Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2009:BK1919

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
03-11-2009
Datum publicatie
04-11-2009
Zaaknummer
19.810132-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank constateert dat de verdachte over veel daderwetenschap beschikt waarvan het niet aannemelijk is dat hij die zo gedetailleerd van zijn broer heeft vernomen, dat zowel op het heft als op het lemmet van het mes van verdachte bloedsporen zijn aangetroffen, die matchen met het dna-profiel van verdachte en niet met het dna-profiel van zijn broer [broer] en dat uit een verklaring van [getuige] blijkt dat hij iemand in de woning van [slachtoffer] heeft horen zeggen: “[slachtoffer] niet doen [slachtoffer] stop”.

Op grond van hetgeen zij hiervoor heeft overwogen acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat niet hij maar zijn broer [broer] [slachtoffer] van het leven beroofd niet geloofwaardig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19.810132-09

vonnis van de Meervoudige kamer d.d. 03 november 2009 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,

wonende [adres],

verblijvende in [plaats van detentie].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 20 oktober 2009.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J. Pieters, advocaat te Sneek.

Tenlastelegging

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

hij in of omstreeks de periode van 23 april 2009 tot en met 24 april 2009 te Coevorden tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met (een) mes(sen), althans (een) scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en), in het lichaam en/of in het hoofd gestoken en/of gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen,

terzake dat

hij in of omstreeks de periode van 23 april 2009 tot en met 24 april 2009 te Coevorden tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met (een) mes(sen), althans (een) scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en), in het lichaam en/of in het hoofd gestoken en/of gesneden,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. H.H. Louwes acht hetgeen subsidiair is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank als volgt zal beslissen:

* gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van voorarrest;

* terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.

Bijzondere bewijsoverwegingen

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van verdachte zoals hij die op de terechtzitting heeft afgelegd, ter zijde moet worden gelegd. Verdachte heeft op 15 mei 2009 op eigen verzoek en na overleg met zijn raadsman een zeer gedetailleerde verklaring afgelegd die veel daderwetenschap bevat. Die daderwetenschap is zo omvangrijk dat verdachte die informatie niet helemaal van zijn broer kan hebben gekregen. De officier van justitie houdt verdachte aan zijn bekennende verklaring van 15 mei 2009 en acht het feit wettig en overtuigend bewezen.

Om te kunnen beoordelen welk gewicht aan de verklaring van verdachte, dat hij onschuldig is aan de dood van [slachtoffer], moet worden toegekend acht de rechtbank het volgende van belang.

Verdachte wordt op 28 april 2009 in verzekering gesteld en verklaart dan tegenover de hulpofficier van justitie dat hij niets met de dood van [slachtoffer] te maken heeft.

Tijdens zijn verhoor, op de vordering bewaring, bij de rechter-commissaris verklaart verdachte dat hij niets met de dood van [slachtoffer] te maken heeft, dat er niets aan de hand was toen hij bij hem wegging en dat [slachtoffer] toen gewoon op de bank zat.

Tijdens zijn verhoor op 29 april 2009 verklaart verdachte dat hij op de avond van de 23ste april 2009 bij [slachtoffer] in huis is geweest, dat hij met hem een jointje heeft gerookt en dat hij een pakje appelsientje heeft gedronken. Verdachte verklaart dat hij ongeveer een kwartier bij [slachtoffer] binnen is geweest en dat er niets is voorgevallen in de woning van [slachtoffer].

Tijdens zijn vierde verhoor, op 05 mei 2009, zegt verdachte dat hij wil verklaren wat hij weet over de dood van [slachtoffer]. Die verklaring komt er op neer dat hij [slachtoffer] heeft neergestoken en daarna sporen heeft uitgewist. Hij kan zich herinneren dat er bloed op zijn handen en op zijn kleding en op zijn mes zat.

Op 06 mei 2009 verklaart verdachte dat hij blijft bij zijn op 05 mei 2009 afgelegde verklaring.

Op 11 mei 2009 wordt verdachte opnieuw gehoord. Hij verklaart dan dat hij het gevoel heeft dat zijn broer [broer] bij de dood van [slachtoffer] is betrokken. Hij zegt dat zijn broer iemand wilde “rippen” en dat hij daarvoor op donderdagavond 23 april 2009 zijn mes aan zijn broer heeft gegeven. Verdachte ontkent dan weer dat hij iets met de dood van [slachtoffer] te maken heeft. Toen hij op 23 april 2009 de woning van [slachtoffer] verliet was er niets aan de hand. De volgende dag kreeg hij het mes van zijn broer terug.

Op 15 mei 2009 vindt er wederom een verhoor plaats. Verdachte heeft daarvoor zelf contact opgenomen met de verhorende verbalisanten. Hij geeft dan aan dat hij wil worden gehoord omdat hij heel wat uit te leggen heeft. Hij heeft daarover contact gehad met zijn advocaat. Verdachte is voor dit verhoor gelicht en overgebracht naar het politiebureau in Assen. Tijdens het verhoor verklaart hij dat wat hij tot nu toe verteld heeft bijna allemaal waar is. Wat niet waar is, is dat hij zijn broer [broer] is tegengekomen. Verdachte legt dan een gedetailleerde verklaring af over de wijze waarop hij [slachtoffer] heeft gestoken met zijn mes. De verklaring van verdachte bevat veel daderwetenschap en is gedetailleerder dan de verklaring die hij op 5 mei 2009 heeft afgelegd. Als reden om [slachtoffer] te steken met zijn mes geeft verdachte aan dat [slachtoffer] een opmerking over zijn partner maakte. Hij heeft toen onder meer verklaard: “Ik kan heel weinig over mijn vrouwtje hebben. Ik heb tegen [slachtoffer] gezegd: “[slachtoffer] niet doen”. Ik heb hem gewaarschuwd dat hij dat niet meer moest doen. Ik heb mijn mes gepakt. Ik heb [slachtoffer] 2 keer gewaarschuwd. Hij wilde wegvluchten. Ik was zo kwaad op hem.”

De rechtbank constateert dat de verdachte aanvankelijk ontkennende verklaringen heeft afgelegd. Op 5 mei 2009 legt hij een min of meer bekennende verklaring af. Hij zegt het zich niet goed te kunnen herinneren. Tijdens zijn verhoor op 6 mei verklaart hij dat hij bij zijn verklaring van 5 mei blijft. Op 11 mei 2009 maakt hij een ommezwaai en legt hij de schuld min of meer bij zijn broer. Op 15 mei 2009 wordt hij, op eigen verzoek, nogmaals gehoord door de verbalisanten. Hij verklaart dan dat wat hij eerder verklaarde over de betrokkenheid van zijn broer niet waar is en hij legt dan een volledig bekennende verklaring af. Ter zitting verklaart verdachte dat hij zeker weet dat niet hij maar zijn broer [broer] [slachtoffer] heeft gedood.

De verklaring van 15 mei 2009 is op verzoek van verdachte tot stand gekomen nadat hij met zijn advocaat had gesproken. Het eerste deel van die verklaring is een weergave van wat verdachte uit eigen beweging wenste te verklaren zonder dat de verhorende verbalisanten vragen hebben gesteld. Pas toen verdachte zijn verhaal had gedaan zijn de verbalisanten gedetailleerd op de gebeurtenissen ingegaan.

De rechtbank constateert voorts:

- dat de verdachte over veel daderwetenschap beschikt waarvan het niet aannemelijk is dat hij die zo gedetailleerd van zijn broer heeft vernomen;

- dat zowel op het heft als op het lemmet van het mes van verdachte bloedsporen zijn aangetroffen, die matchen met het dna-profiel van verdachte en niet met het dna-profiel van zijn broer [broer];

- dat uit een verklaring van [getuige] blijkt dat hij iemand in de woning van [slachtoffer] heeft horen zeggen: “[slachtoffer] niet doen [slachtoffer] stop”.

Op grond van hetgeen zij hiervoor heeft overwogen acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat niet hij maar zijn broer [broer] [slachtoffer] van het leven beroofd niet geloofwaardig.

Vrijspraak

De verdachte dient van het primair tenlastegelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank acht met de officier van justitie en de verdediging niet bewezen, dat de verdachte [slachtoffer] met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd. Het dossier biedt daarvoor geen aanknopingspunten.

Bewijsmotivering

Overeenkomstig de nader op te nemen bewijsconstructie.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 23 april 2009 tot en met 24 april 2009 te Coevorden opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer] meermalen met een mes in het lichaam gestoken en gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de bewezenverklaring.

De verdachte zal van het subsidiair meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificatie

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

doodslag,

strafbaar gesteld bij artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid

De rechtbank heeft kennis genomen van een rapport van het Pieter Baan Centrum d.d. 14 oktober 2009 opgemaakt door C.M. van Deutekom, klinisch psycholoog en J.M.J.F. Offermans, psychiater. De deskundigen hebben verdachte slechts beperkt kunnen onderzoeken omdat verdachte niet volledig aan het onderzoek heeft willen meewerken.

Onderzoekers geven aan dat er drie diagnostische gesprekken met verdachte zijn gevoerd en dat andere onderzoeken beperkt hebben plaatsgevonden. Verdachte heeft geweigerd mee te werken aan het testonderzoek.

Het onderzoek is te beperkt geweest om uitspraken te kunnen doen over het al dan niet aanwezig zijn van een persoonlijkheidsstoornis. Wel concluderen de deskundigen op basis van de gegevens die voorhanden zijn, dat er bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Elementen die daarbij een rol spelen zijn onder andere de niet al te hoog ingeschatte intelligentie en, op psychologisch gebied, het snel vervallen in chaos en het zich maar moeilijk kunnen begrenzen.

Op grond van de beperkte gegevens hebben de deskundigen geen uitspraak kunnen doen over de mate van toerekenbaarheid met betrekking tot het tenlastegelegde feit. Wel is voor de onder-zoekers duidelijk dat verdachte onder invloed van middelen (alcohol en drugs) kan komen tot impulsief-agressief gedrag.

De rechtbank verenigt zich, mede gelet op de toedracht van de feiten en de persoon van de verdachte, met voormelde conclusies en maakt die tot de hare.

De rechtbank komt tot het oordeel dat het strafbare feit aan verdachte kan worden toegerekend.

Strafmotivering

De rechtbank heeft bewezen geacht dat verdachte [slachtoffer] van het leven heeft beroofd.

Het behoeft geen betoog dat het opzettelijk doden van een medemens het meest ernstige delict is dat onze samenleving kent. De wijze waarop [slachtoffer] om het leven is gebracht is uiterst gruwelijk geweest. Uit het sectierapport komt naar voren dat het slachtoffer tussen de 46 en 49 steek- en snijwonden heeft opgelopen. Deze verwondingen werden aangetroffen aan de bovenzijde van het lichaam van het slachtoffer. De patholoog-anatoom merkt op dat de richtingen van de steekkanalen zeer variabel waren. De conclusie kan niet anders zijn dan dat verdachte als een wilde te keer is gegaan.

Uit de verklaring van verdachte, die hij op 15 mei 2009 heeft afgelegd, valt af te leiden dat de opmerkingen die het slachtoffer over zijn vriendin maakte de “trigger” zijn geweest voor zijn handelen. Verdachte verkeerde op dat moment onder invloed van middelen. Verdachte heeft in blinde woede [slachtoffer] op een dusdanige manier met zijn mes gestoken dat deze aan de verwondingen is overleden. Het handelen van verdachte kan worden bestempeld als een uiterst gruwelijke en weerzinwekkende daad.

Verdachte heeft door zijn handelwijze de nabestaanden van [slachtoffer] onherstelbaar leed aangedaan. Zoals ook blijkt uit de slachtofferverklaring van de ouders van [slachtoffer]s, wordt hun leven door deze gebeurtenissen beheerst.

Het doden van een medemens kan niet anders worden afgedaan dan met een langdurige gevangenisstraf. De rechtbank acht strafverzwarend dat verdachte eerder is veroordeeld voor een poging doodslag waarbij aan verdachte 4 jaar gevangenisstraf is opgelegd.

Motivering van de maatregel van TBS

Naast het opleggen van een langdurige gevangenisstraf heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege (tbs) wordt opgelegd.

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat de deskundigen van het Pieter Baan Centrum (PBC), J.M.J.F. Offermans, psychiater en C.M. van Deutekom, klinisch psycholoog, hebben gerapporteerd dat het onderzoek te beperkt is geweest om uitspraken te kunnen doen over het al dan niet aanwezig zijn van een persoonlijkheidsstoornis. Daarom kan, naar zijn oordeel, de maatregel van tbs niet worden opgelegd.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Uit het psychologisch onderzoek van mevrouw C.M. van Deutekom blijkt dat de medewerking van verdachte aan het psychologisch onderzoek over het algemeen matig te noemen is. De psycholoog rapporteert: “Betrokkene heeft wel voldoende meegewerkt aan het psychologisch onderzoek om een diagnose te kunnen stellen”. “Op basis van de gegevens die voorhanden zijn kan gesteld worden dat er bij betrokkene sprake is van een gebrekkige ontwikkeling”. “De gewetensontwikkeling en de agressieregulatie konden niet goed in kaart gebracht worden”.

Uit het psychiatrisch onderzoek van J.M.J.F. Offermans blijkt dat verdachte zich gedurende het gehele psychiatrisch onderzoek als een categorische weigeraar heeft opgesteld. De psychiater rapporteert: “Uit de beperkte gesprekscontacten kwamen geen aanwijzingen naar voren voor een psychiatrische stoornis in engere zin (psychose, depressie, angststoornis) zonder dat deze – gelet op de beperkingen van het onderzoek – uitgesloten kan worden”. “Eveneens was het onderzoek veel te beperkt om enige uitspraak te doen over de persoonlijkheid van betrokkene, laat staan over een persoonlijkheidsstoornis”.

De deskundigen concluderen: “Het onderhavige onderzoek is te beperkt geweest – niet in het laatst door betrokkenes weigering van het testpsychologisch onderzoek – om uitspraken te doen over het al dan niet aanwezig zijn van een persoonlijkheidsstoornis. Wel kan gesteld worden dat er bij betrokkene sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens”. “Wel is duidelijk dat betrokkene onder invloed van middelen (alcohol en drugs) kan komen tot impulsief-agressief gedrag”.

Het feit dat de deskundigen concluderen dat sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens leidt ertoe dat in beginsel de maatregel van tbs kan worden opgelegd.

Ook aan de overige vereisten om de maatregel te kunnen opleggen is naar het oordeel van de rechtbank voldaan. Het door de verdachte begane feit is een misdrijf waarop naar wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen eist het opleggen van de maatregel.

Verdachte eerder is veroordeeld voor een poging doodslag waarbij hem 4 jaar gevangenisstraf is opgelegd. Ook destijds heeft verdachte geweigerd mee te werken aan een onderzoek in het Pieter Baan Centrum.

De rechtbank acht het niet verantwoord verdachte zonder behandeling terug te laten keren in de maatschappij. De rechtbank acht het daarom noodzakelijk dat aan verdachte de maatregel van tbs met dwangverpleging wordt opgelegd.

De rechtbank overweegt daarbij dat de maatregel van tbs zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat de officier van justitie een passende eis heeft geformuleerd. De rechtbank zal die eis volgen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 27, 37a en 37b van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte primair is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

De rechtbank verklaart bewezen dat het subsidiair tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het strafbare feit zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte subsidiair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot:

* een gevangenisstraf voor de duur van TWAALF JAREN.

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De rechtbank beveelt dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld en van overheidswege zal worden verpleegd.

De rechtbank stelt vast dat de totale duur van de maatregel van terbeschikkingstelling een periode van vier jaar te boven mag gaan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.L.M.J. Rooijakkers, voorzitter en mr. J.G. de Bock en mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper, rechters in tegenwoordigheid van D. Witvoet, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 03 november 2009.