Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2009:BK1166

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
27-01-2009
Datum publicatie
26-10-2009
Zaaknummer
08/1060
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

De vraag die partijen verdeeld houdt is of de ingebruikname van het perceel als Thomashuis strijdig is met de woonbestemming ingevolge het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan zelf geeft geen nadere invulling van de bestemming “wonen”, zodat ingevolge de jurisprudentie van de ABRS, zie onder meer de uitspraak van 28 juni 2006 in zaak nr. 200508258/1, naast zelfstandige bewoning door een gezin ook aan minder traditionele woonvormen moet worden gedacht. Wel volgt uit diezelfde jurisprudentie dat er bij een minder traditionele woonvorm wel sprake moet zijn van nagenoeg zelfstandige bewoning met een zekere mate van verbondenheid tussen de bewoners.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder terecht overwogen dat de vestiging van het Thomashuis Coevorden in overeenstemming is met de woonbestemming zoals is gegeven aan het betreffende perceel. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende gebleken dat in de woning acht personen zullen worden gehuisvest, die in belangrijke mate zelfstandig wonen. Onder verwijzing naar jurisprudentie van de ABRS is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze vorm van bewoning op één lijn kan worden gesteld met de meer traditionele gezinsbewoning.

Wetsverwijzingen
Woningwet 44
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector Bestuursrecht

Kenmerk: 08/1060, 08/1043 en 08/910

Uitspraak van de voorzieningenrechter op de voet van het bepaalde in titel 3 van hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) d.d. 27 januari 2009

in het geding tussen:

[verzoeker], wonende te Coevorden, verzoeker,

en

Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Coevorden, verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 1 december 2008 heeft verweerder de bezwaren van verzoeker tegen het besluit van 19 juni 2008 ongegrond verklaard en laatstgenoemd besluit gehandhaafd, inhoudende de verlening van een bouwvergunning voor het gedeeltelijk veranderen van de gevel en een interne verbouwing van de woning aan het Klooster 29 te Coevorden.

Namens verzoeker is bij brief van 5 november 2008 bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar. Ingevolge artikel 6:20 van de Algemene wet bestuursrecht wordt dit beroep geacht zich mede te richten tegen het besluit van 1 december 2008.

Bij besluit van 1 december 2008 heeft verweerder de bezwaren van verzoeker tegen het besluit van 29 mei 2008 ongegrond verklaard en laatstgenoemd besluit gehandhaafd, inhoudende de afwijzing van het verzoek tot handhaving.

Namens verzoeker is bij brief van 5 november 2008 tegen dit besluit bij de rechtbank beroep ingesteld.

Bij brief van 24 december 2008 is tevens namens verzoeker aan de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Verweerder heeft bij brief van 15 december 2008 de op de zaken betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift ingezonden. De gemachtigde van verzoeker heeft hiervan een afschrift ontvangen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de rechtbank op 19 januari 2009, alwaar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. P.J.G.G. Sluyter.

Voor verweerder is verschenen mr. G. Jansen.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt Vestia Midden Nederland, V.o.f. het Thomashuis Coevorden en De Drie Notenboomen. Namens V.o.f. het Thomashuis zijn verschenen [gemachtigden]. Namens de Drie Nootebomen is verschenen [gemachtigde].

Belanghebbenden hebben zich allen laten vertegenwoordigen door mr. M.L. Diepenhorst.

II. Motivering

Algemeen

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is voorts bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan wanneer beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich hier voor.

Feiten en omstandigheden

Met betrekking tot de bouwvergunning.

Namens Vestia Midden Nederland is op 20 februari 2008 een aanvraag ingediend voor een reguliere bouwvergunning voor het veranderen van de voorgevel en het doen van een interne verbouwing van de woning op het Klooster 29 te Coevorden. De woning dient na de verbouwing bestemd te zijn voor verminderd zelfredzame personen zonder permanent toezicht en zelfredzame personen.

Verweerder heeft de bouwaanvraag op 5 maart 2008 gepubliceerd in het blad ‘gemeente Coevorden’.

Met het oog op de bouwaanvraag heeft de welstandscommissie Drents Plateau op 18 maart 2008 een positief advies afgegeven.

Bij primair besluit van 19 juni 2008, verzonden 25 juni 2008, heeft verweerder de gevraagde bouwvergunning verleend. Dat de gevraagde bouwvergunning is verleend, is op 2 juli 2008 gepubliceerd in het blad ‘gemeente Coevorden’.

Bij brief van 3 juli 2008 is namens verzoeker bezwaar aangetekend tegen het besluit van 19 juni 2008.

Verzoeker is in de gelegenheid gesteld het bezwaarschrift mondeling toe te lichten bij de Commissie bezwaarschriften (hierna: de Commissie), van welke gelegenheid hij op 13 augustus 2008 gebruik heeft gemaakt. Een verslag van de hoorzitting bevindt zich onder de gedingstukken.

De Commissie heeft verweerder bij brief van 29 september 2008 geadviseerd het bezwaarschrift van verzoeker ongegrond te verklaren.

Bij het thans bestreden besluit van 1 december 2008 heeft verweerder, onder overneming van het voornoemde advies en ongegrondverklaring van het bezwaarschrift van verzoeker, het primaire besluit gehandhaafd.

Met betrekking tot het verzoek tot handhaving.

Bij brief van 25 maart 2008 heeft verzoeker verweerder verzocht tot handhaving met betrekking tot het voornemen van de V.o.f. Thomashuis Coevorden om een zorgonderneming te vestigen op het perceel Klooster 29 te Coevorden.

Bij besluit van 29 mei 2008 heeft verweerder het verzoek afgewezen.

Bij brief van 9 juni 2008 heeft verzoeker hiertegen bezwaar aangetekend.

Verzoeker is in de gelegenheid gesteld het bezwaarschrift mondeling toe te lichten bij de Commissie bezwaarschriften (hierna: de Commissie), van welke gelegenheid hij op 13 augustus 2008 gebruik heeft gemaakt. Een verslag van de hoorzitting bevindt zich onder de gedingstukken.

De Commissie heeft verweerder bij brief van 29 september 2008 geadviseerd het bezwaarschrift van verzoeker ongegrond te verklaren.

Bij het thans bestreden besluit van 16 oktober 2008 heeft verweerder, onder overneming van het voornoemde advies en ongegrondverklaring van het bezwaarschrift van verzoeker, het primaire besluit gehandhaafd.

Standpunten partijen

Verzoeker stelt zich op het standpunt dat de bouwvergunning ten onrechte is afgegeven door verweerder. Tevens meent verzoeker dat het verzoek tot handhaving ten onrechte is afgewezen. Reden hiervan is dat er sprake is van strijd met het geldende bestemmingsplan waaronder het betreffende perceel valt. Het betreft in deze de uitleg van het begrip “wonen” in het geldende bestemmingsplan voor het perceel Klooster 29 te Coevorden. De vestiging van het Thomashuis past niet binnen de woonbestemming, nu er sprake is van een (zorg)faciliteit op commerciële (bedrijfsmatige) grondslag.

Onjuist dan wel onvoldoende is de conclusie van verweerder bepaald dat de te huisvesten personen “in belangrijke mate” zelfstandig ten opzichte van de ondersteunende diensten en centrale voorzieningen van de vergunninghouder kunnen functioneren. Er is geen sprake van één huishouden, doch de zorgondernemers hebben een eigen privé-leven los van hun werkzaamheden als ondernemer. De bewoners bepalen zelf hoe hun daginvulling eruit ziet en welke zorg en ondersteuning zij willen inkopen. Wat aangeboden wordt is geen vervangende gezinssituatie, maar een vrijblijvende woon/hotelvoorziening, waarin de klant de keus heeft in meer of mindere mate deel te nemen aan de gezamenlijke activiteiten of extra zorg in te kopen.

Verweerder heeft in het verweerschrift zijn standpunten gehandhaafd.

Namens de belanghebbenden is aangevoerd dat de vestiging van het Thomashuis aan het Klooster 29 niet in strijd is met de ter plaatse geldende bestemming en kan worden aangemerkt als de huisvesting van één afzonderlijk huishouden. Onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State (ABRS) menen belanghebbenden dat de feitelijke invulling die wordt gegeven aan het gebruik van het Thomashuis in planologisch opzicht te vergelijken is met de meer traditionele gezinsbewoning.

Beoordeling

Beoordeeld dient te worden of er aanleiding bestaat om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het vereiste spoedeisende belang aanwezig moet worden geacht, nu de vergunninghouder gebruik kan maken van de verleende bouwvergunning. Daarbij is gebleken dat de bewoners in februari 2009 hun intrek zullen nemen in het Thomashuis.

Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter aanleiding om tevens uitspraak te doen in beide hoofdzaken.

Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter met betrekking tot de bouwvergunning, aangeduid met zaaknummer 08/1043, als volgt.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Woningwet mag en moet de reguliere bouwvergunning slechts worden geweigerd, indien:

a. het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft, niet voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 2 en 120;

b. het bouwen niet voldoet aan de bouwverordening (...);

c. het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld;

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk of de standplaats, waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend; of,

e. voor het bouwen een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend.

Tussen partijen is in geschil of de aanvraag voor een bouwvergunning moet worden geweigerd omdat het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld (artikel 44, onder c. van Woningwet).

Hieromtrent overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Het betreffende pand is gelegen op het perceel Klooster 29 te Coevorden (kadastraal bekend sectie K, nr. 1500). De bouwvergunning ziet op de oprichting van een zogenaamd Thomashuis. Een Thomashuis is een huis waar mensen met een verstandelijke beperking worden gehuisvest en deel uit zullen maken van een woongroep. Het perceel waarop het Thomashuis zal worden gevestigd valt onder de werking van het bestemmingsplan “Coevorden woongebieden”. Ingevolge dit bestemmingsplan rust op het betreffende perceel de bestemming “woongebied”.

De vraag die partijen verdeeld houdt is of de ingebruikname van het perceel Klooster 29 als Thomashuis strijdig is met de woonbestemming ingevolge het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan zelf geeft geen nadere invulling van de bestemming “wonen”, zodat ingevolge de jurisprudentie van de ABRS, zie onder meer de uitspraak van 28 juni 2006 in zaak nr. 200508258/1, naast zelfstandige bewoning door een gezin ook aan minder traditionele woonvormen moet worden gedacht. Wel volgt uit diezelfde jurisprudentie dat er bij een minder traditionele woonvorm wel sprake moet zijn van nagenoeg zelfstandige bewoning met een zekere mate van verbondenheid tussen de bewoners.

Uit de jurisprudentie van de ABRS vloeit voort dat er sprake is van een nagenoeg zelfstandige bewoning met een zekere mate van verbondenheid tussen de bewoners, wanneer er in ieder geval sprake is van het in belangrijke mate zelfstandig functioneren ten opzichte van de ondersteunende diensten en centrale voorzieningen van de vergunninghouder en er geen sprake is van permanente begeleiding. De bewoners kunnen zelfstandig activiteiten ontplooien zoals dagbesteding of werk buitenshuis, maar ook bijvoorbeeld het doen van boodschappen en andere huishoudelijke taken. Daarnaast is er sprake van een gemeenschappelijk gebruik van voorzieningen en het gezamenlijk gebruiken van maaltijden. Tevens volgt uit de jurisprudentie dat het niet gebruikelijk moet zijn dat er therapeutische of medische behandelingen verricht worden. Er zal dan ook geen sprake mogen zijn van een zogenoemde “plaatsing” in de woongroep, maar van een bewuste en vrijwillige keuze. (Zie onder meer de volgende uitspraken gepubliceerd onder LJN: BA4696, AP6320 en AX9502.)

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder terecht overwogen dat de vestiging van het Thomashuis Coevorden in overeenstemming is met de woonbestemming zoals is gegeven aan het betreffende perceel. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is gelet op het dossier en het ter zitting verhandelde voldoende gebleken dat in de woning acht personen zullen worden gehuisvest, die in belangrijke mate zelfstandig wonen. De bewoners functioneren in belangrijke mate zelfstandig ten opzichte van de ondersteunende diensten en centrale voorzieningen van de vergunninghouder. De bewoners gaan overdag naar een centrum waar wordt voorzien in een dagbesteding of gaan naar hun werk. Tevens is de voorzieningenrechter gebleken dat de bewoners geen permanente begeleiding behoeven. Voor zover er begeleiding wordt gegeven ziet dit specifiek op het zelfstandig wonen in de zin van het voorlezen van de post, het aangaan van sociale contacten en bijvoorbeeld het leren koken en is er geen sprake van begeleiding met een overwegend verzorgend karakter. Gelet op de voorgestane formule van het Thomashuis Coevorden is bewust een scheiding gemaakt tussen het wonen en het bieden van zorg. Zo zullen er geen medische of therapeutische behandelingen plaatsvinden in het huis en is het bieden van specifieke medische zorg geen taak van het begeleidend echtpaar. Het Thomashuis zal bovendien geen tijdelijke verblijfplaats zijn voor de bewoners, maar een definitief thuis, op vrijwillige basis, waarbij zo veel mogelijk een gezinssituatie wordt gecreëerd. De maaltijden zullen gezamenlijk worden genuttigd en wordt er gebruik gemaakt van de gemeenschappelijke voorzieningen. Onder verwijzing naar jurisprudentie van de ABRS is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze vorm van bewoning op één lijn kan worden gesteld met de meer traditionele gezinsbewoning.

Het standpunt van eiser dat de situatie in het onderhavige geval nagenoeg identiek is als omschreven door de ABRS op 13 augustus 2008 (200708351/1), waar het de huisvesting betrof van jongeren met een autisme-spectrumstoornis en geoordeeld werd dat er geen sprake was van een gebruik overeenkomstig de bestemming woondoeleinden, kan de voorzieningenrechter niet onderschrijven.

In bovengenoemde uitspraak werd overwogen door de ABRS dat sprake was van bewoning met een overwegend verzorgend karakter. De jongeren verblijven in het woongebouw, gelet op de aard van hun stoornis, met behulp van de begeleiding die de stichting de gehele dag biedt. In het Thomashuis Coevorden is de mate en wijze van begeleiding niet vergelijkbaar met de in de uitspraak van 13 augustus 2008 omschreven situatie, nu met name de begeleiding in bovengenoemde uitspraak specifiek was afgestemd op de aard van de stoornis van de bewoners, in die zin dat de begeleiding erop is gericht de jongeren te leren zoveel mogelijk zelfstandig te leven. Het verblijf in het woongebouw kon daar niet los van worden gezien.

Namens verzoeker is tevens aangevoerd dat de vestiging van het Thomashuis niet past binnen de woonbestemming, nu er sprake is van een (zorg)faciliteit op commerciële (bedrijfsmatige) grondslag. Het betreft een franchiseonderneming waarbij de bewoners een bijdrage betalen vanuit hun PGB/Zorgzwaartepakket.

Onder verwijzing naar de uitspraak van 6 februari 2008, (LJN:BC3623) van de ABRS is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder terecht heeft overwogen dat niet de mate waarin de verschillende bewoners bijdragen in de kosten van de huishouding doch de mate waarin zij gezamenlijk leven van belang is bij de beoordeling of sprake is van een huishouden als bedoeld in de planvoorschriften. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is evenmin de wijze waarop het zelfstandig wonen financieel gezien mogelijk wordt gemaakt, in het onderhavige geval middels een franchiseformule met zorgondernemers, en de wijze waarop de bewoners bijdragen in de kosten van de huishouding, van belang bij de wijze van bewoning in planologisch opzicht.

Gelet op de voorgaande overwegingen is het beroep gericht tegen de verleende bouwvergunning, zoals in bezwaar gehandhaafd, van verzoeker ongegrond.

Met betrekking tot het verzoek tot handhaving, aangeduid met zaaknummer 08/910, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Het geschil tussen partijen ziet op de vraag of verweerder op goede gronden de bezwaren van verzoeker tegen de afwijzing van het verzoek tot handhaving ongegrond heeft verklaard.

Ingevolge het bepaalde in artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet heeft het gemeentebestuur de bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen.

Preventieve handhavingsmaatregelen kunnen hooguit worden genomen indien sprake is van een klaarblijkelijk gevaar van een op zeer korte termijn te verwachten overtreding van een concreet bij of krachtens de wet gesteld voorschrift en indien die overtreding in het besluit kan worden omschreven met die mate van duidelijkheid die uit een oogpunt van rechtszekerheid ten aanzien van handhavingsbeschikkingen is vereist. Dit is ten aanzien van de door verzoeker bedoelde bewoning volgens verweerder niet aan de orde.

De vraag die partijen verdeeld houdt is of de ingebruikname van het perceel Klooster 29 als Thomashuis strijdig is met de woonbestemming ingevolge het bestemmingsplan.

Onder verwijzing naar hetgeen de voorzieningrechter reeds heeft overwogen in het kader van het beroep met betrekking tot de verleende bouwvergunning, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de ingebruikname van het perceel Klooster 29 als Thomashuis niet strijdig is met de woonbestemming ingevolge het bestemmingsplan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er dan ook geen sprake van een klaarblijkelijk gevaar van een op zeer korte termijn te verwachten overtreding van een concreet bij of krachtens de wet gesteld voorschrift zodat verweerder terecht het verzoek tot preventief handhaven heeft afgewezen.

Gelet op de voorgaande overwegingen is het beroep van verzoeker ongegrond.

Onder die omstandigheden ziet de voorzieningenrechter tevens geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek daartoe wordt dan ook afgewezen.

De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig om een proceskostenveroordeling, als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb, uit te spreken.

III. Beslissing

De voorzieningenrechter:

Ten aanzien van het beroep met zaaknummer 08/1043

- verklaart het beroep ongegrond

Ten aanzien van het beroep met zaaknummer 08/910

- verklaart het beroep ongegrond

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af

Aldus gedaan door mr. W.P. Claus, voorzieningenrechter in tegenwoordigheid van mr. H.E. Melissen, griffier.

mr. H.E. Melissen mr. W.P. Claus

In het openbaar uitgesproken op 27 januari 2009.

Uitsluitend tegen de uitspraak op het beroep kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ’s-Gravenhage. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroepsschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019 te 2500 EA ‘s-Gravenhage binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.

Afschrift verzonden op: