Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2008:BG8563

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
30-12-2008
Datum publicatie
30-12-2008
Zaaknummer
19-810164/08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voorts overweegt de rechtbank dat verdachte tegenover de politie open kaart heeft gespeeld en heeft verklaard over zijn gepleegde diefstallen, bedreigingen met geweld, afpersing en zijn betrokkenheid bij de criminele organisatie van [betrokkene]. De raadsman van verdachte heeft onder meer betoogd dat verdachte voor de door hem gepleegde strafbare feiten een gevangenisstraf moet worden opgelegd die gelijk is aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

De rechtbank volgt de raadsman hierin niet. Voor een dergelijke milde vrijheidsstraf acht de rechtbank de gepleegde feiten te ernstig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19/810164-08

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 30 december 2008 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats en -land] op [geboortedatum] 1973,

wonende te [woonplaats], maar thans gedetineerd in [plaats van detentie].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op dinsdag 16 december 2008.

De verdachte is verschenen en werd bijgestaan door mr. E.P. Eujen, advocaat te Hoogeveen.

Tenlastelegging

De verdachte is ingevolge de ter terechtzitting van 16 december 2008 gewijzigde tenlastelegging bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

1.

hij op meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode 16 mei 2007 tot en met 24 september 2008 in de gemeente Emmen, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband tussen [deelnemers organisatie] en/of anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het handelen in verdovende middelen, het voorhanden hebben van (vuur)wapens, het plegen van afpersingen, bedreigingen en mishandelingen;

2.

hij op meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode 16 mei 2007 tot en met 11 februari 2008 in de gemeente Emmen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] (telkens) heeft gedwongen tot

- het aangaan van een schuld, namelijk de verplichting om te handelen in verdovende

middelen, en/of

- de afgifte van geld en/of drugs, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en zijn mededader(s) in genoemde periode die [slachtoffer] (nagenoeg voortdurend) in een dreigende situatie hebben laten verkeren door hem meermalen,

- mee te nemen in een auto en/of naar een bos te brengen,

- te mishandelen door hem te stompen, te schoppen, en te slaan

- fysiek en verbaal te bedreigen met de dood en/of met zware mishandeling;

3.

hij in of omstreeks de periode 1 oktober 2007 tot en met 30 november 2007 in de gemeente Emmen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van cocaïne, of op cocaïne gelijkende substantie, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en zijn mededader(s), althans alleen,

- die [slachtoffer] in de auto hebben meegenomen naar een bos in de buurt van Emmen,

- (aldaar) tegen hem hebben gezegd: 'dat ze hem dood zouden schieten' en/of dat ze hem 'zonder kleren in de sloot zouden gooien en zo dood konden laten vriezen', althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking,

- (vervolgens) hem hebben vastgepakt en meermalen tegen hoofd/lichaam hebben gestompt/geslagen,

- nadat ze hem terug hebben gereden, hem aldaar nogmaals tegen het hoofd hebben gestompt/geslagen;

4.

hij in of omstreeks de periode 1 oktober 2007 tot en met 30 november 2007 in de gemeente Emmen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 400 euro, in elk geval enig geldbedrag of goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(es) die [benadeelde] meermalen hebben gestompt en geslagen;

5.

hij op of omstreeks 28 juli 2008 in de gemeente Emmen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door opzettelijk dreigend (in de dichte nabijheid van die [slachtoffer]) tegen deze te zeggen: 'ík ga je moeder opknopen, ik weet je te vinden, ik weet je te wonen, ik ga jou opknopen, ik maak je af', althans woorden gelijke dreigende aard en/of strekking;

en/of

dat hij op of omstreeks 28 juli 2008 in de gemeente Emmen opzettelijk mishandelend een ambtenaar gedurende of terzake de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, (te weten [slachtoffer]), meermalen heeft gestompt/geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

6.

hij op of omstreeks 20 juni 2008 in de gemeente Emmen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bril (merk Versace), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of elke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte voornoemde tegen personen heeft geduwd, hen heeft geschopt en/of heeft geslagen en/of aan hen heeft getrokken, althans een duwende, schoppen en/of slaande beweging in hun richting heeft gemaakt.

Kennelijke omissies en taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor blijkens het onderzoek ter terechtzitting niet geschaad in de verdediging.

De rechtbank zal, waar in de tenlastelegging staat "verdachte en/of zijn mededader(s)" lezen alsof daar staat "verdachte en/of zijn medeverdachte(n)". De term mededader namelijk impliceert dat verdachte ook als dader moet worden aangemerkt, hetgeen in strijd is met de presumptie van onschuld. Een verdachte dient tot aan het moment van onherroepelijke bewezenverklaring van het hem tenlastegelegde immers voor onschuldig te worden gehouden.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie mr. J. Hoekman acht hetgeen onder 1. tot en met 6. is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank als volgt zal beslissen: zeven jaren gevangenisstraf met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht, gedeeltelijke toewijzing (tot een bedrag van € 400,--) van de civiele vordering van [benadeelde partij] en integrale toewijzing (€ 150,--) van de civiele vordering van [benadeelde partij], beide onder oplegging van een schadevergoedingsmaatregel voor die bedragen.

Vrijspraak van het onder 2. tenlastegelegde

Verdachte heeft zowel tegenover de verhorende politiefunctionarissen als tijdens het onderzoek ter terechtzitting elke betrokkenheid bij het onder 2. tenlastegelegde ontkend.

Naar het oordeel van de rechtbank ziet het tenlastegelegde, gelet op de feitelijke beschrijving van het voorgevallene, niet op een reeks van afpersingen van [slachtoffer] in de periode mei 2007 tot en met februari 2008 maar op één bepaalde afpersing, namelijk die in het bos in mei 2007.

Met betrekking tot deze afpersing beschikt de rechtbank over de voor verdachte belastende verklaring van [slachtoffer] en de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2], die beiden verklaren dat verdachte niet bij de door [slachtoffer] beschreven afpersing in het bos aanwezig is geweest. Ook verdachte zelf ontkent nadrukkelijk hierbij aanwezig te zijn geweest.

Daarnaast overweegt de rechtbank dat verdachte, die aanvankelijk ontkent, in zijn verklaring van 8 oktober 2008 omstreeks 10:20 uur en de daarop volgende verklaringen een ommezwaai maakt met betrekking tot zijn eerdere verklaringen en vertelt over zijn gepleegde diefstallen, bedreigingen met geweld, afpersing en zijn betrokkenheid bij de criminele organisatie van [betrokkene]. Hij blijft echter, ook tijdens het onderzoek ter terechtzitting, ontkennen zich te hebben schuldig gemaakt aan de afpersing van [slachtoffer].

Op grond van het vorenstaande kan de rechtbank niet tot het wettig en overtuigend bewijs komen dat verdachte het hem onder 2. tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Nu verdachte hetgeen de rechtbank bewezen zal verklaren heeft bekend en nadien niet anders heeft verklaard en hij noch zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit zal de rechtbank volstaan met een opgave van bewijsmiddelen.

feit 1:

een proces-verbaal van bevindingen van Regiopolitie Drenthe, Recherche Zuid-Oost, van 27 november 2008

de verklaring van de verdachte van 8 oktober 2008

de verklaring van [slachtoffer] van 11 februari 2008

de verklaring van [slachtoffer] van 14 februari 2008

de verklaring van [getuige] van 24 april 2008

feiten 1. en 3.:

de verklaringen van [slachtoffer] van 23 en 24 april 2008, 5 mei 2008 en 10 juni 2008

de verklaring van [getuige 1] van 15 mei 2008

de verklaring van [getuige 2] van 28 april 2008

de verklaring van [getuige 3] van 18 mei 2008

de verklaringen van [getuige 4] van 29 juni 2008

de verklaring van de verdachte 8 oktober 2008

feiten 1. en 4:

de verklaring van [slachtoffer] van 16 juni 2008

de verklaring van de verdachte van 8 oktober 2008

de verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 16 december 2008

feit 5:

de verklaring van [slachtoffer] van 31 juli 2008

de verklaring van [getuige 1]

de verklaring van [getuige 2] van 3 augustus 2008

de verklaring van de verdachte van 25 september 2008

een medische verklaring van 12 augustus 2008 betreffende [slachtoffer]

feit 6:

de verklaring van [slachtoffer 1] van 20 juni 2008

de verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 16 december 2008.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het onder 1., 3., 4., 5. en 6. tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij in de periode oktober 2007 tot en met december 2007 in de gemeente Emmen heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband tussen [deelnemers organisatie] en anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het handelen in verdovende middelen, het plegen van afpersingen, bedreigingen en mishandelingen;

3.

hij in de periode 1 oktober 2007 tot en met 30 november 2007 in de gemeente Emmen tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van cocaïne, toebehorende aan [slachtoffer], welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en zijn medeverdachten

- die [slachtoffer] in de auto hebben meegenomen naar een bos in de buurt van Emmen,

- aldaar tegen hem hebben gezegd: dat ze hem dood zouden schieten en dat ze hem zonder kleren in de sloot zouden gooien en zo dood konden laten vriezen, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking,

- vervolgens hem hebben vastgepakt en meermalen tegen het hoofd/lichaam hebben gestompt/geslagen,

- nadat ze hem terug hebben gereden, hem aldaar nogmaals tegen het hoofd hebben gestompt/geslagen;

4.

hij in de periode 1 oktober 2007 tot en met 30 november 2007 in de gemeente Emmen tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 400 euro, toebehorende aan [benadeelde], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [benadeelde], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat verdachte en/of zijn medeverdachten die [benadeelde] meermalen hebben gestompt en geslagen;

5.

hij op 28 juli 2008 in de gemeente Emmen, slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door opzettelijk dreigend in de dichte nabijheid van die [slachtoffer] tegen deze te zeggen: ík ga je moeder opknopen, ik weet je te vinden, ik weet je te wonen, ik ga jou opknopen, ik maak je af, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

en

dat hij op 28 juli 2008 in de gemeente Emmen opzettelijk mishandelend [slachtoffer] meermalen heeft gestompt/geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

6.

hij omstreeks 20 juni 2008 in de gemeente Emmen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bril (merk Versace), toebehorende aan [benadeelde].

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de bewezenverklaring.

Vrijspraak van hetgeen meer of anders is tenlastegelegd

De verdachte zal van het onder 1., 3., 4., 5. en 6. meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

De rechtbank zal hierna nader ingaan op de partiële vrijspraken onder de feiten 1., 5. (de mishandeling van [slachtoffer]) en 6.

met betrekking tot feit 1.:

in de periode oktober 2007 tot en met december 2007 heeft verdachte deelgenomen aan de criminele organisatie van [betrokkene 1] en de zijnen, hetgeen blijkt uit de bewezen verklaring van feit 3. (medeplegen van afpersing van [slachtoffer]) en feit 4. (diefstal in vereniging met geweld tegen [slachtoffer]). Beide feiten zijn gepleegd in de periode waarin verdachte deelnam aan die organisatie.

Verdachte is betrokken geraakt bij deze criminele organisatie nadat hij medio mei 2007 in Emmen woonachtig is geworden.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij pas na enige tijd, en na een afwezigheid van [betrokkene 1] in verband met vakantie, in de loop van oktober 2007 bij deze organisatie betrokken is geraakt en daaraan is gaan deelnemen, overtuigend.

Uit het dossier blijkt niet van activiteiten van verdachte voor deze criminele organisatie noch van betrokkenheid op andere wijze na december 2007. Ook verdachte zelf heeft ontkend na december 2007 nog op enige wijze bij deze criminele organisatie betrokken te zijn geweest.

Weliswaar verklaart verdachte dat hij na februari 2008 voor een klusje met [betrokkene 2] naar Enschede is geweest - iemand had een schuld van 2000 euro bij [betrokkene 2] - maar dit feit is verdachte niet tenlastegelegd, noch is het ad informandum gevoegd.

Bovendien blijkt niet dat deze activiteit in relatie staat tot voornoemde criminele organisatie. Het enkele feit dat [betrokkene 2] wél bij deze organisatie betrokken zou zijn geweest is daartoe op zich onvoldoende.

De rechtbank kan daarom niet wettig en overtuigend bewezen achten dat verdachte vóór oktober 2007 en ná december 2007 heeft deelgenomen aan de criminele organisatie.

met betrekking tot feit 5. (de mishandeling van [slachtoffer]):

[slachtoffer] verklaart dat hij werkzaam is als beveiligingsmedewerker op het AZC te Emmen en werkt bij beveiligingsorganisatie Trigion. Trigion is een beveiligingsbedrijf en verricht geen overheidstaken, waarbij het ondergeschikt is aan een hoger gezag. [slachtoffer] is dus geen ambtenaar in de zin van de strafverzwarende omstandigheid in artikel 304 onder 2e van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat [slachtoffer] tijdens de mishandeling in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening als ambtenaar was.

met betrekking tot feit 6.:

de rechtbank acht de onder 6. tenlastegelegde geweldpleging, of bedreiging daarmee, niet bewezen.

Aangever [aangever] verklaart dat hij verdachte sommeerde de bril terug te geven, waarna wat heen en weer werd geduwd. Getuige [getuige] verklaart dat er een beetje duw werk volgde. Noch aangever [aangever], noch getuige [getuige] maken melding van slaan door verdachte.

Onder deze omstandigheden acht de rechtbank, ondanks het proces-verbaal van bevindingen van Politie Drenthe van 23 september 2008, waarin beelden van een bewakingscamera worden beschreven en melding wordt gemaakt van slaan door verdachte op de linkerschouder van het personeelslid van [benadeelde], toch niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte na het wegnemen van de zonnebril geweld heeft gebruikt of daarmee heeft gedreigd in de zin van artikel 312, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht.

Overigens acht de rechtbank de voltooide diefstal bewezen. Verdachte heeft de bril immers in een folder gewikkeld en meegenomen naar buiten. De diefstal wordt ontdekt en verdachte wordt op heterdaad aangehouden. Het buiten de beschikkingsmacht van de winkelier brengen van het weggenomene is voldoende voor een voltooide diefstal. Voor voltooiing van diefstal is niet vereist dat de dader zichzelf reeds in veiligheid heeft gebracht.

Kwalificaties

Het onder 1., 3., 4., 5. en 6. bewezen geachte levert respectievelijk op:

onder 1.:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven,

strafbaar gesteld bij artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht;

onder 3.:

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen,

strafbaar gesteld bij artikel 317 in verbinding met artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht;

onder 4.:

diefstal, voorafgegaan of vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen,

strafbaar gesteld bij artikel 312 in verbinding met artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht;

onder 5.:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht,

strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht,

en

mishandeling,

strafbaar gesteld bij artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht;

onder 6.:

diefstal,

strafbaar gesteld bij artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straf in aanmerking de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan, hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte, het pleidooi van de raadsman van de verdachte, de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 3 december 2008, waaruit blijkt dat verdachte nog niet eerder is veroordeeld en de ter terechtzitting gedane erkenning door de verdachte dat hij zich aan de op de dagvaarding ad-informandum gevoegde zaken onder de nummers 1. tot en met 4. heeft schuldig gemaakt, welke feiten hiermee zijn afgedaan.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte over een periode van drie maanden heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven en dat hij zich in die periode schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van afpersing en het medeplegen van diefstal met geweld.

De rechtbank acht voorts bewezen dat de organisatie, naast het plegen van afpersingen, bedreigingen en mishandelingen, heeft gehandeld in verdovende middelen.

De rechtbank heeft uit de stukken en het onderzoek ter terechtzitting echter niet kunnen destilleren dat verdachte op enigerlei wijze bij die handel is betrokken geweest. Mede door de beperkte duur van verdachtes deelneming aan de organisatie zijn niet alle criminele activiteiten van de organisatie ook verdachte aan te rekenen.

Voorts acht de rechtbank bewezen dat verdachte [slachtoffer] en diens moeder heeft bedreigd met een levensdelict, [slachtoffer] heeft mishandeld en een zonnebril heeft gestolen.

Verdachte heeft voorts bekend zich nog te hebben schuldig gemaakt aan mishandeling van de heer [slachtoffer], diefstal van zonnebrillen, het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie en diefstal in vereniging met bedreiging met geweld van een kettingzaag.

De bewezen geachte strafbare feiten zijn zonder meer ernstig en de rechtbank rekent de verdachte die feiten, en met name de afpersing van [slachtoffer] en de beroving van [slachtoffer], zwaar aan.

De rechtbank acht de eis van de officier van justitie voor deze feiten, om redenen die hierna zullen worden besproken, echter te fors.

Ten eerste zal verdachte van het hem onder 2. tenlastegelegde worden vrijgesproken. Afpersing is een ernstig feit. Het is in zijn lichtste variant, dat wil zeggen: zonder dat het feit zwaar lichamelijk letsel of de dood ten gevolge heeft, bedreigd met negen jaren gevangenisstraf. De vrijspraak heeft dus een sterk afzwakkend effect op de eis van de officier van justitie. Alleen al hierom zal de rechtbank de eis van de officier van justitie niet volgen.

Maar de rechtbank neemt ook in aanmerking dat verdachtes rol in de criminele organisatie, zoals hierboven al is gememoreerd, beperkt is geweest in tijd en activiteit en dat hij op eigen initiatief heeft gebroken met de organisatie.

Voorts overweegt de rechtbank dat verdachte tegenover de politie open kaart heeft gespeeld en heeft verklaard over zijn gepleegde diefstallen, bedreigingen met geweld, afpersing en zijn betrokkenheid bij de criminele organisatie van [betrokkene].

De raadsman van verdachte heeft onder meer betoogd dat verdachte voor de door hem gepleegde strafbare feiten een gevangenisstraf moet worden opgelegd die gelijk is aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

De rechtbank volgt de raadsman hierin niet. Voor een dergelijke milde vrijheidsstraf acht de rechtbank de gepleegde feiten te ernstig.

De rechtbank zal, alles afwegende, aan verdachte een gevangenisstraf opleggen die enerzijds de ernst van de feiten benadrukt maar anderzijds recht doet aan de persoon van de verdachte, die nog niet eerder wegens misdrijf is veroordeeld, zich al vóór zijn aanhouding had onttrokken aan de criminele organisatie van de gebroeders [betrokkenen] en voornemens is zich met zijn gezin buiten de gemeente Emmen te vestigen om elders een nieuw bestaan op te bouwen.

Benadeelde partij [benadeelde partij]

De rechtbank acht het causaal verband tussen het bewezen geachte feit en de schade alsmede de aansprakelijkheid van de verdachte voor die schade bewezen. De vordering acht zij tot na te noemen bedrag voldoende aannemelijk gemaakt. De civiele vordering is dan ook gegrond en tot na te noemen bedrag voor toewijzing vatbaar.

Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet ontvankelijk in zijn vordering.

De gevorderde schade aan de leren jas (€ 109,--) zou immers ontstaan zijn als gevolg van de kopstoot die verdachte op 13 juni 2008 in café Herberg te Emmen aan [benadeelde] heeft gegeven. Dit feit is echter niet aan verdachte tenlastegelegd. Het is weliswaar als ad informandum gevoegd strafbaar feit op de dagvaarding aan verdachte vermeld, maar daarmee is geen sprake van een bewezen verklaard feit in de zin van artikel 361, tweede lid onder b. van het Wetboek van Strafvordering.

Voor dit deel kan de benadeelde partij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Benadeelde partij [benadeelde partij]

[benadeelde partij] vordert vergoeding van het eigen risico van zijn zorgverzekering.

Uit de memo van Slachtofferhulp Nederland van 10 december 2008 blijkt echter dat [benadeelde partij] eerder dit jaar een medische behandeling heeft ondergaan waarvoor het eigen risico in rekening is gebracht.

Er is daarom geen sprake van rechtstreekse schade die is toegebracht door het bewezen verklaarde feit als bedoeld in artikel 361, tweede lid onder b. van het Wetboek van Strafvordering.

De benadeelde partij zal niet ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering en hij kan zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Schadevergoedingsmaatregel

Met betrekking tot het onder 4. bewezen geachte feit acht de rechtbank de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht tot na te noemen bedrag aansprakelijk voor de schade, die door het strafbare feit is toegebracht.

Aan de verdachte zal de verplichting worden opgelegd dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 27, 36f, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 2. is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank verklaart bewezen dat het onder 1., 3., 4., 5. en 6. tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1., 3., 4., 5. en 6. meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden.

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij] van de som van € 400,-- en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is en dat hij dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. De benadeelde partij en de verdachte dragen de eigen kosten.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], een bedrag van € 400,-- te betalen, bij gebreke van betaling te vervangen door acht dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en verstaat dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voormeld bedrag ten behoeve van het slachtoffer de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij doet vervallen, alsmede dat betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partij de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag doet vervallen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij] niet ontvankelijk is in zijn vordering en dat hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. De benadeelde partij en de verdachte dragen de eigen kosten.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.I. Klaassens, voorzitter, en mr. J.J. Schoemaker en mr. H. Wolthuis, rechters, in tegenwoordigheid van R.C. Sprong, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op dinsdag 30 december 2008. Mr. Wolthuis is buiten staat dit vonnis binnen de door de wet gestelde termijn mede te ondertekenen.