Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2009:BI9307

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
23-06-2009
Datum publicatie
23-06-2009
Zaaknummer
19/605243-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft gedurende een periode van drie maanden, in samenwerking met anderen, aan verslaafden heroïne en cocaïne verkocht. Heroïne en cocaïne vormen een ernstig gevaar voor de volksgezondheid en het gebruik ervan is ook bezwarend voor de samenleving, onder andere vanwege de daarmee gepaard gaande criminaliteit door verslaafden.

Bovendien brengt de handel in harddrugs overlast voor de omgeving met zich mee.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19/605243-09

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 23 juni 2009 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteland] op [geboortedatum] 1984,

wonende te [adres],

thans gedetineerd in [plaats van detentie].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 9 juni 2009.

De verdachte is verschenen en werd bijgestaan door mr. M.L. van Gessel, advocaat te Amsterdam.

Tenlastelegging

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat verdachte in of omstreeks de periode van 1 juli 2008 tot en met 9 december 2008 in de gemeente Assen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde heroïne en/of cocaine (telkens) een middel als bedoeld in artikel 1 van de Opiumwet en als bedoeld in de bij de deze wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

en/of

hij op of omstreeks 09 december 2008 te Assen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 5,26 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie, mr. C. Westerling-Diderich, acht bewezen dat verdachte in de periode van 1 juli 2008 tot en met 9 december 2008 in de gemeente Assen tezamen en in vereniging met anderen meermalen telkens opzettelijk heroïne en cocaïne heeft verkocht, afgeleverd en verstrekt en dat hij op 9 december 2008 te Assen opzettelijk 5,26 gram cocaïne aanwezig heeft gehad. Zij vordert dat de rechtbank als volgt zal beslissen: twaalf maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf met aftrek van voorarrest, onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen harddrugs en verbeurd verklaring van de in beslag genomen gsm’s, merk Motorola.

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Bewijsmiddelen

[getuige 1] verklaart op 10 december 2008 dat hij aan de [adres] te Assen woont en dat hij toelaat dat [medeverdachte 1], die [bijnaam] genoemd wordt, zowel heroïne als cocaïne verkoopt vanuit zijn woning.

[medeverdachte 1] heeft zeker veel klanten. [medeverdachte 1] verkoopt al een half jaar vanuit de woning van [getuige 1]. [getuige 1] zelf verkoopt verdovende middelen voor 12:00 uur vanuit de woning. Deze krijgt hij van [medeverdachte 1]. [medeverdachte 2] is de overbuurjongen [medeverdachte 2]. Hij verkoopt heroïne en cocaïne voor [medeverdachte 1]. [getuige 1] krijgt van [medeverdachte 1] één keer per week vijf gram. De neef van [medeverdachte 1] heet [verdachte]. De laatste keer kwam [verdachte] met hele goede coke.

[getuige 2] verklaart op 9 december 2008 dat de foto (foto van verdachte) die hem wordt getoond [verdachte] is, de neef van [medeverdachte 1]. Hij heeft ook cocaïne en heroïne van hem gekocht. Hij kocht van [verdachte] als hij bij [medeverdachte 3] was. Die [medeverdachte 1] was er vaker dan [verdachte], maar op het laatst kwamen [verdachte] en [medeverdachte 1] elke dag samen. Ze verkochten ook samen. In een periode van drie maanden heeft hij bijna dagelijks van die [verdachte] gekocht.

[getuige 2] verklaart op 9 december 2008 dat hij in oktober weer is gaan gebruiken. Hij koopt van [medeverdachte 3] die aan de [straat] woont of van ene [medeverdachte 1]. Dat is een neger die dope verkoopt vanuit de woning aan de [adres]. Hij koopt vijf keer per week en dan gemiddeld twee bolletjes per dag. Bij [medeverdachte 1] heb ik wel dertig keer heroïne gekocht en bij [verdachte] wel twintig keer. [verdachte] en [medeverdachte 1] verkochten hun drugs vanuit de woning aan de [adres].

[medeverdachte 2] verklaart op 16 december 2008 dat hij wist dat [medeverdachte 1] dealde. Eind november, begin december is hij voor [medeverdachte 1] begonnen. Per dag bracht hij acht bolletjes weg. Hij heeft ongeveer zestig bolletjes weggebracht. De bolletjes heroïne en cocaïne werden door [medeverdachte 1] en een neef van [medeverdachte 1], genaamd [verdachte], gemaakt.

[medeverdachte 2] verklaart op 17 december 2008, als de verbalisanten hem een foto tonen van verdachte: “dat is [verdachte]”.

Verbalisant [verbalisant], brigadier van politie Drenthe en gecertificeerd om de Narco-indicatietest van MMC International BV uit te voeren verklaart op 16 december 2008 dat hij een narco-test heeft uitgevoerd op testmateriaal van 15 bolletjes met een witte stof, één wikkel van plastic met witte stof en nog één wikkel van plastic met een witte stof, aangetroffen onder [verdachte]. De 15 bolletjes witte stof hadden een netto gewicht van 3,18 gram en één wikkel witte stof had een netto gewicht van 2,08 gram.

De test is uitgevoerd conform de handleiding van MMC International BV. De kleuromslag, na het in contact brengen met het testmateriaal in de testampul, ging over naar de kleur blauw. Dit is een indicatie voor het middel cocaïne als vermeld op lijst I van de Opiumwet.

Er is een monster verzonden aan het NFI voor nader onderzoek.

Het ambtsedig rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag van 7 januari 2009, zaaknummer 2008.12.29.091 in de zaak [verdachte], opgemaakt door [deskundige], gerechtelijk deskundige, houdt onder meer in als eigen waarneming, wetenschap en bevinding van hem, [deskundige], dat op 15 december 2008 opdracht is gegeven te onderzoeken of het toegezonden materiaal middelen bevat die vermeld zijn op één van de lijsten behorende bij de Opiumwet en zo ja, om welke middelen het gaat.

Onderzocht is een monster crèmekleurige poeder in twee plastic bolletjes. Het monster bevat cocaïne. Cocaïne is vermeld op lijst I, behorende bij de Opiumwet.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 9 juni 2009 onder meer verklaard, zakelijk weergegeven:

u vraagt mij of ik John ben. Ja, ik ben John. [medeverdachte 1] is mijn neef.

Ik ben op 9 december 2008 in Assen aangehouden met 15 bolletjes cocaïne en een wikkel met cocaïne.

Hetgeen de rechtbank bewezen acht

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat verdachte in de periode van 1 september 2008 tot en met 9 december 2008 in de gemeente Assen tezamen en in vereniging met anderen meermalen telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne een middel als bedoeld in artikel 1 van de Opiumwet en als bedoeld in de bij de deze wet behorende lijst I;

en

hij op 09 december 2008 te Assen opzettelijk aanwezig heeft gehad 5,26 gram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de bewezenverklaring. Elk bewijsmiddel is slechts gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdachte zal van het meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

De rechtbank acht, op grond van de verklaring van [getuige 1], die op 9 december 2008 verklaart dat hij in een periode van drie maanden bijna dagelijks van verdachte heroïne en cocaïne kocht, met name niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte langer dan drie maanden heeft gehandeld in harddrugs. Er bevinden zich in het dossier geen bewijsmiddelen die het bewijs van een langere periode kunnen leveren.

Kwalificaties

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B van de Opiumwet, gegeven verbod,

strafbaar gesteld bij artikel 10 van de Opiumwet in verbinding met artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht, meermalen gepleegd,

en

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C van de Opiumwet, gegeven verbod,

strafbaar gesteld bij artikel 10 van de Opiumwet.

Strafbaarheid

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straf in aanmerking de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan, hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte, het pleidooi van de raadsman van de verdachte en de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 15 mei 2009, waaruit blijkt dat de verdachte eerder wegens misdrijf is veroordeeld.

Bijzondere strafoverwegingen

Verdachte heeft gedurende een periode van drie maanden, in samenwerking met anderen, aan verslaafden heroïne en cocaïne verkocht. Heroïne en cocaïne vormen een ernstig gevaar voor de volksgezondheid en het gebruik ervan is ook bezwarend voor de samenleving, onder andere vanwege de daarmee gepaard gaande criminaliteit door verslaafden.

Bovendien brengt de handel in harddrugs overlast voor de omgeving met zich mee.

Bovendien is verdachte op 9 december 2008 op heterdaad betrapt op het opzettelijk aanwezig hebben van ruim vijf gram cocaïne.

De rechtbank houdt er bij het bepalen van de strafmaat rekening mee dat verdachte blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie van 25 mei 2009 niet eerder is veroordeeld voor al dan niet opzettelijke overtredingen van de Opiumwet.

Uit het reclasseringsrapport dat Verslavingszorg Noord Nederland op 25 mei 2009 heeft uitgebracht komt naar voren dat verdachte geen inzicht toont in de functies, effecten en frequentie van het gebruik van harddrugs. Ter terechtzitting gaf hij desgevraagd aan geen problemen met drugs te hebben maar dat hulp altijd goed is. Verdachte vindt, aldus het reclasseringsrapport, dat hij wel gemotiveerd is voor hulp van de reclassering, maar dat deze hulp volgens hem gericht moet zijn op huisvesting en het verkrijgen van werk. Hij geeft aan zelfstandig te kunnen stoppen met middelengebruik.

Onder deze omstandigheden acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf met toezicht van de reclassering een gepasseerd station.

De landelijke oriënteringspunten voor de straftoemeting bij het met enige regelmaat verkopen, afleveren en verstrekken van gebruikershoeveelheden harddrugs vanuit een pand gedurende drie maanden luiden: zes maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Verdachte heeft gedurende een periode van drie maanden gehandeld in harddrugs en is op 9 december 2008 aangehouden met ruim vijf gram cocaïne, doch heeft geen documentatie met betrekking tot de Opiumwet. De rechtbank ziet hierin aanleiding een gevangenisstraf van zes maanden aan verdachte op te leggen.

Motivering van de verbeurdverklaring

De rechtbank acht de hierna te vermelden in beslag genomen voorwerpen vatbaar voor verbeurdverklaring aangezien deze voorwerpen aan verdachte toebehoren en het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, met behulp van deze voorwerpen is begaan.

Motivering van de maatregel onttrekking aan het verkeer

De rechtbank acht de hierna te vermelden in beslag genomen voorwerpen vatbaar voor de maatregel van onttrekking aan het verkeer aangezien met betrekking tot deze voorwerpen het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C van de Opiumwet gegeven verbod is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerd bezit daarvan in strijd is met de wet.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 27, 33, 33a, 36b, 36c, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart bewezen dat het tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De rechtbank verklaard verbeurd de navolgende in beslag genomen voorwerpen: twee GSM’s, merk Motorola.

De rechtbank verklaart onttrokken aan het verkeer de navolgende in beslag genomen voorwerpen: 15 bolletjes cocaïne en twee plastic wikkels met witte stof.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.H.A. Fransen, voorzitter, en mr. B.I. Klaassens en mr.

L.J. Hofstra, rechters, in tegenwoordigheid van R.C. Sprong, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 23 juni 2009.