Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2010:BL5270

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
18-02-2010
Datum publicatie
23-02-2010
Zaaknummer
08/983
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Er zijn door eiser deels fouten/slordigheden gemaakt/begaan. Dit levert naar het oordeel van de rechtbank plichtsverzuim op. Eiser erkent ook dat van enig plichtsverzuim sprake is geweest. De rechtbank is evenwel van oordeel dat dit plichtsverzuim niet zodanig ernstig is, dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag daaraan evenredig kan worden geacht. Daartoe neemt de rechtbank in aanmerking dat de dubbele verantwoording slechts op een beperkt deel van de door eiser voor de N.P.A. gewerkte tijd betrekking heeft, dat van opzet bij eiser geen sprake is geweest, alsmede het feit dat de dubbele verantwoording werd vergemakkelijkt door het door verweerder gebruikte systeem. Voorts betrekt de rechtbank hierbij het gegeven dat eiser 33 jaar goed heeft gefunctioneerd. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit, voor zover betrekking hebbend op het strafontslag, in rechte geen stand kan houden en voor vernietiging in aanmerking komt.

Met betrekking tot het ongeschiktheidsontslag overweegt de rechtbank dat verweerder eiser een verbeterkans had moeten bieden. Niet is gebleken dat eiser niet over de vereiste eigenschappen, mentaliteit of instelling zou beschikken die maken dat het bieden van een verbeterkans niet zinvol zou zijn. Te meer niet, nu eiser 33 jaar goed heeft gefunctioneerd waarbij eiser het gebracht heeft tot inspecteur van politie. Het bestreden besluit kan, ook daar waar het de subsidiaire ontslaggrond betreft, de rechterlijke toets niet doorstaan en dient ook om die reden te worden vernietigd.

Wetsverwijzingen
Besluit algemene rechtspositie politie 76
Besluit algemene rechtspositie politie 94
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector Bestuursrecht

Kenmerk: 08/983 AW

Uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken d.d. 18 februari 2010

in het geding tussen

[eiser], wonende te Assen, eiser,

en

De Korpsbeheerder van het Regionaal Politiekorps Drenthe, verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 28 oktober 2008 heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen het besluit van 24 april 2008 ongegrond verklaard en laatstgenoemd besluit gehandhaafd, primair inhoudende de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag als bedoeld in artikel 77, eerste lid, onder j, juncto artikel 76 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) met ingang van 1 mei 2008. Subsidiair wordt, indien de straf van ontslag in rechte geen stand kan houden, aan eiser, gelet op artikel 94, eerste lid, sub f, van het Barp, wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door eiser beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken, eervol ontslag verleend.

Namens eiser is bij brief van 3 december 2008 tegen dit besluit bij de rechtbank beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 9 januari 2009 de op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede op 27 januari 2009 een verweerschrift ingezonden. De gemachtigde van eiser heeft hiervan afschriften ontvangen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 23 november 2009, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. W.J. Dammingh.

Voor verweerder zijn verschenen mr. B. Benedick, C.J. van der Molen en J. du Pree.

II. Motivering

Feiten en omstandigheden

Eiser is sinds 1 januari 1975 in dienst bij verweerder, laatstelijk als vakspecialist A operationele ondersteuning en informatie bij dienstonderdeel P&O, Bureau werving, opleiding en ontwikkeling.

Op 29 mei 2007 is door verweerder opdracht gegeven tot het instellen van een oriënterend onderzoek naar vermoedelijk gepleegd plichtsverzuim door eiser. Aanleiding voor het instellen van het oriënterend onderzoek is de brief melding integriteitschending van 15 mei 2007 van [sectorchef], Sectorchef A, afdeling P&O Dienstverlening en Ondersteuning, gericht aan verweerder.

De uitkomsten van het oriënterend onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 6 juli 2007.

Op 6 juli 2007 heeft eiser aangifte gedaan tegen zijn collega, de heer [collega], wegens smaad/belediging, laster en bedreiging met de dood.

Bij brief van 10 juli 2007 heeft verweerder eiser geïnformeerd dat tegen hem naar aanleiding van de uitkomsten van het oriënterend onderzoek een disciplinair onderzoek zal worden ingesteld wegens vermeend plichtsverzuim. In de brief is het vermeende plichtsverzuim als volgt omschreven:

- het mogelijk onterecht declareren van de door eiser gereden kilometers c.q. van de door eiser gemaakte reiskosten;

- het mogelijk onjuist verantwoorden van diensturen en

- het verantwoorden van werkzaamheden voor twee werkgevers, de Politie Drenthe en de Nederlandse Politie Academie (NPA), op een wijze waaruit blijkt dat eiser op gelijke data en tijdstippen werkzaam zou zijn geweest bij beide werkgevers.

In dezelfde brief is eiser, in afwachting van zijn schorsing, op 10 juli 2007 buiten functie gesteld.

Bij brief van 25 september 2007 is eiser per diezelfde datum op grond van artikel 84, eerste lid, sub c, van het Barp in het belang van de dienst met onmiddellijke ingang geschorst tot uiterlijk 26 december 2007.

Tegen zowel de brief van 10 juli 2007 als tegen de brief van 25 september 2007 is door eiser respectievelijk zijn gemachtigde een bezwaarschrift ingediend. Bij brief van 29 november 2007 zijn beide bezwaarschriften door de gemachtigde ingetrokken, met name vanwege het feit dat de termijn van schorsing op 26 december 2007 zou aflopen.

De uitkomsten van het disciplinaire onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 23 oktober 2007.

Bij brief van 28 november 2007 is eiser opgeroepen voor een gesprek hoor en wederhoor op 10 december 2007. Een verslag van het gesprek bevindt zich in het procesdossier.

Op 11 december 2007 heeft eiser aangifte gedaan tegen zijn collega de heer [collega] wegens computervredebreuk (artikel 138a Wetboek van Strafrecht).

Eiser is bij brief van 16 december 2007 in kennis gesteld van het voornemen van verweerder de termijn van schorsing, welke eiser is opgelegd bij het besluit van 25 september 2007, te verlengen met drie maanden. Voorts is in deze brief aangegeven dat de korpsbeheerder voornemens is de grondslag van die schorsing te wijzingen, namelijk met de grond van schorsing als bedoeld in artikel 84, eerste lid, sub b, van het Barp nu verweerder voornemens is eiser de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag op te leggen.

Bij besluit van 20 december 2007 is het voornemen tot verlenging van de schorsing geconverteerd in een besluit. Tegen dit besluit heeft eiser geen rechtsmiddelen aangewend.

Op 5 februari 2008 deelt de officier van justitie verweerder mee dat de aangifte van eiser van 11 december 2007 tegen zijn collega [collega] niet leidt tot verdere strafvervolging.

Bij brief van 20 februari 2008 heeft verweerder eiser in kennis gesteld van het voornemen hem primair de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag als bedoeld in artikel 77, eerste lid, onder j, juncto artikel 76 van het Barp met ingang van 20 maart 2008 op te leggen. Indien de straf van ontslag in rechte geen stand kan houden is verweerder subsidiair voornemens eiser, gelet op artikel 94, eerste lid, sub f, van het Barp, wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door eiser beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken, eervol ontslag te verlenen.

Verweerder heeft bij besluit van 14 maart 2008 – in overleg met de gemachtigde van eiser – de maatregel van schorsing verlengd met drie maanden tot uiterlijk 26 juni 2007 (bedoeld zal zijn 2008).

Op 10 april 2008 heeft een zienswijzegesprek plaatsgevonden. Een verslag van het gesprek bevindt zich in het procesdossier.

Bij besluit van 24 april 2008, verzonden 6 mei 2008, heeft verweerder eiser primair de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag als bedoeld in artikel 77, eerste lid, onder j, juncto artikel 76 van het Barp met ingang van 1 mei 2008 opgelegd. Indien deze straf van ontslag in rechte geen stand kan houden zal verweerder eiser subsidiair, gelet op artikel 94, eerste lid, sub f, van het Barp, wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door eiser beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken, eervol ontslag verlenen.

Bij brief van 2 juni 2008 is namens eiser tegen dit besluit een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Het bezwaarschrift is op 26 augustus 2008 mondeling toegelicht tijdens een hoorzitting van de Noordelijke Adviesraad Politie (NARP). Een verslag van de hoorzitting bevindt zich onder de gedingstukken.

De NARP heeft op 26 augustus 2008 geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren en het primaire besluit in stand te laten.

Bij besluit van 28 oktober 2008 heeft verweerder het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Toepasselijke regelgeving

Besluit algemene rechtspositie politie (Barp)

Artikel 76

1. De ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, kan disciplinair worden gestraft.

2. Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van een voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Artikel 77

1. De straffen die kunnen worden opgelegd, zijn:

a. schriftelijke berisping;

b. buitengewone dienst op andere dagen dan op zondag en de voor de ambtenaar geldende kerkelijke feestdagen en vrije dagen zonder beloning of tegen een lagere dan de normale beloning en wel voor ten hoogste zes uren met een maximum van drie uren per dag; c. vermindering van het recht op een jaarlijkse vakantie met ten hoogste een vierde gedeelte van het aantal uren, bedoeld in artikel 17, waarop in het desbetreffende kalenderjaar aanspraak bestaat;

d. geldboete van ten hoogste € 22;

e. gedeeltelijke inhouding van salaris tot een bedrag van ten hoogste het salaris over een halve maand;

f. vermindering van het salarisnummer met ten hoogste twee jaren, voor de tijd van niet langer dan twee jaren;

g. het niet meetellen van een verdere diensttijd van ten hoogste vier jaren voor de vaststelling van het salarisnummer;

h. schorsing voor een bepaalde tijd met gehele of gedeeltelijke inhouding van de bezoldiging of

i. plaatsing in een salarisschaal waarvoor een lager maximumsalaris geldt;

j. ontslag.

Artikel 94

1. Anders dan op aanvraag van de ambtenaar, bij wijze van straf of ingevolge artikel 7 van de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement, artikel 88, 89, 90, 91, 92, of 93 kan de ambtenaar worden ontslagen op grond van:

a. het verlies van een vereiste voor de aanstelling, gesteld bij een regeling aan de benoeming voorafgegaan, tenzij het vereiste alleen voor de aanvang van het ambt geldt;

b. onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak waarbij de ambtenaar onder curatele is gesteld;

c. het ondergaan van lijfsdwang wegens schulden krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;

d. onherroepelijk geworden veroordeling tot een vrijheidsstraf wegens misdrijf;

e. ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte;

f. het vanuit ziekte verrichten van passende arbeid bij een andere werkgever op grond van artikel 49b;

g. onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken;

h. het bereiken van de leeftijd waarop op grond van de Algemene Ouderdomswet recht op ouderdomspensioen ontstaat;

i. het bij of in verband met indiensttreding of keuring verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder welke handelwijze niet tot indienstneming of goedkeuring zou zijn overgegaan, tenzij de ambtenaar aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld, of

j. het zonder deugdelijke grond weigeren gevolg te geven of medewerking te verlenen aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 49c.

Beoordeling

Strafontslag

De rechtbank ziet zich primair gesteld voor de vraag of – gelet op alle feiten en omstandigheden die zich voorafgaande aan de ontslagdatum van 1 mei 2008 in de verhouding verweerder en eiser hebben voorgedaan – het besluit om eiser met toepassing van artikel 77, eerste lid, onder j juncto artikel 76 van het Barp de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag op te leggen, in rechte stand kan houden.

De rechtbank overweegt dat de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit uiteen valt in een drietal onderdelen:

1. Zijn de door verweerder gestelde feiten vast komen te staan c.q. voldoende aannemelijk geworden?

2. Leveren deze feiten het aan het ontslag ten grondslag gelegde plichtsverzuim op?

3. Zo ja, is dit plichtsverzuim zodanig ernstig, dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag daaraan niet onevenredig geacht kan worden?

Het plichtsverzuim dat verweerder aan het strafontslag ten grondslag heeft gelegd bestaat uitsluitend hierin dat eiser voor 2 werkgevers (politie Drenthe en de NPA) werkzaamheden heeft verantwoord.

Ingevolge vaste jurisprudentie geldt dat moet worden bewezen en dat daartoe is vereist dat deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging rechtvaardigen dat de betrokken ambtenaar zich aan de hem verweten gedragingen heeft schuldig gemaakt.

In de onderzoeksperiode 10 juli 2007 tot 20 oktober 2007 zijn met betrekking tot eiser een oriënterend onderzoek en een disciplinair onderzoek verricht. Hieruit blijkt het volgende.

Eiser verrichtte werkzaamheden voor twee werkgevers, te weten als inspecteur van de Regiopolitie Drenthe en als examinator voor de Nederlandse Politie Academie (N.P.A.) ten behoeve van het Centrum voor Competentiemeting en Monitoring (C.C.M.). De gewerkte uren en reiskosten ten behoeve van het C.C.M. werden door eiser rechtstreeks bij de N.P.A. gedeclareerd en vervolgens door de N.P.A. aan hem vergoed. Voornoemde onderzoeken hebben uitgewezen dat in de periode 1 januari 2006 tot 1 juni 2007 op dagen dat eiser voor het C.C.M. examens verrichtte, deze uren in een aantal gevallen ook als gewerkte uren voor de Regiopolitie Drenthe in het Planning en Control System (PCS) zijn verantwoord. In die periode zijn er ongeveer veertig declaraties door eiser ingediend, waarbij op 10 data een dubbele verantwoording plaatsvond.

Eiser erkent dat in de genoemde gevallen de werktijd incorrect is verantwoord. Eiser durft niet met zekerheid te stellen wat de oorzaak daarvan is. Hij sluit niet uit dat iemand anders, mogelijk [collega], dit voor eiser heeft ingevuld. Eiser verkeerde toen in onmin met voornoemde collega, die zich jegens eiser op beledigende en bedreigende wijze had geuit; hetgeen zelfs tot een aangifte heeft geleid. Evenmin sluit eiser uit dat het een gevolg van slordigheid van hemzelf is. Of een combinatie van een en ander.

Met betrekking tot het invullen van de declaraties door een collega geeft verweerder aan dat de verantwoording in PCS op eisers personeelsnummer voornamelijk plaatsvindt in reeksen waar de dubbelingen in uren deel van uitmaken. Uit onderzoek blijkt dat de reeksen opeenvolgend in tijdstippen voor wat betreft invoertijdstip zijn. Uit informatie bij PCS-beheer blijkt dat de laatst verrichte handeling, met het bijbehorende tijdstip, in PCS wordt opgeslagen. Indien dus een dagverantwoording achteraf gewijzigd wordt, wordt er een nieuw tijdstip waarop de verantwoording dan plaatsvindt aan gekoppeld.

Daarbij zijn de reeksen in eisers PCS zodanig groot dat indien deze door iemand anders zouden zijn verantwoord, eiser een groot aantal dagen niet zelf verantwoord zou hebben.

Na het fiatteren van een leidinggevende is het niet meer mogelijk de PCS-verantwoording te wijzigen. Derhalve betekent dit dat de PCS-verantwoording door eiser al vanaf 16 januari 2006 door een ander gemanipuleerd zou moeten zijn en dat lijkt verweerder onwaarschijnlijk.

Ter zitting heeft verweerder de systematiek van PCS nader uiteen gezet. Deze komt er op neer dat eiser in een reeds vooringevuld urenpatroon moest aangeven welke werkzaamheden hij op een dag daadwerkelijk had verricht. Daarbij had eiser, zo is onweersproken ter zitting gesteld, de keuze uit de volgende in te vullen werkzaamheden: intern onderzoek en trajectbegeleiding.

In geval eiser werkzaamheden voor de N.P.A. verrichtte diende hij, zo begrijpt de rechtbank verweerders uitleg ter zitting, het reeds vooringevulde urenpatroon te corrigeren. In het licht daarvan is het de rechtbank duidelijk geworden dat de dubbele urenverantwoording, zoals deze eiser wordt verweten, niet zozeer het gevolg is geweest van een (bewust) onjuiste invoer door eiser, maar veeleer van het feit dat eiser in een aantal gevallen heeft nagelaten het vooringevulde urenpatroon (dat uitging van een werkdag bij de Regiopolitie Drenthe conform eisers aanstelling) te corrigeren. Deze gang van zaken maakte, zo is door verweerder erkend, PCS tot een systeem waarbij makkelijk fouten kunnen worden gemaakt. PCS wordt ook niet meer door verweerder gebruikt.

Dit, in samenhang met het gegeven dat de dubbele verantwoording slechts een beperkt deel van de door eiser voor de N.P.A. gewerkte tijd betreft en het feit dat eiser vaak achteraf over een langere periode zijn uren in PCS verantwoordde, waardoor het risico op fouten/slordigheden werd vergroot, heeft tot gevolg dat verweerder niet in het leveren van overtuigend bewijs is geslaagd. Verweerder heeft niet aangetoond dat eiser volledig de foute invoer heeft gedaan en heeft evenmin aangetoond dat die invoer niet op een relatief eenvoudig en zich makkelijk voordoend handelen (nalaten correcties aan te brengen) berustte. De rechtbank benadrukt hierbij dat van enige opzet tot bevoordeling van zichzelf door eiser of van een ander geen sprake was, hetgeen verweerder ook met zoveel woorden erkent.

Wel zijn er door eiser deels fouten/slordigheden gemaakt/begaan. Dit levert naar het oordeel van de rechtbank plichtsverzuim op. Eiser erkent ook dat van enig plichtsverzuim sprake is geweest.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat dit plichtsverzuim niet zodanig ernstig is, dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag daaraan evenredig kan worden geacht. Daartoe neemt de rechtbank in aanmerking dat de dubbele verantwoording slechts op een beperkt deel van de door eiser voor de N.P.A. gewerkte tijd betrekking heeft, dat van opzet bij eiser geen sprake is geweest, alsmede het feit dat de dubbele verantwoording werd vergemakkelijkt door het door verweerder gebruikte systeem. Voorts betrekt de rechtbank hierbij het gegeven dat eiser 33 jaar goed heeft gefunctioneerd.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit, voor zover betrekking hebbend op het strafontslag, in rechte geen stand kan houden en voor vernietiging in aanmerking komt.

Ongeschiktheidsontslag

De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of het bestreden besluit in rechte stand houdt voorzover daarbij de subsidiair gegeven beslissing is gehandhaafd eiser te ontslaan onder toepassing van artikel 94, eerste lid, sub f, van het Barp.

In onderhavig geval zijn in de onderzoeksperiode 10 data aangetroffen waarbij sprake is van een dubbele declaratie.

Naar vaste jurisprudentie is ontslag wegens ongeschiktheid voor de functie, zoals bedoeld in artikel 94, eerste lid, sub f van het Barp, in het algemeen niet mogelijk als de ambtenaar niet op zijn functioneren of gedrag is aangesproken en in de gelegenheid is gesteld dit te verbeteren. Dit uitgangspunt leidt volgens de jurisprudentie uitzondering indien de ambtenaar dusdanig blijk heeft gegeven niet over de vereiste eigenschappen, mentaliteit of instelling te beschikken dat het bevoegd gezag zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het bieden van een verbeterkans niet zinvol is.

In dit verband stelt de rechtbank vast dat in het onderhavige geval een dergelijk verbetertraject niet is doorlopen en dient de vraag te worden beantwoord of zich in het geval van eiser vorenbedoelde uitzondering voordeed en of verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bieden van een verbeterkans niet zinvol was.

Verweerder heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat eisers gedragingen zodanig de integriteit van de politie raken, dat het bieden van een verbeterkans niet meer in de rede kan liggen. Naar het oordeel van de rechtbank treft dit argument geen doel nu, in aanmerking nemende hetgeen hiervoor is overwogen, eisers gedragingen (het dubbel verantwoorden van uren) niet zo omvangrijk zijn als door verweerder is aangenomen en dat wat resteert anders dient te worden gewogen dan verweerder heeft gedaan. In ieder geval is daarmee niet gebleken dat eiser niet over de vereiste eigenschappen, mentaliteit of instelling zou beschikken die maken dat het bieden van een verbeterkans niet zinvol zou zijn. Te meer niet, nu eiser 33 jaar goed heeft gefunctioneerd waarbij eiser het gebracht heeft tot inspecteur van politie. Verweerder had derhalve eiser een verbeterkans moeten bieden. Nu dit is nagelaten, impliceert dit dat het bestreden besluit, ook daar waar het de subsidiaire ontslaggrond betreft, de rechterlijke toets niet kan doorstaan en ook om die reden dient te worden vernietigd.

Alles overziende komt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd en verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit op eisers bezwaren te nemen met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

De rechtbank acht termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling. Onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht kunnen deze kosten worden begroot op € 644,- wegens verleende rechtsbijstand.

Beslist wordt als volgt.

III. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op de bezwaren van eiser dient te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure ten bedrage van € 644,- en bepaalt dat de politieregio Drenthe deze kosten, alsmede het griffierecht ad € 145,-aan eiser dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P. Claus, voorzitter, en mr. L. Mulder en mr. A.H.J. Lennaerts, leden bijgestaan door mr. C.T. Hofman, griffier.

mr. C.T. Hofman mr. W.P. Claus

In het openbaar uitgesproken op 18 februari 2010.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002 te 3500 DA Utrecht binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak.

Afschrift verzonden op: