Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2009:BK1520

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
27-10-2009
Datum publicatie
29-10-2009
Zaaknummer
19.606604-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte dient van het onder 2 tenlastegelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht nu het aanwezige bewijs slechts van één bron (het slachtoffer [slachtoffer 2]) afkomstig is en verder geen steunbewijs aanwezig is.

De rechtbank hecht er aan op te merken dat hiermee niet gezegd is dat zij twijfelt aan de oprechtheid van de verklaringen van [slachtoffer 2], maar dat de enkele aangifte, zonder steunbewijs uit een andere bron, onvoldoende is om tot het wettig bewijs te komen. De verklaring van verdachte dat hij zich niet kan herinneren dat hij [slachtoffer 2] heeft betast is, hoewel geen zuivere ontkenning van het tenlastegelegde, evenmin aan te merken als een bekentenis en kan derhalve naar het oordeel van de rechtbank niet als bewijs tegen hem dienen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19.606604-08

vonnis van de meervoudige strafkamer d.d. 27 oktober 2009 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

wonende te [adres].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 13 oktober 2009.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E.N. Bouwman, advocaat te Utrecht.

De tenlastelegging

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

1.

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de

periode van 1 januari 2000 tot en met 29 mei 2004 te Gasselternijveenschemond,

gemeente Aa en Hunze, en/of te Hoogblokland, gemeente Giessenlanden, althans

in Nederland, (telkens) met [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum] 1994, die toen

(telkens) de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, (telkens) buiten

echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, (telkens) bestaande

in het ontuchtig (met een hand) vastpakken/betasten/aanraken van de penis van

die [slachtoffer 1] en/of het (met een hand) betasten/aanraken van de schaamstreek

van die [slachtoffer 1];

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2002 tot en met 30 mei 2004 te

Hoogblokland, gemeente Giessenlanden, althans in Nederland, met [slachtoffer 2],

geboren op [geboortedatum] 1992, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet

had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd,

bestaande in het ontuchtig vastpakken/betasten/aanraken van de penis van die

[slachtoffer 2];

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. G. Bruins Slot acht hetgeen onder 1 en 2 is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank de verdachte zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 240 uren, te vervangen door 120 dagen vervangende hechtenis, alsmede tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak

De verdachte dient van het onder 2 tenlastegelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht nu het aanwezige bewijs slechts van één bron (het slachtoffer [slachtoffer 2]) afkomstig is en verder geen steunbewijs aanwezig is.

De rechtbank hecht er aan op te merken dat hiermee niet gezegd is dat zij twijfelt aan de oprechtheid van de verklaringen van [slachtoffer 2], maar dat de enkele aangifte, zonder steunbewijs uit een andere bron, onvoldoende is om tot het wettig bewijs te komen. De verklaring van verdachte dat hij zich niet kan herinneren dat hij [slachtoffer 2] heeft betast is, hoewel geen zuivere ontkenning van het tenlastegelegde, evenmin aan te merken als een bekentenis en kan derhalve naar het oordeel van de rechtbank niet als bewijs tegen hem dienen.

Bewijsmotivering

Nu verdachte hetgeen de rechtbank bewezen zal verklaren heeft bekend en nadien niet anders heeft verklaard en hij noch zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit zal de rechtbank volstaan met een opgave van bewijsmiddelen:

- de aangifte van [aangeefster], moeder van [slachtoffer 1], pag. 32 ev van het proces-verbaal van de Politie Drenthe, District Noord, Recherche Noord, met dossiernummer PL031E/08-507875;

- de verklaring van [slachtoffer 1], pag. 37 van voornoemd proces-verbaal;

- de bekennende verklaring van de verdachte, pag. 6 ev van het aanvullend proces-verbaal van de Politie Drenthe, District Noord, Recherche Noord, met dossiernummer PL031E/08-507875A, alsmede diens bekennende verklaring ter terechtzitting van 13 oktober 2009.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op verschillende tijdstippen, in de periode van 1 januari 2001 tot en met 29 mei 2004 te Gasselternijveenschemond, gemeente Aa en Hunze, en/of te Hoogblokland, gemeente Giessenlanden, (telkens) met [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum] 1994, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, (telkens) buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het ontuchtig (met een hand) vastpakken/betasten/aanraken van de penis van die [slachtoffer 1] en/of het (met een hand) betasten/aanraken van de schaamstreek van die [slachtoffer 1].

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de bewezenverklaring. Elk bewijsmiddel is slechts gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdachte zal van het onder 1 meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificatie

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 247 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straffen in aanmerking: de aard en de ernst van het gepleegde feit; de omstandigheden waaronder dit feit is begaan; hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte; de eis van de officier van justitie; het pleidooi van de raadsman van de verdachte; de oriëntatiepunten voor de straftoemeting; de door de Reclassering Nederland over verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapportage d.d. 10 juli 2009; alsmede de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 24 september 2009, waaruit blijkt dat de verdachte eerder, te weten op 15 november 2005, door deze rechtbank ter zake van een soortgelijk misdrijf, gepleegd met hetzelfde slachtoffer, is veroordeeld.

De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat in dit geval een onvoorwaardelijke werkstraf alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen omvang en duur passend en geboden is. Zij komt daarbij tot een lagere straf dan door de officier van justitie geëist nu verdachte van het onder 2 tenlastegelegde zal worden vrijgesproken.

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

De rechtbank acht het causaal verband tussen het bewezen verklaarde feit en de schade alsmede de aansprakelijkheid van de verdachte voor die schade bewezen. Het gevorderde bedrag acht zij voldoende aannemelijk gemaakt en niet onredelijk. De civiele vordering is dan ook gegrond en voor toewijzing vatbaar.

Schadevergoedingsmaatregel

Met betrekking tot het onder 1 bewezen verklaarde feit acht de rechtbank de verdachte jegens het slachtoffer [slachtoffer 1] naar burgerlijk recht tot na te noemen bedrag aansprakelijk voor de schade, die door het strafbare feit is toegebracht.

Aan de verdachte zal de verplichting worden opgelegd dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1].

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

De rechtbank acht het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan niet bewezen. De benadeelde partij zal niet ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering en hij kan zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 36f, 63 en 247 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 2 is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank verklaart bewezen dat het onder 1 tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het strafbare feit zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot

- een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

- een taakstraf bestaande uit 120 uren werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid met bevel dat, voor het geval de verdachte deze werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 60 dagen zal worden toegepast.

De rechtbank beveelt, dat de voorwaardelijk opgelegde straf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren arbeid per dag voor de in verzekering doorgebrachte dagen.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van de som van € 1500,00 en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], een bedrag van € 1500,00 te betalen, bij gebreke van betaling te vervangen door 30 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en

verstaat dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voormeld bedrag ten behoeve van het slachtoffer de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij doet vervallen, alsmede dat betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partij de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag doet vervallen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet ontvankelijk is in zijn vordering en dat hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. De benadeelde partij en de verdachte dragen de eigen kosten.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.L.M.J. Rooijakkers, voorzitter en mrs. H. de Wit en C.M.M. Oostdam, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.D. Vermeer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 27 oktober 2009.