Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2009:BL4308

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
31-12-2009
Datum publicatie
18-02-2010
Zaaknummer
09/272
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2010:BO0246, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft terecht aangevoerd dat verweerder de opdracht van de rechtbank niet juist heeft uitgevoerd. Uit het betoog van de gemachtigde van verweerder volgt dat dit is veroorzaakt door een persisterend onjuiste opvatting over de ruimte die verweerder nog had na de uitspraak van de rechtbank. Ingevolge zijn betoog is verweerder er namelijk vanuit gegaan dat zij mocht beslissen wat haar goed voorkwam als het maar niet ‘overwegend onbillijk’ was. Verweerder heeft zich ‘veel beoordelingsruimte en beleidsvrijheid’ toegemeten.

Eiseres heeft prof. dr. T. Mooij, verbonden aan het ITS van de Radboud Universiteit, verzocht een onderzoek te doen en aan de hand van de door de rechtbank aangelegde maatstaven de vraag te beantwoorden waarvan de rechtbank de beantwoording aan verweerder had opgedragen. Uit alle voorhanden zijnde stukken, waaronder ook het door prof. dr. T. Mooij vervaardigde rapport d.d. 3 november 2009, kan niet anders geconcludeerd worden dan dat De Stoeke op het peilmoment niet het voor [zoon] wettelijk voorgeschreven onderwijs in huis had; verweerder heeft althans niet bewezen dat dit wel zo was.

Wetsverwijzingen
Wet op het primair onderwijs 4
Wet op het primair onderwijs 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector Bestuursrecht

Kenmerk: 09/272 BESLU

Uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken van 31 december 2009

in het geding tussen

[eiseres], wonende te Emmen, eiseres,

en

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Emmen, verweerder.

I. Procesverloop

Bij uitspraak van 25 maart 2003 heeft de rechtbank, met vernietiging van het besluit op bezwaar van 28 februari 2002, verweerder opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Dit nieuwe besluit heeft betrekking op het besluit van 20 augustus 2001. Verweerder is opgedragen om bij het nemen van dit nieuwe besluit de overwegingen van de rechtbank op te volgen.

Op 5 maart 2009 heeft verweerder dit nieuwe besluit genomen. Beslist is dat de bezwaren van eiseres tegen het besluit van 20 augustus 2001 ongegrond zijn.

Bij brief van 16 april 2009 is beroep ingesteld.

Verweerder heeft de gedingstukken, voorzien van een verweerschrift, ingezonden. De gemachtigde van eiseres heeft hiervan afschriften ontvangen.

Het beroep is vervolgens behandeld ter zitting van de rechtbank op 23 november 2009. Eiseres heeft zich laten bijgestaan door mr. R.H. Edema-Spaans. Voor verweerder is de advocaat mr. W.R. van der Velde verschenen en de heer J.T. Oosterhoff.

II. Motivering

De vervoerskostenvergoeding

Uitgangspunten

Partijen zijn gebonden aan de beslissing van de rechtbank dat de weigering om eiseres een vergoeding toe te kennen voor het schooljaar 2001/2002 voor het vervoer van haar zoon [zoon] naar de Internationale school te Eerde, niet berust op een toereikende grondslag. Ook zijn zij gebonden aan het oordeel dat bij de onderhavige beslissing door verweerder uitgegaan moet worden van de overwegingen die de rechtbank heeft gegeven.

Artikel 4, eerste lid van de Wet op het primair onderwijs (WPO) geeft daarbij de doelstelling aan: indien het bezoeken van een voor de leerling aangewezen school extra reiskosten veroorzaakt, zijn Burgemeester en Wethouders verplicht om de ouder(s) die gehouden is de reiskosten voor het kind te voldoen (onderhoudsplicht) een vergoeding toe te kennen. Voor wat betreft de omvang van die vergoeding geldt dat B&W moeten bepalen welke kosten volgens hun noodzakelijk zijn te achten om naar de betreffende school te reizen.

Dit wettelijk systeem van compensatie vertoont gelijkenis met het systeem van de Wet op de Maatschappelijke Ondersteuning, over welk systeem de Centrale Raad van Beroep (CRvB) recent heeft geoordeeld. De CRvB heeft uiteengezet dat het niet om een bevoegdheid maar om een verplichting tot compensatie gaat, dat die verplichting er toe strekt bepaalde doeleinden te bereiken en dat de wijze waarop het bestuursorgaan met die verplichting omgaat steeds moet staan in het teken van de verplichting om – te trachten – die doeleinden te bereiken. De wijze van invulling van de compensatieplicht kent dus een door de betreffende doeleinden bepaalde harde buitengrens waarbinnen het bestuursorgaan moet blijven (‘de plicht om een resultaat te bereiken’, CRvB 10 december 2008, LJN BG6612). De rechter dient te beslissen of deze maatstaf bij de voorliggende beslissing in acht is genomen. Dat de rechtbank gehouden is tot een terughoudende beoordeling, stemt hiermee niet overeen.

De buitengrens die, voor zover hier van belang, in acht moet worden genomen is in de WPO – zoals luidend ten tijde hier van belang – vastgelegd:

Artikel 8. Uitgangspunten en doelstelling onderwijs

1. Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen. Het wordt afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen.

2. Het onderwijs richt zich in elk geval op de emotionele en de verstandelijke ontwikkeling, en op het ontwikkelen van creativiteit, op het verwerven van noodzakelijke kennis en van sociale, culturele en lichamelijke vaardigheden.

3. (…)

4. Ten aanzien van leerlingen die extra zorg behoeven, is het onderwijs gericht op individuele begeleiding die is afgestemd op de behoeften van de leerling.

5. (…)

6. (…)

7. Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat:

a. de leerlingen in de eerste 4 schooljaren ten minste 3520 uren onderwijs en in de laatste 4 schooljaren ten minste 4000 uren onderwijs ontvangen,

b. de leerlingen in beginsel binnen een tijdvak van 8 aaneensluitende jaren de school kunnen doorlopen en

c. de leerlingen per dag ten hoogste 5,5 uren onderwijs ontvangen, waarbij een evenwichtige verdeling van de activiteiten in acht wordt genomen, tenzij afwijking van dit maximale aantal van belang is in verband met activiteiten in het kader van het voorkomen en bestrijden van onderwijsachterstanden.

Beslissingen rechtbank

De rechtbank heeft bij de voorgaande uitspraak aangenomen dat het onderwijs aan de Internationale school te Eerde onderwijs was dat beantwoordde aan de wettelijke doelstelling en waarop [zoon] bij de aanvang van het schooljaar 2001/2002 (het peilmoment) aangewezen was, en dat dit voor extra reiskosten zorgt die onder de werking van artikel 4 van de WPO kunnen vallen.

Echter, als er meerdere scholen zijn die dergelijk onderwijs aanbieden, dan verdraagt het zich met de bevoegdheid van verweerder om slechts kosten te vergoeden als er extra kosten zijn, en zo deze er zijn, tot het laagste bedrag aan reiskosten. Met andere woorden: de dichtstbijzijnde school is dan maatgevend (aangenomen dat deze zich verdraagt met de keuze tussen openbaar en bijzonder onderwijs).

Dit punt houdt partijen tot op heden verdeeld doordat verweerder vanaf 20 augustus 2001 (nu meer dan 8 jaar) op het standpunt is blijven staan dat er geen extra reiskosten zijn omdat de school De Stoeke het voor [zoon] wettelijk voorgeschreven basisonderwijs bood.

Daarover heeft de rechtbank beslist dat dit mogelijk het geval is maar dat het standpunt van verweerder onvoldoende was onderbouwd doordat verweerder te eenzijdig is afgegaan op verklaringen van personeel van De Stoeke. De rechtbank heeft overwogen dat onderzocht moet worden of de voorwaarden die de deskundigen (waaronder drs. S. Drent) hebben geformuleerd daadwerkelijk bij het begin van het schooljaar 2001/2002 aanwezig waren op De Stoeke, te weten:

1. reguliere lesstof zonder ‘onnodige’ herhaling en oefening;

2. compact aanbieden;

3. in de daardoor overschietende tijd extra leerstof verstrekken;

4. die leerstof moet voldoen aan de voorwaarden voor leren door hoogbegaafden, waaronder de creatieve ontwikkeling en instrumentele vaardigheden;

5. binnen een eigen programma onder individuele begeleiding;

6. in een groep van maximaal 12 leerlingen van verschillende leeftijden (verticale menging).

Deze voorwaarden zijn tezamen aangeduid als ‘voldoende begeleiding’.

Verweerder is aldus opgedragen nader te beslissen over de vraag ‘of de door de deskundigen noodzakelijk geachte begeleiding van [zoon] op ‘De Stoeke’ reeds voorhanden is’. Niet maatgevend is dus of die begeleiding had gekund (mogelijk was geweest) maar of de begeleiding daadwerkelijk aanwezig was. Met andere woorden, of er geen verplichting tot compensatie was omdat de extra reiskosten naar de Internationale School niet hadden hoeven te worden gemaakt als eiseres maar gevolg had gegegeven aan het standpunt van verweerder dat [zoon] ook naar De Stoeke kon gaan om het voor hem wettelijk voorgeschreven onderwijs te volgen.

Vervolg

Ter uitvoering van de beslissing van de rechtbank heeft verweerder bij brief van 14 juli 2004 het Centrum voor Begaafdheidsonderzoek (CBO) opgedragen een onderzoek te doen naar de vraag of op De Stoeke ‘daadwerkelijk de door de deskundigen noodzakelijk geachte begeleiding voor [zoon] voorhanden is’, en of deze ‘ten tijde van de schoolgang van [zoon] wel of niet aanwezig was’. Deze opdracht voldoet aan de beslissing van de rechtbank.

Vervolgens is de onderzoeksvraag bijgesteld. Dit blijkt uit het op 27 april 2005 door het CBO uitgebrachte verslag. De vragen die volgens dat verslag eerst beantwoord worden gaan niet over daadwerkelijke aanwezigheid van de noodzakelijke voorwaarden maar over mogelijke aanwezigheid (‘kon de Stoeke bieden… zo dat [zoon] daar succesvol naar school had kunnen gaan’).

Het CBO heeft in dit rapport de meningen van alle deskundigen nagelopen.

Op grond daarvan heeft het CBO gemeend niet te hoeven rapporteren over de vraag die verweerder had voorgelegd omdat uit die meningen al wel duidelijk was dat welke reguliere school dan ook overvraagd zou worden als deze zou moeten voldoen aan de voorwaarden voor het onderwijs dat [zoon] nodig had (laatste alinea blad 2). Of, zoals het CBO dit samenvat: ‘een reguliere school is voor dit kind geen optie’. Dit kan niet anders uitgelegd worden dan dat het CBO er geen vertrouwen in had dat een reguliere school als De Stoeke daadwerkelijk het voor [zoon] benodigde onderwijs in huis had. Het CBO heeft dan ook gemeend dat onderzoek op de school zelf niet meer nodig was.

Verweerder heeft dit advies niet gevolgd. Zij heeft een gewijzigde opdracht aan het CBO verstrekt (brief van 17 oktober 2005). Gevraagd is onderzoek te doen welke begeleiding De Stoeke kon bieden zodat [zoon] daar succesvol naar school had kunnen gaan en wat op dat moment de situatie was. Dit is volgehouden tot op de zitting: ‘de vraag is enkel nog of op de Stoeke voldoende begeleiding kon worden geboden’.

Aldus trad en treedt verweerder buiten de beslissing van de rechtbank. Onderzocht moest worden of de Stoeke bij het begin van het schooljaar 2001/2002 daadwerkelijk voorhanden had:

1. reguliere lesstof zonder ‘onnodige’ herhaling en oefening;

2. compact aanbieden;

3. in de daardoor overschietende tijd extra leerstof verstrekken;

4. die leerstof moet voldoen aan de voorwaarden voor leren door hoogbegaafden, waaronder de creatieve ontwikkeling en instrumentele vaardigheden;

5. beoordeling van de prestaties conform de normen voor die prestaties (niet vrijblijvend) en vermelding op het rapport;

6. binnen een eigen programma onder individuele begeleiding;

7. in een groep van maximaal 12 leerlingen van verschillende leeftijden (verticale menging);

8. met aandacht voor de sociaal-emotionele ontwikkeling.

Dit heeft tot gevolg gehad dat er een aanzienlijke vertraging optrad en dat het tweede rapport van het CBO d.d. 2 augustus 2007 gaat over de vraag of de Stoeke in beginsel in staat is geweest om het verlangde onderwijs te bieden: “Er mag van worden uitgegaan dat “De Stoeke” in beginsel in staat is geweest om [zoon] een goede begeleiding te bieden. Of het in de praktijk ook goed liep, is een individuele inschatting die vanuit verschillend perspectief (school, ouders, leerling) misschien anders gemaakt kan worden”.

Eiseres heeft er bij brief van 3 oktober 2008 op gewezen dat met dit rapport niet aan de opdracht van de rechtbank was voldaan.

Ter zitting van de bezwarencommissie heeft zij hierbij uitvoerig stilgestaan. De bezwarencommissie heeft vervolgens geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat de Stoeke het vereiste onderwijs in huis had. Zij heeft de uitspraak van de rechtbank uitgelegd aan verweerder en heeft geadviseerd de aanvraag uit 2001 alsnog te honoreren.

Bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder dit advies naast zich neergelegd.

De rechtbank moet vaststellen dat eiseres terecht aanvoert dat verweerder de opdracht van de rechtbank niet juist heeft uitgevoerd. Uit het betoog van de gemachtigde van verweerder volgt dat dit is veroorzaakt door een persisterend onjuiste opvatting over de ruimte die verweerder nog had na de uitspraak van de rechtbank. Ingevolge zijn betoog is verweerder er namelijk vanuit gegaan dat zij mocht beslissen wat haar goed voorkwam als het maar niet ‘overwegend onbillijk’ was. Verweerder heeft zich ‘veel beoordelingsruimte en beleidsvrijheid’ toegemeten.

Het ter zitting door eiseres geuite gevoel dat zij moedwillig wordt tegengewerkt, en de mening dat zij alles voor de poorten van de hel moet wegslepen (zij heeft meerdere malen voorlopige voorzieningen verzocht), laat zich begrijpen bij een dergelijke miskenning van de opdracht van de rechtbank, mede gezien de niet bestreden mededeling van eiseres ter zitting destijds dat [zoon] (gezondheids)problemen ondervindt bij gebrek aan goed onderwijs en een juiste begeleiding, hetgeen door een onderwijsdeskundige ter zitting werd bevestigd.

Eiseres heeft het hier niet bij gelaten maar heeft actief getracht aan een definitieve beslechting van het geschil bij te dragen. Zij heeft prof. dr. T. Mooij, verbonden aan het ITS van de Radboud Universiteit, verzocht een onderzoek te doen en aan de hand van de door de rechtbank aangelegde maatstaven de vraag te beantwoorden waarvan de rechtbank de beantwoording aan verweerder had opgedragen. Dit heeft geleid tot een rapport van prof. Mooij van 3 november 2009, waarin hij verslag doet van zijn onderzoek en de vraag beantwoordt.

Uit alle voorhanden zijnde stukken, waaronder ook het door prof. dr. T. Mooij vervaardigde rapport d.d. 3 november 2009, kan niet anders geconcludeerd worden dan dat De Stoeke op het peilmoment niet het voor [zoon] wettelijk voorgeschreven onderwijs in huis had; verweerder heeft althans niet bewezen dat dit wel zo was. Men wilde dat op De Stoeke misschien wel gaan realiseren en in de toekomst zou dat dan wellicht zo kunnen zijn, maar op dat moment was het er niet. Het is hierbij niet de verantwoordelijkheid van ouders maar van de school zelf welk onderwijs aangeboden wordt en of dit aan de wettelijke eisen voldoet. Het feit dat eiseres eerder [zoon] van De Stoeke had gehaald en daarmee wellicht de opvatting heeft doen postvatten dat het niet actueel was om al met ingang van het schooljaar 2001/2002 voor hoogbegaafden als [zoon] het wettelijk voorgeschreven onderwijs aan te bieden, kan daarbij rechtens dan ook geen gewicht in de schaal leggen.

Uit hetgeen eiseres vordert leidt de rechtbank af dat zij vergoeding vraagt conform de regeling die is gaan gelden voor het schooljaar 2003/2004. Deze regeling is terecht toegepast, mede gezien de bijzondere zorgplicht in deze (zie hierna), en had ook voor het onderhavige jaar toegepast moeten worden gezien alle omstandigheden van het geval. Nu deze feitelijk niet heeft gegolden gaat het nog om de op geld herleidbare waarde van die regeling, met als maximum de kosten die eiseres zelf feitelijk over het onderhavige jaar heeft gemaakt bij gebreke aan compensatie door verweerder.

Het voorgaande leidt tot de gevolgtrekking dat de bestreden beslissing en het daarbij gehandhaafde besluit in primo, wegens strijd met de wet worden vernietigd.

Gelet op:

- het gegeven dat er geen beleidsruimte is om nog compensatie te weigeren

- de extreme duur van de procedure

- de grote belangen van [zoon] die op het spel zijn gezet (ernstige schade aan zijn geestelijke gezondheid)

- de ingevolge het Verdrag inzake de Rechten van het Kind op de overheid rustende bijzondere zorgplicht (Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) 23 september 2004, JV 2004/449, 22 februari 2006, JV 2006/132 en 20 maart 2006, JV 2005/165), in dit geval bij de voorbereiding van het kind op het leiden van een zelfstandig leven in de samenleving, onder meer door het mogelijk te maken om daaraan bijdragend onderwijs te volgen, zal de rechtbank tevens zelf in de zaak voorzien. Daarbij geldt dat onzekerheden als gevolg van het tijdverloop voor rekening van verweerder moeten komen.

De rechtbank stelt verder vast dat het besluit weliswaar het peilmoment aanvang van het schooljaar 2001/2002 betreft maar dat dit in de tijd geen beperking kent. Nu verweerder en eiseres in een voordurend geschil zijn geraakt over de vervoerskostenvergoeding, daarin voorzieningenzaken hebben gespeeld met wisselend beloop en wisselende gevolgen, er afspraken zijn gemaakt en vergoedingen zijn toegekend zonder daarop gerichte aanvragen, acht de rechtbank het in strijd met het vertrouwensbeginsel en tevens onbehoorlijk dat verweerder zich thans op het standpunt stelt dat eiseres achter het net vist voor het schooljaar 2002/2003 ‘omdat ze daarvoor geen aanvraag heeft ingediend’. De rechtbank zal dus geen beperking in de tijd aanleggen, maar zal uiteraard geen betaalplicht opleggen voor de jaren waarover inmiddels toch al is betaald (volgens verweerder ‘onverplicht’) en niet zal worden teruggevorderd.

Schade

Eiseres heeft de rechtbank verzocht haar een schadevergoeding toe te kennen. Dit betreft volgens haar onder meer kosten van rechtsbijstand, reiskosten advocaat, kosten voor deskundigen, kosten van materialen die zij voor eigen rekening heeft moeten aanschaffen, schoolkosten en kosten als gevolg van gezondheidsproblemen voortvloeiend uit de weigeringen van verweerder.

Bij de uitspraak van 25 maart 2003 heeft de rechtbank het verzoek afgewezen onder de overweging dat het beroep wel gegrond is maar dat nog een nieuw besluit moet worden genomen. Verweerder kan zich daarbij uitlaten over de schadevergoedingsvraag.

Verweerder is aan die vraag niet toegekomen doordat zij besloten heeft bij de afwijzing van de aanvraag te blijven. Het verzoek ligt dus nogmaals bij de rechtbank voor. Het is geformuleerd als een verzoek om die schade te begroten.

Nu aannemelijk is dat schade geleden kan zijn maar de rechtbank niet beschikt over gegevens om deze te begroten zal zij met gebruikmaking van het tweede lid van artikel 8:73 van de Awb het onderzoek heropenen en eiseres verzoeken bij brief een schadestaat in te dienen, voorzien van bewijsstukken van de kosten.

De rechtbank wijst er op dat niet alle schade langs deze weg verhaalbaar kan zijn omdat het beperkt is tot schade die een gevolg is van het onrechtmatige besluit (connexiteit).

Andere schade zal langs andere weg verhaald moeten worden, waarbij gekozen kan worden voor de bestuursrechtelijke of de civiele weg. Waarbij dan geldt dat de civielrechtelijke normen voor schadevergoeding zoveel mogelijk moeten worden toegepast (onder meer CRvB 30 maart 1995, AB 1995/334).

Dit alles geldt echter niet waar eiseres stelt dat niet alleen [zoon] maar ook zij heeft geleden door de voortdurend afwijzende houding van verweerder. Zij brengt dit als volgt op verschillende punten onder woorden: ‘cliënte en haar advocaat werden in een 10 minuten durend gesprek vierkant uitgelachen’,‘wederom werd het verzoek getraineerd’, ‘door de onderzoeksvraag aan te passen beoogde verweerder de vervoersvoorziening alsnog te kunnen afwijzen’, ‘cliënte heeft zich met man en macht tegen die wijziging verweerd…bijna een half jaar zijn partijen daarover in discussie geweest’, ‘wederom moest cliënte een voorlopige voorzieningenprocedure starten’, ‘mediation mislukte’, ‘toenemende gedragsproblemen, automutilatie en depressieve stemmingen’, etc.

Hieruit en uit haar klacht dat zij schade heeft geleden, onder meer omdat de zaak al jaren speelt, leidt de rechtbank af dat zij een vergoeding wil wegens termijnoverschrijding. In een geval van termijnoverschrijding is immers het soort schade begrepen waar eiseres over klaagt: het hebben geleden van immateriële schade wordt verondersteld.

Ingevolge de jurisprudentie van de ABRS was een behandelduur van 3 jaar toegestaan. De rechtbank acht dit in overeenstemming met de eisen die artikel 6 EVRM stelt; gezien de aard van de zaak en de betrokken gezondheidsbelangen is een langere duur niet verdragsconform.

Het eerste bezwaarschrift is ingediend op 10 september 2001, zodat de totale behandelduur inmiddels is opgelopen tot meer dan 8 jaar. Daarmee is de maximaal toegestane termijn overschreden met een elfvoud van halve jaren, inclusief afronding naar boven. Per half jaar dient € 500,00 te worden vergoed.

Proceskosten en griffierecht

De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de door eiseres gemaakte proceskosten. Gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze kosten in de eerste plaats begroot op € 644,- ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en voor het verschijnen (van eiseres) ter zitting worden de kosten bepaald op een bedrag van € 10,80.

Ingevolge het bepaalde in onderdeel b van artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht vallen voorts de kosten van een deskundige, die aan een partij verslag heeft uitgebracht, onder de proceskostenveroordeling. Dit heeft tot gevolg dat dergelijke kosten niet op grondslag van artikel 8:73 van de Awb kunnen worden vergoed.

Eiseres heeft verzocht ten laste van de gemeente Emmen de kosten te vergoeden die zij heeft gemaakt voor het door prof. dr. T. Mooij vervaardigde rapport d.d. 3 november 2009.

Zij heeft deze opdracht verstrekt naar zij stelt ‘omdat de gemeente Emmen, ondanks herhaald aandringen, weigert de door de rechtbank opgedragen onderzoeksvraag te laten beantwoorden’.

Uit hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen volgt inderdaad dat niet de juiste vraag is voorgelegd toen verweerder weigerde om gevolg te geven aan het eerste rapport van het CBO. Verweerder heeft het onderzoek toen de verkeerde kant opgestuurd.

Eiseres kon daardoor vrezen dat de bestuursrechter wederom zou constateren dat niet de juiste maatstaf was aangehouden bij het onderzoek naar het op De Stoeke beschikbare onderwijs op de peildatum. Zij heeft dit voor willen zijn door zelf deskundigheid in te brengen en de juiste vraag te laten beantwoorden, en zij heeft de rechtbank op grond daarvan – dan ook – verzocht de zaak nu eindelijk definitief te beslissen.

De rechtbank acht deze aanpak in het licht van artikel 6 van het EVRM gerechtvaardigd en bovendien passend in de bewijsregels die ten deze gelden.

De rechtbank zal verweerder, die tot deze aanpak heeft genoopt, dan ook veroordelen in de kosten die berekend kunnen worden voor de inbreng van prof. Mooij. Daarvoor is in rekening gebracht een bedrag van € 5.625,00 ex btw voor 5 dagen en een bedrag van

€ 3.375,00 ex btw voor drie dagen werk.

Gelet op de complexiteit van het onderzoek, de uitgebreidheid en diepgang daarvan, en de onderbouwing van de bevindingen in het uitvoerige rapport, acht de rechtbank een tijdsbesteding van 8 werkdagen in overeenstemming met hetgeen een bekwaam en redelijk handelend onderzoeker in deze aan tijd moet besteden.

Uitgaande van een achturige werkdag zijn 64 uren in rekening te brengen met inachtneming van het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Ingevolge artikel 8, onderdeel c, bedraagt het uurtarief € 81,23 per uur, te vermeerderen met BTW. Vergoedbaar is derhalve € 6.186,48.

Tenslotte dient verweerder het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden.

III. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond, vernietigt de beslissing van 5 maart 2009 en herroept het besluit van 20 augustus 2001;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres een vergoeding in de zin van artikel 4 van de Wet op het Primair Onderwijs toekent voor de schooljaren 2001/2002 en 2002/2003 voor het vervoer van haar zoon [zoon] naar de Internationale School te Eerde, ter hoogte van de vermogenswaarde van het vervoer dat is verzorgd met ingang van het schooljaar 2003/2004; waarbij geldt dat die waarde moet worden berekend naar respectievelijk het jaar 2001/2002 en 2002/2003 en niet meer kan bedragen dan de kosten die eiseres zelf feitelijk over die jaren heeft gemaakt bij gebreke aan voornoemd vervoer;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 5.500,- aan eiseres;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 6.841,28 en bepaalt dat verweerder deze kosten aan de griffier van deze rechtbank dient te vergoeden, alsmede het door eiseres betaalde griffierecht ad € 150,- aan eiseres dient te vergoeden;

- bepaalt dat eiseres een schadestaat indient als omschreven in deze uitspraak, binnen twee maanden na heden, voorzien van onderliggende stukken;

- houdt iedere beslissing voor het overige aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P. Claus, voorzitter, en mr. L. Mulder en mr. A.H.J. Lennaerts, leden bijgestaan door mr. C.T. Hofman, griffier.

mr. C.T. Hofman mr. W.P. Claus

In het openbaar uitgesproken op 31 december 2009

Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te 's-Gravenhage. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019 te 2500 EA 's-Gravenhage binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.

Afschrift verzonden op: