Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2009:BM8240

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
23-12-2009
Datum publicatie
18-06-2010
Zaaknummer
65744 - HA ZA 08-38
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geldige eigendomsoverdracht aandelen? Zie ook LJN BM8369.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 84
Faillissementswet
Faillissementswet 42
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JRV 2010, 609
JIN 2010/534
JOR 2010/289 met annotatie van S.E. Bartels
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 65744 / HA ZA 08-38

Vonnis van 23 december 2009

in de zaak van

MR. JEROEN JAKOB REIZIGER Q.Q.,

wonende te Assen,

eiser,

advocaat mr. J.J. Reiziger,

tegen

1. de stichting

STICHTING ADMINISTRATIEKANTOOR [R.] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagde,

advocaat mr. A.K. Doornbosch,

2. [GEDAAGDE SUB 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. P.J. van Steen,

3. [GEDAAGDE SUB 3],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. P.J. van Steen,

4. HUGO JOSEF PELLINKHOF,

wonende te Assen,

gedaagde,

advocaat mr. H.J. Pellinkhof.

Partijen zullen hierna de curator, de Stichting, de erven en mr. Pellinkhof worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 7 januari 2008;

- de conclusie van antwoord van de Stichting van 10 september 2008;

- de conclusie van antwoord van mr. Pellinkhof van 10 september 2008;

- de conclusie van antwoord van de erven van 24 september 2008;

- de conclusie van repliek, houdende wijziging van de grondslag van de eis, van 21 januari 2009;

- de conclusie van dupliek van de Stichting van 15 april 2009;

- de conclusie van dupliek van mr. Pellinkhof van 15 april 2009;

- de conclusie van dupliek van de erven van 29 april 2009;

- de akte van de curator van 17 juni 2009;

- de akte van de Stichting van 15 juli 2009;

- de antwoord akte van de erven van 15 juli 2009;

- de antwoordakte van mr. Pellinkhof van 29 juli 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of niet voldoende gemotiveerd betwist, staat tussen partijen het volgende vast.

2.2. Wijlen de heer [R.] (hierna: [R.] exploiteerde via de door hem gecontroleerde besloten vennootschap [naam R. Beheer B.V.] (hierna: naam R. Beheer) het recreatiepark “[recreatiepark]” in de gemeente [gemeente].

2.3. [R.] Beheer heeft bovendien tot in 1998 de aandelen gehouden in het kapitaal van een tweetal dochtervennootschappen: de besloten vennootschap [R.] [E.] B.V. (hierna [R.] [E.]) en de besloten vennootschap H. B.V.

2.4. Via [R.] [E.] exploiteerde [R.] bovendien het op het Canarische eiland [naam eiland] gelegen appartementencomplex “[naam complex]”. [R.] was bestuurder van [R.] [E.].

2.5. Begin 1998 zijn de aandelen [R.] Beheer gecertificeerd en werd langs die weg het bestuur over deze vennootschap overgedragen aan de daartoe opgerichte Stichting Administratiekantoor E. [R.] Beheer B.V. (hierna: STAK [R.] Beheer). STAK [R.] Beheer werd bestuurder en enig aandeelhoudster in het kapitaal van [R.] Beheer. [R.] was houder van alle certificaten [R.] Beheer. STAK [R.] Beheer werd bovendien enig bestuurder van [R.] [E.].

2.6. Het bestuur van STAK [R.] Beheer werd gevormd door [R.], [bestuurder 2] en [bestuurder 3].

2.7. Bij akte van 19 oktober 1998 zijn de aandelen [R.] Beheer door STAK [R.] Beheer gedecertificeerd, onder intrekking van de door [R.] gehouden certificaten. [R.], die daarna weer enig aandeelhouder was van [R.] Beheer, heeft op dezelfde datum zijn aandelen in [R.] Beheer aan Drenthe Recreatie verkocht en geleverd, tegen een koopsom van Hfl. 2.500.000,--.

2.8. Drenthe Recreatie heeft deze koopsom niet voldaan, maar in plaats daarvan op 19 oktober 1998 een schuldbekentenis getekend. Op basis hiervan heeft Drenthe Recreatie zich verplicht om uiterlijk op 1 januari 1999 alle aandelen in het kapitaal van [R.] [E.] over te dragen aan [R.], tegen een te verrekenen koopsom van

Hfl. 2.000.000,--. Drenthe Recreatie heeft zich verder verplicht het restant van de koopsom na verrekening, een bedrag ter grootte van Hfl. 500.000,--, in geld aan [R.] te betalen. Drenthe Recreatie heeft zich bovendien verplicht om alle schulden van [R.] [E.] te voldoen.

2.9. Met het oog op deze wijze van betaling van de koopsom is op 19 oktober 1998, tot zekerheid van de vordering van [R.] op [R.] Beheer, een pandakte opgesteld. Drenthe Recreatie heeft in die akte als pandgever ten behoeve van [R.] een pandrecht gevestigd op de aandelen [R.] [E.]. [R.] [E.] is daarbij vertegenwoordigd door de Stichting, die op deze datum tot bestuurder van [R.] [E.] is benoemd. Het bestuur van de Stichting wordt gevormd door dezelfde leden als het bestuur van STAK [R.] Beheer, te weten [R.], mr. [bestuurder] en [bestuurder 3].

2.10. Op 11 december 1998 zijn de aandelen [R.] [E.] door [R.] Beheer geleverd aan [R.].

2.11. In de akte van 11 december 1998 is opgenomen:

De verkoper heeft de koopsom ontvangen door middel van verrekening met een schuld blijkende uit een notariële akte, onder meer houdende een schuldbekentenis van twee miljoen vijfhonderd duizend gulden

( f 2.500.000,--) op negentien oktober negentienhonderdachtennegentig (19-10-1998) verleden voor mr. Arie Jacobus van Bekkum, destijds handelende als plaatsvervanger van mr. Gerhardus Johannus Maria Tijdhof, notaris ter standplaats Assen, en verleent daarvoor finale kwijting voor twee miljoen gulden ( f 2.000.000,--).

2.12. De koopsom werd in overeenstemming met de schuldbekentenis van 19 oktober 2008 tot een bedrag ter grootte van Hfl. 2.000.000,-- verrekend. Het restant van de koopsom, een bedrag ter grootte van Hfl. 500.000,--, is niet door Drenthe Recreatie aan [R.] betaald.

2.13. Op 11 december 1998 zijn de aandelen in [R.] [E.] gecertificeerd, zodat de Stichting sinds 11 december 1998 bestuurder en enig aandeelhouder van [R.] [E.] is. De certificaten van aandelen zijn aan [R.] uitgegeven.

2.14. De aldus op 19 oktober en 11 december 1998 tot stand gebrachte herstructurering en ontvlechting van STAK [R.] Beheer en de besloten vennootschappen waarvan zij (middellijk) aandeelhouder was, heeft geleid tot het resultaat dat:

(a) Drenthe Recreatie de aandelen heeft verworven in [R.] Beheer;

(b) de - middellijke - eigendom van het op het Canarische eiland [naam eiland] gesitueerde appartementencomplex “[naam complex]” uit het vermogen van [R.] Beheer is overgegaan in het vermogen van [R.], doordat [R.] de door de Stichting uitgegeven certificaten van aandelen in [R.] [E.] heeft verworven;

(c) de (tegenwaarde van de) aandelen in het kapitaal van [R.] [E.] niet in het vermogen van [R.] Beheer, maar in het vermogen van [R.] is gevloeid.

2.15. Op 12 januari 1999 is [R.] Beheer door de rechtbank Assen in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. Pellinkhof tot curator.

2.16. Bij brief van 3 maart 1999 heeft mr. Pellinkhof jegens de heer [aandeelhouder] (de enig aandeelhouder en bestuurder van Drenthe Recreatie), Drenthe Recreatie, de Stichting, STAK [R.] Beheer, de Rabobank en [R.] de buitengerechtelijke vernietiging ingeroepen van de rechthandelingen die ertoe hebben geleid dat de aandelen in [R.] [E.] als verhaalsobject ten nadele van de crediteuren in het faillissement van [R.] Beheer uit de boedel zijn verdwenen.

2.17. Op 22 maart 2000 overlijdt [R.]. Hij laat zijn kinderen, de gedaagden sub 2 en 3, achter als zijn erfgenamen.

2.18. Bij beschikking van 16 augustus 2006 is mr. Pellinkhof door de rechtbank uit zijn functie ontheven, onder gelijktijdige benoeming van mr. J.J. Reiziger tot curator in het faillissement van [R.] Beheer.

3. De vordering

3.1. De curator vordert – verkort weergegeven – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de Stichting en de erven veroordeelt tot (terug)levering van de aandelen in [R.] [E.] aan [R.] Beheer, dan wel dat de rechtbank hen veroordeelt deze

(terug)levering te gedogen en/of daaraan mee te werken, op straffe van verbeurte van een dwangsom ter grootte van € 10.000,-- voor iedere dag dat zij hieraan niet voldoen. Voor zover deze vordering niet wordt toegewezen, vordert de curator dat de rechtbank de Stichting en de erven hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding van de door [R.] Beheer ten gevolge van de akten van 19 oktober en 11 december 1998 aan [R.] en de Stichting geleverde aandelen geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. De curator vordert voor het geval zijn vorderingen zijn verjaard, dat de rechtbank mr. Pellinkhof veroordeelt tot vergoeding van deze schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. De curator vordert dat alle gedaagden, hoofdelijk, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

3.2. De curator legt na wijziging van de grondslag van zijn eis – samengevat – het volgende aan zijn eis ten grondslag. In de eerste plaats stelt de curator dat hem een beroep toekomt op de door mr. Pellinkhof ingeroepen Faillissementspauliana en de daaruit voortvloeiende nietigheid van de beide overdrachten van de aandelen in [R.] [E.] aan [R.] en aan de Stichting.

3.3. De curator stelt dat de Stichting en de erven verplicht zijn de aan de Stichting geleverde aandelen aan de boedel te leveren op grond van het bepaalde in artikel 51 Fw. In dit verband voert de curator aan dat de transactie waarbij de aandelen in [R.] [E.] door [R.] Beheer aan [R.] zijn geleverd, een onverplichte rechtshandeling betrof die om niet heeft plaatsgevonden en die met zich brengt dat de schuldeisers in het faillissement van [R.] Beheer zijn benadeeld.

3.4. De curator grondt zijn vordering subsidiair op het bepaalde in artikel 2:207c BW. Er is volgens de curator sprake van een samenstel van transacties waarmee is bewerkstelligd dat de waarde van de aandelen in [R.] [E.] zou worden aangewend voor de financiering van de door Drenthe Recreatie aan [R.] te betalen koopsom voor de aandelen in [R.] Beheer.

3.5. Ten aanzien van de voorwaardelijke vordering op mr. Pellinkhof voert de curator aan dat als zijn vordering afstuit op een succesvol beroep op verjaring, dit als een beroepsfout aan mr. Pellinkhof moet worden toegerekend. Dit brengt volgens de curator met zich dat de daaruit voortvloeiende schade door mr. Pellinkhof moet worden vergoed.

4. Het verweer van de Stichting

4.1. De Stichting voert tot haar verweer – samengevat – aan dat (a) geen rechtshandelingen om niet zijn aangegaan, (b) geen rechtshandelingen onverplicht zijn verricht, (c) een benadeling van crediteuren van [R.] Beheer niet heeft plaatsgevonden, (d) de Stichting geen wetenschap had noch behoefde te hebben van enige benadeling, (e) de Stichting gegeven haar statuten de aandelen niet voor zichzelf houdt, maar ten behoeve van de houders van de certificaten, zodat zij niet kan worden veroordeeld tot teruglevering, (f) de vernietiging bovendien niet verder kan gaan dan nodig is ter opheffing dan wel ongedaanmaking van de door de boedel ondervonden benadeling, maar de curator geen zicht heeft gegeven op de omvang van die benadeling zodat een vernietiging niet op zijn plaats is en (g) de vordering van de curator op 13 maart 2006 is verjaard.

4.2. Op de stellingen van de Stichting wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. Het verweer van mr. Pellinkhof

5.1. Mr. Pellinkhof voert tot zijn verweer – samengevat – in de eerste plaats aan dat de vordering van de curator moet worden afgewezen omdat hij onvoldoende heeft onderbouwd dat de schuldeisers van [R.] Beheer zijn benadeeld door de transacties op 19 oktober en 11 december 1998.

5.2. Als aan de curator al een vordering toekomt, dan geldt volgens mr. Pellinkhof dat deze vordering niet is verjaard, althans dat de verjaring van de vordering tijdig is gestuit.

5.3. Tot slot stelt mr. Pellinkhof dat onder de bijzondere omstandigheden in deze zaak een beroep van [R.] [E.] en de Stichting op de voltooiing van een verjaringstermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

5.4. Op de stellingen van mr. Pellinkhof wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

6. Het verweer van de erven

6.1. De erven voeren tot hun verweer – samengevat – het volgende aan.

6.2. De erven stellen dat zij nooit door mr. Pellinkhof zijn aangesproken tot teruglevering van de aandelen in [R.] [E.]. De erven stellen verder dat zij niet betrokken zijn geweest bij de onderhandelingen tussen mr. Pellinkhof en het bestuur van de Stichting en dat zij evenmin door dat bestuur bij die onderhandelingen zijn vertegenwoordigd.

6.3. Inhoudelijk voeren de erven aan, dat de vordering van de curator onvoldoende is onderbouwd. De erven scharen zich achter mr. Pellinkhof en diens verweer, voor zover deze tot zijn verweer heeft aangevoerd dat de vordering van de curator voor zover gebaseerd op 42 Fw, geen kans van slagen heeft. Anders dan mr. Pellinkhof menen de erven echter dat de vordering van de curator op 31 juli 2005 is verjaard.

6.4. Op de stellingen van de erven wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

7. De beoordeling

7.1. In deze zaak staat tot zover de vraag centraal of de curator in het faillissement van [R.] Beheer op 3 maart 1999 een succesvol beroep heeft gedaan op de Faillissementspauliana, het in de Faillissementswet aan de curator gegeven middel waarmee door de schuldenaar onverplicht verrichte rechtshandelingen die de boedel hebben benadeeld, kunnen worden vernietigd.

7.2. Mr. Pellinkhof heeft bij brief van 3 maart 1999 onder meer de buitengerechtelijke vernietiging ingeroepen van de rechthandelingen die ertoe hebben geleid dat de aandelen [R.] [E.] als verhaalsobject ten nadele van de crediteuren in het faillissement van [R.] Beheer uit de boedel zijn verdwenen.

7.3 De rechtbank stelt bij beantwoording van de vraag of op 3 maart 1999 met succes een beroep is gedaan op de Faillissementspauliana voorop, dat, gegeven de reikwijdte van artikel 42 Fw, de Faillissementspauliana slechts kan worden ingeroepen voor zover het rechtshandelingen betreft die de schuldenaar – [R.] Beheer – heeft verricht.

7.4 In het samenstel van rechtshandelingen dat tot het in rov. 2.14 genoemde resultaat heeft geleid, komt daarom voor een eventuele vernietiging op grond van artikel 42 Fw slechts in aanmerking de overdracht – en de aan die overdracht ten grondslag liggende rechtshandeling(en) – van de aandelen [R.] [E.], door [R.] Beheer aan [R.] op 11 december 1998.

7.5 Bij de beoordeling van de in dit verband door partijen betrokken stellingen is bij de rechtbank de vraag opgekomen welke titel ten grondslag ligt aan vorenbedoelde overdracht. In de leveringsakte van 11 december 1998 is, voor zover van belang, opgenomen:

Tussen de verkoper en de koper is op negentien oktober negentienhonderdachtennegentig (19-10-1998) een overeenkomst van verkoop en koop ter zake van na te melden aandelen tot stand gekomen (…).

7.6 De akte wijst [R.] Beheer aan als verkoper en [R.] als koper.

7.7 Alle door partijen betrokken stellingen sluiten het bestaan van een koopovereenkomst tussen [R.] Beheer als verkoper van de aandelen [R.] [E.] aan [R.] als koper van die aandelen, uit.

7.8 De Stichting heeft in dit verband aangevoerd dat [R.] Beheer levert ter nakoming van de verplichting die Drenthe Recreatie daartoe is aangegaan. De rechtbank is van oordeel dat dit impliceert dat er geen geldige titel aan de levering ten grondslag ligt. Drenthe Recreatie en [R.] Beheer kunnen niet zodanig met elkaar worden vereenzelvigd dat een verplichting die Drenthe Recreatie is aangegaan ook zonder meer een zelfde verplichting voor [R.] Beheer in het leven roept. Bijkomende feiten of omstandigheden die met zich brengen dat een daartoe strekkende verplichting wel moet worden aangenomen, zijn niet gesteld.

7.9 De rechtbank komt tot het voorlopig oordeel dat wanneer niet alsnog blijkt dat [R.] Beheer op grond van een geldige titel de door haar gehouden aandelen [R.] [E.] aan [R.] heeft geleverd, ingevolge het bepaalde in artikel 3:84 BW van een geldige eigendomsoverdracht van die aandelen aan [R.] geen sprake kan zijn.

7.10 In dat geval is [R.] Beheer, niettegenstaande de levering daarvan aan [R.], rechthebbende van de aandelen [R.] [E.] gebleven en kan de curator op die grond de aandelen, in beginsel, revindiceren. Gelet op de vordering zoals de curator die heeft ingesteld en wat door hem aan die vordering ten grondslag is gelegd, kan de vordering zoals die thans is ingesteld – in het geval aan de levering geen geldige titel ten grondslag ligt – niet worden toegewezen.

7.11 Géén van partijen heeft zich over deze situatie uitgelaten en het voorgaande lijkt ook niet door de curator aan zijn vordering ten grondslag te zijn gelegd. Weliswaar stelt de curator dat [R.] Beheer niet verplicht was om de aandelen [R.] [E.] aan [R.] te leveren, maar hij meent gelijktijdig dat een succesvol beroep op de Faillissementspauliana noodzakelijk is om de aandelen teruggeleverd te krijgen. Aldus moet het ervoor worden gehouden dat de curator tot zover van oordeel is dat door [R.] Beheer op grond van een geldige titel is geleverd.

7.12 Mr. Pellinkhof heeft in dit verband aangevoerd dat [R.] Beheer partij is geweest bij de overeenkomst tussen Drenthe Recreatie en [R.]. Mr. Pellinkhof laat echter na zicht te geven op grond van welke feiten en omstandigheden hij tot die conclusie komt.

7.13 Het één en het ander geeft de rechtbank reden om de zaak naar de rol te verwijzen opdat partijen zich nader kunnen uitlaten omtrent de titel die aan de overdracht van de aandelen [R.] [E.] door [R.] Beheer aan [R.] ten grondslag ligt en zich uit te laten over de (rechts-)gevolgen die het al dan niet ontbreken van een geldige titel heeft in het licht van de grondslag van de vordering en de grondslag van het daartegen gerichte verweer.

8. De beslissing

De rechtbank

1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 20 januari 2010 voor het nemen van een akte door partijen over hetgeen is vermeld onder rechtsoverweging 7.13,

2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.R. Tromp, bijgestaan door mr. I. de Greef, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 23 december 2009.