Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2009:BK2846

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
30-10-2009
Datum publicatie
10-11-2009
Zaaknummer
19.830130-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij op onverantwoorde wijze zijn lusten heeft botgevierd op zijn minderjarig en verstandelijk beperkt kind.

De rechtbank is van oordeel dat het hier een ernstig feit betreft waarbij verdachte door zijn handelen inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van zijn kind en

waarbij de geldende sociaal-ethische normen, voortvloeiende uit het bepaalde in de artikelen 245 en 249 van het Wetboek van Strafrecht, zijn overschreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19.830130-09

vonnis van de meervoudige strafkamer d.d. 30 oktober 2009 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955,

wonende te [adres].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 16 oktober 2009.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G.H. Thasing, advocaat te Emmen.

Tenlastelegging

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

1. hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 23 februari 2009 te Rolde, gemeente Aa en Hunze, althans in Nederland, (telkens) ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig kind, zijn dochter [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1993, bestaande die ontucht (telkens) hierin dat verdachte zijn penis door die [slachtoffer] heeft laten vastpakken/betasten;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, terzake dat

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 23 februari 2009 te Rolde, gemeente Aa en Hunze, althans in Nederland, (telkens) met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1993, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, (telkens) buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, (telkens) hierin bestaande dat verdachte zijn penis door die [slachtoffer] heeft laten vastpakken/betasten;

2. hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 23 februari 2009 te Rolde, gemeente Aa en Hunze, althans in Nederland, (telkens) zich opzettelijk oneerbaar op een niet openbare plaats, te weten een (slaap)kamer in de door verdachte bewoonde woning, met ontbloot geslachtsdeel heeft bevonden (terwijl hij (telkens) een erectie had), terwijl daarbij zijn dochter [slachtoffer] (telkens) haars ondanks tegenwoordig was;

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. C. Westerling acht hetgeen aan de verdachte onder 1 primair en onder 2 is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen.

Zij vordert een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, hetgeen mede een ambulante behandeling bij de AFPN zal inhouden. Voorts vordert de officier van justitie een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.

Bewijs

Nu de verdachte, hetgeen de rechtbank onder 1 primair en onder 2 is tenlastegelegd bewezen zal verklaren, ten overstaan van de politie en ter terechtzitting van 16 oktober 2009 heeft bekend, althans niet heeft weersproken en nadien niet anders heeft verklaard zal de rechtbank volstaan met een opgave van bewijsmiddelen.

1. de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 16 oktober 2009.

2. het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van de politie Drenthe, district Noord, dossiernr. PL031E/09-501917 d.d. 21 mei 2009, onder meer inhoudende:

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte van de politie Drenthe, district Noord, proces-verbaalnr. PL031E/09-008501, d.d. 23 februari 2009, houdende de aangifte van [aangeefster] aan de verbalisanten [verbalisanten] (pagina’s 21 t/m 24);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen c.q. proces-verbaal studioverhoor van de politie Drenthe, district Noord, proces-verbaalnr. PL031E/09-008501, d.d. 21 maart 2009, houdende de aan de verbalisante [verbalisante] op 11 maart 2009 afgelegde verklaring van [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1993, (pagina’s 25 t/m 43, en met name de pagina’s 26, 27, 31, 32 en 38);

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. hij op enig tijdstip in de periode van 1 december 2007 tot en met 23 februari 2009 te Rolde, gemeente Aa en Hunze, ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig kind, zijn dochter [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1993, bestaande die ontucht hierin dat verdachte zijn penis door die [slachtoffer] heeft laten vastpakken/betasten;

2. hij op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 1 december 2007 tot en met 23 februari 2009 te Rolde, gemeente Aa en Hunze, zich opzettelijk oneerbaar op een niet openbare plaats, te weten een slaapkamer in de door verdachte bewoonde woning, met ontbloot geslachtsdeel heeft bevonden (terwijl hij een erectie had), terwijl daarbij zijn dochter [slachtoffer] haars ondanks tegenwoordig was;

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de bewezenverklaring.

Elk bewijsmiddel is slechts gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdachte zal van het onder 1 primair en onder 2 meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificaties

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op:

onder 1:

Ontucht plegen met zijn minderjarig kind,

strafbaar gesteld bij artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht;

onder 2:

Schennis van de eerbaarheid op een niet openbare plaats, terwijl een ander daarbij haars ondanks tegenwoordig is,

strafbaar gesteld bij artikel 239 van het Wetboek van Strafrecht;

Strafbaarheid

De rechtbank heeft kennis genomen van een psychologisch rapport d.d. 10 augustus 2009, opgemaakt door drs. G. de Bruijn, klinisch psycholoog / psychotherapeut te Groningen en vast gerechtelijk deskundige.

Dit rapport houdt onder meer in als conclusie:

Er is bij verdachte geen sprake van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de persoonlijkheid. Wel is er sprake van (extreem) lage verstandelijke capaciteiten op basis van een laag niveau van opleiding en ontwikkeling, gepaard gaande met een impulsieve wijze van werken (eerst doen, dan nadenken). Het alcoholgebruik is in (vroege) remissie.

Hiervan was eveneens sprake ten tijde van het ten laste gelegde.

De psycholoog acht de verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar.

Naast impulsiviteit acht de psycholoog alcoholgebruik een risicofactor in verband met recidive evenals geringe conflictbeheersingsvaardigheden en copingstrategieën en het (eventueel komen te) ontbreken van een steunend netwerk. Om die reden adviseert de psycholoog voortzetting van behandeling en een langerdurend reclasseringscontact.

De rechtbank verenigt zich, mede gelet op de toedracht van de feiten en de persoon van de verdachte, met voormelde conclusie van de psycholoog en maakt die tot de hare.

De rechtbank is derhalve van oordeel, dat het hiervoor bewezen verklaarde aan de verdachte kan worden toegerekend, zij het in licht verminderde mate.

Strafmotivering

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf gevorderd voor de duur van 2 maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met als bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht, hetgeen mede een ambulante behandeling bij de AFPN zal inhouden.

Daarnaast vorderde de officier van justitie een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.

De raadsman heeft onder meer gepleit voor het opleggen van een lagere straf aan de verdachte, die first-offender is, en wel in de vorm van een voorwaardelijke gevangenisstraf met reclasseringstoezicht en een lagere werkstraf dan door de officier van justitie gevorderd.

De rechtbank overweegt het volgende.

De door de verdachte gepleegde feiten zijn ernstige delicten. Het onder 1 bewezen verklaarde feit levert in de regel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op van lange duur.

De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij op onverantwoorde wijze zijn lusten heeft botgevierd op zijn minderjarig en verstandelijk beperkt kind.

De rechtbank is van oordeel dat het hier een ernstig feit betreft waarbij verdachte door zijn handelen inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van zijn kind en

waarbij de geldende sociaal-ethische normen, voortvloeiende uit het bepaalde in de artikelen 245 en 249 van het Wetboek van Strafrecht, zijn overschreden.

De rechtbank zal bij de bepaling van de strafmaat rekening houden met de omstandigheden van de verdachte zoals omschreven in het voorlichtingsrapport van Verslavingszorg Noord Nederland te Assen d.d. 1 september 2009 en eerder genoemd rapport van de psycholoog De Bruijn van 10 augustus 2009.

Gelet op een en ander zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen van 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar. Aan deze voorwaardelijke gevangenisstraf zal een bijzondere voorwaarde worden gekoppeld, inhoudende dat verdachte zich zal houden aan de voorschriften en/of aanwijzingen van Reclassering Nederland c.q. Verslavingszorg Noord Nederland, hetgeen mede zal inhouden een ambulante behandeling dan wel de voortzetting van de ambulante behandeling bij de AFPN.

De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden van oordeel dat naast deze voorwaardelijke gevangenisstraf het verrichten van een werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis een passende bestraffing is van deze verdachte.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart bewezen dat het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair en onder 2 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren;

De rechtbank veroordeelt de verdachte tevens tot een taakstraf bestaande uit 40 uren werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid met bevel dat, voor het geval de verdachte deze werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 20 dagen zal worden toegepast.

De rechtbank beveelt, dat de voorwaardelijk opgelegde straf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, of gedurende die proeftijd de hierna te vermelden bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

De rechtbank stelt als bijzondere voorwaarden:

dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens de Reclassering Nederland, arrondissement Assen, dan wel Verslavingszorg Noord Nederland, hetgeen mede zal inhouden een ambulante behandeling dan wel de voortzetting van de ambulante behandeling bij de AFPN Assen of soortgelijke instelling, met opdracht aan eerstgenoemde instelling ingevolge art. 14d van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren arbeid per dag voor de in verzekering doorgebrachte dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.M. Oostdam, voorzitter, en mr. J.G. de Bock en mr. H.T. van Voorst, rechters, in tegenwoordigheid van J. Bos, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 30 oktober 2009.