Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2009:BH9172

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
31-03-2009
Datum publicatie
31-03-2009
Zaaknummer
08/232
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mediation staat niet in de weg aan plicht tot openbaarmaking

Wetsverwijzingen
Wet openbaarheid van bestuur
Wet openbaarheid van bestuur 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2009, 308 met annotatie van J.A.F. Peters
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector Bestuursrecht

Kenmerk: 08/232 WOB

Uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken d.d. 31 maart 2009

in het geding tussen

[eiser], wonende te Hoogeveen, eiser,

en

Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Westerveld, verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2008 heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen het besluit van 20 februari 2007 ongegrond verklaard en laatstgenoemd besluit gehandhaafd, inhoudende de weigering om op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) inzage te verlenen in de rapporten die hebben geleid tot de schorsing van de directeur van de basisschool in [plaats].

Door eiser is bij brief van 7 maart 2008 tegen dit besluit bij de rechtbank beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift ingezonden. Eiser heeft hiervan een afschrift ontvangen.

Bij brief van 27 oktober 2008 zijn door de rechtbank de door eiser bedoelde rapporten bij verweerder opgevraagd. De rapporten zijn op 18 november 2008 door de rechtbank ontvangen. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van de door verweerder vertrouwelijk overgelegde documenten kennis genomen.

Op grond van het bepaalde in artikel 8:26 van de Awb is de heer [directeur] in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Hierop is geen reactie ontvangen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 17 februari 2009, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. R.P. Doting.

Voor verweerder zijn verschenen G. Rotman en mr. A. Elshout.

II. Motivering

Feiten en omstandigheden

Op 30 januari 2007 heeft eiser het verzoek gedaan om inzage te verlenen in de rapporten die hebben geleid tot de schorsing van de directeur van de basisschool in [plaats], de heer [directeur] (hierna: de directeur). Naast inzage in de door de Stichting Vervangingsfonds opgestelde rapportage over de problemen op de openbare basisschool te [plaats] en het door de directeur ad interim G. Hagenus opgestelde rapport terzake van zijn bevindingen met betrekking tot deze basisschool, is ook om inzage verzocht in eventueel ander materiaal dat heeft geleid tot de schorsing.

Bij brief van 20 februari 2007 is het verzoek door verweerder afgewezen, op grond van de overweging dat het verzoek om inzage in de rapporten niet betrekking heeft op een bestuurlijke aangelegenheid; de schorsing van de directeur wordt beschouwd als een arbeidsrechtelijke aangelegenheid tussen de gemeente als werkgever en de directeur als haar werknemer.

Tegen deze weigering is op 20 maart 2007 een bezwaarschrift ingediend.

De bezwaren zijn op 19 juni 2007 ten overstaan van de Commissie van advies voor bezwaar- en beroepschriften van de gemeente Westerveld (hierna: de Commissie) nader toegelicht.

De Commissie is in haar advies van 22 augustus 2007 tot de conclusie gekomen dat het onderhavige verzoek wel een bestuurlijke aangelegenheid betreft en dat het belang van openbaarheid opweegt tegen het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, zodat er op die grond geen reden is om het verzoek af te wijzen.

De Commissie heeft verweerder geadviseerd het bezwaar gegrond te verklaren, het primaire besluit van 20 februari 2007 te herroepen en een nieuw besluit te nemen, waarbij de rapporten ter inzage kunnen worden aangeboden onder weglating van persoonlijke gegevens.

Bij het bestreden besluit is het verzoek, thans op grond van het bepaalde in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob, afgewezen.

Toepasselijke regelgeving

Artikel 3 van de Wob luidt als volgt:

1. Een ieder kan een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

2. De verzoeker vermeldt bij zijn verzoek de bestuurlijke aangelegenheid of het daarop betrekking hebbend document, waarover hij informatie wenst te ontvangen.

3. De verzoeker behoeft bij zijn verzoek geen belang te stellen.

4. Indien een verzoek te algemeen geformuleerd is, verzoekt het bestuursorgaan de verzoeker zo spoedig mogelijk om zijn verzoek te preciseren en is het hem daarbij behulpzaam.

5. Een verzoek om informatie wordt ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Artikel 10 van de Wob luidt, voor zover van belang, als volgt:

1. Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit:

a. de eenheid van de Kroon in gevaar zou kunnen brengen;

b. de veiligheid van de Staat zou kunnen schaden;

c. bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld;

d. persoonsgegevens betreft als bedoeld in paragraaf 2 van hoofdstuk 2 van de Wet bescherming persoonsgegevens, tenzij de verstrekking kennelijk geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maakt.

2. Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

a. de betrekkingen van Nederland met andere staten en met internationale organisaties;

b. de economische of financiële belangen van de Staat, de andere publiekrechtelijke lichamen of de in artikel 1a, onder c en d, bedoelde bestuursorganen;

c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten;

d. inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen;

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

f. het belang, dat de geadresseerde erbij heeft als eerste kennis te kunnen nemen van de informatie;

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

3. Het tweede lid, aanhef en onder e, is niet van toepassing voorzover de betrokken persoon heeft ingestemd met openbaarmaking.

(…)

Beoordeling

In geschil is de vraag of het besluit van 31 januari 2008, waarbij is geweigerd inzage te verlenen in de rapporten die hebben geleid tot de schorsing van de directeur van de basisschool in [plaats], in rechte in stand kan blijven.

Allereerst stelt de rechtbank vast dat verweerder er in het bestreden besluit terecht van uit is gegaan dat de verzochte documenten handelen over een bestuurlijke aangelegenheid, zodat het verzoek dient te worden beoordeeld op grond van de bepalingen van de Wob.

Eiser heeft aangegeven dat hij inzage wenst in onder andere de door de Stichting Vervangingsfonds en de door de directeur ad interim G. Hagenus opgestelde rapporten, daar door de schorsing (en het ontslag) van de directeur in het dorp [plaats] veel opschudding ontstond, zodat van belang is inzicht te verkrijgen in de onderliggende redenen. Het zou zelfs nooit tot zo’n grote commotie zijn gekomen, indien in een vroeg stadium afdoende informatie zou zijn verstrekt.

Verweerder heeft bij het bestreden besluit van 31 januari 2008, onder verwijzing naar artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g van de Wob, het verzoek van eiser afgewezen.

Daarbij is overwogen dat er inmiddels - op voorspraak van de rechtbank - een mediation-traject heeft plaatsgevonden, dat heeft geresulteerd in een vaststellingsovereenkomst. In deze op 8 januari 2008 getekende overeenkomst is onder andere vastgelegd dat de gemeente en de directeur zich terughoudend opstellen en geen inhoudelijke c.q. negatieve uitlatingen doen over het arbeidsgeschil. Partijen wensen deze zaak voor eens en altijd te sluiten. Het nakomen van deze verplichting en daarmee het voorkomen van onevenredige benadeling van partijen weegt volgens verweerder zwaarder dan het belang bij openbaarmaking van de betreffende stukken.

De rechtbank is van oordeel dat de vaststellingsovereenkomst partijen slechts in de tussen hen bestaande rechtsverhouding kan binden. Het staat partijen uiteraard vrij in het kader van deze rechtsverhouding afspraken te maken omtrent het geheim houden van bepaalde informatie, maar indien een derde een beroep doet op een (mogelijke) wettelijke plicht tot openbaarmaking op grond van de wet, kunnen de door verweerder en de directeur gemaakte afspraken daaraan niet in de weg staan. Nakoming van een overeenkomst is dan ook niet een in de Wob genoemde absolute of relatieve weigeringsgrond.

Dit staat er niet aan in de weg dat de belangen die door verweerder bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst zijn gewogen, ook in het kader van de Wob een rol kunnen spelen, zij het dat deze vervolgens tegen het belang van de openbaarheid dienen te worden afgewogen.

Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder de uit de vaststellingsovereenkomst voortvloeiende geheimhoudingsplicht en niet de daaraan eventueel ten grondslag liggende belangen als uitgangspunt genomen voor de weigering van het Wob-verzoek. In het besluit is immers expliciet overwogen dat het nakomen van de geheimhoudingsverplichting en daarmee het voorkomen van onevenredige benadeling van partijen zwaarder weegt dan het belang bij openbaarmaking. Gelet op het voorgaande berust het besluit daarmee op een onjuiste grondslag zodat het voor vernietiging in aanmerking komt.

Ter zitting heeft verweerder als - subsidiair - standpunt naar voren gebracht dat een afweging van de belangen van verschillende betrokkenen tegen het belang van de openbaarmaking leidt tot een afwijzing van het verzoek. De rechtbank heeft dit opgevat als een verwijzing naar de in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e respectievelijk g, van de in de Wob neergelegde weigeringsgronden.

Hoewel het besluit om redenen voornoemd reeds voor vernietiging in aanmerking komt, zal de rechtbank ook dit subsidiaire standpunt nog beoordelen.

In dit verband stelt de rechtbank voorop dat het recht op openbaarmaking ingevolge de Wob het publieke belang dient van een goede en democratische bestuursvoering, welk belang de Wob vooronderstelt. Bij de in het kader van de Wob te verrichten belangenafweging worden betrokken het algemene of publieke belang bij openbaarmaking en de belangen die bescherming vinden in de in artikel 10 van de Wob neergelegde gronden. De rechtbank zal het bestuurlijk oordeel over de vraag of het openbaarheidsbelang meer of minder zwaar weegt dan de in artikel 10 van de Wob vermelde belangen, onderwerpen aan een redelijkheidstoetsing. Bij die toetsing dient het uitgangspunt van de Wob - openbaarheid is regel - zwaar te wegen.

Verweerder stelt een belangenafweging te hebben gemaakt tussen eisers verzoek en het welzijn van niet alleen de directeur maar van alle personen die bij deze zaak betrokken zijn geweest. Openbaarmaking van de rapporten zou hun aanzien als onderwijsprofessional kunnen schaden, zowel in hun huidige functie als in toekomstige functies. Daarnaast zou hen ernstige psychische schade kunnen worden toegebracht, net als in de periode waarin de zaak actueel was.

De rechtbank overweegt dat in het algemeen niet kan worden gezegd dat het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer of het belang van het voorkomen van onevenredige benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden, als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder respectievelijk e en g, van de Wob in een geval als het onderhavige niet aan de orde is. Op zichzelf kan aan de door verweerder aangehaalde belangen relevantie dan ook niet worden ontzegd.

De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft evenwel overwogen (zie onder andere de uitspraken van 14 juli 2004, LJN AQ1360 en 4 juni 2008, LJN BD3114), dat waar het gaat om beroepshalve functioneren van ambtenaren, slechts in (zeer) beperkte mate een beroep kan worden gedaan op het belang van eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer. Dit ligt anders indien het betreft het openbaar maken van namen, adressen en bankgegevens van de ambtenaren. Dit zijn immers persoonsgegevens en het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer kan zich tegen het openbaar maken daarvan verzetten. Dat betekent echter ook dat alle overige op de ambtenaar betrekking hebbende informatie buiten de hiervoor geschetste beperkte omvang van diens privacy valt.

Voorts overweegt de rechtbank dat onbetwist is dat de schorsing (en het ontslag) van de directeur, in het dorp [plaats] veel impact heeft gehad. Het belang om inzicht te verkrijgen in de onderliggende redenen van de schorsing kan niet worden ontkend. De rechtbank is van oordeel dat, juist gezien de opschudding die de gang van zaken rond de (directeur van de) basisschool in [plaats] in het gehele dorp heeft veroorzaakt, en de gevolgen die dit alles heeft gehad - niet alleen voor de directeur zelf maar ook op bestuurlijk niveau - het van groot belang is het publiek duidelijkheid te verschaffen over wat nu wel en wat niet is gebeurd. Het komt de rechtbank niet onwaarschijnlijk voor dat verweerders houding om alle informatie met betrekking tot deze zaak zo veel mogelijk binnenskamers te houden een onbedoeld sneeuwbaleffect heeft gehad en juist daardoor voor de diverse betrokkenen verregaande consequenties heeft gehad.

Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerder in redelijkheid niet volhouden dat inzage in de gevraagde documenten in zijn geheel geweigerd dient te worden op grond van de door verweerder naar voren gebrachte belangen. Verweerder dient dan ook inzage te geven in de gevraagde documenten, waarbij verweerder per onderdeel van de in geding zijnde documenten de vraag dient te beantwoorden of sprake is van strikt persoonlijke gegevens en of aan de belangen van de afzonderlijke ambtenaar een zodanig gewicht toekomt, dat openbaarmaking van de gevraagde gegevens achterwege mag blijven. Hierbij is de rechtbank van oordeel dat deze belangen voldoende kunnen worden beschermd door anonimisering en/of beperking van de openbaarmaking tot gedeelten van de documenten.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd, zal de rechtbank verweerder opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

De rechtbank ziet voorts aanleiding verweerder op de voet van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb in de proceskosten te veroordelen. Deze kosten zijn met toepassing van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 322,- als kosten van verleende rechtsbijstand en € 9,90 aan reiskosten voor het bijwonen van de zitting op

17 februari 2009.

Beslist wordt als volgt.

III. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op om binnen zes weken een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift van eiser van 20 maart 2007 te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat de gemeente Westerveld het door eiser betaalde griffierecht van

€ 143,- aan hem vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 331,90, te betalen door de gemeente Westerveld.

Aldus gegeven door mr. K. Wentholt, voorzitter, en mrs. W.P. Claus en L. Mulder, leden,

bijgestaan door H.J. Boerma, griffier.

H.J. Boerma mr. K. Wentholt

Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2009.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te 's-Gravenhage. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019 te 2500 EA 's-Gravenhage binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.

Afschrift verzonden op: