Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2010:BL0097

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
21-01-2010
Datum publicatie
21-01-2010
Zaaknummer
19.810304-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat de aard en de inhoud van genoemde bijlagen bij het externe rapport en de interne SIRE-rapportages bariatrische chirurgie niet zodanig zijn dat klaagster verschoningsrecht toekomt, zodat niets uitlevering van die gegevens in de weg staat.

De rechtbank zal het klaagschrift dan ook ongegrond verklaren als na te melden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19.810304-09

Raadkamernummer: 09/416

beschikking van de meervoudige raadkamer d.d. 21 januari 2010 in de zaak van:

Stichting Leveste te Zwolle,

namens de raad van bestuur van het Scheperziekenhuis te Emmen,

verder te noemen: klaagster.

Gang van zaken

Namens klaagster is op 23 november 2009 een klaagschrift ingediend tegen het tegen de raad van bestuur van het Scheperziekenhuis gerichte bevel tot uitlevering ter inbeslagneming ex artikel 105 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) vanwege de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank van 9 november 2009. Het beslag betreft alle bijlagen bij het externe rapport van de Commissie kwaliteit bariatrische chirurgie Scheperziekenhuis Emmen d.d. 16 september 2009 met uitzondering van de reactie hierop van de raadsman van [betrokkene], tegen wie een gerechtelijk vooronderzoek loopt, en alle interne Sire rapportages bariatrische chrirugie, met uitzonderling van de rapporten met betrekking tot het overlijden van de heren [overleden personen].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken met betrekking tot de vordering tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek en het bevel tot uitlevering ter inbeslagneming vanwege de rechter-commissaris.

Op 7 januari 2010 zijn de raadslieden van klaagster, mr. J.P. van Barneveld en mr. T. van den Ende, beiden advocaat te Zwolle, en de officier van justitie in openbare raadkamer op het klaagschrift gehoord.

Namens klaagster zelve is niemand verschenen.

Motivering

Op verzoek van de raad van bestuur van het Scheperziekenhuis in Emmen en de maatschap chirurgie/orthopedie is een commissie ingesteld die de kwaliteit van de bariatrische chirurgie in het Scheperziekenhuis diende te beoordelen. De directe aanleiding voor de onderzoeksvraag was het feit dat de mortaliteit bij bariatrische ingrepen in het Scheperziekenhuis evenals in de tweede helft van 2008, in het eerste kwartaal van 2009 erg hoog was. Dit gold ook voor het aantal complicaties. De bij de desbetreffende ingrepen betrokken chirurg was dr. [betrokkene].

De commissie kwam in haar rapport van 16 september 2009 tot het oordeel dat er zowel in het pre- als in het postoperatieve beleid ernstige tekortkomingen bij de complexere operaties zijn gevonden die grotendeels zijn terug te voeren op het functioneren van dr. [betrokkene]. Er was, aldus de commissie, een zeer sterke aanwijzing dat in veel gevallen de techniek gefaald heeft.

Op 6 oktober 2009 heeft de Inspectie voor de Gezondheidszorg de raad van bestuur van het Scheperziekenhuis een brief doen toekomen betreffende de onderzoeken naar het handelen van dr. [betrokkene]. Daaruit blijkt dat de Inspectie de visie van de commissie kwaliteit bariatrische chirurgie Scheperziekenhuis Emmen deelt dat bij vijf patiënten het overlijden van deze patiënten samenhangt met de tekortkomingen in de zorg. Een en ander wordt in de brief nader onderbouwd.

De officier van justitie in dit arrondissement heeft vervolgens op 22 oktober 2009 gevorderd dat de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank zal overgaan tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek tegen [betrokkene] en op 30 oktober 2009 gevorderd dat de rechter-commissaris op grond van artikel 105 Sv zal bevelen dat alle bijlagen bij het externe rapport van de Commissie kwaliteit bariatrische chirurgie Scheperziekenhuis Emmen van 16 september 2009, met uitzondering van de reactie hierop van de raadsman van [betrokkene], en alle Sire rapportage bariatrische chirurgie, met uitzondering van de rapporten met betrekking tot het overlijden van de heren [overleden personen], ter inbeslagneming aan de rechter-commisaris zullen worden uitgeleverd.

De rechter-commissaris heeft de vordering tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek toegewezen en op 9 november 2009 de uitlevering van genoemde stukken ter inbeslagneming bevolen.

Het klaagschrift is tijdig ingediend. Ook overigens is voldaan aan de voorwaarden om het klaagschrift in behandeling te nemen.

Klaagster is, als degene aan wie het bevel van de rechter-commissaris is gericht, aan te merken als belanghebbende als bedoeld in artikel 552 eerste lid Sv.

Klaagster stelt zich op het standpunt dat in artikel 105 derde lid Sv artikel 96a derde lid Sv van overeenkomstige toepassing is verklaard. Laatstgenoemd artikellid bepaalt dat de personen, als bedoeld in artikel 218 Sv niet verplicht zijn om aan de vordering te voldoen, voor zover dit in strijd zou zijn met hun geheimhoudingsplicht.

Klaagster meent voorts dat aan haar, als degene aan wie het bevel van de rechter-commissaris is gericht, een afgeleid verschoningsrecht toekomt.

In het voetspoor van de op dit punt geldende jurisprudentie is de rechtbank van oordeel dat aan klaagster, die immers het beheer en de administratie over de onder haar berustende medische dossiers voert, op zichzelf een afgeleid verschoningsrecht toekomt.

Met betrekking tot het klaagschrift overweegt de rechtbank het volgende.

De vraag die aan de orde is, is of de zorgverlener, in casu het Scheperziekenhuis, gelet op de aard en de inhoud van de stukken waarvoor uitlevering wordt bevolen, in casu een beroep kan doen op het verschoningsrecht ingevolge het medisch beroepsgeheim.

De bijlagen bij het externe rapport van de Commissie kwaliteit bariatrische chirurgie Scheper Ziekenhuis van 16 september 2009 en de interne SIRE-rapportages bariatrische chirurgie waarvan thans de uitlevering wordt bevolen bevatten, aldus klaagster in haar klaagschrift, weliswaar medische, maar geanonimiseerde, informatie. Verder heeft klaagster in raadkamer aangevoerd dat personeelsleden van het ziekenhuis die informatie hebben verschaft ten behoeve van de rapportages er belang bij hebben dat die informatie vertrouwelijk blijft.

De basis van het verschoningsrecht waarop klaagster zich beroept is dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het vertrouwde om bijstand en advies tot de verschoningsgerechtigde moet kunnen wenden.

Het verschoningsrecht strekt niet tot bescherming van de door klaagster ingeroepen belangen van haar personeel. Voorzover het klaagschrift daarop is gebaseerd, is het derhalve ongegrond.

Bij beschikking van heden heeft de rechtbank het klaagschrift gegrond verklaard voor zover dat is gericht tegen het bevel tot uitlevering ter inbeslagneming van de naam-, adres en woonplaatsgegevens van de patiënten die betrokken waren bij de ingrepen waarover is gerapporteerd. Aldus is er geen sprake van dat bij onthulling van de gegevens die zijn opgenomen in de bijlagen bij eerdergenoemd extern rapport en het interne Sire-rapport de door het verschoningsrecht beschermde belangen van met name genoemde patiënten zullen worden geschaad, zoals klaagster heeft aangevoerd.

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat de aard en de inhoud van genoemde bijlagen bij het externe rapport en de interne SIRE-rapportages bariatrische chirurgie niet zodanig zijn dat klaagster verschoningsrecht toekomt, zodat niets uitlevering van die gegevens in de weg staat.

De rechtbank zal het klaagschrift dan ook ongegrond verklaren als na te melden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het klaagschrift ongegrond voor zover het zich richt tegen het bevel tot uitlevering ter inbeslagneming van genoemde bijlagen en de interne SIRE-rapportages bariatrische chirurgie.

Gegeven door mr. J.J. Schoemaker, voorzitter, mr. P.J. Duinkerken en mr. P.L.M.J. Rooijakkers, rechters, in tegenwoordigheid van R.C. Sprong, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting in raadkamer van 21 januari 2010.