Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2009:BX2997

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
20-05-2009
Datum publicatie
30-07-2012
Zaaknummer
70053
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In verband met in verband met HR 29 juni 2012 (LJN: BW1260) publicatie van onderstaand vonnis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2012/386
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ASSEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 70053 / HA ZA 08-722

Vonnis van 20 mei 2009

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GULF OIL NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Den Helder,

eiseres,

advocaat mr. J.A. van der Kolk,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SUNOIL BIODIESEL B.V.,

gevestigd te Emmen,

gedaagde,

advocaat mr. J.J. Reiziger.

Partijen zullen hierna Gulf en Sunoil genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 14 januari 2009;

- het proces-verbaal van comparitie van 7 mei 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. De rechtbank kan van de navolgende feiten uitgaan.

2.2. Bij vonnis van 20 december 2007 heeft de voorzieningenrechter in deze rechtbank Sunoil onder meer veroordeeld om de tussen partijen overeengekomen leveringen van biodiesel te hervatten binnen veertien dagen na betekening van zijn vonnis, dit op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,-- per dag of gedeelte van een dag dat Sunoil in gebreke blijft om aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van € 250.000,--.

2.3. Gulf heeft het vonnis op de dag van de uitspraak – 20 december 2007 – aan Sunoil betekend en aan Sunoil het bevel gedaan om binnen veertien dagen aan de inhoud van het vonnis te voldoen op straffe van verbeurte van de door de voorzieningenrechter bepaalde dwangsommen.

2.4. Sunoil heeft op 15 januari 2008 spoedappèl ingesteld tegen het vonnis van de voorzieningenrechter. Het beroep is op 26 maart 2008 behandeld. Bij arrest van 14 mei 2008 heeft het gerechtshof Leeuwarden het vonnis van de voorzieningenrechter van 20 december 2007 bekrachtigd.

2.5. Gulf heeft bij brief van 18 augustus 2008 aanspraak gemaakt op de tot het maximum van € 250.000,-- verbeurde dwangsommen.

3. De vordering

3.1. Gulf vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren, voor recht verklaart dat Sunoil de dwangsommen heeft verbeurd die de voorzieningenrechter in de rechtbank Assen bij vonnis van 20 december 2007 heeft opgelegd en dat de rechtbank Sunoil gebiedt deze dwangsommen ter hoogte van € 250.000,-- aan Gulf te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 29 januari 2008, althans een ander in goede justitie te bepalen tijdstip, althans vanaf de datum waarop de dagvaarding is uitgebracht, tot de dag waarop volledige betaling volgt en met veroordeling van Sunoil in de kosten van deze procedure.

3.2. Daartoe voert Gulf aan – samengevat – dat tussen partijen niet in geschil is dat Sunoil aan het vonnis van de voorzieningenrechter van 20 december 2007 niet heeft voldaan, maar dat tussen partijen in geschil is of de dwangsommen zijn verjaard.

3.3. Gulf voert in dit verband aan dat Sunoil miskent dat een dwangsom weliswaar door verloop van zes maanden na de dag waarop zij is verbeurd verjaart, maar dat ingevolge het bepaalde in artikel 3:324 lid 2 BW het moment waarop deze termijn een aanvang neemt, opschuift wanneer een partij ter aantasting van de ten uitvoer te leggen veroordeling een rechtsmiddel of eis instelt. Dan begint volgens Gulf de verjaringstermijn eerst met aanvang van de dag volgende op die waarop het geding daarover is geëindigd.

3.4. Volgens Gulf heeft Sunoil voordat de verjaring is voltooid, dat wil zeggen voor 29 juli 2008, een rechtsmiddel/eis ingesteld en wel bij dagvaarding van 15 januari 2008. Die dagvaarding strekt tot vernietiging van het vonnis van de voorzieningenrechter van 20 december 2007. Ingevolge het bepaalde in artikel 3:324 lid 2 BW brengt dit met zich dat de verjaringstermijn eerst is aanvangen op de dag volgende op die waarop het geschil in hoger beroep is geëindigd, derhalve op 15 mei 2008. Er moet volgens Gulf aldus een onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds de duur van de verjaringstermijn, die ingevolge het bepaalde in artikel 611g lid 1 Rv zes maanden bedraagt en anderzijds de aanvangsdatum van de verjaringstermijn die in deze zaak door het bepaalde in artikel 3:324 lid 2 BW is verschoven naar 15 mei 2008.

3.5. Subsidiair stelt Gulf dat de verjaring van haar vordering is gestuit. Zij voert daartoe aan dat verjaring van de in artikel 611g, lid 1 Rv gegeven termijn wordt beheerst door de gewone regels van de stuiting van verjaringstermijnen. Gulf stelt dat zij in de procedure in hoger beroep, in het bijzonder in haar memorie van antwoord en in haar pleitnota zoals zij die ter zitting van 26 maart 2008 heeft voorgedragen, ondubbelzinnig aanspraak heeft gemaakt op de naleving van het vonnis van de rechtbank en mitsdien ook op voldoening van de door Sunoil verschuldigde dwangsommen. Dit geldt volgens Gulf te meer, omdat ook ten aanzien van een schriftelijke aanmaning of mededeling ex artikel 3:317 BW het “Haviltex-criterium” van toepassing is. Sunoil kon de stellingname van Gulf in de procedure voor het Hof, onder meer belichaamd in de pleitnota voor de zitting van 26 maart 2008, niet anders begrijpen dan als een mededeling dat Gulf ondubbelzinnig aanspraak maakte en bleef maken op betaling (door Sunoil) van de verbeurde dwangsommen. De pleitnota van Gulf voldoet daarom aan de eisen die de Hoge Raad in zijn arrest van 14 februari 1997 stelt: het waarschuwen van Sunoil dat zij ermee rekening moest houden dat zij de beschikking diende te houden over haar gegevens en bewijsmateriaal, opdat zij zich ten aanzien van de hoofdvordering en het verschuldigd zijn van de dwangsommen zou kunnen verweren.

4. Het verweer

4.1. Sunoil voert tot haar verweer – samengevat – het volgende aan. Sunoil stelt dat een dwangsom verjaart door verloop van zes maanden, na de dag waarop zij is verbeurd. Artikel 3:324 lid 2 BW ziet op de verjaring van de tenuitvoerlegging van uitspraken. Sunoil betwist dat de verjaringstermijn op enig moment is gestuit. In het bijzonder voert zij aan dat stuiting door een schriftelijke mededeling niet kan worden gedaan door aanspraak op naleving van een vonnis in een memorie en pleitnotitie. Daaruit kon niet worden afgeleid dat Gulf aanspraak bleef maken op de voldoening van de verbeurde dwangsommen. Bovendien, in deze processtukken wordt op dwangsommen in het geheel niet ingegaan.

5. De beoordeling

5.1. Het gaat in deze zaak in de eerste plaats om de vraag of de in artikel 3:324 lid 2 BW bedoelde situatie, het moment waarop de verjaringstermijn van artikel 611g lid 1Rv een aanvang neemt, doet verschuiven.

5.2. Artikel 611g, lid 1 Rv luidt:

Een dwangsom verjaart door verloop van zes maanden, na de dag waarop zij verbeurd is.

5.3. Artikel 3:324, lid 2 BW luidt:

Wordt vóórdat de verjaring is voltooid, door een der partijen ter aantasting van de ten uitvoer te leggen veroordeling een rechtsmiddel of een eis ingesteld, dan begint de termijn eerst met de aanvang van de dag, volgende op die waarop het geding daarover is geëindigd.

5.4. De rechtbank neemt in overweging dat – anders dan Gulf kennelijk meent – artikel 611g lid 1 Rv niet alleen een verjaringstermijn geeft, maar ook het moment bepaalt waarop deze termijn een aanvang neemt. In zoverre lijkt Gulf een ruimere betekenis toe te kennen aan de reikwijdte van artikel 3:324 lid 2 BW, dan volgens de rechtbank aan dat artikel toekomt. Naar het oordeel van de rechtbank ziet artikel 3:324 lid 2 BW op de aanvang van de in artikel 3:324 lid 1 BW bedoelde verjaringstermijn. Artikel 3:324 lid 1 BW geeft de verjaringstermijn voor de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke of arbitrale uitspraak. Niet valt in te zien waarom de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke of arbitrale uitspraak zonder meer gelijk gesteld moet worden met de bevoegdheid c.q. het vorderingsrecht nodig om een reeds verbeurde dwangsom te incasseren.

5.5. Mede in het licht van de strekking die de korte verjaringstermijn van artikel 611g lid 1 BW heeft – het artikel beoogt te voorkomen dat een schuldeisers door slechts stil te zitten het bedrag van de verbeurde dwangsommen al te zeer kan laten oplopen, soms zelfs zonder dat de schuldenaar zich daarvan bewust is – komt de rechtbank tot de slotsom dat artikel 3:324 lid 2 BW niet de aanvang van de in artikel 611g lid 1 Rv bedoelde termijn kan doen laten verschuiven.

5.6. Ware dit al anders, dan had dat Gulf naar het oordeel van de rechtbank niet kunnen baten. De rechtbank neemt in overweging dat de tenuitvoerlegging van het vonnis van de voorzieningenrechter van 20 december 2007 een aanvang heeft genomen, toen Gulf het vonnis op dezelfde datum aan Sunoil heeft laten betekenen. In zoverre lijkt 3:324 lid 2 BW in deze zaak geen betekenis te kunnen krijgen.

5.7. Gulf stelt verder dat zij hoe dan ook de verjaring heeft gestuit. Gulf stelt daartoe

– samengevat – dat Sunoil in de procedure voor het Hof, de stellingname van Gulf, onder meer belichaamd in de pleitnota voor de zitting van 26 maart 2008, niet anders kon begrijpen dan als een ondubbelzinnige mededeling dat Gulf aanspraak maakte en bleef maken op betaling (door Sunoil) van de verbeurde dwangsommen. Dit is door Sunoil bestreden.

5.8. De rechtbank overweegt als volgt. Op zichzelf genomen is juist dat de verjaring van artikel 611g lid 1 Rv is onderworpen aan de gewone regels voor de stuiting en schorsing van verjaring. Dit brengt met zich dat in het algemeen niet kan worden uitgesloten dat een processtuk zodanig is ingericht dat het in het licht van de concrete feiten en omstandigheden van het geval beantwoordt aan de eisen die gesteld worden aan de schriftelijke aanmaning of mededeling waarmee de verjaring kan worden gestuit. Evenzeer is juist dat ter beantwoording van de vraag of een dergelijk processtuk beantwoordt aan die eisen, het niet alleen aankomt op de letterlijke tekst van dat processtuk, maar ook op de betekenis die partijen over en weer in de gegeven omstandigheden van het geval daaraan mochten toekennen en wat zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

5.9. De rechtbank komt echter in deze zaak aan een inhoudelijke beoordeling van de door Gulf betrokken stelling niet toe. Daarvoor is redengevend dat Gulf heeft nagelaten de betreffende processtukken in het geding te brengen en Gulf evenmin de feiten en omstandigheden heeft gesteld die volgens haar de context vormen waarin die processtukken moeten worden geduid. Dit brengt met zich dat de rechtbank niet kan beantwoorden of in dit concrete geval de processtukken van het hoger beroep en in het bijzonder de kennelijk op 26 maart 2008 voorgedragen pleitnota, in de gegeven omstandigheden de verjaring van de dwangsommen hebben gestuit.

5.10. Het voorgaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, brengt met zich dat de rechtbank de vordering van Gulf – in alle onderdelen – zal afwijzen. Ten aanzien van de – primair – gevorderde verklaring voor recht overweegt de rechtbank in dit verband als volgt. Weliswaar staat tussen partijen vast dat Sunoil de dwangsommen heeft verbeurd, maar ieder belang van Gulf bij de gevorderde verklaring voor recht ontgaat de rechtbank. Het vorderingsrecht tot betaling van de dwangsommen is door verjaring teniet gegaan en enig ander belang bij de gevorderde verklaring voor recht is gesteld noch gebleken.

5.11. De rechtbank zal Gulf als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van de procedure veroordelen. De kosten aan de zijde van Sunoil worden begroot op:

6. De beslissing

De rechtbank

1. wijst de vordering af,

2. veroordeelt Gulf in de kosten van de procedure, die aan de zijde van Sunoil tot op heden worden begroot op:

3. verklaart dit vonnis voor wat betreft de kostenveroordeling van Gulf, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.R. Tromp en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2009.