijfsdwang te verkrijgen.

3.5. De voorzieningenrechter dient thans te beoordelen of het verzet van de vrouw tegen de rechtmatigheid van meergenoemd verstrekkende executiemiddel gegrond is.

3.6. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. De vrouw heeft desgevraagd geantwoord dat zij niet van plan is en ook niet in staat is de dwangsom te voldoen aangezien zij een bijstandsuitkering geniet. De vrouw handhaaft haar standpunt dat zij geen medewerking zal verlenen aan de tenuitvoerlegging van de omgangsregeling. Vastgesteld moet worden dat ten minste twee maal het verbeuren van de dwangsom niet heeft geleid tot nakoming van de omgangsregeling. De opgelegde dwangsom is dan ook geen effectief middel gebleken om de nakoming te bewerkstelligen.

3.7. Hiermee is voldoende aannemelijk geworden dat een ander dwangmiddel dan lijfsdwang onvoldoende uitkomst zal bieden. Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van de man bij toepassing van de lijfsdwang opweegt tegen het belang van de vrouw bij het achterwege blijven daarvan. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe dat de vrouw desgevraagd geen klemmende redenen kon aanvoeren die zich tegen de lijfsdwang verzetten – zo zou tijdens haar gijzeling door haar ouders en een meerderjarige dochter voor

[het kind] worden gezorgd - terwijl de man een zwaarwegend belang heeft bij het - eindelijk- kunnen verwezenlijken van de omgangsregeling met [het kind] waarvan hij al geruime tijd verstoken is gebleven. Onder deze, hierbij de eerder genoemde ineffectiviteit van de opgelegde dwangsommen betrekkende, omstandigheden acht de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van het vonnis van 3 februari 2010 door middel van lijfsdwang (van vier dagen) niet disproportioneel.

3.8. Het verzet is dan ook ongegrond en voornoemd vonnis van 3 februari 2010 zal

bekrachtigd worden.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

Bekrachtigt het vonnis waarvan verzet.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.J.R. de Locht en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier A.E. Meijer op 23 maart 2010.?

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

vonnis

RECHTBANK ASSEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 77269 / KG ZA 09-292

Vonnis in kort geding van 3 februari 2010

in de zaak van

[DE MAN],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

toegevoegd advocaat mr. R. Kaya,

tegen

[DE VROUW],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

toegevoegd advocaat mr. R.J. Skála.

Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding met producties;

- de brief met bijlage d.d. 18 januari 2010 van mr. Skála

- de faxbrief met bijlagen d.d. 20 januari 2010

- de mondelinge behandeling op 22 januari 2010, alwaar [de man], vergezeld van zijn advocaat, en [de vrouw], vergezeld van haar advocaat, zijn verschenen.

1.2 Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1 Partijen hebben tot november 2005 een affectieve relatie gehad.

2.2. Uit de relatie is het navolgende, thans nog minderjarig kind geboren: [het kind] [de vrouw], geboren te [woonplaats] op 31 maart 2002 (hierna genoemd [het kind])

2.3. De vrouw heeft het gezag over [het kind]. [het kind] verblijft sinds de beëindiging van de relatie bij zijn moeder.

2.4. Bij beschikking van het gerechtshof te Leeuwarden van 1 december 2009 is bepaald dat:

- voor een periode van twee maanden, te beginnen op zaterdag 12 december 2009, een omgangsregeling tussen [het kind] en de man geldt, inhoudende dat de man gerechtigd is [het kind] bij zich te ontvangen gedurende een zaterdagmiddag per veertien dagen van 14.00 uur tot 17.00 uur, met dien verstande dat de man [het kind] haalt en terugbrengt,

- dat de daaropvolgende periode, te beginnen op zaterdag 13 februari 2010 een omgangsregeling tussen [het kind] en de man geldt, inhoudende dat de man gerechtigd is [het kind] bij zich te ontvangen gedurende een zaterdag per veertien dagen van 10.00 uur tot 17.00 uur, met dien verstande dat de man [het kind] haalt en terugbrengt,

- dat voor de periode met ingang van zaterdag 18 december 2010 geldt dat de man gerechtigd is [het kind] bij zich te ontvangen gedurende een weekend per veertien dagen van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur, met dien verstande dat man [het kind] haalt en terugbrengt.

3. Het geschil

3.1 De man vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut, de vrouw te veroordelen:

om over te gaan tot nakoming van de omgangsregeling, zoals in voornoemde beschikking is uitgesproken,

- met veroordeling van de vrouw tot betaling van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere keer dat zij, twee dagen na betekening van het vonnis, in gebreke blijft aan het vorenstaande te voldoen,

- met machtiging om het vonnis ten uitvoer te leggen met behulp van de sterke arm indien de vrouw in gebreke blijft,

- met machtiging om het vonnis ten uitvoer te leggen met gijzeling van de vrouw gedurende twee dagen voor iedere dag dat zij in gebreke blijft.

Tevens vordert de man de veroordeling van de vrouw in de kosten van de procedure.

3.2 De vrouw voert verweer. Zij heeft ter zitting onder meer aangevoerd dat cassatie zal worden ingesteld van de beschikking van het gerechtshof te Leeuwarden, omdat zij van mening is dat omgang met de man niet in het belang van [het kind] is. Volgens haar heeft het gerechtshof onvoldoende aandacht besteed aan het feit dat er in het verleden sprake is geweest van agressief gedrag van de man. Mede gelet op de houding van de man toen hij [het kind] wilde komen halen, acht zij het niet verantwoord om [het kind] met zijn vader mee te laten gaan. Zij stelt dat [het kind] bovendien niet naar zijn vader wil omdat hij zich bij hem niet veilig voelt. [het kind] zal vanwege zijn angsten onder behandeling gaan bij de GGZ en in het kader van de therapie zal de man worden ingeschakeld. Daaraan zal de vrouw haar medewerking verlenen. Volgens de vrouw kan omgang op dit moment nog niet aan de orde zijn.

3.3. De man betwist de stellingen van de vrouw. Volgens de man is er geen reden om hem de omgang met [het kind] te ontzeggen en de door het gerechtshof vastgestelde regeling niet na te komen. Hij wijst op proefcontacten tussen hem en zijn zoon, die goed verliepen zolang moeder er niet bij was. Hij wijst er ook op dat hij al 3 jaar geen contact heeft gehad met zijn zoon en hij vraagt zich af hoe het mogelijk is dat zijn zoon het beeld van hem heeft dat hier door zijn moeder wordt geschetst.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voorzover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De man beroept zich op nakoming van de door het gerechtshof Leeuwarden bij beschikking van 1 december 2009 vastgestelde omgangsregeling. Die beschikking is gegeven naar aanleiding van het hoger beroep dat moeder instelde tegen de beschikking van deze rechtbank van 10 december 2008, alsmede het incidenteel appel van de man, waarin hij verzocht een ruimere omgangsregeling vast te stellen.

4.2. De beschikking van de rechtbank van 10 december 2008 vermeldt onder meer het volgende: “De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van [het kind] is dat het contact tussen hem de man wordt hersteld. Bij de vaststelling van de omgangsregeling zal de rechtbank, gelet op de belemmeringen bij de vrouw om tot contactherstel te komen en de lange periode dat [het kind] en de man geen contact met elkaar hebben gehad, een opbouw bepalen naar de door de Raad geadviseerde omgangsregling, […]”.

Deze beschikking heeft niet geleid tot contact tussen vader en zoon. De man heeft daarop een kort geding aanhangig gemaakt waarin hij nakoming vorderde. Partijen maakten toen op 13 februari 2009 afspraken, die wederom niet hebben geleid tot contact tussen vader en zoon. Vervolgens zijn op 24 april 2009 en 15 juli 2009 nog twee korte gedingen behandeld, hetgeen heeft geleid tot twee vonnissen. Niets van dit alles heeft tot contact tussen vader en zoon geleid. Tot slot heeft het hof bij beschikking van 1 december 2009 de hiervoor weergegeven regeling getroffen. De man had ten tijde van de behandeling ter zitting drie keer getracht om zijn zoon op een door het hof bepaald moment op te halen. De vrouw heeft [het kind] nooit met zijn vader laten meegaan.

4.3. In de beschikking van 1 december 2009 heeft het hof onder meer overwogen: “In het onderhavige geval blijkt uit de stukken en het verhandelde ter zitting van het hof dat de moeder op geen enkele wijze is genegen mee te werken aan het contactherstel tussen [het kind] en zijn vader. Het hof acht het in dit verband zeer kwalijk dat de moeder niet heeft meegewerkt aan de naleving van de – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking waarvan beroep. Het hof heeft voor deze houding van de moeder geen enkele rechtvaardiging kunnen vinden in de beschikbare gegevens. In dit verband is ook de raad na uitvoerig onderzoek tot de conclusie gekomen dat er geen reden is om de omgang tussen de vader en [het kind] te ontzeggen.” Het hof concludeert dat het in het belang van [het kind] is dat binnen een jaar wordt toegewerkt naar een omgangsregeling zoals die vervolgens is bepaald.

4.4. Ter zitting van 22 januari 2010 is gebleken dat het voorgaande voor de vrouw kennelijk geen aanleiding is om haar standpunten en handelwijze met betrekking tot de omgang tussen vader en zoon bij te stellen. Zij leeft ook de beschikking van het hof niet na. De vrouw blijft volhouden dat van haar niet kan worden verwacht dat zij [het kind] met zijn vader laat vertrekken omdat dit niet in het belang is van [het kind]. Zij stelt dat zij het belang van haar zoon moet beschermen. Anderzijds stelt de vrouw ook dat haar niets te verwijten valt, omdat [het kind] niet naar zijn vader wil. De vrouw meent dat aan die keuze van de nu zevenjarige [het kind], die zijn vader nu al jaren niet heeft gezien en die inmiddels vier jaar is opgegroeid in een omgeving waar naar alle waarschijnlijkheid louter negatief over zijn vader is gesproken, een doorslaggevende betekenis moet toekomen. De vrouw is er bij herhaling op gewezen dat zij die keuze niet aan [het kind] kan laten en dat zij hem daar niet mee moet belasten, maar zij volhardt in haar standpunt.

De vrouw is er ook bij herhaling op gewezen dat zij rechterlijke uitspraken niet als irrelevant ter zijde kan leggen, maar ook dat heeft geen verandering te weeg gebracht.

4.5. De vrouw maakt aan de man verwijten omtrent de wijze waarop hij [het kind] nu kwam halen. De vrouw meent dat hij de beschikking van het hof overtreedt door niet alleen aan haar deur te verschijnen. Voor alle duidelijkheid: de beschikking van het hof laat de man vrij om zich door een vertrouwenspersoon te laten vergezellen, als hij zijn zoon komt halen.

4.6. Gezien hetgeen ter zitting naar voren kwam is er ook geen aanleiding om te veronderstellen dat de vrouw de beschikking wèl had nageleefd als de man alleen was verschenen. Desgevraagd kon de vrouw ook niet aangeven onder welke omstandigheden en voorwaarden zij [het kind] wèl met zijn vader zou laten vertrekken.

Zij volstaat momenteel met verwijzing naar een onderzoek bij de GGZ. Van dat onderzoek legt zij geen stukken over. Zij noemt geen enkel tijdpad en vader zou pas op volstrekt onbekende langere termijn een voor het overige nog onduidelijke rol kunnen krijgen.

4.7. De vrouw verwijt de man dat hij de belangen van [het kind] schaadt door te trachten [het kind] bij de vrouw af te halen, met alle confrontaties van dien. Daarbij gaat zij voorbij aan haar eigen rol in dat geheel. De vrouw heeft een duidelijke taak in deze. De ouders zijn de partijen in de procedure bij het hof en de beschikking richt zich tot de ouders. [het kind] is in deze niet degene die verplicht is de beschikking na te leven. Dat is zijn moeder. De vrouw zal [het kind] moeten motiveren en zal de voorwaarden moeten scheppen waarbinnen [het kind] met zijn vader kan vertrekken. Als de vrouw dat niet doet en volhardt in haar handelwijze, dan is zij degene die het conflict op de spits drijft.

4.8. Het geheel overziend moet de conclusie zijn dat het niet aannemelijk is dat de vrouw zal meewerken aan de uitvoering van de regeling zoals door het hof is bepaald, als er geen stevige stok achter de deur komt.

4.9. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan daarbij niet worden volstaan met louter een dwangsom en al helemaal niet met een dwangsom in de orde van grootte die de vrouw heeft genoemd. Uit hetgeen ter zitting door of namens de vrouw naar voren is gebracht kan niet worden afgeleid dat een dwangsom voor haar enige aanleiding zal zijn om [het kind] met zijn vader te laten vertrekken. Op het éne moment stelt de vrouw van een dwangsom geen last te hebben omdat die gezien haar inkomen toch niet verhaald kan worden. Op het andere moment geeft de vrouw aan dat zij wellicht bereid is de dwangsommen te betalen, als zij op die manier kan voorkomen dat vader en zoon omgang met elkaar hebben. Het is niet te verwachten dat louter een dwangsom onder die omstandigheden een effectief middel is om naleving af te dwingen.

4.10. De man heeft ook gevorderd dat hij wordt gemachtigd het vonnis met behulp van de sterke arm ten uitvoer te leggen, indien de vrouw ook als het maximum aan dwangsommen is verbeurd, in gebreke blijft. Tevens heeft de man machtiging gevorderd om het vonnis ten uitvoer te leggen door gijzeling van de vrouw. Het daadwerkelijk inzetten van dergelijke dwangmiddelen zal waarschijnlijk impact hebben op [het kind]. Nu er aanleiding is om te vermoeden dat louter een dwangsom geen effectief middel zal zijn, acht de voorzieningenrechter het onontkoombaar om ook deze onderdelen van de vordering toe te wijzen op na te melden wijze. De vrouw hoeft daar geen negatieve gevolgen van te ondervinden. Als zij de beschikking van het hof naleeft, hetgeen van haar verlangd mag worden, zal van verbeuren van dwangsommen, tenuitvoerlegging met de sterke arm en gijzeling immers geen sprake zijn. Als moeder de beschikking van het hof naleeft, zal [het kind] van deze veroordeling in Kort Geding ook geen nadelen hoeven ondervinden.

4.11. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als volgt.

4.12. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. bepaalt dat de vrouw dient mee te werken aan de omgangsregeling zoals is vastgesteld bij beschikking van het gerechtshof te Leeuwarden d.d. 1 december 2009, inhoudende dat voor een periode van twee maanden, te beginnen op de eerste zaterdag na betekening van dit vonnis aan de vrouw, een omgangsregeling tussen [het kind] en de man geldt, inhoudende dat de man gerechtigd is [het kind] bij zich te ontvangen gedurende een zaterdagmiddag per veertien dagen van 14.00 uur tot 17.00 uur, met dien verstande dat de man [het kind] haalt en terugbrengt,

- dat de daaropvolgende periode van een half jaar een omgangsregeling tussen [het kind] en de man geldt, inhoudende dat de man gerechtigd is [het kind] bij zich te ontvangen gedurende een zaterdag per veertien dagen van 10.00 uur tot 17.00 uur, met dien verstande dat de man [het kind] haalt en terugbrengt,

- dat voor de periode daaropvolgend de man gerechtigd is [het kind] bij zich te ontvangen gedurende een weekend per veertien dagen van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur, met dien verstande dat man [het kind] haalt en terugbrengt;

5.2. bepaalt dat de vrouw voor iedere keer dat zij in strijd handelt met het onder 5.1. van dit vonnis bepaalde, aan de man een dwangsom verbeurt van € 500,- tot een maximum aan te verbeuren dwangsommen van € 4.000,-;

5.3. machtigt de man om de tenuitvoerlegging van het vonnis te bewerkstelligen door gijzeling van de vrouw gedurende twee dagen voor iedere dag dat zij in gebreke blijft aan het onder 5.1. van het vonnis bepaalde te voldoen;

5.4. machtigt de man om met behulp van de sterke arm van politie en justitie de tenuitvoerlegging van dit vonnis te bewerkstelligen, indien de vrouw in gebreke blijft aan het onder 5.1. van dit vonnis bepaalde te voldoen;

5.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.6. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.7. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.M.L. Veen en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier A.E. Meijer op 3 februari 2010.