Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2010:BL0102

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
21-01-2010
Datum publicatie
21-01-2010
Zaaknummer
19.810304-09/09/416
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Tot nu toe hebben alleen de nabestaanden van [overleden personen] aangifte gedaan van dood door schuld. De nabestaanden van de overige vijf overleden patiënten hebben, (nog) geen aangifte gedaan. Niet bekend is of die nabestaanden op de hoogte zijn van de medische ingreep die de overleden patiënten hebben ondergaan en evenmin of die patiënten zouden hebben gewild dat die informatie alsnog zou worden openbaar gemaakt. Het medisch beroepsgeheim strekt er mede toe de privacy van de overleden patiënt in dit opzicht te beschermen. Het maatschappelijk belang rechtvaardigt onder deze omstandigheden niet dat dat geheim wordt prijsgegeven. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat nabestaanden die deelgenoot zijn gemaakt van de medische ingreep die de inmiddels overleden patiënten hebben ondergaan zich desgewenst tot politie en justitie kunnen wenden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 96a
Wetboek van Strafvordering 105
Wetboek van Strafvordering 218
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GJ 2010/30
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19.810304-09

Raadkamernummer: 09/416

beschikking van de meervoudige raadkamer d.d. 21 januari 2010 in de zaak van:

Stichting Leveste te Zwolle,

namens de raad van bestuur van het Scheperziekenhuis te Emmen,

verder te noemen: klaagster.

Gang van zaken

Namens klaagster is op 23 november 2009 een klaagschrift ingediend tegen het tegen de raad van bestuur van het Scheperziekenhuis gerichte bevel tot uitlevering ter inbeslagneming ex artikel 105 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) vanwege de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank van 11 november 2009 van de naam-, adres- en woonplaatsgegevens, hierna te noemen NAW-gegevens, van de zeven patiënten die zijn overleden na een bariatrische chirurgische ingreep in het Scheperziekenhuis en de telefoonnummers van hun nabestaanden, met uitzondering van de gegevens van wijlen de heren [overleden personen].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken met betrekking tot de vordering tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek en het bevel tot uitlevering ter inbeslagneming vanwege de rechter-commissaris.

Op 7 januari 2010 zijn de raadslieden van klaagster, mr. J.P. van Barneveld en mr. T. van den Ende, beiden advocaat te Zwolle, en de officier van justitie in openbare raadkamer op het klaagschrift gehoord.

Namens klaagster zelve is niemand verschenen.

Motivering

Op verzoek van de raad van bestuur van het Scheperziekenhuis in Emmen en de maatschap chirurgie/orthopedie is een commissie ingesteld die de kwaliteit van de bariatrische chirurgie in het Scheperziekenhuis diende te beoordelen. De directe aanleiding voor de onderzoeksvraag was het feit dat de mortaliteit bij bariatrische ingrepen in het Scheperziekenhuis evenals in de tweede helft van 2008, in het eerste kwartaal van 2009 erg hoog was. Dit gold ook voor het aantal complicaties. De bij de desbetreffende ingrepen betrokken chirurg was dr. [betrokkene].

De commissie kwam in haar rapport van 16 september 2009 tot het oordeel dat er zowel in het pre- als in het postoperatieve beleid ernstige tekortkomingen bij de complexere operaties zijn gevonden die grotendeels zijn terug te voeren op het functioneren van dr. [betrokkene]. Er was, aldus de commissie, een zeer sterke aanwijzing dat in veel gevallen de techniek gefaald heeft.

Op 6 oktober 2009 heeft de Inspectie voor de Gezondheidszorg de raad van bestuur van het Scheperziekenhuis een brief doen toekomen betreffende de onderzoeken naar het handelen van dr. [betrokkene]. Daaruit blijkt dat de Inspectie de visie van de commissie kwaliteit bariatrische chirurgie Scheperziekenhuis Emmen deelt dat bij vijf patiënten het overlijden van deze patiënten samenhangt met de tekortkomingen in de zorg. Een en ander wordt in de brief nader onderbouwd.

De officier van justitie in dit arrondissement heeft vervolgens op 9 november 2009 een nadere vordering tot gerechtelijk vooronderzoek ingediend en gevorderd dat de NAW-gegevens van de zeven patiënten die zijn overleden na een bariatrische chirurgische ingreep in het Scheperziekenhuis en de telefoonnummers van hun nabestaanden zullen worden uitgeleverd, met uitzondering van de gegevens van wijlen de heren [overleden personen].

De rechter-commissaris heeft de nadere vordering tot gerechtelijk vooronderzoek toegewezen en op 11 november 2009 de uitlevering van genoemde stukken ter inbeslagneming bevolen.

Het klaagschrift is tijdig ingediend. Ook overigens is voldaan aan de voorwaarden om het klaagschrift in behandeling te nemen.

Klaagster is, als degene aan wie het bevel van de rechter-commissaris is gericht, aan te merken als belanghebbende als bedoeld in artikel 552, eerste lid Sv.

Klaagster stelt zich op het standpunt dat in artikel 105, derde lid Sv artikel 96a, derde lid Sv van overeenkomstige toepassing is verklaard. Laatstgenoemd artikellid bepaalt dat de personen, als bedoeld in artikel 218 Sv niet verplicht zijn om aan de vordering te voldoen, voor zover dit in strijd zou zijn met hun geheimhoudingsplicht.

Klaagster meent voorts dat aan haar, als degene aan wie het bevel van de rechter-commissaris is gericht, een afgeleid verschoningsrecht toekomt.

In het voetspoor van de op dit punt geldende jurisprudentie is de rechtbank van oordeel dat aan klaagster, die immers het beheer en de administratie over de onder haar berustende medische dossiers voert, inderdaad een afgeleid verschoningsrecht toekomt.

Met betrekking tot het klaagschrift overweegt de rechtbank het volgende.

De rechter-commissaris heeft, op vordering van de officier van justitie, de uitlevering bevolen van NAW-gegevens en de telefoonnummers van (de nabestaanden van) de vijf patiënten, wier overlijden onderwerp van onderzoek is geweest van de Commissie kwaliteit bariatrische chirurgie Scheperziekenhuis Emmen en in welke zaken afzonderlijke SIRE-rapportages zijn opgemaakt.

Aan het verschoningsrecht ligt ten grondslag dat het maatschappelijk belang dat de waarheid aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde om bijstand en advies tot de verschoningsgerechtigde moet kunnen wenden.

Het verschoningsrecht is echter in zoverre niet absoluut, dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden kunnen voordoen waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt moet prevaleren boven het verschoningsrecht. De vraag of zich dergelijke uitzonderlijke omstandigheden voordoen, laat zich niet in het algemeen beantwoorden. Bij de beantwoording zal moeten worden gelet op de aard en de ernst van de strafbare feiten waarvan de geheimhouder wordt verdacht en de aard en de inhoud van het materiaal waarover zich het verschoningsrecht uitstrekt en de mate waarin de betrokken belangen van de patiënten worden geschaad indien het verschoningsrecht wordt doorbroken.

De rechtbank dient thans te beoordelen of sprake is van zodanige uitzonderlijke omstandigheden dat het belang dat de waarheid aan het licht komt moet prevaleren boven het verschoningsrecht.

De rechtbank is van oordeel dat in dit specifieke geval niet kan worden gesproken van zodanige uitzonderlijke omstandigheden dat het maatschappelijk belang van waarheidsvinding moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde om bijstand en advies tot een verschoningsgerechtigde moet kunnen wenden.

De rechtbank overweegt daarbij dat de officier van justitie, zoals hij ter zitting in raadkamer ook heeft aangekondigd, de verkrijging van de NAW-gegevens zal aangrijpen om met nabestaanden die nog geen aangifte hebben gedaan, in contact te treden en hen zal proberen te bewegen alsnog aangifte te doen van dood door schuld.

Tot nu toe hebben alleen de nabestaanden van [overleden personen] aangifte gedaan van dood door schuld. De nabestaanden van de overige vijf overleden patiënten hebben, (nog) geen aangifte gedaan. Niet bekend is of die nabestaanden op de hoogte zijn van de medische ingreep die de overleden patiënten hebben ondergaan en evenmin of die patiënten zouden hebben gewild dat die informatie alsnog zou worden openbaar gemaakt. Het medisch beroepsgeheim strekt er mede toe de privacy van de overleden patiënt in dit opzicht te beschermen. Het maatschappelijk belang rechtvaardigt onder deze omstandigheden niet dat dat geheim wordt prijsgegeven. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat nabestaanden die deelgenoot zijn gemaakt van de medische ingreep die de inmiddels overleden patiënten hebben ondergaan zich desgewenst tot politie en justitie kunnen wenden.

De rechtbank merkt in dit verband op dat mogelijkerwijs meer aangiftes zullen volgen indien bekend wordt dat [betrokkene] zal worden vervolgd. Vanzelfsprekend zou dat voor het openbaar ministerie aanleiding kunnen zijn het onderzoek alsnog uit te breiden.

De rechtbank zal het klaagschrift gegrond verklaren voor zover het zich richt tegen de bevolen uitlevering van de NAW-gegevens van de zeven patiënten die zijn overleden na een bariatrische chirurgische ingreep in het Scheperziekenhuis en de telefoonnummers van hun nabestaanden, met uitzondering van de gegevens van wijlen de heren [overleden personen].

De rechtbank zal de daarmee overeenkomende last geven.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het klaagschrift gegrond voor zover het zich richt tegen het bevel tot uitlevering van de NAW-gegevens van de zeven patiënten die zijn overleden na een bariatrische chirurgische ingreep in het Scheperziekenhuis en de telefoonnummers van hun nabestaanden, met uitzondering van de gegevens van wijlen heren [overleden personen].

bepaalt dat genoemde bescheiden, die thans onder de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken berusten, aan klaagster zullen worden geretourneerd.

Gegeven door mr. J.J. Schoemaker, voorzitter, mr. P.J. Duinkerken en mr. P.L.M.J. Rooijakkers, rechters, in tegenwoordigheid van R.C. Sprong, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting in raadkamer van 21 januari 2010.