Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2009:BJ8772

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
29-09-2009
Datum publicatie
29-09-2009
Zaaknummer
19.830123-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank rekent het verdachte zeer zwaar aan dat hij onder invloed van alcohol en cannabis een auto, die niet geschikt was voor personenvervoer, heeft bestuurd en daarin zijn vrienden heeft meegenomen en met die auto een botsing heeft veroorzaakt waarbij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] om het leven zijn gekomen. De dood van beide jonge mensen heeft zeer veel leed berokkend bij de nabestaanden, zoals ook bleek tijdens het op de zitting voorlezen door de moeder van [slachtoffer 2] van haar schriftelijke slachtofferverklaring. Tijdens de zitting bleek dat ook op verdachte het dodelijk ongeval grote impact heeft gehad. De slachtoffers waren een neef en goede vriendin van hem met wie hij veel optrok. De rechtbank zal deze omstandigheden in de strafoplegging laten meewegen.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Wegenverkeerswet 1994 8
Wegenverkeerswet 1994 107
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Jwr 2009/100
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19.830123-09

vonnis van de Meervoudige kamer d.d. 29 september 2009 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

wonende te [adres], thans verblijvende in [plaats van detentie].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 15 september 2009.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. B.P.M. Canoy, advocaat te Leeuwarden.

Tenlastelegging

De verdachte is ingevolge de ter terechtzitting gewijzigde tenlastelegging bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

1.

hij op of omstreeks 8 mei 2009, te Hollandscheveld, althans in de gemeente

Hoogeveen, opzettelijk en wederrechtelijk een motorvoertuig, te weten een

(bedrijfs)auto, merk VW Golf, toebehorende aan [benadeelde 1], althans aan

een ander dan aan verdachte, en welke auto in de periode van 7 mei 2009 tot en

met 8 mei 2009 te Emmen in de gemeente Emmen (door verdachte en/of (een)

onbekend gebleven perso(o)n(en)) is weggenomen/ontvreemd,

heeft doen verongelukken en/of heeft vernield en/of beschadigd en/of

onbruikbaar gemaakt,

immers heeft hij, verdachte, met dat opzet,terwijl hem niet door de bevoegde

autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswt 1994 een

rijbewijs was afgegeven die bedrijfsauto bestuurd, waarbij

- in de laadruimte van die (bedrijfs)auto, die ongeschikt was

voor het vervoer van personen, twee personen vervoerd werden en/of

- passagiers werden vervoerd, terwijl ze geen deugdelijke gordels om hadden

en/of

- hij, verdachte onder invloed was van alcohol en/of cannabis en/of

amfetamine was en aldus in een toestand verkeerde, als bedoeld in artikel 8

van de Wegenverkeerswet 1994,

en aldus rijdende over de weg, de Hollandscheveldse Opgaande, met een hogere

snelheid dan de ter plaatse toegestane snelheid van 50 km/u, op een gegeven

moment de controle over de door hem bestuurde (bedrijfs)auto heeft verloren

en/of daarbij (vervolgens) met de door hem bestuurde (bedrijfs)auto in de

linker berm van die weg is terechtgekomen en daarbij (vervolgens) tegen een in

die berm staande boom is gebotst,

waardoor die (bedrijfs)auto is verongelukt en/of werd vernield en/of

beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt,

terwijl daarbij levensgevaar voor een ander of anderen, te weten de

inzittende(n) van die (bedrijfs)auto en/of mede-weggebruikers te duchten was,

en welk feit de dood van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] tot gevolg heeft gehad;

art 168 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen,

terzake dat

hij op of omstreeks 8 mei 2009, te Hollandscheveld, althans in de gemeente

Hoogeveen, opzettelijk [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] van het leven heeft

beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet een bedrijfsauto (Volswagen Golf

met (grijs) kenteken VX-22-YP) bestuurd, terwijl hem niet door de bevoegde

autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswt 1994 een

rijbewijs was afgegeven, waarbij

- in de laadruimte van die (bedrijfs)auto, die ongeschikt was

voor het vervoer van personen, twee personen vervoerd werden en/of

- passagiers werden vervoerd, terwijl ze geen deugdelijke gordels om hadden

en/of

- hij, verdachte onder invloed was van alcohol en/of cannabis en/of

amfetamine was en aldus in een toestand verkeerde, als bedoeld in artikel 8

van de Wegenverkeerswet 1994,

aldus rijdende over de weg, de Hollandscheveldse Opgaande, met een hogere

snelheid dan de ter plaatse toegestane snelheid van 50 km/u, op een gegeven

moment de controle over de door hem bestuurde (bedrijfs)auto heeft verloren

en/of daarbij (vervolgens) met de door hem bestuurde (bedrijfs)auto in de

linker berm van die weg is terechtgekomen en daarbij (vervolgens) tegen een in

die berm staande boom is gebotst,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zijn/is overleden;

art 287 Wetboek van Strafrecht

althans, indien ook terzake van het laatstvermelde geen veroordeling mocht

volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 8 mei 2009, te Hollandscheveld, althans in de gemeente

Hoogeveen, als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een (bedrijfs)auto,

merk VW Golf, daarmede rijdende over de Hollandscheveldse Opgaande, zich

zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval, te

weten een aanrijding/botsing tussen de/het door hem, verdachte bestuurd(e)

(bedrijfs)auto/motorrijtuig en een boom heeft plaatsgevonden,

door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of

onoplettend, immers heeft verdachte,

terwijl hem niet door de bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1

van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven die bedrijfsauto

bestuurd, waarbij

- in de laadruimte van die (bedrijfs)auto, die ongeschikt was

voor het vervoer van personen, twee personen vervoerd werden en/of

- passagiers werden vervoerd, terwijl ze geen deugdelijke gordels om hadden

en/of

- hij, verdachte onder invloed was van alcohol en/of cannabis en/of

amfetamine was en aldus in een toestand verkeerde, als bedoeld in artikel 8

van de Wegenverkeerswet 1994,

en aldus rijdende over de weg, de Hollandscheveldse Opgaande, met een hogere

snelheid dan de ter plaatse toegestane snelheid van 50 km/u, op een gegeven

moment de controle over de door hem bestuurde (bedrijfs)auto heeft verloren

en/of daarbij (vervolgens) met de door hem bestuurde (bedrijfs)auto in de

linker berm van die weg is terechtgekomen en daarbij (vervolgens) tegen een in

die berm staande boom is gebotst,

tengevolge van welke aanrijding/botsing [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] werd(en)

gedood,

terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8,

eerste, tweede en/of derde lid van de Wegenverkeerswet 1994;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 6 Wegenverkeerswet 1994

art 8 lid 1 Wegenverkeerswet 1994

art 8 lid 2 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994

art 8 lid 2 ahf/ond b Wegenverkeerswet 1994

2.

hij in of omstreeks de periode van 7 mei 2009 tot en 8 mei 2009, te Emmen in

de gemeente Emmen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

een (bedrijfs)auto (merk: VW Golf), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [benadeelde 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s)

de weg te nemen auto onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel

van braak, verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 08 mei 2009 in de gemeente Emmen, tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening bij tankstation "[tankstation”] aan/nabij de [adres], heeft

weggenomen een hoeveelheid diesel, althans brandstof, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 2] en/of tankstation "[naam tankstation]”, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen,

terzake dat

hij op of omstreeks 08 mei 2009 in de gemeente Emmen, tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een hoeveelheid diesel,

in elk geval een hoeveelheid brandstof, geheel of ten dele toebehorende aan

[benadeelde 2] en/of tankstation [naam tankstation], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke benzine verdachte

en/of zijn mededader(s) bij een voor zelfbediening ingerichte

benzinepompinstallatie, gelegen aan de [adres], had(den) getankt, onder

gehoudenheid die benzine te betalen en welke benzine verdachte en/of zijn

mededader(s) aldus anders dan door misdrijf onder zich had(den),

wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

art 321 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 08 mei 2009 te Hollandscheveld, gemeente Hoogeveen, als

bestuurder van een motorrijtuig (auto) heeft gereden op de weg, de

Hollandscheveldse Opgaande, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde

autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een

rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat

motorrijtuig behoorde;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 107 lid 1 Wegenverkeerswet 1994

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Eis van officier van justitie

De officier van justitie mr. S. Kromdijk acht hetgeen onder 1 subsidiair, 2, 3 primair en 4 is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank als volgt zal beslissen:

ten aanzien van feiten 1 t/m 3:

- 5 jaar gevangenisstraf;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij], ten bedrage van € 6094,94, alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

- gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1], ten bedrage van € 1.574,32, rest van de vordering niet ontvankelijk, alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

ten aanzien van feit 4:

- een geldboete van € 250,--, subsidiair 5 dagen hechtenis.

Vrijspraak

De verdachte dient van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank acht, evenals de officier van justitie en verdachte en diens raadsman, het onder 1 primair tenlastegelegde niet bewezen. De rechtbank acht met name niet bewezen, dat verdachte de bedrijfsauto opzettelijk heeft doen verongelukken.

De rechtbank acht, evenals verdachte en diens raadsman, het onder 1 subsidiair niet bewezen. De rechtbank overweegt hierbij dat niet kan worden bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de dood van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] die zich in de door verdachte bestuurde bedrijfsauto bevonden. Verdachte, die niet in het bezit was van een geldig rijbewijs, heeft onder invloed van alcohol en cannabis de bedrijfsauto bestuurd. Bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8 van Wegenverkeerswet 1994, werd door het Nederlands Forensisch Instituut als alcoholgehalte in het bloed van verdachte 0.55 milligram ethanol per milliliter bloed vastgesteld. Tevens heeft het Nederlands Forensische Instituut geconcludeerd dat op grond van de concentratie van THC in het bloed van verdachte en de onderlinge verhoudingen van cannabinoïden geconcludeerd kan worden dat verdachtes rijvaardigheid waarschijnlijk negatief beïnvloed was. De betrokken auto bleek ongeschikt voor personenvervoer en de passagiers droegen geen gordels. De door verdachte bestuurde bedrijfsauto is door niet duidelijk geworden oorzaak, met een hogere dan de ter plaatse toegestane snelheid van 50 km/u, in de linker berm tegen een boom gebotst, tengevolge waarvan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn overleden.

Uit het bij verdachte aangetroffen alcoholgehalte kan niet worden geconcludeerd dat hij zwaar onder invloed van alcohol heeft gereden. Uit de Verkeersongeval Analyse kan worden geconcludeerd dat verdachte de maximum ter plekke geldende maximumsnelheid van 50 km/u heeft overgeschreden. De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden bewezen dat deze overschrijding substantieel is geweest. Uit de enkele omstandigheid dat verdachte geen geldig rijbewijs heeft kan bovendien niet volgen dat verdachte niet of onvoldoende in staat was om een auto te besturen. Tevens is van belang dat onduidelijk is waarom of waardoor verdachte met de auto tegen de boom is gereden.

Uit de feitelijke omstandigheden en handelingen, zoals deze hierboven zijn omschreven, kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet worden geconcludeerd dat de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ten gevolge van zijn handelen zouden kunnen komen te overlijden.

Bewijsmotivering

Nu verdachte hetgeen de rechtbank bewezen zal verklaren heeft bekend en nadien niet anders heeft verklaard en hij noch zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit zal de rechtbank volstaan met een opgave van bewijsmiddelen.

Opgave bewijsmiddelen.

Feit 1 meer subsidiair:

- een proces-verbaal van politie Drenthe, registratienummer: 2009010198-41, inhoudende de verklaring van verbalisanten [verbalisanten];

- een proces-verbaal Verkeersongeval Analyse van de politie Drenthe, PV-nummer: 2332.1150, inhoudende de verklaring van verbalisanten [verbalisanten];

- een proces-verbaal van politie Drenthe, registratienummer 2009010198-13, inhoudende op pagina 44ev de verklaring van verdachte [verdachte];

- een proces-verbaal van politie Drenthe, registratienummer 2009010198-39, inhoudende op pagina 89ev de verklaring van getuige [getuige 1];

- een deskundigenrapport van ing. [deskundige] van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 19 mei 2009, betreffende het alcoholgehalte in het bloed van verdachte;

- een toxicologisch onderzoek door apotheker-toxicoloog dr. [apotheker-toxicoloog] van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 17 juni 2009, betreffende aanwezigheid van drugs en/of geneesmiddelen in het bloed van verdachte;

- de door verdachte ter terechtzitting afgelegde bekennende verklaring.

Feit 2:

- een proces-verbaal van politie Drenthe, registratienummer: 2009010437-1, inhoudende op pagina 121ev de verklaring van aangever [aangever 1];

- een proces-verbaal van politie Drenthe, registratienummer: 2009010198-38, inhoudende op pagina 135ev de verklaring van [getuige 1];

- de door verdachte ter terechtzitting afgelegde bekennende verklaring.

Feit 3 primair:

- een proces-verbaal van politie Drenthe, registratienummer: 2009010252-1, inhoudende op pagina 141ev de verklaring van aangever [aangever 2];

- een proces-verbaal van politie Drenthe, registratienummer: 2009010198-38, inhoudende op pagina 154ev de verklaring van [getuige 1].

- de door verdachte ter terechtzitting afgelegde bekennende verklaring.

Feit 4:

- een proces-verbaal van politie Drenthe, proces-verbaalnummer: 2009010198, inhoudende op pagina 4ev het relaas van verbalisanten [verbalisanten];

- de door verdachte ter terechtzitting afgelegde bekennende verklaring.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair, 2, 3 primair en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 8 mei 2009, te Hollandscheveld, als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een bedrijfsauto, merk VW Golf, daarmede rijdende over de Hollandscheveldse Opgaande, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval, te weten een botsing tussen de door hem, verdachte, bestuurde bedrijfsauto en een boom heeft plaatsgevonden, door zeer onvoorzichtig, immers heeft verdachte, terwijl hem niet door de bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven, die bedrijfsauto bestuurd, waarbij

- in de laadruimte van die bedrijfsauto, die ongeschikt was voor het vervoer van personen, twee personen vervoerd werden en

- passagiers werden vervoerd, terwijl ze geen deugdelijke gordels om hadden en

- hij, verdachte onder invloed was van alcohol en cannabis en aldus in een toestand verkeerde, als bedoeld in artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994,

en aldus rijdende over de weg, de Hollandscheveldse Opgaande, met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane snelheid van 50 km/u, op een gegeven moment de controle over de door hem bestuurde bedrijfsauto heeft verloren en daarbij vervolgens met de door hem bestuurde bedrijfsauto in de linker berm van die weg is terechtgekomen en daarbij vervolgens tegen een in die berm staande boom is gebotst, tengevolge van welke botsing [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] werden gedood terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste en derde lid van de Wegenverkeerswet 1994;

2.

hij op 7 mei 2009, te Emmen in de gemeente Emmen, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bedrijfsauto (merk: VW Golf), toebehorende aan een ander of anderen dan aan

verdachte en zijn mededaders;

3.

hij op 08 mei 2009 in de gemeente Emmen, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening bij tankstation "[tankstation]” aan de adres], heeft weggenomen een hoeveelheid diesel, toebehorende aan [benadeelde 2] of [tankstation]”;

4.

hij op 08 mei 2009 te Hollandscheveld, gemeente Hoogeveen, als bestuurder van een motorrijtuig (auto) heeft gereden op de weg, de Hollandscheveldse Opgaande, zonder dat aan hem door de bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de bewezenverklaring. Elk bewijsmiddel is slechts gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdachte zal van het onder 1 meer subsidiair, 2, 3 primair en 4 meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

De rechtbank acht ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair telastegelegde, gelet op de eerder door de rechtbank beschreven omstandigheden waaronder de botsing heeft plaatsgevonden, niet bewezen dat verdachte roekeloos heeft gereden. Verdachte heeft weliswaar zeer onvoorzichtig gereden, maar heeft niet welbewust onaanvaardbare risico’s genomen met ernstige gevolgen.

Kwalificaties

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op:

onder 1 meer subsidiair : Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een andere wordt gedood, terwijl degene die aan dat feit schuldig is verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste en derde lid van die wet, meermalen gepleegd,

telkens strafbaar gesteld bij artikel 175 van de Wegenverkeerswet 1994;

onder 2: Diefstal door twee of meer verenigde personen,

strafbaar gesteld bij artikel 311 in verbinding met artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

onder 3 primair: Diefstal door twee of meer verenigde personen,

strafbaar gesteld bij artikel 311 in verbinding met artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

onder 4: Overtreding van artikel 107, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994,

strafbaar gesteld bij artikel 177 van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straf in aanmerking de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan, hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte, de eis van de officier van justitie, het pleidooi van de raadsman van de verdachte en de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 20 augustus 2009, waaruit blijkt dat de verdachte eerder ter zake van misdrijven is veroordeeld.

De rechtbank rekent het verdachte zeer zwaar aan dat hij onder invloed van alcohol en cannabis een auto, die niet geschikt was voor personenvervoer, heeft bestuurd en daarin zijn vrienden heeft meegenomen en met die auto een botsing heeft veroorzaakt waarbij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] om het leven zijn gekomen. De dood van beide jonge mensen heeft zeer veel leed berokkend bij de nabestaanden, zoals ook bleek tijdens het op de zitting voorlezen door de moeder van [slachtoffer 2] van haar schriftelijke slachtofferverklaring. Tijdens de zitting bleek dat ook op verdachte het dodelijk ongeval grote impact heeft gehad. De slachtoffers waren een neef en goede vriendin van hem met wie hij veel optrok. De rechtbank zal deze omstandigheden in de strafoplegging laten meewegen. Blijkens de landelijke oriëntatiepunten voor de straftoemeting dient er ter zake van een grove verkeersfout met dodelijke afloop in beginsel 18 maanden gevangenisstraf worden opgelegd.

Verdachte heeft zich tevens schuldig gemaakt aan twee gekwalificeerde diefstallen en hij heeft gereden zonder rijbewijs. De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat in dit geval ter zake van de misdrijven onder 1, 2 en 3 een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur geboden is. De rechtbank heeft bij het vaststellen van de op te leggen geldboete ter zake van de overtreding onder 4 rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte voorzover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, in de mate waarin de rechtbank dat nodig acht met het oog op een passende bestraffing van de verdachte.

Benadeelde partij [benadeelde partij]

De rechtbank acht het causaal verband tussen het bewezen verklaarde feit en de schade alsmede de aansprakelijkheid van de verdachte voor die schade bewezen. Het gevorderde bedrag acht zij voldoende aannemelijk gemaakt. De civiele vordering is dan ook gegrond en voor toewijzing vatbaar.

Benadeelde partij [benadeelde 1]

De rechtbank acht het causaal verband tussen het bewezen verklaarde feit en de schade alsmede de aansprakelijkheid van de verdachte voor die schade bewezen. De vordering acht zij tot na te noemen bedrag voldoende aannemelijk gemaakt. De rechtbank zal als voorschot € 700,- als waarde van de auto toewijzen, zijnde dit bedrag door verdachte niet betwist. Tevens acht de rechtbank een bedrag van € 174,32, zijnde betaalde belasting en autoverzekering, toewijsbaar. De civiele vordering is dan ook gegrond en tot een bedrag van € 874,32 voor toewijzing vatbaar. Voor het overige, de meerwaarde van de auto en de goederen in de auto, acht de rechtbank de benadeelde partij niet ontvankelijk in haar vordering, nu dit deel van de vordering niet van eenvoudige aard is. Voor dit deel kan de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Schadevergoedingsmaatregel

Met betrekking tot de onder 1 meer subsidiair en 2 bewezen verklaarde feiten acht de rechtbank de verdachte jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht tot na te noemen bedragen aansprakelijk voor de schade, die door de strafbare feiten zijn toegebracht.

Aan de verdachte zal de verplichting worden opgelegd die bedragen aan de Staat te betalen ten behoeve van de slachtoffers.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 24, 24c, 27, 36f, 57, 62 en 91 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair en subsidiair is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank verklaart bewezen dat het onder 1 meer subsidiair, 2, 3 primair en 4 tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 meer subsidiair, 2, 3 primair en 4 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte:

met betrekking tot de feiten 1 meer subsidiair, 2, 3 primair tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden;

met betrekking tot feit 4 tot:

- een geldboete ten bedrage van € 250,00 met bevel dat, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, vervangende hechtenis voor de duur van 5 dagen zal worden toegepast.

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij] van de som van € 6.094,95 en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij], een bedrag van € 6.094,95 te betalen, bij gebreke van betaling te vervangen door 65 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en verstaat dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voormeld bedrag ten behoeve van het slachtoffer de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij doet vervallen, alsmede dat betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partij de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag doet vervallen.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] van de som van € 874,32 en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil. De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is en dat zij dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. De benadeelde partij en de verdachte dragen de eigen kosten.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1], een bedrag van € 874,32 te betalen, bij gebreke van betaling te vervangen door 17 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en verstaat dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voormeld bedrag ten behoeve van het slachtoffer de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij doet vervallen, alsmede dat betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partij de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Schoemaker, voorzitter en mr. J.G. de Bock en

mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper, rechters in tegenwoordigheid van J. Hoogeveen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 29 september 2009.