Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2010:BL6598

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
04-03-2010
Datum publicatie
05-03-2010
Zaaknummer
09/400
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betreft de aanwijzing van een aantal woningen als gemeentelijk monument. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de panden terecht als gemeentelijk monument aangemerkt vanwege de cultuurhistorische waarde. Evenmin is gebleken dat gelet op de betrokken belangen verweerder in redelijkheid niet tot aanwijzing over had kunnen gaan. Niet gebleken is dat sloop is aangewezen, dan wel dat hiertoe concrete plannen bestaan. Voor zover er wel concrete sloopplannen zijn, moet daarover worden besloten in het kader van de vergunningprocedure zoals bedoeld in artikel 10 van de Monumentenverordening.

Wetsverwijzingen
Monumentenwet 1988
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector Bestuursrecht

Kenmerk: 09/400 BESLU

Uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken d.d. 4 maart 2010

in het geding tussen

Stichting Omnia Wonen, gevestigd te Harderwijk, eiseres,

en

Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Assen, verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 27 april 2009 heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen het op 23 juni 2008 bekendgemaakte besluit van 28 april 2008 ongegrond verklaard en laatstgenoemd besluit gehandhaafd, inhoudende dat de panden aan de Oranjestraat 36-118 als beschermd gemeentelijk monument zijn aangewezen.

Namens eiseres is bij brief van 5 juni 2009 tegen dit besluit bij de rechtbank beroep ingesteld, aangevuld bij brieven van 8 juli en 25 november 2009.

Verweerder heeft bij brief van 28 juli 2008 de op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift ingezonden. De gemachtigde van eiseres heeft hiervan een afschrift ontvangen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 10 december 2009, alwaar eiseres is verschenen bij E.R. Middelburg en K. Meijer, die zijn bijgestaan door mr. J.G. Besling.

Voor verweerder is verschenen A.J. Pronk. Tevens is verschenen L. Boivin, lid van de monumentencommissie van de gemeente Assen.

II. Motivering

Feiten en omstandigheden

Eiseres is eigenares van de panden Oranjestraat 36 – 118 (veelal aangeduid als “de onderofficierswoningen”) te Assen.

In 2007 heeft verweerder deze panden op een voorlopige monumentenlijst geplaatst. Er is een “beschrijving gemeentelijk monument” van de panden opgemaakt. Daarin is het volgende opgenomen:

Het langgerekte blok met 16 beneden- en 25 bovenwoningen verrees in 1919-1921. Het blok is gebouwd naar ontwerp van de Asser architect M. de Vries Azn., in opdracht van de Onderofficieren Woningbouw Stichting Arbeid Adelt. Het voor de huisvesting van onderofficieren van de kazerne in Assen bestemde blok is gebouwd in een voor de bouwtijd karakteristiek trant, waarin enige invloeden van de Amsterdamse school zijn terug te vinden. Zowel de woningen op de begane grond als de bovenwoningen zijn op het achterterrein voorzien van tuintjes.

De “ beschrijving gemeentelijk monument” bevat voorts de volgende waardering:

Het blok met onderofficierswoningen is van algemeen belang vanwege de cultuurhistorische, de architectuurhistorische en de stedenbouwkundige waarde.

- Het blok heeft cultuurhistorische en sociaal-historische waarde als een bijzondere uitdrukking van een ontwikkeling in de woningbouw voor arbeiders en middenstanders in het interbellum. Het blok is tevens van belang als een bijzonder onderdeel van de geschiedenis van Assen als garnizoensplaats.

- Het blok is van architectuurhistorisch belang vanwege de kwaliteit van het ontwerp, vanwege voor de bouwstijl en de bouwtijd kenmerkende hoofdvorm, materiaalgebruik en detaillering en als bijzonder ontwerp uit het oeuvre van een voor Assen belangrijke architect.

- Het blok heeft stedenbouwkundige en ensemblewaarde als een karakteristiek onderdeel van de vroeg 20e-eeuwse bebouwing aan de Oranjestraat en de omringende straten, waarmee het blok een sterke architectonische, visuele en functionele samenhang heeft en onlosmakelijk mee is verbonden.

- Het blok is tevens van belang vanwege de herkenbaarheid en de grote mate van gaafheid van het exterieur.

Nadat eiseres tegen de voorlopige plaatsing een zienswijze had ingediend heeft de Monumentencommissie op 25 februari 2008 geadviseerd de panden op de lijst te laten staan. Daartoe heeft commissie overwogen dat

“ de woningen van cultuurhistorisch belang voor Assen als garnizoensstad zijn. Het is het enige vooroorlogse gestapelde woningbouwcomplex met een collectieve tuin (ook de bovenwoningen hebben een tuin). De straat heeft veel variatie, maar wel in 1 tijdsbeeld. De onderofficierswoningen ondersteunen de waardevolle bebouwing aan de noordzijde van de Oranjestraat. Het versterkt de ensemblewaarde.”

In de periode 2006/2007 was verweerder tevens bezig met het ontwikkelen en voorbereiden van plannen voor de herinrichting van de gehele “Oranjebuurt”. In het kader daarvan heeft eiseres in 2006 en 2007 overleg gevoerd met ambtenaren van de gemeente over herontwikkeling op de plaats van de officierswoningen. Op 6 maart 2008 heeft verweerder in dit verband een “Stedenbouwkundige Visie Oranjebuurt” vastgesteld. Specifiek met betrekking tot de Oranjestraat staat in de Visie het volgende:

De Oranjestraat kent een grote diversiteit aan bebouwing. De onderofficierswoningen bepalen sterk de stedenbouwkundige structuur van de straat, echter ze zijn sterk verouderd. Een heroriëntatie van de woningen zal uitwijzen of deze woningen gehandhaafd kunnen worden.

Deze stedenbouwkundige visie is besproken in de vergadering van de gemeenteraad van Assen van 20 maart 2008. Tijdens deze vergadering is een motie ingediend die er toe strekte dat de gemeenteraad verweerder zou opdragen om de onderofficierswoningen in de Oranjestraat te behouden en als eerste stap deze toe te voegen aan de gemeentelijke monumentenlijst en dit ook als zodanig in de stedenbouwkundige visie te verwoorden. Deze motie is verworpen.

Op 28 april 2008 heeft verweerder de nieuwe lijst voor gemeentelijke monumenten van de gemeente Assen vastgesteld. Bij brief van 23 juni 2008 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat hij het advies van de monumentencommissie heeft gevolgd en dat hij de betreffende panden op de vastgestelde lijst heeft geplaatst, waarmee ze zijn aangewezen als gemeentelijk monument.

Eiseres heeft bij brief van 3 juli 2008, aangevuld bij brief van 27 augustus 2008, bezwaar gemaakt dit besluit. Eiseres heeft stukken ingebracht, met name over vochtproblemen in de woningen op de begane grond, de mogelijke oorzaken daarvan en oplossingen daarvoor, ter onderbouwing van haar standpunt dat de panden in slechte staat verkeren en dat het besluit een oplossing hiervoor in de weg staat. Op 2 oktober 2008 heeft de Monumentencommissie opnieuw advies uitgebracht. Op 19 november 2009 zijn namens eiseres de bezwaren toegelicht bij de algemene commissie bezwaarschriften (Commissie).

De Commissie heeft geadviseerd de bezwaren ongegrond te verklaren, onder aanvulling van het besluit met het volgende: juridische grondslag, redengevende waardering en verwijzing naar de raadsvergadering van 20 maart 2008 aangaande het verwerpen van de moties over behoud van de onderofficierswoningen en informatie over rechten en plichten voor de eigenaar van het gemeentelijk monument.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

Relevante regelgeving

Ingevolge artikel 1, aanhef en eerste lid onder a, van de Monumentenverordening Assen 2007 (hierna; de verordening) wordt onder monument begrepen een zaak die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, de betekenis voor de wetenschap of de cultuurhistorische waarde.

Ingevolge het derde lid wordt onder een gemeentelijk monument verstaan: onroerend monument dat overeenkomstig de bepalingen van deze verordening als gemeentelijk monument is aangewezen.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, kan het college, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een onroerend monument aanwijzen als beschermd gemeentelijk monument. Ingevolge het tweede lid vraagt het college advies aan de monumentencommissie en hoort hij de eigenaar, voordat hij een besluit neemt over de aanwijzing.

Standpunten partijen

Eiseres heeft drie gronden tegen het besluit aangevoerd.

In de eerste plaats is verweerder volgens eiseres voorbij gegaan aan het resultaat van de behandeling Stedenbouwkundig Visie Oranjebuurt en de ter gelegenheid van die behandeling verworpen moties. Op de raadsvergadering van 20 maart 2008 is de motie over het behoud van de onderofficierswoning in de Oranjestraat verworpen. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de motivering van de beslissing niet duidt op consistent bestuur en derhalve geen stand kan houden.

In de tweede plaats stelt eiseres omtrent de juridische grondslag dat verweerder ten onrechte verwijst naar artikel 3 van de Gemeentelijke Monumentenverordening. Basisartikel is artikel 1 dat bepaalt wat een monument is, te weten een zaak die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde. In de beschrijving Gemeentelijk monument Assen staat een waardering te lezen, welke niet spreekt over schoonheid of betekenis voor de wetenschap doch louter over cultuurhistorische waarde. Echter het begrip cultuurhistorische waarde wordt niet als zodanig beschreven. Het een en ander acht eiseres in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel.

In de derde plaats meent eiseres dat er ten onrechte geen belangenafweging is uitgevoerd en dat ten onrechte de belangenafweging niet in het voordeel van eiseres uitvalt. Vanwege de vochtproblematiek, de staat van de woningen, de geluidsoverlast en de schadelijke invloed van de woningen op de gezondheid van de bewoners moeten de woningen volgens eiseres helaas gesloopt worden. Er bestonden volgens eiseres plannen om nieuwbouw te verrichten. Gelet op de onderhavige procedure zijn deze plannen voorlopig stilgelegd. Ten onrechte is verder geen rekening gehouden met de onevenredige hoge kosten voor eiseres bij instandhouding van het complex. De opmerking dat eiseres in een aantal gevallen in aanmerking kan komen voor een bijdrage van de gemeente voor de instandhouding van de panden acht eiseres een zoethouder. De gemeente heeft nooit aangegeven hoe hoog die bijdrage zou kunnen zijn.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de inhoud van de Stedenbouwkundige Visie Oranjebuurt en de verwerping van de motie over het behoud van de onderofficierswoningen impliceert dat de toekomst van de onderofficierswoningen nog ongewis is. Het is derhalve op dit moment niet zeker of de betreffende woningen (in de huidige vorm) behouden blijven. Het aanwijzen van panden als gemeentelijk monument kent een ander afwegingskader dan de Stedenbouwkundige Visie. In de besluitvorming is volgens verweerder voldoende gemotiveerd uiteengezet waarom de panden Oranjestraat 36-118 als gemeentelijk monument kunnen worden gewaardeerd. De monumentenstatus impliceert niet dat er voortaan niets meer met deze woningen mag gebeuren. Een renovatie blijft altijd mogelijk. Het is zelfs mogelijk- uiteraard onder bepaalde voorwaarden- een gemeentelijk monument af te breken.

Voorts stelt verweerder dat in het besluitvormingsproces de cultuurhistorische waarde van het blok met onderofficierswoningen uitvoerig aan de orde is gekomen. Gewezen kan worden op de beschrijving van het gemeentelijk monument, met name de waardering en de aanvullende opmerkingen van de Monumentencommissie.

Verweerder stelt verder dat in het besluit tot aanwijzing van de betreffende panden als gemeentelijk monument de belangen van de verhuurder zijn afgewogen tegen het advies van de Monumentencommissie. Ook in een later stadium van het besluitvormingsproces zijn de belangen van de verhuurder afgewogen. Op de zitting van de bezwaarschriftencommissie heeft eiseres overigens verklaard dat er geen sloopplannen zijn.

Beoordeling

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of het besluit van 27 april 2009 de toets der rechtmatigheid kan doorstaan.

De rechtbank is in de eerste plaats van oordeel dat de inhoud van verweerders Stedenbouwkundige Visie en de afwijzing op 20 maart 2009 in de gemeenteraad van een motie met de strekking dat de onderofficierswoningen als gemeentelijk monument moeten worden aangewezen, niet meebrengen dat verweerder de woningen in april 2009 niet als gemeentelijk monument kon aanwijzen. In de Visie is opgenomen dat een heroriëntatie zal uitwijzen of de woningen gehandhaafd kunnen worden. Die heroriëntatie moet nog volgen en daardoor staat thans niet vast, dat naar de mening van verweerder de panden niet gehandhaafd kunnen worden. Voorts heeft verweerder er terecht op gewezen dat een aanwijzing als monument niet betekent dat er niets meer met de panden kan gebeuren. Weliswaar betekent de aanwijzing als gemeentelijk monument dat sloop slechts mogelijk is indien daarvoor een vergunning op grond van de monumentenverordening wordt verkregen, maar zij betekent niet dat thans vaststaat dat deze mogelijkheid is uitgesloten. Met de aanwijzing als monument is derhalve geen sprake van inconsistent bestuur.

Met betrekking tot hetgeen eiseres heeft aangevoerd omtrent de juridische grondslag van het besluit overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 3 van de Monumentenverordening de bevoegdheid aan verweerder verleent om een monument als gemeentelijk monument aan te wijzen, zodat verweerder terecht deze bepaling als grondslag voor de aanwijzing heeft gehanteerd. Blijkens deze bepaling kan een monument als bedoeld in artikel 1 worden aangewezen als gemeentelijk monument. Een zaak kan volgens artikel 1 onder meer vanwege de cultuurhistorische waarde als monument worden aangemerkt. Gelet op de formulering van artikel 1 is niet vereist dat een pand daarnaast tevens vanwege de schoonheid of betekenis voor de wetenschap monumentale waarde heeft.

Bij de beoordeling of sprake is van cultuurhistorische waarde komt verweerder beoordelingsvrijheid toe (Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS) 29-11-2006, LJN: AZ3200). De monumentenverordening geeft geen nadere invulling aan het criterium cultuurhistorische waarde. Ook is niet gebleken dat in de gemeente Assen beleid is vastgesteld met criteria aan de hand waarvan wordt beoordeeld of sprake is van een pand met een cultuurhistorische waarde. Anders dan eiseres lijkt te stellen maakt het ontbreken van zulke criteria evenwel niet, dat reeds daarom de aanwijzing van een pand als gemeentelijk monument vanwege de cultuurhistorische waarde, onrechtmatig is op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. In het onderhavige geval heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank met de hierboven weergegeven concrete waardering in de “beschrijving gemeentelijk monument” van de onderofficierswoningen voldoende deugdelijk gemotiveerd waarom de panden in verband met hun cultuurhistorische waarde zijn aangewezen als gemeentelijk monument.

Voorts stelt de rechtbank vast dat ook de monumentencommissie positief heeft geadviseerd omtrent de plaatsing op de monumentenlijst. Ter zitting is nogmaals benadrukt door de heer Boivin dat de betreffende woningen, vooroorlogse sociale woningbouw betreft en van de oorspronkelijke 700 woningen thans in Assen slechts 50 resteren.

Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er voorts geen aanleiding om aan te nemen dat het advies niet zorgvuldig tot stand is gekomen of onjuistheden bevat, zodat verweerder dan ook af heeft mogen gaan op dit advies.

Met betrekking tot de door verweerder gemaakte afweging van belangen wordt ten slotte als volgt overwogen.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder, na afweging van de betrokken belangen, in het bijzonder de belangen van eiseres, in redelijkheid tot de aanwijzing heeft kunnen besluiten. Uit de door eiseres ingebrachte gegevens, waaronder die omtrent de tot dusver gekozen oplossingen voor de bestrijding van vochtproblemen dan wel wateroverlast blijkt namelijk niet, dat sloop onvermijdelijk is. Er bestaan voorts nog geen concrete sloopplannen. De aanwijzing van een pand als gemeentelijk monument betekent ook niet dat eenvoudige of ingrijpende wijzigingen of zelfs sloop van de panden geen doorgang kunnen vinden. Indien er wel concrete sloop- en nieuwbouwplannen zijn, moet daarover worden besloten in het kader van de vergunningprocedure als bedoeld in artikel 10 van de Monumentenverordening. In die procedure dient dan een afweging te worden gemaakt tussen het belang van eiseres bij realisering van de desbetreffende concrete sloop- en bouwplannen, en het publieke belang bij behoud van de monumentwaardigheid van de onderofficierswoningen (vergelijk AbRvS 18 maart 2009, LJN: BH6302).

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit de toetsing in rechte kan doorstaan. Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslist wordt als volgt.

III Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Boxum, voorzitter, en mr. A.H.J. Lennaerts en mr. K. Wentholt, leden, bijgestaan door mr. H.E. Melissen, griffier.

mr. H.E. Melissen mr. J.L. Boxum

In het openbaar uitgesproken op 4 maart 2010.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te 's-Gravenhage. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019 te 2500 EA 's-Gravenhage binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.

Afschrift verzonden op: