Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2009:BJ6345

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
28-08-2009
Datum publicatie
28-08-2009
Zaaknummer
19/810103-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht bewezen dat verdachte over een periode van twaalf maanden heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van handel in cocaïne en het plegen van afpersingen, bedreigingen en mishandelingen.

Verdachte stond (mede) aan het hoofd van deze organisatie. Er was sprake van een duurzaam samenwerkingsverband met een duidelijke structuur, gericht op het plegen van misdrijven. Uit de stukken blijkt zondermeer dat de impact van deze organisatie aanzienlijk was, zowel in de drugswereld als in de horeca in Emmen. De angst voor “de Albanezen” zat er goed in in Emmen, hetgeen gelet het optreden van de groep (controleren, intimideren, mishandelen, afpersen en bedreigen) niet verwonderlijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19/810103-08

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 28 augustus 2009 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats en –land] op [geboortedatum] 1971,

thans gedetineerd in het huis van bewaring te Zwolle.

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 19 juni en 14 augustus 2009.

De verdachte is verschenen ter terechtzitting van 14 augustus 2009. Hij werd bijgestaan door mr. H. Bos, advocaat te Amsterdam.

Tenlastelegging

De verdachte is ingevolge de ter terechtzitting van 14 augustus 2009 gewijzigde tenlastelegging bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2005 tot en met 13 februari 2009 in de gemeente Emmen, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband tussen [namen medeverdachten] en/of anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het handelen in middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst(en) I en/of II en/of het voorhanden hebben van (vuur)wapens en/of het plegen van afpersingen, bedreigingen en/of mishandelingen, zijnde verdachte (een van) de oprichter(s) en/of leider(s) en/of bestuurder(s) van die organisatie;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2005 tot en met 13 februari 2009 in de gemeente Emmen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 11 februari 2008 in de gemeente Emmen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot

- de afgifte van geld en/of drugs (middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst(en) I en/of II), in elk geval van enig goed, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 1], of aan een derde en/of

- tot het aangaan van een schuld, namelijk de verplichting om te handelen in drugs (middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst(en) I en/of II),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld (telkens) hierin bestond(en) dat verdachte en/of die mededader(s)

- dreigend tegen die [slachtoffer 1] hebben/heeft gezegd dat hij/zij deze zou(den) ontvoeren met de vriendin van die [slachtoffer 1] erbij als die [slachtoffer 1] niet voor verdachte en/of die mededader(s) zou gaan dealen, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- dreigend tegen die [slachtoffer 1] hebben/heeft gezegd dat diens tenen eraf gesneden zouden worden en/of dat zijn hoofd kapot gemaakt zou worden en/of dat hij dood gemaakt zou worden en/of dat hij in elkaar geslagen zou worden n/of dat hij vermoord zou worden, althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- die [slachtoffer 1] hebben/heeft gestompt en/of geslagen en/of

- (een) ander(en) hebben/heeft mishandeld in het bijzijn van die [slachtoffer 1]

en/of

- (een) ander(en) hebben/heeft mishandeld, welk(e) feit(en) naderhand bij die [slachtoffer 1] bekend zijn/is geworden en/of

- (een) ander(en) hebben/heeft bedreigd met (een) (vuur)wapen(s), welk(e) feit(en) naderhand bij die [slachtoffer 1] bekend zijn/is geworden en/of

- die [slachtoffer 1]met een stok, althans een hard voorwerp, hebben/heeft geslagen;

4.

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 22 april 2008 in de gemeente Emmen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot

- de afgifte van geld en/of drugs (middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst(en) I en/of II), in elk geval van enig goed, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 2], of aan een derde en/of

- tot het aangaan van een schuld, namelijk de verplichting om te handelen in drugs (middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst(en) I en/of II),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld (telkens) hierin bestond(en) dat verdachte en/of die mededader(s)

- dreigend tegen die [slachtoffer 2] hebben heeft gezegd dat deze klappen zou krijgen en/of alles kwijt zou raken als die [slachtoffer 2] achter de rug van verdachte en/of die mededader(s) om coke zou verkopen en/of

- die [slachtoffer] hebben/heeft gestompt en/of geslagen en/of

- die [slachtoffer 1] en/of (een) ander(en) in een auto hebben/heeft meegenomen naar een bos en/of (daarbij) op intimiderende wijze een stok, althans een slagvoorwerp, hebben/heeft meegenomen en/of

- zichtbaar voor die [slachtoffer 1] (een) ander(en) hebben/heeft mishandeld

en/of

- (een) ander(en) hebben/heeft mishandeld, welk(e) feit(en) die [slachtoffer 1] (naderhand) ter ore zijn/is gekomen en/of

- er onderling in het bijzijn van en hoorbaar voor die [slachtoffer 1] over hebben gesproken die [slachtoffer 1] dood te schieten en/of deze in een sloot te gooien om hem daar dood te laten vriezen, althans woorden van gelijke dreigend aard en/of strekking;

5.

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2007 tot en met 30 november 2007 in de gemeente Emmen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag (van eur 400,--), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde] en/of tegen [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heter daad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of die mededader(s)

- die [benadeelde] en/of die [slachtoffer 1] hebben/heeft gestompt en/of geslagen en/of

- dreigend en zichtbaar voor die [benadeelde] en/of die [slachtoffer 1] een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de hand hebben/heeft genomen en/of (daarbij) dreigend tegen die [benadeelde] en/of die [slachtoffer 1] hebben/heeft gezegd dat de vingers van die [benadeelde] eraf gesneden zouden worden als die [benadeelde] niet voor verdachte en/of die mededader(s) zou gaan verkopen;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen,

terzake dat

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2007 tot en met 30 november 2007 in de gemeente Emmen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (van eur 400,--), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of die mededader(s)

- die [benadeelde] en/of [slachtoffer 1], die bij die [benadeelde] was, hebben/heeft gestompt en/of geslagen en/of

- dreigend en zichtbaar voor die [benadeelde] en/of die [slachtoffer 1] een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de hand hebben/heeft genomen en/of (daarbij) dreigend tegen die [benadeelde] en/of die [slachtoffer 1] hebben/heeft gezegd dat de vingers van die [benadeelde] eraf gesneden zouden worden als die [benadeelde] niet voor verdachte en/of die mededader(s) zou gaan verkopen;

6.

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2007 tot en met 31 december 2007 te Musselkanaal, gemeente Stadskanaal en/of in de gemeente Emmen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (van eur 5.000,--), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 3] of aan een derde, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte

en/of die mededader(s)

- dreigend tegen die [slachtoffer 3] hebben/heeft gezegd dat deze eur 5.000,-- moest betalen omdat anders hij en zijn gezin in de problemen zouden komen en als die [slachtoffer 3] zou betalen, dan zouden verdachte en/of die mededader(s) die [slachtoffer 3] beschermen, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- dreigend tegen die [slachtoffer 3] hebben/heeft gezegd dat deze drie dagen de tijd kreeg, anders zouden hij en zijn gezin grote problemen krijgen en dat zij dan niet meer veilig zouden zijn en dat die [slachtoffer 3] aan zijn kinderen moest denken, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- die [slachtoffer 3] (meermalen) een revolver, althans een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, hebben/heeft getoond en/of

- die revolver/dat vuurwapen/dat voorwerp op die [slachtoffer 3] hebben/heeft gericht en/of

- die [slachtoffer 3] hebben/heeft gestompt en/of geslagen en/of

- dreigend tegen die [slachtoffer 3] hebben/heeft gezegd dat hij moest betalen, anders zou hij doodgeschoten worden en zou zijn familie ook iets aangedaan worden, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor blijkens het onderzoek ter terechtzitting niet geschaad in de verdediging.

De rechtbank zal, waar in de tenlastelegging staat “verdachte en/of zijn mededader(s)” lezen alsof daar staat “verdachte en/of zijn medeverdachte(n)”. De term mededader namelijk impliceert dat verdachte ook als dader moet worden aangemerkt, hetgeen in strijd is met de presumptie van onschuld: een verdachte dient tot aan het moment van onherroepelijke bewezenverklaring van het hem tenlastegelegde voor onschuldig te worden gehouden.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie, mr. J. Hoekman, acht hetgeen onder 1., 2., 3., 4., 5. primair en 6. is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank als volgt zal beslissen: acht jaren gevangenisstraf met aftrek van voorarrest en toewijzing van de civiele vordering van [benadeelde] tot een bedrag van € 400,--, tevens in de vorm van een schadevergoedingsmaatregel met een vervangende hechtenis van acht dagen, en niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in het meer gevorderde.

Verweren ten aanzien van de voorvragen

De raadsvrouw van de verdachte heeft onder meer aangevoerd dat de dagvaarding met betrekking tot het onder 1. tenlastegelegde met betrekking tot het zinsdeel “en/of anderen” nietig dient te worden verklaard, nu de tenlastelegging te dien aanzien onvoldoende concreet is. Er worden immers zeer veel namen genoemd in het uitgebreide opsporingsonderzoek. Daarbij worden de namen van de medeverdachten [namen medeverdachten], aan wie eveneens deelneming aan een criminele organisatie is tenlastegelegd en die zich op 13 augustus 2009 voor de rechtbank dienden te verantwoorden, in de tenlastelegging van verdachte niet genoemd, waardoor de indruk wordt gewekt dat er twee criminele organisaties waren: één waarvan [namen medeverdachten] deel uitmaakten en één waarvan zij geen deel uitmaakten.

De rechtbank verwerpt dit verweer. De tenlastelegging voldoet, naar het oordeel van de rechtbank, aan de vereisten die de wet daaraan in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering stelt. Zij dient immers, in het kader van die beoordeling, niet geheel op zichzelf maar in samenhang met het onderliggend dossier gelezen te worden.

Het dossier is voldoende inzichtelijk en de stelling van de verdediging dat door de wijze van tenlastelegging de indruk is gewekt dat er twee criminele organisaties zouden zijn geweest, vindt op geen enkele wijze steun in het dossier.

Bovendien heeft de verdediging door de verzochte onderzoekshandelingen naar het oordeel van de rechtbank er blijk van gegeven dat zij zeer wel wist waartegen zij zich had te verdedigen.

De raadsvrouw van de verdachte heeft voorts aangevoerd dat de dagvaarding met betrekking tot het onder 2. tenlastegelegde nietig dient te worden verklaard.

De dagvaarding is naar tijd en plaats te onbepaald en verdachte heeft zich, aldus de raadsvrouw, blijkens zijn proceshouding niet adequaat tegen het tenlastegelegde kunnen verdedigen.

Ook dit verweer verwerpt de rechtbank. De tenlastelegging voldoet ook op dit onderdeel, vanwege de samenhang met het onderliggend dossier, naar het oordeel van de rechtbank aan de vereisten die de wet daaraan in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering stelt. Daarbij overweegt de rechtbank voorts dat het gebruikelijk is om overtredingen van de Opiumwet op een wijze ten laste te leggen als de officier van justitie in de onderhavige zaak heeft gedaan, hetgeen in vaste jurisprudentie van ons hoogste rechtscollege wordt aanvaard

Ook hier heeft de verdediging door de verzochte onderzoekshandelingen blijk gegeven van een grondige kennis van het dossier. Op geen enkele manier is aannemelijk geworden dat verdachte niet wist waartegen hij zich had te verweren. Naar het oordeel van de rechtbank kan de verdediging zich dan ook ten aanzien van het onder 2. tenlastegelegde naar behoren tegen de aanklacht verdedigen.

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat

er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Bewijsconstructie

Volgt bewijsconstructie

Bijzondere bewijsoverweging met betrekking tot feit 1

Met betrekking tot de deelname aan een organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht overweegt de rechtbank het volgende.

Voor de bewezenverklaring van 'een organisatie' als bedoeld in art. 140 Sr is vereist dat sprake is van een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en tenminste één andere persoon (vgl. HR 26 oktober 1993, LJN AD1974, NJ 1994, 161). Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat een persoon om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie (vgl. HR. 9 november 2004, LJN AQ8470) of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is (vgl. HR 29 januari 1991, NJB 1991, 50).

Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad is voorts af te leiden, dat voor een bewezenverklaring op grond van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht, niet nodig is de wil om lid te zijn in civielrechtelijke zin, doch het deelnemen in feitelijke zin aan een gestructureerd samenwerkingsverband, dat tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Deelneming aan de misdrijven waarop het oogmerk van de organisatie is gericht, is niet nodig. Volgens de Hoge Raad (HR 18 november 1997, NJ 1998, 225) is voor deelneming in de zin van voornoemd artikel voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. De betrokkene behoeft dus geen wetenschap te hebben van één of verscheidene concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd.

Van deelname aan een organisatie als bedoeld in genoemd artikel is sprake, indien de betrokkene behoort tot de organisatie en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.

Uit het onderzoek ter terechtzitting en het onderliggende procesdossier is vast komen te staan dat tussen verdachte en medeverdachte(n) contacten zijn geweest in verband met feiten betrekking hebbend op artikel 2 van de Opiumwet en met betrekking tot afpersingen, bedreigingen en mishandelingen, dat geoordeeld moet worden dat hij deel heeft uitgemaakt van een criminele organisatie als tenlastegelegd.

Naar het oordeel van de rechtbank is gebleken van een dusdanige nauwe samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten dat niet van doorslaggevend belang is wie feitelijk de ten laste gelegde handelingen (handelen in middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en het plegen van afpersingen, bedreigingen en mishandelingen) heeft verricht.

Er is sprake van een duidelijke organisatiestructuur met een min of meer vaste rolverdeling. De wijze waarop verschillende personen werden gedwongen te gaan dealen of geld af te geven aan leden van de criminele organisatie, komt overeen. Naast de vele verklaringen van “horen zeggen”, zijn er ook verklaringen van betrokkenen die uit eigen wetenschap en ervaring belastend hebben verklaard. Opvallend is dat de verhalen die naar voren komen uit de verklaringen van horen zeggen erg veel gelijkenis vertonen met de verklaringen van hen die er feitelijk bij geweest zijn.

In dit verband is naar het oordeel van de rechtbank voldoende komen vast te staan dat sprake was van een criminele organisatie met het oogmerk van het plegen van misdrijven, namelijk drugshandel en afpersing, en dat het niet slechts ging om geruchten.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het onder 1., 2., 3., 4., 5. primair en 6. tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 januari 2007 tot 1 januari 2008 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband tussen [namen medeverdachten] en anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het handelen in middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en het plegen van afpersingen, bedreigingen en mishandelingen, zijnde verdachte een van de leiders van die organisatie;

2.

hij in de periode van 1 januari 2007 tot 1 januari 2008 in de gemeente Emmen tezamen en in vereniging met anderen meermalen telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

hij op enig tijdstip in 2007 in de gemeente Emmen tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot

- tot het aangaan van een schuld, namelijk de verplichting om te handelen in drugs (middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I),

welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en/of die medeverdachten

- dreigend tegen die [slachtoffer 1] hebben/heeft gezegd dat diens tenen eraf gesneden zouden worden of dat hij in elkaar geslagen zou worden en

- een ander hebben/heeft mishandeld in het bijzijn van die [slachtoffer 1] en

- die [slachtoffer 1] met een stok hebben/heeft geslagen;

4.

hij op verschillende tijdstippen in 2007 in de gemeente Emmen tezamen en in vereniging met anderen telkens met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen telkens door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot

- de afgifte van geld en/of drugs (middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I), telkens geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 2], of aan een derde of

- tot het aangaan van een schuld, namelijk de verplichting om te handelen in drugs (middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I),

welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en/of die medeverdachten

- dreigend tegen die [slachtoffer 2] hebben heeft gezegd dat deze klappen zou krijgen en/of alles kwijt zou raken als die [slachtoffer 2] achter de rug van verdachte en/of die medeverdachten om coke zou verkopen en

- die [slachtoffer 2] hebben/heeft geslagen en

- die [slachtoffer 2] en anderen in een auto hebben meegenomen naar een bos en daarbij op intimiderende wijze een stok hebben/heeft meegenomen en

- zichtbaar voor die [slachtoffer 2] een ander hebben/heeft mishandeld en

- er onderling in het bijzijn van en hoorbaar voor die [slachtoffer 2] over hebben gesproken die [slachtoffer 2] dood te schieten of deze in een sloot te gooien om hem daar dood te laten vriezen;

5.

hij in de periode van 1 oktober 2007 tot en met 30 november 2007 in de gemeente Emmen tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van eur 400,--, toebehorende aan [benadeelde], welke diefstal werd voorafgegaan van geweld tegen die [benadeelde] en tegen [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat verdachte en die medeverdachten

- die [benadeelde] en die [slachtoffer 1] hebben geslagen;

6.

hij in de periode van 1 juli 2007 tot en met 31 december 2007 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van eur 5.000,--, toebehorende aan die [slachtoffer 3], welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en/of die medeverdachten

- dreigend tegen die [slachtoffer 3] hebben/heeft gezegd dat deze eur 5.000,-- moest betalen omdat anders hij en zijn gezin in de problemen zouden komen en

- dreigend tegen die [slachtoffer 3] hebben/heeft gezegd dat deze drie dagen de tijd kreeg, anders zouden hij en zijn gezin grote problemen krijgen en dat zij dan niet meer veilig zouden zijn en dat die [slachtoffer 3] aan zijn kinderen moest denken, en

- die [slachtoffer 3] hebben/heeft gestompt.

De betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen

De rechtbank heeft in de stukken geen aanleiding gevonden om te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de voor het bewijs van het tenlastegelegde gebruikte getuigenverklaringen. Weliswaar is veelal sprake van personen uit het drugscircuit, maar dit gegeven op zich is onvoldoende om de verklaringen die zijn afgelegd in het geheel als onbetrouwbaar te beschouwen.

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de bewezenverklaring. Elk bewijsmiddel is slechts gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Vrijspraak van hetgeen meer of anders is tenlastegelegd

De verdachte zal van het onder 1., 2., 3., 4., 5. primair en 6. meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

De rechtbank zal in het bijzonder ingaan op de partiële vrijspraken met betrekking tot de criminele organisatie en de overtredingen van de Opiumwet.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte in de periode van 1 januari 2007 tot 1 januari 2008 leiding heeft gegeven aan een criminele organisatie, welke zich bezighield met de handel in verdovende middelen, en het afpersen, bedreigen en mishandelen van drugsdealers, hetgeen blijkt uit de bewijsmiddelen zoals hiervoor weergeven.

Uit het dossier blijkt dat de ‘dealperiode’ zijn zwaartepunt had in 2007. In 2008 zijn er weliswaar nog enkele activiteiten in dat kader geweest, maar omdat verdachte zich begin 2008 in Duitsland vestigde acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ook ná 31 december 2007 heeft deelgenomen aan de criminele organisatie en heeft gehandeld in verdovende middelen.

De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte in de periode van 1 januari 2007 tot 1 januari 2008 heeft deelgenomen aan - en een van de leiders was van - een criminele

organisatie en in die periode heeft gehandeld in harddrugs.

Kwalificaties

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op:

onder 1: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, terwijl hij een van de leiders van de organisatie is,

strafbaar gesteld bij artikel 140, leden 1 en 3, van het Wetboek van Strafrecht;

onder 2: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod,

strafbaar gesteld bij artikel 10 van de Opiumwet in verbinding met artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht, meermalen gepleegd;

onder 3.: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen,

strafbaar gesteld bij artikel 317 in verbinding met artikel 312, tweede lid onder 2e, van het Wetboek van Strafrecht;

onder 4.: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen,

strafbaar gesteld bij artikel 317 in verbinding met artikel 312, tweede lid onder 2e, van het Wetboek van Strafrecht, meermalen gepleegd;

onder 5.: diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen,

strafbaar gesteld bij artikel 312 in verbinding met artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht, en

onder 6.: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen,

strafbaar gesteld bij artikel 317 in verbinding met artikel 312, tweede lid onder 2e, van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straf in aanmerking de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan, hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte, het pleidooi van de raadsvrouw van de verdachte, de oriëntatiepunten voor de straftoemeting met betrekking tot de overtreding van de Opiumwet (feit 2) te weten: twaalf maanden gevangenisstraf, en de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 4 juni 2009, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld terzake vermogensdelicten.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte over een periode van twaalf maanden heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van handel in cocaïne en het plegen van afpersingen, bedreigingen en mishandelingen.

Verdachte stond (mede) aan het hoofd van deze organisatie. Er was sprake van een duurzaam samenwerkingsverband met een duidelijke structuur, gericht op het plegen van misdrijven. Uit de stukken blijkt zondermeer dat de impact van deze organisatie aanzienlijk was, zowel in de drugswereld als in de horeca in Emmen. De angst voor “de Albanezen” zat er goed in in Emmen, hetgeen gelet het optreden van de groep (controleren, intimideren, mishandelen, afpersen en bedreigen) niet verwonderlijk is.

Verdachte heeft echter niet alleen leiding gegeven aan deze criminele organisatie. Hij heeft ook feitelijk, en samen met anderen, ernstige misdrijven gepleegd, zoals afpersingen, bedreigingen en mishandelingen. Zo heeft hij [slachtoffer 1], [benadeelde] en [slachtoffer 3] op gewelddadige wijze gedwongen tot het aangaan van een schuld ([slachtoffer 1]) of tot de afgifte van geld en/of drugs ([benadeelde] en [slachtoffer 3]) en [slachtoffer 2] van zijn geld beroofd.

Daarnaast heeft verdachte samen met anderen gehandeld in cocaïne. Cocaïne vormt een ernstig gevaar voor de volksgezondheid en het gebruik ervan is ook bezwarend voor de samenleving onder andere vanwege de daarmee gepaard gaande criminaliteit. Bovendien brengt de handel in verdovende middelen overlast voor de omgeving met zich mee. Het bezit van en de handel in verdovende middelen dient dan ook krachtig te worden bestreden.

De strafbare feiten zijn zonder meer ernstig en de rechtbank rekent de verdachte deze feiten, en met name de gewelddadige vermogensdelicten, zwaar aan. Een forse onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is dan ook zeker op zijn plaats.

Uit het voorlichtingsrapport dat Reclassering Nederland omtrent verdachte heeft opgemaakt komt naar voren dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf geen sterk ontwrichtend effect zal hebben. Bijzondere voorwaarden zijn, nu geen relatie is te leggen tussen de leefgebieden en de strafbare feiten, niet aan de orde. Een voorwaardelijke gevangenisstraf acht de rechtbank dan ook niet aangewezen.

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf van acht jaren gevorderd.

De rechtbank zal, alles afwegende, en in aanmerking nemend dat verdachtes betrokkenheid bij het onder 1. en 2. bewezen verklaarde van beperktere duur is geweest dan door de officier van justitie is tenlastegelegd, aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes jaren opleggen.

Benadeelde partij [benadeelde partij]

De rechtbank acht het causaal verband tussen het bewezen geachte feit en de schade alsmede de aansprakelijkheid van de verdachte voor die schade bewezen. De vordering acht zij tot na te noemen bedrag voldoende aannemelijk gemaakt. De civiele vordering is dan ook gegrond en tot na te noemen bedrag voor toewijzing vatbaar.

Voor het overige zal de rechtbank de vordering afwijzen.

De gevorderde schade aan de leren jas (€ 109,--) is immers ontstaan als gevolg van de kopstoot die [betrokkene] op 13 juni 2008 in café Herberg te Emmen aan [benadeelde partij] heeft gegeven. Dit feit is niet aan verdachte tenlastegelegd.

Schadevergoedingsmaatregel

Met betrekking tot het onder 5. primair bewezen verklaarde feit acht de rechtbank de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht tot na te noemen bedrag aansprakelijk voor de schade, die door het strafbare feit is toegebracht.

Aan de verdachte zal de verplichting worden opgelegd dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 27, 36f, 57, 63 en 91 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart bewezen dat het onder 1., 2., 3., 4., 5. primair en 6. tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1., 2., 3., 4., 5. primair en 6. meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot gevangenisstraf voor de duur van zes jaren.

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De rechtbank veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij] van de som van € 400,-- en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil, met dien verstande dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, de verdachte in zoverre is bevrijd.

De rechtbank wijst de vordering voor het overige af.

De rechtbank legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij] een bedrag van € 400,-- te betalen, bij gebreke van betaling te vervangen door acht dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft, en dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, de verdachte in zoverre is bevrijd en verstaat dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voormeld bedrag ten behoeve van het slachtoffer de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij doet vervallen, alsmede dat betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partij de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.M. Oostdam, voorzitter, en mr. M.C. Fuhler en mr. M.J.B. Holsink, rechters, in tegenwoordigheid van R.C. Sprong, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 28 augustus 2009.