Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2008:BG8101

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
24-12-2008
Datum publicatie
24-12-2008
Zaaknummer
19.830224/08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft met een vuurwapen op [slachtoffer] geschoten, die ten gevolge van de hierdoor ontstane verwondingen is overleden. De vriendin van [slachtoffer], [getuige], was getuige van het neerschieten van [slachtoffer] en heeft in paniek 112 gebeld. Vervolgens heeft zij een dekbed gehaald om hem warm te houden en heeft zij tegen hem gepraat om hem wakker te houden. Buren hebben geprobeerd het bloeden te stelpen en [slachtoffer] te reanimeren toen hij het bewustzijn verloor. Zij konden echter geen hulp meer verlenen aan het slachtoffer en moesten toezien hoe hij overleed nog voordat de ambulance was gearriveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19.830224-08

vonnis van de meervoudige strafkamer d.d. 24 december 2008 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,

wonende aan [adres],

detentieadres: [detentieadres].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 12 december 2008.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M. Goris, advocaat te Almelo

Tenlastelegging

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

1.

hij op of omstreeks 5 september 2008, te Hoogeveen, althans in de gemeente

Hoogeveen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft

beroofd, immers is verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg

en voorzien van een vuurwapen

- naar de woning aan de [adres], waar die [slachtoffer] verbleef, gegaan

en/of

- heeft verdachte (aldaar) die [slachtoffer] (aan)geroepen en/of uitgedaagd om uit

genoemde woning te komen en/of

- heeft verdachte -zich bevindende op enige/korte afstand van die [slachtoffer]- een

vuurwapen op die [slachtoffer] gericht en/of afgevuurd,

waardoor/waarbij die [slachtoffer] door een kogel (uit dat vuurwapen) in de

borst/hartstreek en/of de/een long(en), althans het lichaam, is

getroffen/geraakt,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2008 tot en met 5 september

2008, te Hoogeveen, althans in de gemeente Hoogeveen een wapen van categorie

III, te weten een pistool (merk: FN-Browning, model 1922), en/of munitie van

categorie III, te weten te weten 35, althans een aantal patronen, kaliber

7.65, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. S. Kromdijk acht hetgeen onder 1 (impliciet primair) en onder 2 is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank als volgt zal beslissen: een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren met aftrek ex artikel 27 Wetboek van Strafrecht; teruggave van de in beslag genomen gsm telefoon aan verdachte; alsmede toewijzing van de vordering van de benadeelde partij/nabestaande [nabestaande] tot een bedrag van € 9.264,30 onder oplegging van een schadevergoedingsmaatregel voor dat bedrag.

Verzoek om heropening

De raadsvrouw van verdachte heeft in haar pleidooi nogmaals verzocht om nader onderzoek uit te voeren en getuigen te horen, op basis van de argumenten die zij ter terechtzitting na de voordracht van de officier van justitie reeds naar voren had gebracht.

De rechtbank is van oordeel dat er geen aanleiding is de zaak te heropenen voor nader onderzoek. Redengevend voor deze beslissing zijn de argumenten die door de voorzitter ter terechtzitting zijn verwoord.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het onder 1 en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 5 september 2008, te Hoogeveen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers is verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg en voorzien van een vuurwapen

- naar de woning aan de [adres], waar die [slachtoffer] verbleef, gegaan

en

- heeft verdachte die [slachtoffer] geroepen en uitgedaagd om uit

genoemde woning te komen en

- heeft verdachte -zich bevindende op enige afstand van die [slachtoffer]- een

vuurwapen op die [slachtoffer] gericht en afgevuurd,

waardoor die [slachtoffer] door een kogel uit dat vuurwapen in de borst en de longen is getroffen tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

2.

hij in de periode van 1 augustus 2008 tot en met 5 september 2008 te Hoogeveen, een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk: FN-Browning, model 1922), en munitie van

categorie III, te weten te weten 35, althans een aantal patronen, kaliber 7.65, voorhanden heeft gehad.

De in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden zijn redengevend voor de bewezenverklaring. Elk bewijsmiddel is slechts gebruikt voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdachte zal van het onder 1 en onder 2 meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Bewijsmiddelen

De rechtbank acht de volgende bewijsmiddelen van belang, van welke bewijsmiddelen de strekking zakelijk is weergegeven.

Overeenkomstig de nader op te nemen bewijsconstructie

Nadere bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 1

Op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

In de nacht van vrijdag 5 september 2008 omstreeks 00: 32 uur vindt op de Boekweitlaan, nabij de kruising Muurbloemstraat/Boekweitlaan een confrontatie plaats tussen verdachte en [slachtoffer]. Verdachte komt uit de Muurbloemstraat en is net de bocht met de Boekweitlaan omgelopen. Verdachte heeft in zijn broeksband een doorgeladen pistool. Op enig moment hoort verdachte iets achter zich. Hij kijkt om en ziet dat [slachtoffer] achter hem aankomt. [slachtoffer] heeft een stofzuigerstang in zijn handen. Op dat moment heeft verdachte voldoende voorsprong op [slachtoffer] om weg te rennen. Verdachte gaat er echter niet vandoor maar draait zich om. Verdachte en [slachtoffer] komen op een afstand van ongeveer 3 tot 4 meter tegenover elkaar te staan. Verdachte pakt vervolgens het pistool uit zijn broeksband, hij richt het pistool op [slachtoffer], hij zegt tegen [slachtoffer] dat hij gaat schieten en hij haalt vervolgens daadwerkelijk de trekker over. De rechtbank leidt vorenstaande gang van zaken af uit de verklaringen van de verdachte en van de getuige [getuige]. Uit het deskundigenrapport Wapen- en munitieonderzoek van het NFI d.d. 17 september 2008 blijkt (met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid) dat de kogel die is aangetroffen bij de sectie op [slachtoffer] is afgeschoten met het pistool van verdachte. Voorts blijkt uit het deskundigenrapport inhoudende het onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, opgemaakt door F.R.W. de Groot, arts en patholoog, d.d. 30 september 2008, dat bloedverlies en longfunctieverlies door bloedinademing ten gevolge van schotletsel de oorzaak was van het intreden van de dood bij [slachtoffer]. Bij sectie werd één schotkanaal vastgesteld. Deze liep van links naar rechts, vrijwel horizontaal en iets naar achteren. Het inschot was links achter de linkerbovenarm. Er was sprake van een doorschot door de linkerbovenarm en een herinschot links in de romp. In de schotbaan lagen de beide longen en de wervelkolom. In de rechterborsthelft was een geelmetalen kogel.

Verdachtes verklaring voor zover inhoudende dat hij niet opzettelijk heeft geschoten maar dat het pistool afging terwijl hij viel, volgt de rechtbank nadrukkelijk niet. Getuige [getuige] heeft zowel bij de politie als onder ede ter terechtzitting verklaard dat verdachte met gestrekte arm op enige afstand tegenover [slachtoffer] stond toen hij schoot en dat hij niet is gevallen, terwijl verdachte zelf tijdens het verhoor voor de inverzekeringstelling ook anders heeft verklaard namelijk dat [slachtoffer] met een soort stofzuigerslang naar buiten kwam, dat hij (verdachte) dat niet had verwacht en dat hij (verdachte) begon te schieten. Bij de rechter-commissaris verwijst verdachte bij gelegenheid van het verhoor op de vordering in bewaringstelling naar die verklaring onder mededeling, dat die juist is. Daarnaast toont het schotrestonderzoek aan, dat de afstand tussen het vuurwapen en het slachtoffer meer dan 0,50 meter moet zijn geweest, waaruit de rechtbank afleidt dat er zich ten tijde van het schieten enige afstand tussen [slachtoffer] en verdachte bevond, hetgeen strookt met de verklaring van de getuige [getuige] en past bij de schotverwonding.

De rechtbank leidt de bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat verdachte de daarin nader omschreven handelingen heeft verricht "na kalm beraad en rustig overleg", af uit hetgeen hij tijdens de hiervoor beschreven confrontatie met [slachtoffer] heeft gedaan: verdachte heeft zich omgedraaid, pakt het pistool uit zijn broeksband, richt het pistool op [slachtoffer], zegt tegen [slachtoffer] dat hij gaat schieten en haalt vervolgens de trekker over. De rechtbank neemt op grond van de hiervoor omschreven feiten en omstandigheden aan dat het neerschieten van [slachtoffer] niet het gevolg is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsbeweging van verdachte, maar van een enige - zij het betrekkelijk korte - tijd tevoren door hem daartoe genomen besluit en dat verdachte in het tijdsverloop tussen het nemen van dat besluit en de uitvoering daarvan heeft nagedacht over en zich rekenschap heeft gegeven van de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad, hetwelk de rechtbank reden geeft om, zonder miskenning van de juiste betekenis van de in art. 289 Sr. voorkomende term "met voorbedachten rade", tot de gevolgtrekking te komen dat verdachte "na kalm beraad en rustig overleg" heeft gehandeld. Het komt er immers op aan dat de uiteindelijke daad tevoren overdacht en overlegd is en dat er niet in een opwelling is gehandeld. Dat de tijdsruimte tussen het uiteindelijke besluit en de daad relatief kort is geweest is dan niet van belang.

De rechtbank overweegt dienaangaande dat de omstandigheid dat de verdachte zijn besluit neemt in een zekere "gemoedsberoering", terwijl zijn problemen boven komen, niet in de weg hoeft te staan aan de voorbedachte raad. In dit geval betekent dat, dat de rechtbank voorbedachte rade aanwezig acht, hoewel de rechtbank wel wil aannemen, dat verdachte gehandeld heeft in een toestand van een zekere frustratie, woede en/of verwarring van gevoelens, teweeggebracht door de vernietiging van zijn gezinsleven, de scheiding van zijn kinderen en de angst dat [getuige], de moeder van zijn kinderen, (en mogelijk later ook zijn drie dochters) in de prostitutie zouden belanden. Een dergelijke gemoedstoestand sluit naar het oordeel van de rechtbank niet uit dat verdachte in de gegeven situatie heeft gehandeld na kalm beraad en rustig overleg.

Het hiervoor beschreven handelen van verdachte kan naar het oordeel van de rechtbank voorts niet los worden gezien van hetgeen in de weken, dagen en avond hieraan voorafgaande heeft plaatsgevonden.

De rechtbank gaat uit van de volgende situatie.

In juni 2008 strandt de relatie van verdachte en zijn vriendin [getuige], tevens de moeder van zijn drie kinderen en krijgt [getuige] een relatie met [slachtoffer]. In de maanden daarna lopen de spanningen op tussen verdachte, [getuige] en [slachtoffer]. Verdachte doet tegenover getuigen uitlatingen over zijn wens [slachtoffer] dood te maken (getuige [getuige 2] pag. 333, getuige [getuige] pag. 359, getuige [getuige 3] pag. 378, getuige [getuige 4], pag. 427, getuige [getuige 5] pag. 369). Op enig moment koopt verdachte in Groningen een pistool en munitie. Verdachte verklaart zelf dat hij dit pistool koopt met [slachtoffer] in gedachten, dat hij het steeds bij zich draagt (in een plastic zak in zijn fietstas) en dat het pistool geladen is. Verdachte heeft in de periode van twee of drie weken voor het schietincident samen met getuige [getuige 2] in een park in Hoogeveen met het pistool geoefend.

Op 4 september 2008 worden door verdachte de volgende sms berichten naar de gsm telefoon van [slachtoffer] gestuurd: om 21:07: "de laatste uren tellen af", en om 21:59: "je verliest geloof me Jan". Eerder die avond had verdachte sms berichten uitgewisseld met [getuige 6] en hem en Zwiers uitgedaagd om naar het café te komen. Als verdachte aan het einde van de avond van de 4e september 2008 het café verlaat gaat hij naar de Ericalaan waar hij zijn fiets parkeert bij de flat. Hij pakt het pistool uit de fietstas en steekt dit in zijn broeksband. Het pistool is geladen en staat op scherp. Verdachte loopt naar de [adres] waar [getuige] en [slachtoffer] wonen. Verdachte klopt op de ramen, gooit stenen op de auto van [slachtoffer] en roept naar [slachtoffer] dat hij naar buiten moet komen. Verdachte ziet [slachtoffer] in de woonkamer staan en ziet dat [slachtoffer] neukbewegingen in de richting van [getuige] maakt. Verdachte tikt weer tegen het raam. [slachtoffer] gaat naar achteren en belt de politie om 00.27 uur. Daarna gaat hij naar buiten. Enkele minuten later vindt de hiervoor beschreven confrontatie tussen verdachte en [slachtoffer] op de Boekweitlaan plaats, welk voorval om 0:32 uur aan de politie wordt gemeld.

Uit deze lezing van de feiten en omstandigheden en de conclusies die de rechtbank daaruit trekt, volgt tevens dat de rechtbank het beroep op noodweer en noodweerexces verwerpt.

Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat indien en voor zover er van [slachtoffer] al dreiging uit ging, verdachtes handelen niet in overeenstemming was met het proportionaliteitsvereiste. Voorts had verdachte de mogelijkheid om weg te lopen. De rechtbank wijst er in dit verband op dat de afstand (3 tot 4 meter) tussen verdachte en [slachtoffer] niet dusdanig klein was dat verdachte niet meer weg kon komen. Gelet op voornoemde afstand tussen verdachte en [slachtoffer], kon [slachtoffer] verdachte niet raken met de stofzuigerstang indien hij er daadwerkelijk mee zou slaan. Voorts was de aandacht van [slachtoffer] op het moment van het schieten gericht op [getuige], die achter hem stond, en niet op verdachte. Dit blijkt uit de verklaring van [getuige] (pag. 363 pv en uit haar ter terechtzitting afgelegde getuige verklaring "[slachtoffer] draaide zich half naar mij toe en keek mij aan") en wordt ondersteund door de bevindingen van de patholoog anatoom met betrekking tot de inschotverwondingen bij [slachtoffer].

De rechtbank kan het handelen van verdachte tijdens de confrontatie met [slachtoffer] op de Boekweitlaan omstreeks 0:32 uur, bezien in het licht van de gebeurtenissen die daaraan vooraf zijn gegaan, niet anders zien dan dat verdachte welbewust en na een moment van kalm beraad en rustig overleg [slachtoffer] van het leven heeft beroofd.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 5 september 2008 [slachtoffer], opzettelijk en met voorbedachten rade, te weten opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, heeft doodgeschoten.

Kwalificaties

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op:

onder 1: moord,

strafbaar gesteld bij artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht;

onder 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie,

strafbaar gesteld bij artikel 55 van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

De rechtbank heeft kennis genomen van de rapportages, opgemaakt door M.W. Lubbert, psychiater en vast gerechtelijk deskundige en drs. G. de Jong, psycholoog en vast gerechtelijk deskundige. Voornoemde deskundigen hebben onderzoek ingesteld naar de geestvermogens van verdachte.

De psycholoog en de psychiater concluderen niet eensluidend.

Uit het psychiatrisch onderzoek komt verdachte naar voren als een kwetsbare persoonlijkheid in die zin, dat hij gevoelig is voor invloed van anderen, verlatingen, krenkingen en bedrog en daar op kan reageren met paranoïde gedachtevorming en niet te corrigeren overtuigingen. Ten tijde van het tenlastegelegde was er bij verdachte sprake van een vernauwd denken zich uitend in een vorm van stalking en controle van zijn ex-vriendin. Bovendien was er sprake van een uitzichtloosheid, wanhoop en negativistisch denken in het kader van een depressieve reactie op de preventieve hechtenis in juni 2008. Vanuit zijn zwakbegaafdheid heeft verdachte een beperkt probleemoplossend vermogen. Voornoemde ziekelijke en/of gebrekkige ontwikkeling van verdachtes geestvermogens hebben zijn gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde beïnvloed, in die zin dat het denken en doen van verdachte in hoge mate werd gestuurd door zijn overtuiging dat het slachtoffer een groot gevaar was voor hemzelf, zijn ex-vriendin en zijn kinderen. Ook wilde verdachte het slachtoffer graag overwinnen, in die zin, dat hij niet langer angst voor hem wilde voelen en hem wilde aandoen wat het slachtoffer hem aandeed. Op grond van het bovenstaande acht de psychiater verdachte verminderd toerekeningsvatbaar.

Uit het psychologisch onderzoek komt naar voren dat gesproken kan worden van periodiek alcoholmisbruik bij een man met enige narcistische persoonlijkheidskenmerken. Er is geen sprake van ernstige psychopathologie in de zin van een ziekelijke stoornis of een gebrekkige ontwikkeling der geestvermogens. Het tenlastegelegde vond plaats nadat verdachte zich lange tijd bedreigd en vernederd voelde door het slachtoffer. Hij handelde daarbij in het bewustzijn dat zijn gedrag grensoverschrijdend was. Ondanks dat bewustzijn kon hij vanuit een narcistisch gekwetst zijn, zijn voorgenomen gedrag niet bijsturen, mogelijk mede door de hoeveelheid alcohol die hij gedronken had. Wat betreft het tenlastegelegde acht de psycholoog verdachte licht verminderd tot volledig toerekeningsvatbaar.

Op basis van het in de psychiatrische rapportage geschetste gebrek aan inzicht, de kwetsbare persoonlijkheid, het niet om kunnen gaan met verlieservaringen en de neiging tot depressie en paranoïde gedachtevorming, zal de rechtbank uitgaan van de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

De rechtbank is derhalve van oordeel, dat het hiervoor bewezen verklaarde aan de verdachte kan worden toegerekend, zij het in verminderde mate.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar

Strafmotivering

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft met een vuurwapen op [slachtoffer] geschoten, die ten gevolge van de hierdoor ontstane verwondingen is overleden. De vriendin van [slachtoffer], [getuige], was getuige van het neerschieten van [slachtoffer] en heeft in paniek 112 gebeld. Vervolgens heeft zij een dekbed gehaald om hem warm te houden en heeft zij tegen hem gepraat om hem wakker te houden. Buren hebben geprobeerd het bloeden te stelpen en [slachtoffer] te reanimeren toen hij het bewustzijn verloor. Zij konden echter geen hulp meer verlenen aan het slachtoffer en moesten toezien hoe hij overleed nog voordat de ambulance was gearriveerd.

Verdachte heeft door zijn handelen het slachtoffer [slachtoffer] het meest fundamentele recht, te weten het recht op leven, ontnomen en daarmee op de meest grove en onomkeerbare wijze inbreuk gemaakt op het leven van [slachtoffer] en diens naasten.

Aldus is aan de nabestaanden van het slachtoffer, zo blijkt onder meer uit de op de terechtzitting door [familielid slachtoffer] voorgedragen schriftelijke slachtofferverklaring, onherstelbaar en levenslang leed toegebracht, terwijl tevens, in meer algemene zin, de rechtsorde ernstig is geschokt.

De rechtbank acht het gedrag van verdachte zeer verwerpelijk en rekent hem dit zwaar aan.

Bij de bepaling van de op te leggen straf dient de rechtbank ook rekening te houden met de persoon van de verdachte. Daarbij heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de inhoud van eerdergenoemde rapportages van M.W. Lubbert, psychiater en G. de Jong, psycholoog. De rechtbank gaat daarbij, zoals hiervoor aangegeven, uit van de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

Ook houdt de rechtbank rekening met het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 5 september 2008 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een dergelijk ernstig geweldsdelict is veroordeeld, alsmede met de omstandigheden van de verdachte zoals omschreven in het voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland d.d. 28 oktober 2008.

De rechtbank stelt voorop dat voor zo een ernstig levensdelict een zware straf passend en geboden is, mede gelet op het onomkeerbare karakter van de gepleegde daad. De rechtbank overweegt daarbij dat op het delict moord als maximum de zwaarste denkbare straf die het Nederlandse strafrecht kent is gesteld, te weten de levenslange gevangenisstraf. Uit gegevens van de databank consistente straftoemeting komt naar voren dat deze zwaarste straf in een zeer gering aantal zaken wordt toegepast, en dat in soortgelijke zaken gemiddeld genomen een straf van tussen de tien en vijftien jaar wordt opgelegd. In het voorgaande heeft de rechtbank een aantal strafverhogende omstandigheden gememoreerd, maar daarnaast ook een aantal strafverminderende. Alles overwegende komt de rechtbank tot een lagere straf dan door de officier van justitie gevorderd, en wel tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van tien jaren.

BENADEELDE PARTIJ/nabestaande : [nabestaande]

Door de benadeelde partij/nabestaande [nabestaande] (vader van het slachtoffer) is een vordering geleden materiële schade ingediend ten bedrage van € 9.264,30 bestaande uit de kosten van de uitvaart van zijn zoon [slachtoffer].

De rechtbank acht het causaal verband tussen het bewezen verklaarde feit onder 1 primair en de schade alsmede de aansprakelijkheid van de verdachte voor die schade bewezen. Het gevorderde bedrag acht zij - na de aanvullende toelichting ter terechtzitting - voldoende aannemelijk gemaakt en niet onredelijk. De civiele vordering, die overigens ook niet door of namens verdachte is bestreden, is dan ook gegrond en voor toewijzing vatbaar.

Schadevergoedingsmaatregel

Met betrekking tot het onder 1 bewezen verklaarde feit acht de rechtbank de verdachte jegens benadeelde partij/nabestaande [nabestaande] naar burgerlijk recht tot na te noemen bedrag aansprakelijk voor de schade, die door het strafbare feit is toegebracht.

Aan de verdachte zal de verplichting worden opgelegd dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van de benadeelde partij/nabestaande.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 27, 36f, 289 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart bewezen dat het onder 1 en onder 2 tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 en onder 2 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) JAAR.

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De rechtbank gelast de teruggave aan de verdachte van onder hem in beslag genomen, nog niet teruggegeven, gsm telefoon, merk Nokia.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij/nabestaande [nabestaande] van de som van € 9.264,30 en veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij/nabestaande [nabestaande], een bedrag van € 9.264,30 te betalen, bij gebreke van betaling te vervangen door 185 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en verstaat dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voormeld bedrag ten behoeve van benadeelde partij/nabestaande de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij/nabestaande doet vervallen, alsmede dat betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partij/nabestaande de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.H.A. Fransen, voorzitter en mrs. O.J. Bosker en H.T. van Voorst, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.D. Vermeer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 24 december 2008.