Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2008:BG8454

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
24-12-2008
Datum publicatie
29-12-2008
Zaaknummer
08/1050
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Aan een instelling die een inrichting exploiteert voor jongeren met gedragsproblematiek is een preventieve last onder dwangsom opgelegd inhoudende dat verzoekster op straffe van een dwangsom het gebruik van de inrichting onmiddellijk dient te staken en gestaakt houdt totdat voldaan is aan brandveiligheidsnormen. De instelling vraagt schorsing van het besluit. Hoewel de voorzieningenrechter van oordeel is dat de geformuleerde last onder dwangsom te ruim is geformuleerd, wordt de gevraagde voorziening afgewezen. Voldoende is komen vast te staan dat in het weekend van 27 en 28 december 2008 een groep kinderen komt logeren, terwijl ook dan nog niet aan de brandveiligheidseisen is voldaan. Gelet op het gewicht van het belang, dat gediend is met een brandveilige inrichting van een groepsgebouw voor kinderen met gedragsproblematiek, en de ernst van de geschonden norm is de voorzieningenrechter van oordeel dat handhavend optreden in het onderhavige geval niet onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat om die reden in deze concrete situatie van handhaving behoorde te worden afgezien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector Bestuursrecht

Kenmerk: 08/1050 BESLU

PROCES-VERBAAL VAN DE MONDELINGE UITSPRAAK

van de voorzieningenrechter op de voet van het bepaalde in titel 3 van hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) d.d. 24 december 2008

in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te [woonplaats], verzoekster,

en

het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Aa en Hunze, verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit gedateerd 23 december 2008 heeft verweerder bepaald dat door verzoekster een dwangsom, als bedoeld in artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), wordt verbeurd van € 2.500,- per geconstateerde overtreding met een maximum van € 100.000,-, indien zij het gebruik van de gebouwen op het perceel Papenvoort 33 te Papenvoort niet staakt en gestaakt houdt totdat voldaan is aan het bepaalde in het Bouwbesluit en aan de verleende bouwvergunningen.

Namens verzoekster is bij brief van 24 december 2008 tegen dit besluit bij verweerder bezwaar gemaakt.

Bij brief van 24 december 2008 is tevens namens verzoekster aan de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:81 van de Awb.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden. De gemachtigde van verzoekster heeft hiervan een afschrift ontvangen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de rechtbank op 24 december 2008, alwaar verzoekster werd vertegenwoordigd door [vennoot], bijgestaan door mr. D. Rietberg, advocaat te Groningen.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de gemachtigde L.S. de Jong en M. van den Berg.

II. Beslissing

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de voorzieningenrechter mondeling uitspraak gedaan en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.

III. Motivering

Algemeen

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de recht¬bank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Aangezien tijdig bezwaar is gemaakt tegen het besluit waarop het verzoek betrekking heeft en deze rechtbank in de hoofdzaak bevoegd zal zijn, is voldaan aan het connexiteitsvereiste. Ook overigens is er geen beletsel het verzoek om een voorlopige voorziening ontvankelijk te achten.

Feiten en omstandigheden

Bij haar oordeelsvorming betrekt de voorzieningenrechter de navolgende feiten en omstandigheden.

Verzoekster is gevestigd in [woonplaats] en exploiteert een inrichting voor jongeren met gedragsproblematiek.

Na een controlebezoek door medewerkers van de gemeente Aa en Hunze is geconstateerd dat het logeerhuis van verzoekster niet voldoet aan de voorschriften van het Bouwbesluit. Dit betreft specifiek de brandscheidingen van de logieskamers.

Naar aanleiding van het controlebezoek heeft verzoekster Buro Appel verzocht om een inventarisatie te doen voor wat betreft het voldoen aan de voorschriften van het Bouwbesluit en welke aanpassingen uitgevoerd dienen te worden.

Buro Appel heeft in maart 2008 een advies uitgebracht aan verzoekster. In dit advies wordt aangegeven dat:

- de plafonds in de logieskamers op de verdieping vervangen moeten worden;

- de houtwortelcementplafonds op de begane grond aangeheeld moeten worden;

- de aanslag van de kozijnen door middel van geschroefde en verlijmde hardhouten latten naar 25 mm vergroot moet worden;

- de deuren of het kozijn voorzien moeten worden van een bij brand expanderende band;

- de boarddeuren vervangen moeten worden door minimaal 20 minuten brandwerende deuren;

- scheuren, gaten en doorvoeringen brandwerend afgewerkt moeten worden;

- PUR-schuim brandwerend afgewerkt moet worden;

- deurdrangers opnieuw afgesteld moeten worden;

- het klemmen van deuren verholpen moet worden.

Uit een hercontrole door Buro Appel, neergelegd in een rapportage van juli 2008, komt naar voren dat verzoekster (nog) niet alle aanpassingen volledig heeft uitgevoerd, zoals beschreven in het advies van maart 2008.

Op 11 december 2008 hebben medewerkers van de gemeente Aa en Hunze een controle van de brandveiligheidsvoorschriften uitgevoerd bij verzoekster. Door de medewerkers van de gemeente is geconstateerd dat verzoekster niet voldoet aan de brandveiligheidsvoorschriften. Deze constatering is vervolgens neergelegd in een brief van 12 december 2008.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder bepaald dat door verzoekster een dwangsom, als bedoeld in artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), wordt verbeurd van € 2.500,- per geconstateerde overtreding met een maximum van € 100.000,-, indien zij het gebruik van de gebouwen op het perceel Papenvoort 33 te Papenvoort niet staakt en gestaakt houdt totdat voldaan is aan het bepaalde in het Bouwbesluit en aan de verleende bouwvergunningen.

Toepasselijke regelgeving

Ingevolge artikel 1b, tweede lid onder a, van de Woningwet is het verboden een bestaand gebouw in een staat te brengen, te laten komen of te houden die niet voldoet aan de op de staat van dat gebouw van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in artikel 2, tweede lid.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, van de Woningwet worden bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde maatregel van bestuur voorts uit het oogpunt van veiligheid, gezondheid en bruikbaarheid voorschriften gegeven omtrent de staat van bestaande woningen, woonketen en woonwagens en van bestaande andere gebouwen (Bouwbesluit).

Ingevolge artikel 40, eerste lid aanhef en onder a, van de Woningwet is het verboden zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning.

Op grond van artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang. Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang uitgeoefend door het college, indien de toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

Artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht luidt als volgt:

“1. Een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, kan in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

2. Een last onder dwangsom strekt ertoe de overtreding ongedaan te maken of verdere overtreding dan wel een herhaling van de overtreding te voorkomen.

3. Voor het opleggen van een last onder dwangsom wordt niet gekozen, indien het belang dat het betrokken voorschrift beoogt te beschermen, zich daartegen verzet.

4. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last. Het bestuursorgaan stelt tevens een bedrag vast waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd. Het vastgestelde bedrag staat in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging.

5. In de beschikking tot oplegging van een last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, wordt een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.”

Beoordeling

Gesteld voor de vraag of er aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Aangezien in het onderhavige handhavingsbesluit geen begunstigingstermijn is opgenomen, wordt het spoedeisende belang aanwezig geacht.

Ter beoordeling van de voorzieningenrechter ligt voor een door verweerder genomen primair besluit tot het opleggen van een preventieve last onder dwangsom inhoudende dat verzoekster een dwangsom verbeurt van € 2.500,- per geconstateerde overtreding met een maximum van € 100.000,-, indien zij het gebruik van de gebouwen op het perceel Papenvoort 33 te Papenvoort niet staakt en gestaakt houdt totdat voldaan is aan het bepaalde in het Bouwbesluit en aan de verleende bouwvergunningen.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de geformuleerde last onder dwangsom, zoals thans neergelegd in het bestreden besluit, te ruim geformuleerd is. Verweerder heeft, zoals in de bijlage bij het besluit is neergelegd en ter zitting aan de hand van de overgelegde foto’s nader is geadstrueerd, verschillende gebreken geconstateerd. Verweerder heeft ter zitting naar voren gebracht dat een optelsom van deze gebreken maakt dat thans tot de bestreden beslissing is gekomen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient verweerder nader te onderbouwen waarom er niet voor is gekozen voor een deel van de geconstateerde gebreken een begunstigingstermijn op te nemen, mede gelet op het feit dat de gebreken deels betrekking hebben op een gedeelte van de gebouwen dat, zoals onweersproken is gesteld door verzoekster, thans niet in gebruik is. Daarin ziet de voorzieningenrechter echter geen aanleiding om de gevraagde voorlopige voorziening (schorsing van het besluit) te treffen.

De voorzieningenrechter stelt vast dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarbij verwezen wordt naar LJN: AN9718, dient te worden afgeleid dat een besluit tot het opleggen van een preventieve last onder dwangsom slechts kan worden genomen, indien sprake is van een gevaar van een overtreding van een concreet bij of krachtens de wet gesteld voorschrift die met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal plaatsvinden en indien die overtreding in het besluit kan worden omschreven met die mate van duidelijkheid die uit het oogpunt van rechtszekerheid is vereist.

Gelet op voornoemde jurisprudentie overweegt de voorzieningenrechter dat uit de gedingstukken, de overgelegde foto’s en het verhandelde ter zitting genoegzaam is komen vast te staan dat verzoekster in strijd met de brandveiligheidsvoorschriften handelt voor wat betreft de compartimentering, de subcompartimentering en de aanduiding van vluchtroutes binnen de verschillende gebouwen. In dit verband wijst de voorzieningenrechter erop dat namens verzoekster ter zitting is aangegeven dat de gebouwen niet (volledig) voldoen aan de brandveiligheidsvoorschriften, maar dat ‘komende maandag’ (29 december 2008) een aanvang zal worden genomen met de noodzakelijke werkzaamheden. Voorts dient te worden vastgesteld dat verweerder in de bijlage bij het thans bestreden besluit onder meer heeft aangegeven aan welke specifieke eisen van het Bouwbesluit niet wordt voldaan, zodat naar het oordeel van de voorzieningenrechter daarmee een voldoende grondslag voor het dwangsombesluit is gegeven.

De voorzieningenrechter overweegt dat verzoekster reeds langere tijd gewezen is op de tekortkomingen voor wat betreft de brandveiligheidseisen, dat laatstelijk bij brief van 12 december 2008 door verweerder is aangegeven dat op essentiële aspecten niet wordt voldaan aan de voorschriften en dat deze situatie thans nog voortduurt.

De voorzieningenrechter overweegt verder dat verzoekster verblijfsmogelijkheden aanbiedt aan jongeren met gedragsproblemen. Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is voldoende komen vast te staan dat in het weekend van 27 en 28 december 2008 wederom een groep kinderen komt logeren, terwijl niet aan de brandveiligheidseisen is voldaan. Dat er na het nemen van het bestreden besluit overtreding van de hiervoor bedoelde voorschriften zal plaatsvinden, is derhalve komen vast te staan.

De door verzoekster ter zitting naar voren gebrachte stelling dat de op het terrein aanwezige noodunits en stacaravans feitelijk (tijdelijk) niet in gebruik zijn voor de opvang van kinderen kan aan het vermoeden van een (voortdurende) overtreding niet afdoen. In dit verband wijst de voorzieningenrechter erop dat namens verzoekster ter zitting is aangegeven dat de feitelijke buiten gebruikstelling van de noodunits en stacaravans gelegen is in een organisatorische aanpassing van het werkproces rond de crisisopvang naar aanleiding van een voorgevallen incident, en niet zozeer in verband met de brandveiligheidseisen.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat daarvan in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in het onderhavige geval (thans) geen sprake van een concreet zicht op legalisatie. Evenmin is gebleken van andere bijzondere omstandigheden, die maken dat verweerder in het onderhavige geval had moeten afzien van handhavend optreden. Gelet op het gewicht van het belang, dat gediend is met een brandveilige inrichting van een groepsgebouw voor kinderen met gedragsproblematiek, en de ernst van de geschonden norm is de voorzieningenrechter voorts van oordeel dat handhavend optreden in het onderhavige geval niet onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat om die reden in deze concrete situatie van handhaving behoorde te worden afgezien.

De voorzieningenrechter ziet dan ook na een afweging van de betrokken belangen geen aanleiding de gevraagde voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek daartoe wordt dan ook afgewezen.

Onder deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een proceskostenveroordeling, als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb, uit te spreken.

Deze mondelinge uitspraak is gegeven door mr. K. Wentholt, voorzieningenrechter, op 24 december 2008.

Aldus opgemaakt door de griffier.

De griffier, De voorzieningenrechter,

mr. H.L.A. van Kats mr. K. Wentholt

De griffier is buiten staat te ondertekenen

Tegen deze uitspraak staan geen rechtsmiddelen open.

Afschrift verzonden op: