Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2009:BK0580

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
16-10-2009
Datum publicatie
19-10-2009
Zaaknummer
09/659 en 09/612
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

De (voorzieningenrechter van de) rechtbank oordeelt dat er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de natuur- en landschapfuncties. Dat, zoals verzoekers stellen, een alternatief tracé mogelijk is en tot minder overlast voor de natuur leidt. maakt niet dat verweerder het besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid. Artikel 3.16 van de Wro gaat uit van een limitatief-imperatief vergunningenstelsel, zodat een aantal bezwaren van verzoekers (overlast in verband met het uitlaten van honden en gebruik als fiets- en brommerpad) niet bij de beoordeling kunnen worden betrokken. De afwegingen die ingevolge de toepasselijke bestemmingsplannen (Schieven en Buitengebied in voorbereiding) moeten worden gemaakt, is door verweerder verricht. Dat verzoekers een andere afweging maken, betekent niet dat die van verweerder ondeugdelijk is.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening, geldigheid: 2009-10-16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2009/4225

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector Bestuursrecht

Kenmerk: 09/659 en 09/612 BESLU

Uitspraak van de voorzieningenrechter op de voet van het bepaalde in titel 3 van hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) d.d. 16 oktober 2009

in het geding tussen:

[verzoekers], wonende te Assen, verzoekers,

en

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Assen, verweerder.

I. Procesverloop

Bij primair besluit van 12 december 2008 heeft verweerder aan de gemeente Assen (hierna: vergunninghouder) een aanlegvergunning verleend voor het aanleggen en herstellen van (historische) landschapselementen en paden in het gebied Schieven e.o.

Bij besluit van 22 juli 2009 heeft verweerder de bezwaren van verzoeker tegen het besluit van 12 december 2008 ongegrond verklaard en laatstgenoemd besluit – onder aanvulling van de motivering - gehandhaafd, met dien verstande dat het voetpad enigszins gewijzigd zal worden uitgevoerd.

Bij brief van 25 augustus 2009 hebben verzoekers beroep ingesteld tegen dit besluit. Bij brief van 18 september 2009 hebben verzoekers de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift ingezonden. Verzoekers hebben hiervan een afschrift ontvangen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de rechtbank van 9 oktober 2009 alwaar in persoon zijn verschenen [verzoekers]. Voor verweerder zijn verschenen mr. A.J. Pronk en M.C. Roelofs.

II. Motivering

Algemeen

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

In artikel 8:86, eerste, lid van de Awb is voorts bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan wanneer beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich hiervoor.

Feiten en omstandigheden

Vergunninghouder heeft op 24 oktober 2008 een aanvraag aanlegvergunning ingediend voor het aanleggen en herstellen van (historische) landschapelementen en paden in het gebied Schieven (deelgebieden 1 tot en met 5), kadastraal bekend gemeente Assen, sectie R, nummers 101, 141, 648, 830, 831, 844, 845 en sectie V, nummer 1908 in de gemeente Assen.

Bij besluit van 12 december 2008 heeft verweerder aan vergunninghouder overeenkomstig de aanvraag een aanlegvergunning verleend.

Tegen dit besluit heeft verzoeker tijdig bezwaar gemaakt. Op 26 mei en 23 juni 2009 vonden hoorzittingen van de algemene commissie bezwaarschriften van de gemeente Assen (hierna: de Commissie) plaats.

De Commissie heeft geadviseerd de bezwaren van verzoeker gegrond te verklaren en een nieuw besluit te nemen. De Commissie adviseert als volgt:

- de [verzoekers], respectievelijk [verzoeker] ontvankelijk te verklaren in hun bezwaar;

- alsnog dient te worden onderzocht of de aanleg van het voetpad op het onderhavige geprojecteerde tracé, en de doorgang in of door de boswal ten behoeve van het voetpad mogelijk zijn, en wel zodanig dat de aanleg van het voetpad en een dergelijke doorgang een natuurtoets kunnen doorstaan. Op dit punt acht de commissie het bezwaar gegrond.

- de bevindingen uit archeologisch onderzoek dienen alsnog meegewogen te worden in de heroverweging van uw besluit op bezwaar. Op dit punt acht de commissie het bezwaar gegrond.

- een nieuw besluit te nemen en te voorzien van een deugdelijke motivering.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren tegen het besluit van 12 december 2008 ongegrond verklaard en de aanlegvergunning – onder aanvulling van motivering – gehandhaafd, met dien verstande dat het voetpad gewijzigd zal worden uitgevoerd.

Standpunten

Verzoeker heeft aangevoerd dat hij zich niet kan verenigen met het betreden besluit. Verzoeker stelt dat verweerder het advies van de Commissie niet heeft overgenomen. Voorts voert verzoeker aan dat de aanlegvergunning niet op basis van concept tekeningen c.q. plannen verleend mocht worden en dat ten onrechte geen natuurtoets is uitgevoerd. Verzoeker stelt voorts dat verweerder een alternatief tracé van het pad, dat de natuur minder zal schaden en een betere gebruikswaarde heeft, ten onrechte heeft afgewezen. Tot slot stelt verzoeker dat in het bestreden besluit de afwegingsgronden op basis van de bestemmingsplantoets onvoldoende worden onderbouwd.

Verweerder stelt dat het bestreden besluit terecht en op goede gronden is genomen. Verweerder stelt dat het advies van de Commissie niet bindend is en dat hiervan – mits gemotiveerd – mag worden afgeweken. Voorts bestrijdt verweerder dat het bestreden besluit onrechtmatig is, omdat het besluit is gebaseerd op concept tekeningen c.q. plannen. Verweerder wijst er op dat volledigheidshalve door Oranjewoud nog een natuurtoets is uitgevoerd. Verweerder merkt voorts op dat het bestaan van alternatieve tracés op zichzelf geen grond kan vormen voor het weigeren van de aanlegvergunning. Het tracé is op verzoek van verzoeker aangepast waarbij is afgezien van een doorgang in of door de boswal. Verweerder wijst voorts nog op het nut van het project tracé wandelpad ‘Kerkepad Schieven’ namelijk het historisch tracé van het Kerkpad naar Rolde zo dicht mogelijk benaderen, hetgeen vanuit historisch en recreatief oogpunt interessant is.

Wettelijke kader

Artikel 9.1.6. Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening bepaalt het volgende:

1. Een aanlegvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening wordt gelijkgesteld met een aanlegvergunning als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening.

2. Het recht zoals dat gold v??r het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een aanlegvergunning waarvan de aanvraag is ingediend voor dat tijdstip.

Ingevolge artikel 3.3. van de Wro, kan bij bestemmingsplan, om te voorkomen dat in een bestemmingsplan begrepen grond minder geschikt wordt voor de verwezenlijking van de daaraan bij het plan te geven bestemming dan wel om een overeenkomstig het plan verwezenlijkte bestemming te handhaven en te beschermen, worden bepaald, dat het verboden is om binnen een bij dat plan aangegeven gebied zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders:

a. bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren; (…)

Ingevolge artikel 3.16, eerste lid en onder a, van de Wro mag alleen en moet een aanlegvergunning worden geweigerd, indien het werk of de werkzaamheid in strijd is met een bestemmingsplan een inpassingsplan, een projectbesluit onder deze plannen begrepen, of de krachtens zodanige plannen gestelde eisen, een beheersverordening, een besluit als bedoeld in artikel 3.40, 3.41 of 3.42 hieronder begrepen, dan wel met een voorbereidingsbesluit.

Het perceel, waarop het aan te leggen voetpad is geprojecteerd is gelegen in de bestemmingsplannen ‘Schieven’ en ‘Buitengebied’ (in voorbereiding).

In het bestemmingsplan ‘Schieven’ hebben de percelen waarop het voetpad is geprojecteerd de bestemming ‘Agrarisch gebied met landschappelijke waarde’, ‘Groenvoorziening’ en ‘Strook voor gastransportleidingen’. In het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ hebben de betreffende percelen de bestemming ‘Beekdalen II’, respectievelijk ‘Essen en veldontginningen’.

Ingevolge artikel 3 A van de planvoorschriften ‘Schieven’ zijn de gronden voor ‘Agrarisch gebied met landschappelijke waarde’ bestemd voor de uitoefening van het agrarische bedrijf, alsmede voor behoud van de aanwezige landschappelijke waarden. Ingevolge artikel 3 E van de planvoorschriften is een aanlegvergunning vereist voor de aanleg van paden. Ingevolge artikel 7 van de planvoorschriften zijn gronden aangewezen voor ‘Groenvoorziening’ bestemd voor groenstroken met daarbij behorende bebouwing en voorzieningen. Ingevolge artikel 10 van de planvoorschriften zijn de gronden aangewezen voor ‘Strook voor gastransportleidingen’ mede bestemd voor gastransportleidingen. In artikel 10 D van de planvoorschriften wordt bepaald dat voor de aanleg van paden een aanlegvergunning is vereist.

Ingevolge artikel 5 van de planvoorschriften ‘Buitengebied’ (in voorbereiding) zijn de gronden met de bestemming ‘Beekdal II’ en ‘Essen en veldontginningen’ bestemd voor behoud en herstel van de landschappelijke en natuurlijke waarden; de uitoefening van het agrarische bedrijf; dagrecreatie; wonen; archeologie en aardgastransportleiding. Bij beide bestemmingen is het doel dagrecreatie beperkt tot de inrichting en het gebruik van dagrecreatieve voorzieningen in de vorm van voet-, fiets- en ruiterpaden. Ingevolge artikel 5 lid 6 sub a en artikel 6 lid 7 sub a van de planvoorschriften is een aanlegvergunning vereist voor het aanleggen van dagrecreatieve voorzieningen in de vorm van paden.

Blijkens artikel 3 lid E sub 2 van de voorschriften ‘Schieven’ en de artikelen 6 lid 7 sub f en 5 lid 6 sub e van het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan ‘Buitengebied’ mag de aanlegvergunning alleen worden verleend indien de waarden van de gronden niet onevenredig worden geschaad.

Beoordeling

Gesteld voor de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Allereerst dient te worden vastgesteld dat de bezwaren van verzoekers zijn gericht tegen de aanlegvergunning voorzover hierin vergunning wordt verleend voor de aanleg van het onverharde voetpad Vredeveld - Deurze (deelgebied 3 van de aanlegvergunning).

Vastgesteld kan worden dat partijen het erover eens zijn dat voor de aanleg van dit onverharde voetpad een aanlegvergunning is vereist. Ook is tussen partijen niet in geschil dat verweerder de aanvraag terecht aan zowel het bestemmingsplan ‘Schieven’ als aan het bestemmingsplan ‘Buitengebied’(in voorbereiding) heeft getoetst.

Verzoekers stellen dat de aanlegvergunning niet aan de wettelijke vereisten voldoet, omdat deze is verleend op basis van concepttekeningen. De voorzieningenrechter overweegt hierover dat niet sprake is van een situatie, als verzoekers dat al zouden bedoelen, dat door het aanleveren van concepten de aanvraag in feite onbegrijpelijk of zo onduidelijk is dat de vergunning niet op basis daarvan verleend had mogen worden. De voorzieningenrechter is evenmin gebleken van een vormvoorschrift dat bij het indienen van de tekeningen zou zijn geschonden of van anderszins een tekortschieten waardoor verzoekers in hun belangen zouden zijn geschaad.

De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat het standpunt van verweerder dat de werkzaamheden waarvoor de aanlegvergunning is verleend in overeenstemming zijn met genoemde bestemmingsplannen en de krachtens deze plannen gestelde eisen, is gebaseerd op voldoende zorgvuldig onderzoek en voldoende deugdelijk is gemotiveerd.

Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder, zoals de Commissie had aangegeven, een inhoudelijke bestemmingsplantoets verricht. Dat verweerder het advies van de Commissie niet zou hebben overgenomen, kan de voorzieningenrechter niet inzien. Voor zover verzoekers beogen te betogen dat de Commissie (impliciet) een andere afweging zou hebben gemaakt zodat verweerder met het bestreden besluit afwijkt van het advies van de Commissie, is deze afwijking naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende gemotiveerd.

Blijkens de planvoorschriften kan een aanlegvergunning slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de natuur- en landschapsfuncties. Verzoekers missen, zo begrijpt de voorzieningenrechter het verzoekschrift, een toets of het geplande voetpad geen afbreuk doet aan landschappelijke en natuurwaarden. Deze toets heeft verweerder echter wel verricht en deze is verricht in overeenstemming met het afwegingsschema dat in het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ is opgenomen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder, met de in het thans bestreden besluit gegeven nadere ruimtelijke onderbouwing, voldoende deugdelijk heeft onderbouwd dat de aanleg van het voetpad geen onevenredige aantasting van de natuur- en landschapsfuncties oplevert. De voorzieningenrechter overweegt hierbij dat verweerder alsnog een aanvullende Natuurtoets heeft verricht en dat er een archeologisch veldonderzoek is uitgevoerd.

Dat, zoals eisers, onderbouwd met het rapport ‘Ecologische survey’ door ECOPLAN natuurontwikkeling, stellen dat een alternatief tracé mogelijk en tot minder overlast voor de natuur leidt, maakt niet dat verweerder het besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid.

Dat, zoals verzoekers stellen, in de afweging door verweerder geen of onvoldoende rekening is gehouden met andere in het hiervoor reeds genoemde afwegingsschema genoemde afwegingsgronden, volgt de voorzieningenrechter niet. Het bestreden besluit gaat op alle in het kader van de bestemmingsplannen relevante afwegingsgronden in. Dat verzoekers deze afweging anders maken, betekent niet dat de afweging van verweerder een onjuiste is waarbij de voorzieningenrechter nog opmerkt dat de mate van afbreuk die toelaatbaar is, wordt benoemd in het bestemmingsplan ‘Buitengebied’, en het de voorzieningenrechter niet is gebleken dat verweerder dit begrippenkader onjuist heeft ingevuld. Zo is bijvoorbeeld vanuit het perspectief van verzoekers te begrijpen dat men het voetpad als een inbreuk op hun privacy ervaart, maar gelet op de afstand van het voetpad tot de percelen, kan dit niet worden gezien als een dermate inbreuk dat dit niet toelaatbaar zou zijn. Ook ten aanzien van de wel of niet aansluiting op een recreatief netwerk heeft verweerder een andere afweging gemaakt dan verzoekers die wenselijk achten. Hiermee is de afweging van verweerder echter geen onjuiste.

Voor zover verzoekers overlast vrezen door de aanleg van het voetpad omdat het zal worden gebruikt als hondenuitlaatgebied of als fiets- en brommerpad, overweegt de rechtbank dat dit geen weigeringsgrond voor het verlenen van de aanlegvergunning kan opleveren omdat de bestemmingsplannen de aanleg van het voetpad mogelijk maken en artikel 3.16 van de Wro een limitatief imperatief vergunningenstelsel kent.

Gelet op voorgaande overwegingen is het beroep van verzoekers ongegrond. Nu het beroep ongegrond wordt verklaard, bestaat er geen aanleiding om het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe te wijzen. Het verzoek daartoe wordt om die reden afgewezen. De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig om een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 Awb uit te spreken.

III. Beslissing

De voorzieningenrechter:

Ten aanzien van het beroep

- verklaart het beroep ongegrond;

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Wentholt, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. L.A. Post, griffier.

mr. L.A. Post mr. K. Wentholt

In het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2009

Uitsluitend tegen de uitspraak op het beroep kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ’s- Gravenhage. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019 te 2500 EA ’s-Gravenhage binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van de verzending van de uitspraak door de griffier.

Afschrift verzonden op: