Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2010:BL1941

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
04-02-2010
Datum publicatie
04-02-2010
Zaaknummer
09/967
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BL7713
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BO4209, Overig
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2011:BP9543, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

In geschil is de vraag of verweerder ontheffing van het bestemmingsplan heeft mogen verlenen op grond van artikel 3.23 van de Wro voor het bieden van opvang aan amv’s. Op het betreffende perceel rust de bestemming “Verblijfsrecreatieve Doeleinden”. Verzoekers hebben zich op het standpunt gesteld dat verweerder niet bevoegd was tot het verlenen van een ontheffing op grond van artikel 3.23 van de Wro, nu uit artikel 4.1.1. Bro volgt dat alleen ontheffing kan worden verleend voor bouwwerken en in het onderhavige geval de ontheffing ziet op het gehele perceel. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat artikel 4.1.1., onder i, van het Bro, niet enkel ziet op (het gebruik van) bouwwerken.

Met betrekking tot de door verweerder gemaakte belangenafweging overweegt de voorzieningenrechter dat gelet op de vigerende bestemming “Verblijfsrecreatieve Doeleinden” niet is gebleken dat de ruimtelijke impact en uitstraling op het gebied van de opvang van amv’s wezenlijk verschilt van die van bijvoorbeeld recreërende jongeren. De voorzieningenrechter benadrukt dat in het kader van het verlenen van een dergelijke ontheffing de ruimtelijke inpasbaarheid en de ruimtelijke gevolgen van het project op het betreffende gebied bepalend zijn. De argumenten van de verzoekers dat er overlast wordt gevreesd en het leven in het dorp, gelet op angst voor de gedragingen van de amv’s, aanzienlijk zal wijzigen, treffen om die reden geen doel.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening 3.23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2010/3703 met annotatie van R. Frusch
JOM 2010/434
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector Bestuursrecht

Kenmerk: 09/967 en 09/966, 10/3 en 10/4

Uitspraak van de voorzieningenrechter op de voet van het bepaalde in titel 3 van hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) d.d. 4 februari 2010

in het geding tussen:

[verzoekers (1)], allen wonende te Gieterveen,

verzoekers (1),

[verzoekers (2)], allen wonende te Gieterveen,

verzoekers (2), hierna gezamenlijk verzoekers,

en

het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Aa en Hunze, verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 26 november 2009 heeft verweerder ontheffing verleend op grond van artikel 3.23, eerste lid van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

Namens verzoekers zijn bij brieven van 31 december 2009 tegen dit besluit bij de rechtbank beroepen ingesteld.

Bij brieven van 31 december 2009 is tevens namens verzoekers aan de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Bij schrijven van 6 november 2009 heeft de rechtbank Stichting Jade in de gelegenheid gesteld om op grond van artikel 8:26 van de Awb als partij deel te nemen aan het proces. De heer J.B. Bollen heeft namens de Stichting laten weten van die gelegenheid geen gebruik te zullen maken.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en op 7 januari 2010 een verweerschrift ingezonden. Verzoekers, alsmede hun gemachtigde voor zover van toepassing, hebben hiervan een afschrift ontvangen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de rechtbank op 28 januari 2010, alwaar verzoeker [verzoeker] in persoon is verschenen, bijgestaan door de heer mr. W.J.TH. Bustin. Tevens is verschenen [verzoeker]

Voor verweerder is verschenen T. Bruining.

II. Motivering

Algemeen

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is voorts bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan wanneer beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich hier voor.

Feiten en omstandigheden

Op 18 augustus 2009 is namens de Stichting Jade (hierna de Stichting) aan de Gemeente Aa en de Hunze verzocht om medewerking te verlenen aan het bieden van opvang voor 24 alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s). Met de eigenaren van de groepsaccommodatie “de Broekse Hoeve”, Broek 40 te Gieterveen is overeenstemming bereikt voor het huren van dit pand voor een periode van maximaal 2 jaar.

Het perceel Broek 40 te Gieterveen is gelegen in het bestemmingsplan “Gieterveen dorp 2005” en heeft de bestemming “Verblijfsrecreatieve Doeleinden”. Het bieden van opvang aan vreemdelingen is in strijd met de bestemmingsplanbepalingen.

Pro forma hebben verschillende buurtbewoners bezwaar aangetekend tegen de komst van de amv’s.

Verweerder heeft voornoemd verzoek van de Stichting aangemerkt als een verzoek om op grond van artikel 3.23, eerste lid, Wro ontheffing te verlenen.

Op 25 augustus 2009 is door het college besloten om de ontheffingsprocedure op grond van artikel 3.23 Wro te starten. Verweerder heeft het voornemen om ontheffing te verlenen gepubliceerd in “de Schakel”. Vanaf 3 september 2009 heeft een conceptbeschikking ter inzage gelegen.

Tegen het voornemen om ontheffing te verlenen zijn 38 zienswijzen ingediend. Ook door de gemachtigde van verzoekers (1) is op 15 oktober 2009 namens hen een zienswijze ingediend.

Bij besluit van 26 november 2009 is ontheffing verleend van het bestemmingsplan “Gieterveen 2005” overeenkomstig artikel 3.23, eerste lid, van de Wro voor de opvang van alleenstaande minderjarige vreemdelingen op het perceel Broek 40 te Gieterveen.

Daartegen is bij schrijven van 31 december 2009 door en namens verzoekers beroep ingesteld en is voorts de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

Standpunten partijen

Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoekers niet ontvankelijk zijn in het beroep/het verzoek om een voorlopige voorziening, omdat zij geen belanghebbende zijn in de zin van de wet. [Verzoekers] wonen op respectievelijk 240, 200 en 720 meter van de betreffende boerderij en hebben gelet op de tussenliggende woningen geen zicht op het perceel Broek 40.

Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat terecht toepassing is gegeven aan artikel 3.23 Wro en artikel 4.1.1 Bro, omdat indien ontheffing wordt verleend voor het gebruik van het gebouw, dit impliceert dat ontheffing wordt verleend voor het hele perceel.

Verzoekers stellen zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 3.23 van de Wro. Volgens verzoekers volgt uit artikel 4.1.1. Bro dat alleen ontheffing kan worden verleend voor bouwwerken, zodat verweerder ten onrechte ontheffing heeft verleend ten behoeve van het gehele perceel. Verzoekers stellen zich op het standpunt dat het buitenterrein is bestemd als “recreatieve doeleinden” en dat het gebruik ten behoeve van opvang voor amv’s daarmee in strijd is. Voor het gebruik van het buitenterrein voor de opvang van amv’s is geen ontheffing verleend. Bovendien biedt artikel 3.23 Wro geen ruimte voor een dergelijke ontheffing.

Verder menen verzoekers dat sprake is van strijd met de rechtszekerheid, omdat niemand zal begrijpen op welk gedeelte van de Broekse Hoeve de ontheffing ziet.

Naar de mening van verzoekers is verder door de Stichting gevraagd om toepassing te geven aan 3:22 Wro, omdat zij medewerking hebben gevraagd voor opvang van amv’s voor de duur van 2 jaar. Verzoekers menen in dit verband dat verweerder door de ontheffing te verlenen op grond van artikel 3.23 Wro, ten onrechte voorbij is gegaan aan de aanvraag. Nu voorts de opvang van amv’s niet kan worden aangemerkt als het voorzien in een tijdelijke behoefte, kan geen toepassing worden gegeven aan artikel 3.22 Wro. In dit verband wijzen verzoekers op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 januari 2008, GST 2008/48.

Voorts menen verzoekers dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd. Het besluit geeft geen inzicht in de motieven die er toe hebben geleid dat van de vigerende gebruiksregels moet worden afgeweken. In dit verband stellen verzoekers dat in het besluit niet wordt genoemd dat de opvang is beperkt tot 24 amv’s en dat het bestreden besluit de mogelijkheid biedt om een onbeperkt aantal amv’s op te vangen. Verder menen verzoekers dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de opvang midden in het dorp moet plaatsvinden en waarom dat niet elders in de gemeente zou kunnen.

Toepasselijke regelgeving

Artikel 3.23 van de Wro luidt:

“1. Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen ontheffing verlenen van het bestemmingsplan.

2. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld die in acht genomen moeten worden alvorens ontheffing mag worden verleend. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de vormgeving, inrichting en beschikbaarstelling alsmede omtrent de overdraagbaarheid van de ontheffing.”

Artikel 4.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) luidt:

1. Voor de toepassing van artikel 3.23, eerste lid, van de wet komen in aanmerking:

i. het wijzigen van het gebruik van bouwwerken, al dan niet in samenhang met inpandige bouwactiviteiten, mits:

1e. de gebruikswijziging plaats vindt binnen de bebouwde kom;

2e. de gebruikswijziging betrekking heeft op een bruto-vloeroppervlakte van niet meer dan 1500 m², en

3e. het aantal woningen gelijk blijft;

Beoordeling

De voorzieningenrechter ziet zich gesteld voor de vraag of er aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen en overweegt daartoe als volgt.

Allereerst stelt de voorzieningenrechter vast dat het spoedeisend belang aanwezig moet worden geacht, nu in beginsel gebruik kan worden gemaakt van de verleende ontheffing van het bestemmingsplan.

De voorzieningenrechter ziet zich eerst gesteld voor de vraag of verzoekers belanghebbenden zijn in de zin van de Awb. Gelet op de ligging van het betreffende perceel, mede in het licht van de omvang van wat het besluit mogelijk maakt, in verband met de invloed op hun directe woon- en leefomgeving dienen verzoekers naar het oordeel van de voorzieningenrechter als belanghebbenden bij het bestreden besluit te worden aangemerkt.

Tussen partijen is niet in geschil dat het bieden van opvang aan amv’s in strijd is met de op het perceel rustende bestemming “Verblijfsrecreatieve Doeleinden” van het geldende bestemmingsplan. In geschil is de vraag of verweerder ontheffing van het bestemmingsplan heeft mogen verlenen op grond van artikel 3.23 van de Wro.

Ten aanzien van het standpunt van verzoekers dat verweerder niet bevoegd was tot het verlenen van een ontheffing op grond van artikel 3.23 van de Wro, nu uit artikel 4.1.1. Bro volgt dat alleen ontheffing kan worden verleend voor bouwwerken en in het onderhavige geval de ontheffing ziet op het gehele perceel, oordeelt de voorzieningenrechter als volgt.

De voorzieningenrechter stelt vast dat in artikel 4.1.1, onder i, van het Bro een nadere uitwerking is gegeven van de bevoegdheid tot het verlenen van ontheffing op grond van artikel 3.23 van de Wro. Ingevolge artikel 4.1.1, onder i, van het Bro komt voor toepassing van artikel 3.23 van de Wro in aanmerking het wijzigen van het gebruik van bouwwerken, al dan niet in samenhang met inpandige bouwactiviteiten, mits:

1e. de gebruikswijziging plaatsvindt binnen de bebouwde kom;

2e. de gebruikswijziging betrekking heeft op een bruto-vloeroppervakte van niet meer dan 1500 m2, en het aantal woningen gelijk blijft.

De voorzieningenrechter stelt vast dat middels het bovengenoemde artikel van het Bro nadrukkelijk aansluiting is gezocht met artikel 20, eerste lid, onderdeel e, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (verder BRO), zoals dat tot 1 juli 2008 gold. Uit de Nota van Toelichting bij het Bro blijkt dat de gebruikswijziging van opstallen in de bebouwde kom met een omvang van 1500 m2 op dezelfde wijze terugkeert in het voorliggende besluit. Bij besluit van 21 januari 2009, houdende wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (herstel oneffenheden) is het begrip “bruto-vloeroppervlakte” weer toegevoegd aan dit artikelonderdeel om deze duidelijker af te stemmen op de tekst van artikel 20 van het BRO.

Dat hiermee, zoals verzoekers onder meer stellen, ook gegeven is dat artikel 4.1.1., onder i, van het Bro, enkel ziet op een ontheffingsmogelijkheid die ziet op ruimte in een gebouw en geen mogelijkheid biedt om ontheffing te verlenen voor het gebruik van aanliggende gronden, kan de voorzieningenrechter echter niet onderschrijven.

Hoewel in artikel 4.1.1 van het Bro niet nadrukkelijk is opgenomen dat de gebruikswijzing het gebruik van bouwwerken betreft èn de daarbij behorende gronden, maakt dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat om die reden de ontheffingsmogelijkheid enkel ziet op (het gebruik van) bouwwerken. De voorzieningenrechter overweegt in dat kader dat een dergelijke uitleg van deze ontheffingsbevoegdheid zou leiden tot een dusdanige beperking, dat daarmee alsnog de toegestane gebruikswijziging van het bouwwerk illusoir wordt. Daarbij moet gedacht worden aan een situatie waarbij ontheffing is verleend ten aanzien van de gebruiksmogelijkheid van een bouwwerk, maar toegang tot het bouwwerk wordt verhinderd doordat op de rest van het perceel geen ontheffing van het bestemmingsplan rust. Het gebruik van het bouwwerk en de rest van het perceel waarop het bouwwerk is gesitueerd kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook niet los van elkaar worden gezien. Nu van een zelfstandig gebruik van de omliggende grond geen sprake is, kan deze beroepsgrond naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen doel treffen.

Voorts is het de voorzieningenrechter niet gebleken dat er overigens niet voldaan wordt aan de criteria van artikel 4.1.1, onder i, van het Bro. Het betreft hier een gebruikswijziging binnen de bebouwde kom, het aantal woningen blijft gelijk en de ontheffing ziet op een bruto-vloeroppervakte van niet meer dan 1500 m2 nu de kampeerboerderij deze oppervlakte niet overschrijdt. Ingevolge de Nota van toelichting bij het besluit van 21 januari 2009, houdende wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (herstel oneffenheden), blijkt dat daarbij uitgegaan moet worden van de totale binnen een gebouw beschikbare vloeroppervlakte. De voorzieningenrechter is op grond hiervan van oordeel dat aan de voorwaarden voor het gebruik kunnen maken van de ontheffingsmogelijkheid is voldaan.

Naar de mening van verzoekers is voorts door de Stichting gevraagd om toepassing te geven aan artikel 3.22 Wro, omdat zij de medewerking hebben gevraagd voor opvang van amv’s voor de duur van 2 jaar. Verzoekers menen in dit verband dat verweerder door de aanvraag om ontheffing te verlenen op grond van artikel 3.23 Wro ten onrechte voorbij is gegaan aan de aanvraag.

De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat uit de aanvraag van 18 augustus 2009 blijkt dat door Jade Zorggroep aan verweerder verzocht wordt om medewerking te verlenen aan het opvangen van 24 amv’s voor een periode van vooralsnog 2 jaren. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is hieruit niet af te leiden dat slechts wordt verzocht om een ontheffing ingevolge artikel 3.22 van de Wro. Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat een beslissing om al dan niet ontheffing te verlenen van het bestemmingsplan behoort tot de bevoegdheden van het college, waarbij het college beleidsvrijheid heeft en de voorzieningenrechter de beslissing terughoudend moet toetsen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijft het aanmerken van de aanvraag als een verzoek om een ontheffing in de zin van artikel 3.23 van de Wro binnen de bandbreedte van de beleidsvrijheid die de ontheffingbevoegdheid in algemene zin biedt.

Met betrekking tot de door verweerder gemaakte belangenafweging overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

Het bestreden besluit beoogt de opvang van 24 amv’s in een gedeelte van de kampeerboerderij de “Broekse Hoeve” mogelijk te maken. De kampeerboerderij heeft ruimte voor maximaal 44 recreanten. De kampeerboerderij zal dan ook naast de opvang van de amv’s tevens gebruikt worden in het kader van recreatieve activiteiten. De amv’s zullen voor in ieder geval een periode van twee jaar gehuisvest worden in de kampeerboerderij. De amv’s zijn leerplichtig en zullen overdag onderwijs volgen.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is gelet op de vigerende bestemming “Verblijfsrecreatieve Doeleinden” niet gebleken dat de ruimtelijke impact en uitstraling op het gebied van de opvang van amv’s wezenlijk verschilt van die van bijvoorbeeld recreërende jongeren. De voorzieningenrechter benadrukt dat in het kader van het verlenen van een dergelijke ontheffing de ruimtelijke inpasbaarheid en de ruimtelijke gevolgen van het project op het betreffende gebied bepalend zijn.

De argumenten van de verzoekers dat er overlast wordt gevreesd en het leven in het dorp, gelet op angst voor de gedragingen van de amv’s, aanzienlijk zal wijzigen, treffen om die reden geen doel.

Gelet op de voorgaande overwegingen zijn de beroepen van verzoekers ongegrond.

Onder die omstandigheden ziet de voorzieningenrechter tevens geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De verzoeken daartoe worden dan ook afgewezen. De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig om een proceskostenveroordeling, als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb, uit te spreken.

III. Beslissing

De voorzieningenrechter:

Ten aanzien van het beroep 09/966

- verklaart het beroep ongegrond.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening 09/967:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Ten aanzien van het beroep 10/4

- verklaart het beroep ongegrond.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening 10/3:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P. Claus, rechter, bijgestaan door mr. H.E. Melissen, griffier.

mr. H.E. Melissen mr. W.P. Claus

In het openbaar uitgesproken op 4 februari 2010.

Uitsluitend tegen de uitspraak op het beroep kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ’s-Gravenhage. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroepsschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019 te 2500 EA ‘s-Gravenhage binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.

afschrift verzonden op: