Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2009:BI5024

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
18-02-2009
Datum publicatie
27-05-2009
Zaaknummer
19.830239-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ter terechtzitting is de rechtbank gebleken dat het strafbare gedrag van verdachte voornamelijk is voortgekomen uit zijn situatie in het kader van het BOPZ-traject waarin hij zat. GGZ Rotterdam heeft bij verdachte schizofrenie gediagnosticeerd, (mede) als gevolg waarvan hij in het BOPZ-traject is terechtgekomen. Verdachte is vanuit GGZ Rotterdam overgeplaatst naar GGZ Drenthe. GGZ Drenthe heeft de diagnose schizofrenie echter niet kunnen stellen. Men heeft verdachte vervolgens meermalen te kennen gegeven dat hij daar niet thuishoorde. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij door de onzekerheid met betrekking tot zijn diagnose, het feit dat men hem meermalen gezegd heeft dat hij niet in Drenthe thuishoorde en door enkele andere incidenten die buiten zijn macht lagen, wanhopig is geworden. Daardoor zou hij tot zijn daden zijn gekomen. Dat GGZ Drenthe niet goed wist wat er met verdachte moest gebeuren, blijkt ook uit het feit dat verdachte na de bedreigingen op 02 september 2008 gedurende langere tijd in een isoleercel heeft gezeten. De officier van justitie heeft ter terechtzitting aangegeven dat GGZ Drenthe haar vervolgens heeft gevraagd verdachte over te nemen, omdat men niet wist wat men met hem aan moest.

Naast met het bovenstaande houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte, na zijn bedreiging van [slachtoffer 1] op 05 augustus 2008, een en ander met [slachtoffer 1] heeft uitgesproken. [slachtoffer 1] zou verdachte hierop te kennen hebben gegeven dat hij geen actie tegen hem zou ondernemen. De aangifte van [slachtoffer 1] op 05 september 2008 (kort na de incidenten op 02 september 2008) kwam dus voor verdachte volkomen onverwacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19.830239-08

vonnis van de Meervoudige kamer d.d. 18 februari 2009 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,

wonende [adres],

thans verblijvende te [plaats van detentie].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 13 februari 2009.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door J.E. Veenman, advocaat te Assen.

Tenlastelegging

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

1.

hij op of omstreeks 05 augustus 2008 te Veenhuizen, althans in de gemeente Noordenveld, opzettelijk en wederrechtelijk een een LCD-scherm, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan GGZ Drenthe, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

2.

hij op of omstreeks 05 augustus 2008 te Veenhuizen, althans in de gemeente Noordenveld, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend tegen die [slachtoffer 1] geschreeuwd/gezegd dat hij die [slachtoffer 1] zou vermoorden, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

3.

hij op of omstreeks 06 augustus 2008, althans in de maand augustus 2008, te Veenhuizen, althans in de gemeente Noordenveld, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend tegen een medewerkster van GGZ Drenthe gezegd dat hij een metalen staaf wilde slijpen om daarmee de psychiater te doorboren, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, welke woorden die [slachtoffer 1] naderhand ter ore zijn gekomen en met welke woorden 'de psychiater', naar die [slachtoffer 1] wist, althans vermoede, die [slachtoffer 1] bedoeld werd;

4.

hij op of omstreeks 02 september 2008 te Veenhuizen, althans in de gemeente Noordenveld, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend

- tegen die [slachtoffer 2] gezegd: "Ik maak jullie af", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, en/of

- (meermalen) een brandblusser opgeheven, daarbij bij die [slachtoffer 2] de indruk wekkend dat verdachte die brandblusser op/tegen die [slachtoffer 2] zou gooien en/of

- tegen die [slachtoffer 2] gezegd: "Ik maak jullie dood, ik hoor hier niet, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

5.

hij op of omstreeks 02 september 2008 te Veenhuizen, althans in de gemeente Noordenveld, [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend

- tegen die [slachtoffer 3] gezegd: "Ok, als je vechten wil, ik maak je dood" en/of "Moeten de ruiten er weer uit, ik maak je dood, ik gooi weer een tv stuk", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- een (drink)glas gepakt en (daarbij) tegen die [slachtoffer 3] gezegd dat verdachte dat glas naar die [slachtoffer 3] zou gooien.

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak

De verdachte dient van het onder 3 tenlastegelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit met de officier van justitie en de raadsman van verdachte niet wettig en overtuigend bewezen acht.

Bewijsmotivering

Feiten 1 en 2

Nu verdachte hetgeen de rechtbank bewezen zal verklaren heeft bekend en nadien niet anders heeft verklaard en hij noch zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit, zal de rechtbank volstaan met een opgave van bewijsmiddelen:

1. een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van politie Drenthe met dossiernummer PL031T/08-168376 (p. 18) d.d. 05 september 2008, inhoudende de aangifte van [slachtoffer 1];

2. de verklaring van verdachte, ter terechtzitting afgelegd.

Feiten 4 en 5

Vaststaande feiten

Op grond van de voorhanden bewijsmiddelen alsmede op grond van het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank het navolgende vast.

Op 02 september 2008 deelde [slachtoffer 3] (verder te noemen: “[slachtoffer 3]”), zorgcoördinator bij GGZ Drenthe in Veenhuizen, medicijnen uit aan patiënten, onder wie verdachte. Verdachte vroeg [slachtoffer 3] om meer medicijnen, maar kreeg deze niet. Verdachte werd boos en liet merken dat hij het er niet mee eens was. Hij had op dat moment een kopje in zijn hand. Er ontstond een woordenwisseling tussen verdachte en [slachtoffer 3].

Op een bepaald moment liep verdachte naar boven. Daar pakte hij een brandblusser uit een houder. Hij zag [slachtoffer 2] (verder te noemen: “[slachtoffer 2]”), activiteitenbegeleider bij GGZ Drenthe, om de hoek kijken. Verdachte stond bovenaan en [slachtoffer 2] onderaan de trap.

Beoordeling van de tenlastelegging

Verdachte heeft ter terechtzitting ontkend dat hij, gedurende zijn woordenwisseling met [slachtoffer 3], [slachtoffer 3] met de dood heeft bedreigd en heeft gedreigd een glas naar hem te gooien. Daarnaast heeft verdachte ontkend dat hij [slachtoffer 2] met de dood heeft bedreigd en hierbij een brandblusser heeft opgeheven.

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat verdachte, toen hij zijn medicatie niet kreeg, agressief werd en dreigde een kopje naar [slachtoffer 3] te gooien. Verdachte riep tegen [slachtoffer 3]: “Ik maak je af, ik sla je helemaal in elkaar”, of woorden van gelijke strekking. Hij dreigde de boel kort en klein te slaan. Daarnaast verklaarde [slachtoffer 2] dat verdachte, nadat hij naar boven was gegaan, bovenaan de trap begon te schelden. [slachtoffer 2] stond onderaan de trap en hoorde dat verdachte zei: “Ik maak jullie af”. Daarbij zou verdachte de brandblusser hebben gepakt, deze boven zijn hoofd hebben gehouden en hebben gedreigd deze naar beneden te gooien, bovenop [slachtoffer 2]. Daarbij bleef verdachte bedreigingen uiten als: “Ik maak jullie dood, ik hoor hier niet”, of woorden van gelijke strekking.

[slachtoffer 3] heeft verklaard dat verdachte, toen hij zijn medicatie niet kreeg, erg kwaad werd en begon te schelden. Hij zou op [slachtoffer 3] zijn afgelopen, vlak voor hem zijn gaan staan en hebben gezegd: “Ok, als je vechten wil, ik maak je dood!”. Vervolgens ging verdachte in de huiskamer zitten en zei: “Moeten de ruiten er weer uit, ik maak je dood, ik gooi weer een tv stuk” en woorden van gelijke strekking. Verdachte zou naar de keuken zijn gelopen, een glas van het aanrecht hebben gepakt en hebben gedreigd dit naar [slachtoffer 3] te gooien.

[getuige 1] (verder te noemen: “[getuige 1]”) heeft verklaard dat verdachte, toen hij zijn medicatie niet kreeg, agressief reageerde en in discussie ging met [slachtoffer 3]. Toen het uit de hand dreigde te lopen kwam [slachtoffer 2] tussenbeide. Eenmaal boven zag [getuige 1] dat verdachte een brandblusser van de muur pakte en dat [slachtoffer 2] onderaan de trap kwam staan. Verdachte riep in de richting van [slachtoffer 2]: “Kom maar naar boven, ik vermoord je”. En, jegens [slachtoffer 3]: “Johan, kom maar naar boven ik vermoord jou ook […]”. [getuige 1] zag dat verdachte de brandblusser vasthield alsof hij deze naar [slachtoffer 2] wilde gooien.

Bovengenoemde verklaringen van [slachtoffer 2], ]slachtoffer 3] en [getuige 1] zijn gedetailleerd en komen op hoofdlijnen met elkaar overeen ten aanzien van hetgeen verdachte gezegd zou hebben en het voorval met de brandblusser. De verklaringen worden bovendien ondersteund door de verklaring van verdachte, waar deze verklaart dat hij kwaad werd, een woordenwisseling kreeg met [slachtoffer 3] en boven de brandblusser pakte.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte, in zijn woede, zowel [slachtoffer 3] als [slachtoffer 2] met de dood heeft bedreigd.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte heeft gezegd dat hij een (drink)glas naar [slachtoffer 3] zou gooien, zoals tenlastegelegd. Uit de aangifte van [slachtoffer 3] kan de rechtbank dit niet afleiden. De rechtbank kan dit evenmin afleiden uit de verklaring van [slachtoffer 2]. [slachtoffer 2] spreekt bovendien over een ‘kopje’, niet over een glas. Ook verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij een kopje in zijn hand had, geen glas.

Op grond van het bovenstaande, zoals afgeleid uit de verklaringen van [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], [getuige 1] en verdachte, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het onder 1, 2, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 05 augustus 2008 te Veenhuizen opzettelijk en wederrechtelijk een LCD-scherm, toebehorende aan een ander, heeft vernield;

2.

hij op 05 augustus 2008 te Veenhuizen [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend tegen die [slachtoffer 1] geschreeuwd dat hij die [slachtoffer 1] zou vermoorden;

4.

hij op 02 september 2008 te Veenhuizen [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend

- tegen die [slachtoffer 2] gezegd: "Ik maak jullie af" en

- meermalen een brandblusser opgeheven, daarbij bij die [slachtoffer 2] de indruk wekkend dat verdachte die brandblusser tegen die [slachtoffer 2] zou gooien en

- tegen die [slachtoffer 2] gezegd: "Ik maak jullie dood, ik hoor hier niet”;

5.

hij op 02 september 2008 te Veenhuizen [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend tegen die [slachtoffer 3] gezegd: "Ok, als je vechten wil, ik maak je dood" en "Moeten de ruiten er weer uit, ik maak je dood, ik gooi weer een tv stuk".

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de bewezenverklaring. Elk bewijsmiddel is slechts gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdachte zal van het onder 1, 2, 4 en 5 meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Kwalificaties

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op:

onder 1: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen,

strafbaar gesteld bij artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht;

onder 2, 4 en 5 telkens: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht,

telkens strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

De rechtbank houdt bij de bepaling van de op te leggen straf rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, met de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan, met hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van verdachte en met de inhoud van het verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 27 januari 2009 waaruit blijkt dat verdachte eerder ter zake van soortgelijke misdrijven is veroordeeld tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen.

De rechtbank houdt bovendien rekening met de eis van de officier van justitie. De officier heeft de feiten onder 1, 2, 4 en 5 wettig en overtuigend bewezen geacht en heeft gevorderd:

- oplegging van een gevangenisstraf van 6 maanden;

- toewijzing van de vorderingen tenuitvoerlegging in de zaken met parketnummers 19.10.661044-06 en 19.10.660110-07;

- niet-ontvankelijkverklaring van de vordering van benadeelde partij GGZ Drenthe Afdeling Duurzaam Verblijf.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met het pleidooi van de raadsman van verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vernieling van een LCD-scherm. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging met de dood van [slachtoffer 1] (verder te noemen: “[slachtoffer 1]”), [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3].

Gezien de wijze waarop verdachte is tekeergegaan en gelet op de aard van de bewoordingen die hij heeft gebruikt, in het geval van [slachtoffer 2] bovendien kracht bijgezet met een brandblusser, acht de rechtbank het goed voorstelbaar dat bij [slachtoffer 1], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] vrees is ontstaan dat verdachte zijn woorden waar zou maken.

De rechtbank acht verdachte strafbaar voor deze ernstige feiten, maar houdt met haar strafoplegging rekening met het volgende.

Ter terechtzitting is de rechtbank gebleken dat het strafbare gedrag van verdachte voornamelijk is voortgekomen uit zijn situatie in het kader van het BOPZ-traject waarin hij zat. GGZ Rotterdam heeft bij verdachte schizofrenie gediagnosticeerd, (mede) als gevolg waarvan hij in het BOPZ-traject is terechtgekomen. Verdachte is vanuit GGZ Rotterdam overgeplaatst naar GGZ Drenthe. GGZ Drenthe heeft de diagnose schizofrenie echter niet kunnen stellen. Men heeft verdachte vervolgens meermalen te kennen gegeven dat hij daar niet thuishoorde. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij door de onzekerheid met betrekking tot zijn diagnose, het feit dat men hem meermalen gezegd heeft dat hij niet in Drenthe thuishoorde en door enkele andere incidenten die buiten zijn macht lagen, wanhopig is geworden. Daardoor zou hij tot zijn daden zijn gekomen. Dat GGZ Drenthe niet goed wist wat er met verdachte moest gebeuren, blijkt ook uit het feit dat verdachte na de bedreigingen op 02 september 2008 gedurende langere tijd in een isoleercel heeft gezeten. De officier van justitie heeft ter terechtzitting aangegeven dat GGZ Drenthe haar vervolgens heeft gevraagd verdachte over te nemen, omdat men niet wist wat men met hem aan moest.

Naast met het bovenstaande houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte, na zijn bedreiging van [slachtoffer 1] op 05 augustus 2008, een en ander met [slachtoffer 1] heeft uitgesproken. [slachtoffer 1] zou verdachte hierop te kennen hebben gegeven dat hij geen actie tegen hem zou ondernemen. De aangifte van [slachtoffer 1] op 05 september 2008 (kort na de incidenten op 02 september 2008) kwam dus voor verdachte volkomen onverwacht.

Op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat in dit geval een onvoorwaardelijke gevangenisstraf geboden is, doch van aanzienlijk kortere duur dan door de officier van justitie is gevorderd.

Benadeelde partij GGZ Drenthe Afdeling Duurzaam Verblijf

De benadeelde partij zal niet ontvankelijk worden verklaard in haar vordering en zij kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen, aangezien de benodigde machtiging van de heer [gemachtigde] om de vordering namens GGZ Drenthe Afdeling Duurzaam Verblijf in te dienen, ontbreekt.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 14g, 14h, 14i, 14j, 27 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Vorderingen tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummers 19.10.661044-06 en 19.10.660110-07

De rechtbank acht de vordering van de officier van justitie in de zaak met parketnummer 19.10.660110-07 toewijsbaar nu verdachte, eerder veroordeeld tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van 90 dagen bij vonnis van de Politierechter te Rotterdam d.d. 09 juli 2007, zich tijdens de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan de onderhavige strafbare feiten, waarvoor een straf zal worden opgelegd die in hoogte overeenstemt met deze op 09 juli 2007 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank zal gelasten dat de niet tenuitvoergelegde straf in de zaak met parketnummer 19.10.660110-07 alsnog zal worden tenuitvoergelegd.

De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie in de zaak met parketnummer 19.10.661044-06 afwijzen omdat zij, naast voor toewijzing van de vordering in de zaak met parketnummer 19.10.660110-07, mede gelet op de ernst van de in de onderhavige strafzaak gepleegde feiten en de hoogte van de op te leggen straf, voor toewijzing hiervan geen termen aanwezig acht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 3 is tenlastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

De rechtbank verklaart bewezen dat het onder 1, 2, 4 en 5 tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven is vermeld en verklaart verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte onder 1, 2, 4 en 5 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot

* gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

De rechtbank beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De rechtbank heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij GGZ Drenthe Afdeling Duurzaam Verblijf niet ontvankelijk is in haar vordering en dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. De benadeelde partij en verdachte dragen de eigen kosten.

Beslissing op de vorderingen na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummers 19.10.661044-06 en 19.10.660110-07

De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie in de zaak met parketnummer 19.10.661044-06 af.

De rechtbank gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis d.d. 09 juli 2007 door de Politierechter te Rotterdam gewezen voorwaardelijke gevangenisstraf in de zaak met parketnummer 19.10.660110-07.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.H.A. Fransen, voorzitter, en mr. L.J. Hofstra en mr. H.T. van Voorst, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I. de Greef, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 18 februari 2009.