Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2010:BL3654

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
11-02-2010
Datum publicatie
11-02-2010
Zaaknummer
10/48
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Versnelde behandeling
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. Geen bijzondere omstandigenheden om te komen tot een verkorting van de wettelijke beslistermijn zoals opgenomen in artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector Bestuursrecht

Kenmerk: 10/48 BESLU

Uitspraak van de voorzieningenrechter op de voet van het bepaalde in titel 3 van hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) d.d. 11 februari 2010

in het geding tussen:

Digital Attack Events, gevestigd te Dordrecht, verzoekster,

en

De burgemeester van de gemeente Assen, verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 23 december 2009 heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om een evenementenvergunning voor het Dance Event Sector 01 op 22 mei 2010 in de TT Hall, De Haar 11 te Assen, geweigerd.

Namens verzoekster is bij brief van 24 december 2009 tegen dit besluit bij verweerder bezwaar gemaakt.

Bij brief van 22 januari 2010 is tevens namens verzoekster aan de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Verweerder heeft bij brief van 1 februari 2010 de op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift ingezonden. De gemachtigde van verzoekster heeft hiervan een afschrift ontvangen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de rechtbank op 10 februari 2010, alwaar verzoekster zich heeft laten vertegenwoordigen door [verzoekster], bijgestaan door mr. N.B. de Neef.

Voor verweerder zijn verschenen A.J. Pronk en W.A. Britstra.

II. Motivering

Algemeen

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de recht┬Čbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

Aangezien tijdig bezwaar is gemaakt tegen het besluit waarop het verzoek betrekking heeft en deze rechtbank in de hoofdzaak bevoegd zal zijn, is voldaan aan het connexiteitsvereiste. Ook overigens is er geen beletsel het verzoek om een voorlopige voorziening ontvankelijk te achten.

Toepasselijke Regelgeving

Artikel 7:10 van de Awb luidt:

1. Het bestuursorgaan beslist binnen zes weken of - indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 is ingesteld - binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.

2. De termijn wordt opgeschort gerekend vanaf de dag na die waarop de indiener is verzocht een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 te herstellen, tot de dag waarop het verzuim is hersteld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

3. Het bestuursorgaan kan de beslissing voor ten hoogste zes weken verdagen.

4. Verder uitstel is mogelijk voor zover:

a. alle belanghebbenden daarmee instemmen,

b. de indiener van het bezwaarschrift daarmee instemt en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad, of

c. dit nodig is in verband met de naleving van wettelijke procedurevoorschriften.

5. Indien toepassing is gegeven aan het tweede, derde of vierde lid, doet het bestuursorgaan hiervan schriftelijk mededeling aan belanghebbenden.

Beoordeling

De voorzieningenrechter ziet zich gesteld voor de vraag of er aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen en overweegt daartoe als volgt.

Allereerst stelt de voorzieningenrechter vast dat het spoedeisende belang aanwezig moet worden geacht, nu de voorbereidingen van het evenement niet althans onvoldoende kunnen worden voortgezet.

Op 7 augustus 2009 heeft verzoeksteres een aanvraag ingediend voor een evenementenvergunning voor het Dance Event Sector 01 op 22 mei 2010 in de TT Hall, De Haar 11, te Assen.

Bij besluit van 23 december 2009 is de aanvraag door verweerder geweigerd. Verzoekster heeft hiertegen bij brief van 24 december 2009 bezwaar gemaakt.

Verzoekster verzoekt bij brief van 22 januari 2010 tot het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wordt verzocht om te bepalen dat verweerder per ommegaande, dan wel binnen 7 dagen na 10 februari 2010 een beslissing neemt op het bezwaarschrift.

De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat het pro forma bezwaarschrift van verzoekster dateert van 24 december 2009. Voorts is er op 13 januari 2010 een aanvullend bezwaarschrift ingediend. Ter zitting is de voorzieningenrechter gebleken dat er op 23 februari 2010 een hoorzitting van de bezwaarschriftencommissie is gepland in het kader van de behandeling van dit bezwaarschrift. Voorts wordt door verweerder beoogd om binnen twee of drie weken na deze hoorzitting te komen tot een beslissing op het bezwaarschrift van verzoekster.

De voorzieningenrechter stelt vast dat ingevolge artikel 7:10 van de Awb in het onderhavige geval in beginsel een wettelijke beslistermijn van 12 weken geldt met betrekking tot het ingediende bezwaarschrift. Ten tijde van de behandeling van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening was deze termijn niet verstreken. Evenmin bestaat er naar het oordeel van de voorzieningenrechter vooralsnog de verwachting dat verweerder niet zal of kunnen beslissen binnen de in artikel 7:10, eerste lid, van de Awb gestelde termijn.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter behelst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening enkel de verkorting van de wettelijke beslistermijn. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan daartoe onder (zeer) bijzondere omstandigheden aanleiding bestaan.

Deze omstandigheden, waarbij dus de in artikel 7:10 van de Awb opgenomen wettelijke beslistermijn zou kunnen worden bekort, acht de voorzieningenrechter in dit geval evenwel niet aanwezig. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Hoewel uiteraard allereerst verweerder gehouden is om binnen een redelijke termijn op een aanvraag te beslissen, is niet gebleken dat verzoekster alle mogelijkheden heeft benut om aan te sturen op een snelle behandeling van de aanvraag, bijvoorbeeld door bezwaar te maken tegen het niet-tijdig beslissen op de aanvraag. Gegeven is dan ook de situatie waarin niet eerder dan op 23 december 2009 een besluit is afgegeven op de aanvraag.

In het kader van de bezwaarprocedure is de voorzieningenrechter evenmin gebleken van een voortvarende houding van verzoekster. Zo is ter zitting door verweerder aangegeven mee te willen werken aan een geluidsmeting op korte termijn, gelet op het door verzoekster overgelegde geluidsplan, maar heeft verzoekster geen duidelijkheid over de mogelijkheden daartoe kunnen geven omdat er geen contact is geweest met de andere betrokken partijen. Dit terwijl over deze mogelijkheid ook al gesproken wordt in het door de gemachtigde van verzoekster overgelegde krantenartikel van woensdag 27 januari 2009 uit het Dagblad van het Noorden. Bovendien stelt de voorzieningenrechter vast dat dit geluidsplan al reeds op 24 december 2009 in het bezit was van verzoekster, maar niet direct in de bezwaarprocedure is gebracht, terwijl het verzoekster duidelijk kon zijn dat juist de vrees voor geluidsoverlast ten grondslag ligt aan de weigering van de evenementenvergunning.

Het verzoek om een voorlopige voorziening dient daarom te worden afgewezen.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P. Claus, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. H.E. Melissen, griffier.

mr. H.E. Melissen mr. W.P. Claus

In het openbaar uitgesproken op 11 februari 2010.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Afschrift verzonden op: