Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2009:BI6352

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
07-04-2009
Datum publicatie
04-06-2009
Zaaknummer
08/443
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende deugdelijk gemotiveerd waarom in het onderhavige geval geen sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard als bedoeld in artikel 26, eerste lid van de Hsw. Daartoe overweegt de rechtbank dat eiser heeft gesteld dat het in dit geval bij de door de belastinginspecteur vastgestelde winst uit onderneming gaat om kwijtscheldingswinst en dat de belastinginspecteur enkel tot vaststelling van de hoogte van die winst is gekomen om daarmee te bewerkstelligen dat eiser geen vordering zou krijgen op de belastingdienst over voorgaande jaren.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deze, aldus bepaalde, “kwijtscheldingswinst” niet zonder meer gelijk kunnen stellen met stakingswinst die bijvoorbeeld ontstaat door de verkoop van bedrijfsgebouwen. Uit het bovenstaande blijkt dat het bij de onderhavige kwijtscheldingswinst gaat om een fictief inkomen over 2001. Hier is immers de hoogte van het inkomen over 2001 om belastingtechnische redenen “bepaald” op basis van de hoogte van de verliezen uit voorgaande jaren. Deze situatie is naar het oordeel van de rechtbank niet gelijk te stellen met het verrekenen van een reëel verworven inkomen (bijvoorbeeld door de verkoop van bedrijfsgebouwen) in een bepaald jaar met verliezen uit het verleden. De hoogte van deze “winst” kan er immers niet aan afdoen dat er ondertussen daadwerkelijk sprake is geweest van een situatie waarin de financiële draagkracht van eiser zodanig laag is geweest, dat eiser zonder dat fictieve inkomen zonder meer voor huursubsidie in aanmerking zou zijn gekomen.

De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is met 7 maanden overschreden. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door verweerder twee jaar en ruim zeven maanden geduurd. De behandeling van het beroep bij de rechtbank heeft sinds de ontvangst van het beroepschrift van 13 mei 2008 bijna 11 maanden geduurd. De termijnoverschrijding is derhalve geheel aan de duur van de behandeling van het bezwaarschrift toe te schrijven. De rechtbank zal met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 van de Awb de Staat der Nederlanden veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.000,- aan eiser als vergoeding voor de door hem geleden immateriële schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector Bestuursrecht

Kenmerk: 08/443 BELEI

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken d.d. 7 april 2009

in het geding tussen

[eiser], wonende te Barger-Compascuum, eiser,

en

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 3 april 2008 heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen het besluit van 19 augustus 2005 ongegrond verklaard en laatstgenoemd besluit gehandhaafd, inhoudende dat de huursubsidiebijdrage over het subsidiejaar1 juli 2002 tot 1 juli 2003 wijzigt van € 2.305,53 in € 0,00 en dat eiser dit bedrag moet terug betalen.

Namens eiser is bij brief van 13 mei 2008 tegen dit besluit bij de rechtbank beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 4 juni 2008 de op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede op 1 juli 2008 een verweerschrift ingezonden. De gemachtigde van eiser heeft hiervan een afschrift ontvangen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 20 januari 2009, alwaar eiser in persoon is verschenen. Voor verweerder is verschenen mevrouw I. Hungerink.

De behandeling ter zitting is, met toepassing van het bepaalde in artikel 8:64, eerste lid van de Awb, geschorst.

Bij brief van 27 januari 2009 is namens verweerder nadere informatie verstrekt.

Bij brief van 4 februari 2009 heeft eiser hierop gereageerd.

Bij brief van 23 februari 2009 is namens verweerder hierop gereageerd.

Op 24 februari 2009 heeft de rechtbank, met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), het onderzoek gesloten.

II. Motivering

Feiten en omstandigheden

Eiser heeft op 9 september 2002 een aanvraag ingediend om in aanmerking te komen voor huursubsidie voor de periode 1 juli 2002 tot 1 juli 2003. Op 28 oktober 2002 heeft verweerder aan eiser een huursubsidiebericht doen toekomen met het verzoek de inkomensgegevens middels een wijzigingsformulier aan verweerder te verstrekken. Eiser heeft op 25 november 2002 het wijzigingsformulier ingediend en de gevraagde gegevens verstrekt door het overleggen van de aangifte inkomstenbelasting 2001 zoals opgemaakt door Adbeco groep op 21 november 2002.

Bij besluit van 20 december 2002 heeft verweerder voor de periode 1 oktober 2002 tot en met 30 juni 2003 € 2.305,53 huursubsidie toegekend.

Bij besluit van 13 september 2004 heeft verweerder voornoemd besluit gewijzigd en bepaald dat eiser geen huursubsidie ontvangt, omdat nieuwe informatie bekend is geworden (het door de belastingdienst doorgegeven inkomen over 2001). Tegen dit besluit heeft eiser op 18 oktober 2004 bezwaar aangetekend.

Op 17 november 2004 heeft eiser nadere gegevens aan verweerder verstrekt, te weten de beslissing van 16 november 2004 op het bezwaar tegen het besluit van de belastingdienst inzake het belastingjaar 2001 en een vonnis van de rechtbank Assen (sector civiel) van 2 november 2004.

Bij besluit van 31 januari 2005 heeft verweerder voornoemd besluit van 13 september 2004 opnieuw gewijzigd en bepaald dat eiser € 2.305,53 huursubsidie krijgt toegekend.

Bij besluit van 19 augustus 2005 heeft verweerder voornoemd besluit van 31 januari 2005 weer gewijzigd en bepaald dat eiser geen huursubsidie ontvangt en het reeds betaalde bedrag van € 2305,53 dient terug te betalen, omdat nieuwe gegevens bekend zijn geworden.

Tegen dit besluit heeft eiser op 13 september 2005 bezwaar aangetekend. Op 21 november 2005 heeft eiser aanvullende gronden ingediend. Op 30 januari 2006 en 27 februari 2008 heeft eiser het bezwaar aangevuld.

Tegen het besluit op bezwaar van 3 april 2008 heeft eiser onderhavig beroep ingesteld.

Standpunten partijen

Eiser stelt zich in de eerste plaats op het standpunt dat verweerder de afhandeling van zijn bezwaren niet binnen een redelijke termijn heeft afgehandeld.

Voorts acht eiser het besluit inhoudelijk onjuist. Eiser geeft aan dat hij in november 2001 failliet is gegaan en dat de belastingdienst zijn inkomen over 2002 met ruim € 800.000,- heeft opgehoogd aan faillissementswinst, om aldus eisers te verrekenen verliezen hiertegen te kunnen wegstrepen, zodat eiser geen vordering meer had op de fiscus.

Eiser meent, samengevat, dat verweerder ten onrechte deze faillissementswinst als inkomen heeft aangemerkt, omdat het in werkelijkheid geen inkomsten zijn. Bovendien was op het moment van de aanvraag nog niet bekend hoe de faillissementswinst zou uitpakken. Eiser meent dat verweerder de faillissementswinst buiten beschouwing kan laten. Eiser verwijst naar artikel 3.13, eerste lid en onder a, van de Wet Inkomstenbelasting (hierna: IB) 2001.

Eiser meent voorts dat er sprake is van inkomsten die door een administratieve oorzaak een hoger inkomen hebben veroorzaakt.

Verweerder wijst erop dat de belastingdienst in het verleden aan derden het belastbaar inkomen verstrekte, waarin nog rekening gehouden werd met de nog te verrekenen verliezen. Vanaf het belastingjaar 2001 levert de belastingdienst een verzamelinkomen, dan wel een gecorrigeerd verzamelinkomen. Hierin wordt geen rekening gehouden met nog te verrekenen verliezen uit voorgaande jaren. Voor de belastingdienst maakt dit niets uit (de te verrekenen verliezen worden wel verrekend) echter voor inkomensafhankelijke regelingen wel.

Volgens verweerder is het een bewuste keuze van de wetgever geweest dat bij de vaststelling van het verzamelinkomen geen rekening wordt gehouden met verliezen over eerdere jaren. Voorts heeft verweerder overwogen dat de omstandigheid dat er sprake is van faillissementswinst of stakingswinst niet kan worden beschouwd als een omstandigheid die tot toepassing van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b, van de Huursubsidiewet kan leiden. Verweerder heeft in dit verband aangegeven dat, als een zelfstandig ondernemer zijn onderneming staakt, de activa van de onderneming (bedrijfsgebouw, binnenschip e.d.) overgaan naar de privé-persoon van de voormalige ondernemer of worden verkocht aan een derde. Op dat moment moet worden afgerekend met de fiscus over de waardevermeerdering van de activa; de zogenoemde stakingswinst. Stakingswinst vormt een bestanddeel van het inkomen uit werk en woning en komt zodoende ook tot uitdrukking in het gecorrigeerde verzamelinkomen en het rekeninkomen. Ook stakingswinst dient volgens verweerder daarom in beschouwing te worden genomen bij de subsidiebepaling.

Toepasselijke regelgeving

Bij de wet van 23 juni 2005 tot wijziging van een aantal wetten in verband met de invoering van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Aanpassingswet Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen; Stb. 2005, 343), zijn onder meer de artikelen 31 en 33 van de Huursubsidiewet (hierna: de Hsw) komen te vervallen en is artikel 5 van die wet gewijzigd. De wijzigingswet is met ingang van 1 september 2005 van kracht en geldt voor subsidietijdvakken, die aanvangen op of na 1 januari 2006. Nu het subsidietijdvak waarop het in bezwaar gehandhaafde besluit van 3 april 2008 ziet, vóór 1 januari 2006 is aangevangen, is de oude bepaling van toepassing.

Artikel 1 van de Hsw, zoals dat gold ten tijde van belang, bepaalt dat wordt verstaan onder

(…)

l. peiljaar: het kalenderjaar dat voorafgaat aan het subsidiejaar;

m. rekenhuur, rekeninkomen, rekenvermogen: de rekenhuur, het rekeninkomen, en het rekenvermogen, bedoeld in artikel 5, artikel 3 onderscheidenlijk artikel 4;

(…)

Artikel 1a, eerste lid, Hsw.

In deze wet en de bepalingen die daarop berusten wordt onder het gecorrigeerde verzamelinkomen verstaan: het verzamelinkomen, bedoeld in artikel 2.18 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

Artikel 1a, zesde lid, Hsw.

De inspecteur, onder wie de huurder of de medebewoners krachtens artikel 3, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen ressorteren voor de heffing van de inkomstenbelasting, bepaalt op verzoek van Onze Minister het gecorrigeerde verzamelinkomen of het gecorrigeerde belastbare loon in het peiljaar van de desbetreffende huurder of medebewoners.

Artikel 1a, zevende lid, Hsw.

De in het zesde lid bedoelde inspecteur verstrekt de gegevens inzake het gecorrigeerde verzamelinkomen aan Onze Minister volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels.

Artikel 3, eerste lid, Hsw.

In deze wet en de bepalingen die daarop berusten wordt verstaan onder rekeninkomen: het gezamenlijk inkomen van de huurder en de medebewoners in het peiljaar.

Artikel 3, derde lid, Hsw.

In deze wet en de bepalingen die daarop berusten wordt onder inkomen verstaan:

a. als over het peiljaar een aanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het gecorrigeerde verzamelinkomen, over het peiljaar;

(…)

Op grond van artikel 14, eerste lid en onder b, Hsw wordt geen huursubsidie toegekend

als het rekeninkomen meer bedraagt dan € 22 711,70 bij een meerpersoonshuishouden.

Artikel 26, Hsw.

1. Onze Minister kan ambtshalve of op verzoek van de huurder, als in een bepaald geval de onverkorte toepassing van de desbetreffende bepalingen, gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, tot een onbillijkheid van overwegende aard zou leiden:

(…)

b. bij de toepassing van de artikelen 3, derde lid, of 4, derde lid, bepaalde inkomsten of vermogensbestanddelen geheel of gedeeltelijk buiten beschouwing laten;

(…)

In het beleid van verweerder (met betrekking tot het gebruik van de in artikel 26 verleende bevoegdheid) is bepaald dat in bijzondere situaties kan worden besloten om bepaalde gedeelten van het inkomen buiten beschouwing te laten. Daartoe behoort de situatie dat inkomsten door administratieve oorzaken een hoger inkomen hebben veroorzaakt.

Beoordeling

De rechtbank ziet zich in de eerste plaats gesteld voor de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Daaromtrent wordt als volgt overwogen.

Ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dient verweerder bij de vaststelling van een recht op huursubsidie in beginsel uit te gaan van een door de belastingdienst vastgesteld verzamelinkomen.

In het onderhavige geval is niet tussen partijen in geschil dat het door de belastinginspecteur aan verweerder doorgegeven verzamelinkomen van eiser over 2001 zodanig hoog is dat, indien dat gehele inkomen bij de toepassing van artikel 3 Hsw in beschouwing wordt genomen, geen recht op huursubsidie bestaat in het tijdvak 1 juli 2002 tot 1 juli 2003 voor eiser en zijn medebewoners.

Voor zover eiser met zijn verwijzing naar artikel 3.13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001 wil betogen dat de belastinginspecteur de winst uit onderneming onjuist heeft vastgesteld, overweegt de rechtbank dat dit betoog niet kan leiden tot gegrondverklaring van het beroep. Het had in de rede gelegen dit in het kader van een geschil met de belastinginspecteur aan de belastingrechter voor te leggen.

Vervolgens ligt de vraag voor of de weigering van verweerder om met toepassing van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b, van de Hsw bepaalde inkomsten buiten beschouwing te laten bij de toepassing van artikel 3 van de Hsw, de toetsing in rechte kan doorstaan. Daaromtrent overweegt de rechtbank als volgt.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende deugdelijk gemotiveerd waarom in het onderhavige geval geen sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard als bedoeld in artikel 26, eerste lid van de Hsw. Daartoe overweegt de rechtbank dat eiser heeft gesteld dat het in dit geval bij de door de belastinginspecteur vastgestelde winst uit onderneming gaat om kwijtscheldingswinst en dat de belastinginspecteur enkel tot vaststelling van de hoogte van die winst is gekomen om daarmee te bewerkstelligen dat eiser geen vordering zou krijgen op de belastingdienst over voorgaande jaren. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser ook de uitspraak van de belastinginspecteur overgelegd van 11 oktober 2004 op het bezwaarschrift van eiser tegen de opgelegde belastingaanslag over 2001. In deze uitspraak staat dat “eiser en de belastinginspecteur zijn overeengekomen dat er sprake is van belaste kwijtscheldingswinst. Dit heeft tot gevolg dat de in aanmerking te nemen winst uit onderneming in 2001 gelijk is aan de nog te verrekenen verliezen tot en met 2000 ter hoogte van € 847.635,- “.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deze, aldus bepaalde, “kwijtscheldingswinst” niet zonder meer gelijk kunnen stellen met stakingswinst die bijvoorbeeld ontstaat door de verkoop van bedrijfsgebouwen. Uit het bovenstaande blijkt dat het bij de onderhavige kwijtscheldingswinst gaat om een fictief inkomen over 2001. Hier is immers de hoogte van het inkomen over 2001 om belastingtechnische redenen “bepaald” op basis van de hoogte van de verliezen uit voorgaande jaren. Deze situatie is naar het oordeel van de rechtbank niet gelijk te stellen met het verrekenen van een reëel verworven inkomen (bijvoorbeeld door de verkoop van bedrijfsgebouwen) in een bepaald jaar met verliezen uit het verleden. De hoogte van deze “winst” kan er immers niet aan afdoen dat er ondertussen daadwerkelijk sprake is geweest van een situatie waarin de financiële draagkracht van eiser zodanig laag is geweest, dat eiser zonder dat fictieve inkomen zonder meer voor huursubsidie in aanmerking zou zijn gekomen. Naar het oordeel van de rechtbank is het geval van eiser in dit opzicht gelijk aan het geval, dat leidde tot de uitspraak van de rechtbank Roermond van 4 februari 2005, LJN: AS8827. De rechtbank ziet aanleiding om in gelijke zin uitspraak te doen als in dat geval is gedaan.

De verwijzing door verweerder in de brief van 27 januari 2009 naar andere jurisprudentie waarin volgens verweerder sprake is van een fictief inkomen leidt niet tot een ander oordeel. In situaties waarin de belastingdienst een schatting hanteert van het inkomen in een bepaald jaar, of waarin er sprake is van reële stakingswinst door bijvoorbeeld verkoop van bedrijfsmiddelen, zoals in die jurisprudentie het geval is of lijkt te zijn, heeft betrokkene immers, anders dan in het thans voorliggende geval, reëel inkomsten in dat jaar verworven, die los kunnen worden gezien van de in het verleden geleden verliezen.

Het beroep is derhalve gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid van de Awb.

Voorts ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. Daartoe wordt als volgt overwogen.

Uit de eerdere besluiten van 20 december 2002, 13 september 2004 en 31 januari 2005 blijkt dat, indien de kwijtscheldingswinst bij de bepaling van het inkomen over 2001 buiten beschouwing wordt gelaten, verweerder het subsidiebedrag over het subsidietijdvak 1 juli 2002 tot 1 juli 2003 op € 2305,53 bepaalt.

Nu uit het bovenstaande voortvloeit dat verweerder de kwijtscheldingswinst buiten beschouwing dient te laten is geen ander besluit mogelijk dan dat € 2305, 53 aan huursubsidie wordt toegekend. Mede gelet op de duur van de procedure zal de rechtbank in deze uitspraak derhalve bepalen dat het bezwaarschrift gegrond wordt verklaard en het besluit van 19 augustus 2005 wordt herroepen. Het gevolg hiervan is dat het besluit van 31 januari 2005, waarin aan eiser € 2305,53 is toegekend, herleeft.

De rechtbank dient in de tweede plaats uitspraak te doen naar aanleiding van de stelling van eiser dat verweerder bij het nemen van het besluit op bezwaar de redelijke termijn heeft geschonden.

Met toepassing van artikel 8:69, tweede lid van de Awb wordt deze klacht aldus opgevat dat eiser betoogt dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is geschonden. Deze klacht moet voorts aldus worden opgevat dat eiser verzoekt om vergoeding van de door deze beweerdelijke schending geleden schade (ABRvS 4 juni 2008, LJN: BD3121).

Ingevolge artikel 6 van het EVRM, voor zover thans van belang, heeft een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen recht op een behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn.

De vraag of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is geschonden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van betrokkene gedurende de gehele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene.

In gevallen zoals deze, waarin in beroep bij de rechtbank is aangevoerd dat de redelijke termijn is geschonden, dient de rechtbank daarover haar oordeel te geven. Bij die beoordeling geldt in beginsel dat de behandeling van het bezwaar en de behandeling van het beroep tezamen niet meer dan drie jaar mag duren. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste één jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar duren. Een vertraging bij één van beide behandelingen kan worden gecompenseerd door voortvarendheid bij de andere behandeling. De rechtbank mag echter niet anticiperen op een mogelijke voortvarende behandeling van een eventueel tegen haar uitspraak in te stellen hoger beroep en evenmin vanwege de mogelijkheid van hoger beroep zich van een oordeel over de schending van de redelijke termijn onthouden (ABRvS 4 maart 2009, LJN: BH4667).

In het onderhavige geval is de termijn voor de behandeling van de zaak begonnen met het indienen van een bezwaarschrift op 13 september 2005 tegen het besluit van 19 augustus 2005. De rechtbank dient te oordelen over de redelijkheid van de behandeltermijn tot aan de datum van deze uitspraak, dat is 7 april 2009. In totaal zijn tot aan deze uitspraak 3 jaar en 7 maanden verstreken. Aldus is de redelijke termijn met 7 maanden overschreden.

Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door verweerder twee jaar en ruim zeven maanden geduurd. De behandeling van het beroep bij de rechtbank heeft sinds de ontvangst van het beroepschrift van 13 mei 2008 bijna 11 maanden geduurd. De termijnoverschrijding is derhalve geheel aan de duur van de behandeling van het bezwaarschrift toe te schrijven.

Verweerder heeft ter zitting bij de rechtbank desgevraagd aangegeven dat de lange duur van de behandeling van het bezwaar is veroorzaakt door het feit dat het bezwaarschrift aanvankelijk niet als bezwaarschrift door verweerder is opgemerkt. Dit vormt naar het oordeel van de rechtbank geen reden om de redelijke termijn anders te bepalen dan hierboven is gedaan. De omstandigheid dat eiser geen beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit leidt er evenmin toe dat de redelijke termijn anders moet worden bepaald.

Volgens vaste jurisprudentie wordt bij overschrijding van de redelijke termijn voor het nemen van een besluit, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade verondersteld.

Volgens vaste jurisprudentie dient te worden uitgegaan van een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. In dit geval is voor een afronding naar boven te meer reden, nu omtrent het geschilpunt waarover in het besluit van 19 augustus 2005 is beslist, reeds eerder drie maal was beslist. De rechtbank zal met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 van de Awb de Staat der Nederlanden veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.000,- aan eiser als vergoeding voor de door hem geleden immateriële schade.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- verklaart het bezwaar gegrond en herroept het besluit van 19 augustus 2005;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot betaling aan eiser van een vergoeding voor immateriële schade welke gesteld wordt op € 1000,- (zegge duizend euro);

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser, welke bepaald worden op € 12,60 (reiskosten in verband met het bijwonen van de zitting) en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

- gelast dat de Staat der Nederlanden het door eiser betaalde griffierecht ad € 39,- aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J.L. Boxum, rechter, bijgestaan door mr. M. Buikema, griffier.

mr. M. Buikema mr. J.L. Boxum

In het openbaar uitgesproken op 7 april 2009.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te 's-Gravenhage. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019 te 2500 EA 's-Gravenhage binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.

Afschrift verzonden op: