Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2009:BJ9649

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
06-10-2009
Datum publicatie
08-10-2009
Zaaknummer
19/830049-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad om [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Verdachte is zodanig op [slachtoffer 1] afgereden dat deze geen andere mogelijkheid om een ongeval te voorkomen zag dan door op de motorkap te gaan zitten. Vervolgens heeft verdachte niets ondernomen om zijn voertuig tot stilstand te brengen toen hij bemerkte dat [slachtoffer 1] op de motorkap van zijn auto was terechtgekomen. Verdachte is doorgereden met een dusdanige snelheid dat [slachtoffer 1] niet in de gelegenheid was van de motorkap af te stappen en heeft zich van de motorkap moeten laten afglijden. Door zo te handelen heeft de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer door dat handelen zwaar lichamelijk letsel kon bekomen. Dat het slachtoffer geen zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen is een toevallige omstandigheid, de kans daartoe was echter aanmerkelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19.830049-09

vonnis van de Meervoudige kamer d.d. 06 oktober 2009 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956,

wonende [adres].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 22 september 2009.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.B. Pieters, advocaat te Hoogeveen.

Tenlastelegging

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

hij op of omstreeks 19 februari 2009 te Valthe, gemeente Borger-Odoorn, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een motorvoertuig (personenauto) op die [slachtoffer 1], (die aldaar als verkeersregelaar werkzaam was) is afgereden/ingereden, althans zeer dicht langs die [slachtoffer 1] is gereden en/of terwijl die [slachtoffer 1] vervolgens op de motorkap van dat voertuig is terecht gekomen, is doorgereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 19 februari 2009 te Valthe, gemeente Borger-Odoorn, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,

immers is verdachte opzettelijk dreigend met een motorvoertuig (personenauto) op die [slachtoffer 1], (die aldaar als verkeersregelaar werkzaam was) afgereden/ingereden, althans zeer dicht langs die [slachtoffer 1] gereden en/of terwijl die [slachtoffer 1] vervolgens op de motorkap van dat voertuig terecht kwam, met dat motorvoertuig doorgereden;

althans, indien ook terzake van het laatstvermelde geen veroordeling mocht

volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 19 februari 2009 te Valthe, gemeente Borger-Odoorn, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Weerdingerweg, (terwijl daar weg-/bermwerkzaamheden plaats vonden) nadat hij gestopt was, zijn weg is vervolgd zonder dat hij daartoe een teken (van een verkeersregelaar) had gekregen en/of daartoe gerechtigd was en/of (vervolgens) op [slachtoffer 1], (die aldaar als verkeersregelaar werkzaam was) is afgereden/ingereden, althans zeer dicht langs die [slachtoffer 1] is

gereden en/of terwijl die [slachtoffer 1] vervolgens op de motorkap van dat voertuig is terecht gekomen, is doorgereden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. A.M. de Vries acht hetgeen primair is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank als volgt zal beslissen:

drie maanden gevangenisstraf, voorwaardelijk, proeftijd 2 jaren, een werkstraf van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis en 6 maanden rijontzegging, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Bewijsmotivering

Aangever [slachtoffer 1] verklaart dat hij op 19 februari 2009 als verkeersregelaar aan het werk is op de Weerdingerweg te Valthe. Aangever draagt een oranje gekleurd hesje met daarop de tekst ‘verkeersregelaar’.

Aangevers taak is om het rijdende verkeer uit beide richtingen stop te zetten. Aangever had een aantal bestuurders van personenauto’s een stopteken gegeven. Dan ziet hij van uit zijn ooghoeken collega [collega] de weg oprennen om een bestuurder die langs de stilstaande auto’s rijdt een stopteken te geven. Die bestuurder voldoet daaraan en staat op een afstand van 4 à 5 meter stil voor aangever. Die bestuurder is dan de eerste auto in de rij.

Als de weg weer vrijgegeven is geeft aangever aan de automobilisten die uit de richting van Weerdinge komen een teken dat zij mogen oprijden. Als aangever in de verte nog een auto uit de richting van Weerdinge ziet naderen besluit hij die auto ook nog voor te laten. De automobilisten uit de richting Valthe moeten dus nog even wachten. Aangever staat met zijn rug naar die automobilisten.

Aangever hoort dan dat de eerste auto achter hem gas geeft en als hij zich omdraait ziet hij die auto doorrijden. Aangever geeft dan een klap op de voorruit van die auto aan de passagierszijde. Aangever gaat voor de bewuste auto staan. Aangever heeft op die momenten geen contact met de bestuurder van die auto.

Aangever hoort dat de bestuurder gas geeft en ziet dat die bestuurder met zijn auto op hem inrijdt. Aangever staat op dat moment schuin en vlak voor die auto op ongeveer een halve meter afstand aan de rechter bermkant gezien vanuit de richting Valthe. De bestuurder trekt op en aangever kan niet meer wegspringen. Zijn enige keus is om op de motorkap te wippen om niet onder de auto terecht te komen. Aangever voelt de bumper van de auto in zijn knieën. Aangever merkt als hij op de rechterzijde van de motorkap zit, dat de bestuurder doorrijdt. Doordat de bestuurder steeds harder gaat rijden kan aangever niet meer van de motorkap afstappen en glijdt hij door de snelheid van de auto, van de motorkap af. De auto heeft dan al ongeveer 40 tot 50 meter afgelegd. Aangever valt in de berm en voelt direct pijn aan linkerzijde van zijn lichaam. Aangever blijkt na onderzoek in het ziekenhuis een zwaar gekneusde linker elleboog te hebben. Aangever heeft daar veel pijn aan.

De verklaring van aangever wordt onder andere ondersteund door de getuigenverklaring van [getuige]. Getuige [getuige] verklaart dat hij aanvankelijk de eerste auto in de rij was die moest wachten. {getuige] geeft aan dat voordat hij voor de afzetting moest stoppen er een zwarte auto achter hem reed die kennelijk haast had. Als [getuige] zijn auto stilzet toetert de bestuurder van de zwarte auto met het doel dat [getuige] nog wat doorrijdt. Na zo’n 20 seconden rijdt de zwarte auto [getuige] ineens voorbij. Hij komt voor [getuige] tot stilstand omdat hij een stopteken van de verkeersregelaar krijgt. De situatie is dan zo dat door deze manoeuvre er voor het tegemoetkomende verkeer weinig ruimte is. De bestuurder van de zwarte auto reageert ook niet op aanwijzingen van de verkeersregelaar om ruimte te maken voor het tegemoetkomende verkeer.

De verkeersregelaar geeft dan een teken aan het tegemoetkomende verkeer dat deze door kunnen rijden.

Toen de laatste tegemoetkomende auto gepasseerd was ziet [getuige] de verkeersregelaar nog even achterom kijken en dat hij op dat moment de bestuurder van de zwarte auto nog een stopteken geeft.

[getuige] ziet dat de bestuurder van de zwarte auto optrekt en daarmee de verkeersregelaar verrast. De verkeersregelaar wordt geraakt aan zijn heup en [getuige] ziet dat de verkeersregelaar schrikt. Hij geeft wederom een stopteken door zijn hand op te steken. De verkeersregelaar staat dan inmiddels naast de auto aan de passagierskant en klopt op het raam. De bestuurder van de zwarte auto rijdt door en de verkeersregelaar loopt mee om te proberen de auto te stoppen. De verkeersregelaar blijft proberen de auto te stoppen door er half voor te gaan staan. De verkeersregelaar gaat op een gegeven moment met zijn billen op de motorkap van die auto zitten terwijl de auto nog rijdt. [getuige] ziet de verkeersregelaar op de motorkap zitten en dat de auto verder optrekt en niet meer stopt. De verkeersregelaar springt op een gegeven moment van de motorkap af.

De verklaringen die de verdachte bij de politie heeft afgelegd ondersteunen in grote lijnen de verklaringen van aangever [slachtoffer 1] en getuige [getuige].

In zijn eerste verklaring verklaart verdachte dat hij om de eerst wachtende auto is heengereden en dat hij toen niet verder kon rijden omdat er mensen op de rijbaan bezig waren. Als de weg vrij is wil verdachte verder rijden en ziet hij een van de mannen langs zijn auto lopen aan de passagierskant. Deze man slaat op het dak van zijn auto. Als verdachte hem vraagt wat er aan de hand is zegt de man dat hij moet blijven staan. Verdachte vindt dat hij verder kan rijden en doet dat ook. Hij rijdt in de eerste versnelling verder en ziet dat de bewuste man op de motorkap van zijn auto springt. Verdachte denkt dat de man voor zijn auto wil gaan staan en omdat hij al rijdt is de man op de motorkap terecht gekomen. Verdachte stuurt direct naar links maar de man blijft zitten. Verdachte is doorgereden terwijl de man op de motorkap van zijn auto zit en is niet gestopt nadat de man van de motorkap is afgegaan.

In zijn tweede verklaring geeft verdachte aan hij gestresst is weggereden van huis en dat hij mogelijk niet zo goed reed als anders. Verdachte was op weg naar de cardioloog en was wat verlaat.

Als verdachte vooraan staat ziet hij dat de man op hem toekomt en dat hij zijn hand voor het raam doet als teken dat verdachte moet wachten. Toen de auto’s van de andere kant waren gepasseerd wil verdachte verder rijden. De man slaat met zijn hand op het dak van de auto van verdachte en roept ‘staan blijven’. De man staat op dat moment voor de auto van verdachte. Hij gebaart naar de andere auto’s dat ze door kunnen rijden.

Als de weg vrij is besluit verdachte door te rijden. De man staat dan niet meer op de weg. Verdachte stuurt zijn auto dan wat naar links en rijdt weg. De bewuste man springt vervolgens op de motorkap van zijn auto. Verdachte rijdt door met de gedachte dat de man er wel weer zal afspringen.

Verdachte verklaart dat hij door is gereden nadat de man van de motorkap was afgesprongen. Verdachte verklaart dat hij het zo benauwd had en naar het ziekenhuis wilde.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 19 februari 2009 te Valthe, gemeente Borger-Odoorn, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een motorvoertuig (personenauto) op die [slachtoffer 1], die aldaar als verkeersregelaar werkzaam was, is afgereden en terwijl die [slachtoffer 1] vervolgens op de motorkap van dat voertuig is terecht gekomen, is doorgereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de bewezenverklaring.

De verdachte zal van het onder primair meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad om [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Verdachte is zodanig op [slachtoffer 1] afgereden dat deze geen andere mogelijkheid om een ongeval te voorkomen zag dan door op de motorkap te gaan zitten. Vervolgens heeft verdachte niets ondernomen om zijn voertuig tot stilstand te brengen toen hij bemerkte dat [slachtoffer 1] op de motorkap van zijn auto was terechtgekomen. Verdachte is doorgereden met een dusdanige snelheid dat [slachtoffer 1] niet in de gelegenheid was van de motorkap af te stappen en heeft zich van de motorkap moeten laten afglijden. Door zo te handelen heeft de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer door dat handelen zwaar lichamelijk letsel kon bekomen. Dat het slachtoffer geen zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen is een toevallige omstandigheid, de kans daartoe was echter aanmerkelijk.

Kwalificatie

Het primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling,

strafbaar gesteld bij artikel 302 in verbinding met artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

Verweren met betrekking tot strafuitsluitingsgronden

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte een beroep toekomt op afwezigheid van alle schuld. Verdachte had ten tijde van het verweten feit pijn op de borst en had het bovendien benauwd. In die omstandigheden kon van verdachte niet verwacht worden een andere keuze te maken dan dat hij heeft gedaan.

De rechtbank volgt de raadsvrouw niet in haar standpunt.

Verdachte had op die dag een afspraak bij de cardioloog in het ziekenhuis in Emmen en is zoals hij heeft verklaard te laat van huis gegaan. Dat verdachte daardoor gehaast was en zich benauwd ging voelen en vervolgens gedreven was om de verloren tijd in te halen is voorstelbaar. De rechtbank is echter van oordeel dat niet gebleken is dat de lichamelijke toestand van verdachte niet dusdanig was dat hij geen andere keuzes heeft kunnen maken dan dat hij heeft gedaan. Van het ontbreken van alle schuld is geen sprake. De rechtbank verwerpt het gevoerde verweer.

Strafbaarheid

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat verder geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

De rechtbank heeft bewezen geacht dat verdachte met zijn auto op verkeersregelaar [slachtoffer 1] is afgereden en dat deze op de motorkap van de auto van verdachte is terecht-gekomen. Verdachte is met [slachtoffer 1] op de motorkap van zijn auto doorgereden en is nadien ook niet gestopt. Het hoeft geen betoog dat het hier om een zeer ernstig feit gaat, dat grote gevolgen had kunnen hebben voor het slachtoffer.

Zoals uit de bewijsmiddelen naar voren komt is [slachtoffer 1] van de motorkap afgegleden en is het opgelopen letsel door de val op de grond, beperkt gebleven.

De rechtbank rekent verdachte aan dat hij zijn eigen fysieke omstandigheden heeft laten prevaleren boven de veiligheid van [slachtoffer 1]. Door met [slachtoffer 1] op de motorkap verder te rijden getuigt niet van inzicht in verkeersveilig rijgedrag. De omstandigheid dat verdachte onvoldoende pogingen heeft ondernomen om [slachtoffer 1] op de hoogte te brengen van de fysieke toestand waarin verdachte op dat moment verkeerde, kan verdachte eveneens worden aangerekend.

Anderzijds laat de rechtbank meewegen dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen. De rechtbank acht aannemelijk dat er sprake was van een voor verdachte enigszins stressvolle situatie en dat hij daardoor keuzes heeft gemaakt die hij in een normale situatie niet zou maken. In dat opzicht acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals de officier van justitie die heeft gevorderd, niet opportuun.

De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden van oordeel dat in dit geval kan worden volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke werkstraf van na te noemen aantal uren. Hoewel verdachte fysieke beperkingen kent zijn die niet dusdanig dat moet worden afgezien van het opleggen van een werkstraf.

Motivering ontzegging van de rijbevoegdheid

De rechtbank is van oordeel dat aan de verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen moet worden ontzegd omdat de verdachte, als verkeersdeelnemer, met zijn auto heeft getracht het slachtoffer [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

De rechtbank is van oordeel dat deze periode gelijk dient te zijn aan de periode gedurende welke verdachtes rijbewijs reeds ingevorderd is geweest.

De rechtbank ziet geen meerwaarde in het daarenboven opleggen van een voorwaardelijke ontzegging zoals de officier van justitie heeft gevorderd. Gelet op het onderzoek ter terechtzitting acht de rechtbank het niet waarschijnlijk dat verdachte zich opnieuw op deze wijze in het verkeer zal gedragen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 22c, 22d en 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Daarnaast heeft de rechtbank gelet op de artikel 179a van de Wegenverkeerswet 1994.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart bewezen dat het primair tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het strafbare feit zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte primair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot

* een taakstraf bestaande uit 60 uren werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid met bevel dat, voor het geval de verdachte deze werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 30 dagen zal worden toegepast.

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren arbeid per dag voor de in verzekering doorgebrachte dagen.

De rechtbank ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van ZES MAANDEN en

bepaalt, dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip waarop deze bijkomende straf ingaat, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van deze bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.H.A. Fransen, voorzitter en mr. B.I. Klaassens en mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper, rechters in tegenwoordigheid van D.C. Witvoet, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 06 oktober 2009.