Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2008:BG8031

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
09-12-2008
Datum publicatie
22-12-2008
Zaaknummer
08/287 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onvoorwaardelijk strafontslag voor roostermaker. Naar het oordeel van de rechtbank is de in geding zijnde wijze van inroostering niet in overeenstemming met het in het roosterbeleid neergelegde beginsel van een evenredige verdeling van alle diensten over alle betrokken medewerkers van de afdeling naar rato van hun dienstverband. Sprake van plichtsverzuim. Naar het oordeel van de rechtbank is de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig, gelet op de eigen verantwoordelijkheid van de roostermaker en zijn actieve bijdrage aan het voortbestaan van de cultuur om op oneigenlijke gronden de TOD op te hogen.

Bijzonderheid: de straf van onvoorwaardelijk ontslag voor de leidinggevende van de roostermaker (08/460 AW) acht de rechtbank onevenredig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector Bestuursrecht

Kenmerk: 08/287 AW

Uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken d.d 9 december 2008

in het geding tussen

[eiser]

en

De Minister van Justitie, verweerder.

I. Procesverloop

Namens eiser is bij brief van 25 maart 2008 beroep ingediend tegen de fictieve weigering van verweerder te beslissen op eisers bezwaren tegen het besluit van 26 november 2007, inhoudende oplegging van de disciplinaire straf van ontslag met bepaling dat deze met onmiddellijke ingang ten uitvoer wordt gebracht.

Bij besluit van 1 april 2008 heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen dit besluit (alsnog) ongegrond verklaard en dit besluit gehandhaafd.

Namens eiser zijn de gronden van het beroep bij brief van 24 april 2008 aangevuld.

Verweerder heeft bij brief van 12 juni 2008 de op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift ingezonden, aangevuld bij brief van 6 oktober 2008. De gemachtigde van eiser heeft hiervan een afschrift ontvangen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 27 oktober 2008, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote en mr. G.N. Paanakker.

Voor verweerder zijn verschenen mr. L. de Wit en [de man].

II. Motivering

Feiten en omstandigheden

Eiser, geboren op 9 april 1952, is sinds 1 januari 1974 werkzaam in dienst van het Ministerie van Justitie. Met ingang van 1 februari 1992 is eiser in dienst getreden bij de

Dr. S. van Mesdagkliniek in de functie van sociotherapeutisch medewerker. Met ingang van 1 januari 2002 vervult eiser de functie van sociotherapeut op de afdeling zeer intensieve specialistische zorg (ZISZ). Eiser was tevens belast met het maken van de dienstroosters van deze afdeling.

Bij memo van 10 augustus 2006 is de manager van de afdeling, [de man], door de (toenmalige) leidinggevende van het Bureau Personele Inzet (BPI), [de man], bericht dat er met betrekking tot een aantal medewerkers ‘rare’ praktijken plaatsvinden die niet door de beugel kunnen. In dit memo is, onder meer, het volgende gesteld:

‘Zeer onlangs is voor een aantal medewerkers de gemiddelde onregelmatigheid vastgesteld omdat ze 55 jaar zijn geworden.

Wat nu echter in de praktijk blijkt is dat diezelfde medewerkers, die tot het moment dat ze 55 jaar werden zo veel mogelijk onregelmatige diensten hebben gedraaid om daarmee het gemiddelde omhoog te schroeven, nu ineens geen of nog maar heel weinig onregelmatige diensten draaien. Gebleken is dat deze medewerkers, die tot het moment waarop ze 55 jaar werden zoveel mogelijk onregelmatige diensten hebben gedraaid om daarmee het gemiddelde omhoog te schroeven, vervolgens geen of nog maar heel weinig onregelmatige diensten verrichten.

(…)

Het kan niet de bedoeling zijn dat medewerkers die in de 55 + regeling zitten helemaal geen onregelmatige diensten meer doen en die diensten vervolgens door anderen moeten worden verricht.

De organisatie moet namelijk in die situatie twee maal betalen voor diensten die door medewerkers worden verricht. Door deze wijze van handelen wordt het budget TOD (onnodig) belast.’

De memo sluit af met het verzoek aan de afdelingsmanager om hier aandacht aan te besteden

In reactie hierop heeft de afdelingsmanager [de man] per e-mail op 20 september 2006 medegedeeld, dat eiser bij hem ([de man]) is geweest en dat de afdelingsmanager vervolgens overleg heeft gehad met eiser. Eiser zal in nauwe samenspraak met de manager met een aantal mensen gaat praten. Ze zullen proberen dat een ieder zoveel mogelijk zijn onregelmatige diensten draait.

In januari 2007 heeft de afdelingsmanager van de manager beveiliging, [de man], een signaal gekregen dat het nog steeds niet goed zat. Vervolgens is de afdelingsmanager met zijn personeelsadviseur [de man] naar het BPI gegaan voor een overzicht van de weekend-diensten over de afgelopen maanden. Verder hebben zij een uitdraai van de vergoedingen voor onregelmatige diensten over de laatste jaren opgevraagd.

Naar aanleiding van hetgeen hieruit is gebleken heeft de afdelingsmanager samen met de personeelsadviseur op 16 januari 2007 een gesprek gevoerd met eiser. De afdelingsmanager heeft hierbij aangegeven dat er een duidelijke trend te zien is, in de zin dat onregelmatigheidsdiensten enorm oplopen vanaf 12 maanden voor de vaststelling van een vaste toeslag voor onregelmatige diensten (TOD), en dat daardoor de indruk is ontstaan dat er zodanig met weekenddiensten is geschoven dat men in staat is deze toelage op te hogen. Eiser heeft als reden voor het oplopen van de onregelmatige diensten aangegeven dat sprake is van onvoldoende bezetting. Daarnaast heeft hij aangegeven dat het in de kliniek algemeen bekend is dat medewerkers hun vaste TOD kunstmatig ophogen.

Aan het eind van het gesprek is afgesproken dat nader onderzoek door P&O zal plaatsvinden, dat eventueel een sleuteluitdraai zal worden gemaakt en dat de directie zal worden geïnformeerd.

Vervolgens heeft de directie een interne commissie ingesteld, de commissie TOD, teneinde onderzoek te verrichten naar mogelijk oneigenlijk gebruik binnen de afdeling ZISZ van de regeling, op grond waarvan medewerkers vanaf hun 55e een vaste onregelmatigheidstoeslag ontvangen gebaseerd op het gemiddelde over de daaraan voorafgaande periode. De commissie bestond uit [de man], projectmedewerker Facilitaire Dienst, [de man], manager Algemene Zaken Uitstroom en [de man], hoofd P & O en Deskundigheid. In het kader van dit onderzoek is eiser op 6 februari 2007 gehoord.

Bij brief van 9 februari 2007 heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek met ingang van heden geen taken op het gebied van rooster en inzet van personeel kan uitvoeren.

Op 16 februari 2007 heeft de commissie TOD omtrent haar bevindingen gerapporteerd aan het management van de Van Mesdagkliniek ([de man], directeur algemene zaken, en

[de man], directeur behandelzaken).

Bij besluit van 20 februari 2007 is eiser in zijn functie geschorst en daarnaast de toegang tot de kliniek ontzegd. Verweerder heeft de bezwaren van eiser tegen deze beslissing bij besluit van 26 november 2007 ongegrond verklaard.

Op grond van de conclusies van de interne commissie heeft de directeur algemene zaken bij het Bureau Integriteit & Veiligheid (BI&V) van de Dienst Justitiële Inrichtingen van het Ministerie van Justitie, melding gemaakt van een mogelijke integriteitsbreuk en dit bureau verzocht nader onderzoek te verrichten, teneinde het interne onderzoek te valideren. In het kader van het nadere onderzoek is eiser op 29 maart 2007 gehoord.

Op 23 april 2007 heeft het BI&V, in de persoon van de betrokken onderzoeker [de man], gerapporteerd en verslag uitgebracht van de onderzoeksbevindingen.

Bij brief van 8 mei 2007 heeft verweerder eiser op de hoogte gesteld van het voornemen hem disciplinair te bestraffen. Hierbij is aangegeven dat uit het verrichtte onderzoek is gebleken dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim, dat eruit heeft bestaan dat hij als planner bewust diensten voor zichzelf heeft ingeroosterd met als doel een hoge vaste TOD bij het bereiken van de 55-jarige leeftijd. Verder heeft eiser veelvuldig lange diensten ingepland voor andere medewerkers uit het team, met als gevolg dat telkens een aantal uren per dienst te veel is uitbetaald.

Eiser heeft op 24 mei 2007 zijn zienswijze op dit voornemen gegeven.

Bij brief van 26 juni 2007 heeft verweerder eiser op de hoogte gesteld van het voornemen tot het opleggen van de disciplinaire straf van ontslag. In deze brief is een aanvulling gegeven op hetgeen eiser in de brief van 8 mei 2007 reeds als (vermoedelijk) plichtsverzuim ten laste is gelegd.

Bij besluit van 4 juli 2007 heeft verweerder besloten om de ontzegging van de toegang te verlengen en eiser met ingang van laatstgenoemde datum te schorsen op grond van het feit dat aan hem het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk ontslag te kennen is gegeven.

Bij brief van 13 juli 2007 en mondeling op 29 augustus 2007 heeft eiser zijn zienswijze op het bij brief van 26 juni 2007 geuite voornemen gegeven.

Bij besluit van 26 november 2007 heeft verweerder eiser de disciplinaire straf van ontslag opgelegd, met bepaling dat deze met onmiddellijke ingang ten uitvoer wordt gebracht. Aan eiser wordt als ernstig plichtsverzuim verweten dat hij heeft bewerkstelligd respectievelijk toegelaten dat medewerkers - waaronder hijzelf - die door hem werden ingeroosterd onder meer:

- op grote schaal onderling diensten ruilden zonder dat hiervan een deugdelijke registratie werd bijgehouden;

- tijdens afwezigheid stonden ingeroosterd met het oogmerk verlof uit te sparen en/of doorbetaling van de forensenvergoeding en de nominale TOD te bewerkstelligen;

- die in de opbouwfase zaten van hun vaste TOD (extra) ingeroosterd stonden voor diensten waaraan een hoge onregelmatigheid was verbonden, waardoor hun toelage werd verveelvoudigd met een factor twee tot tweeëneenhalf;

- van 55 jaar en ouder, die reeds in het genot waren van een vaste TOD, zelden of nooit werden ingeroosterd voor deze diensten, maar deze vaak feitelijk wel verrichtten, zoals uit de sleuteluitdraaien is gebleken;

- zich onrechtmatig konden verrijken ten koste van de kliniek en het pensioenfonds.

Verder wordt eiser onder meer als plichtsverzuim verweten dat hij door middel van de sleutel van SP-Expert van de afdelingsmanager gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheden in dat systeem, die formeel zijn voorbehouden aan de manager.

Verweerder zijn geen gronden bekend op basis waarvan moet worden geconcludeerd dat het verweten gedrag eiser niet kan worden toegerekend. Verweerder heeft hierbij in aanmerking genomen dat eisers stelling dat hij nimmer op zijn handelswijze is aangesproken onjuist is. Verweerder heeft hierbij verder in aanmerking genomen dat geconstateerd is dat ondanks de krappe bezetting bij voortduring medewerkers werden uitgeleend en dat de krappe bezetting dan ook geen rechtvaardiging kan vormen voor de geconstateerde misstanden. Verweerder heeft hierbij voorts in aanmerking genomen dat het feit dat de leidinggevende eisers handelswijze heeft toegestaan respectievelijk toegelaten hem niet van zijn eigen verantwoordelijkheid ontslaat. Overigens kan volgens verweerder uit de stukken niet worden afgeleid dat eisers leidinggevende hem expliciet toestemming heeft gegeven om te handelen zoals hij deed.

Verweerder heeft tenslotte overwogen dat eiser als gevolg van zijn handelen de Van Mesdagkliniek financieel ernstig heeft benadeeld en het aanzien van de kliniek heeft geschaad. Gelet op de rol en de positie van een planner, de voorbeeldfunctie die eiser vervult en de lange duur van de periode dat de malversaties door zijn toedoen hebben kunnen voortduren, is verweerder van oordeel dat een terugkeer in zijn functie binnen de kliniek is uitgesloten en de disciplinaire straf van ontslag derhalve passend is.

Eiser heeft tegen het besluit van 26 november 2007 bij brief van 17 december 2007 bezwaar ingediend.

In het kader van de behandeling van dit bezwaar heeft op 3 maart 2008 een hoorzitting plaatsgevonden ten overstaan van de bezwarencommissie personele aangelegenheden van het expertisecentrum arbeidsjuridisch (bezwarencommissie).

Op 3 maart 2008 heeft de bezwarencommissie advies uitgebracht. Voor de bezwarencom-missie staat vast dat eiser als roostermaker de dienstroosters zodanig heeft opgesteld dat hij zichzelf ten onrechte heeft bevoordeeld door zich in de opbouwfase van de vaste TOD onevenredig vaak in te roosteren voor onregelmatige diensten en zich te laten uitbetalen voor diensten die hij niet heeft verricht. Daarnaast staat vast dat eiser de roosters zodanig heeft opgesteld dat de wettelijke normen inzake werk- en rusttijden frequent zijn overtreden en dat hij heeft toegestaan dat ook anderen dat deden. Voorts heeft eiser geen actie ondernomen om te voorkomen dat collega’s onevenredig veel TOD toebedeeld kregen. Voor de bezwarencommissie is niet komen vast te staan dat in alle gevallen onderbezetting van de afdeling dan wel instructies van zijn leidinggevende voormeld handelen dan wel nalaten van eiser noodzakelijk maakten. De bezwarencommissie is gelet op het boven-staande van oordeel dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim, waarvan gesteld noch gebleken is dat het eiser niet kan worden aangerekend.

De bezwarencommissie is echter tevens van oordeel dat verweerder bij het bepalen van de straf onvoldoende rekening heeft gehouden met de volgende omstandigheden: het gedurende jaren ernstig in gebreke blijven van de leidinggevende van eiser bij het roosteren, het ernstig falen van de controle binnen de bedrijfsvoering, eisers leeftijd, zijn langdurig dienstverband bij Justitie en de omstandigheid dat hij niet eerder disciplinair is gestraft. Alles overziende kan de aan eiser opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag de evenredigheidstoets naar het oordeel van de bezwarencommissie niet doorstaan.

Het advies luidt het bezwaar gegrond te verklaren en het besluit van 26 november 2007 te herroepen, in die zin dat wordt bepaald dat:

- de straf van ontslag voorwaardelijk is, met een door verweerder te bepalen proeftijd;

- daaraan aanvullend de straf wordt opgelegd van vaststelling van het salaris op een bedrag in de voor eiser geldende salarisschaal, dat maximaal twee jaarlijkse periodieke salarisverhogingen minder bedraagt dan ingevolge de op hem van toepassing zijnde bezoldigingsregeling behoort te gelden, voor een periode van maximaal twee jaar.

Bij het thans bestreden besluit van 1 april 2008 heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen het besluit van 26 november 2007 in afwijking van het advies van de bezwarencom-missie ongegrond verklaard en laatstgenoemd besluit gehandhaafd. Hiertoe is, samengevat, overwogen dat aan het voor de bezwarencommissie vaststaande plichtsverzuim moet worden toegevoegd, dat de omstandigheid dat eisers collega’s onevenredig veel TOD toebedeeld hebben gekregen het gevolg is van de wijze waarop zij door hem werden ingeroosterd. Verweerder kan de bezwarencommissie niet volgen in het oordeel dat bij het bepalen van de straf onvoldoende rekening is gehouden met de in het advies genoemde omstandigheden. Verweerder heeft hierbij overwogen dat iedereen die voor Justitie werkt aan hoge integriteitseisen moet voldoen. Aan de medewerkers van de Dienst Justitiële Inrichtingen worden zelfs nog hogere eisen gesteld. Door eisers handelen, met name door het opstrijken van TOD voor diensten die hij niet heeft gedraaid en het bieden van gelegenheid aan enkele collega’s om hetzelfde te doen, heeft eiser zijn integriteit geschonden en het in hem gestelde vertrouwen onherstelbaar beschadigd. Er kan derhalve volgens verweerder, ondanks eisers staat van dienst, absoluut geen sprake zijn van continuering van zijn dienstverband binnen Justitie in welke functie dan ook. Verweerder is daarom van oordeel dat de opgelegde straf evenredig is aan de ernst van het plichtsverzuim.

Standpunten partijen

Verweerder is van opvatting dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim, op grond waarvan het opleggen van de straf van onvoorwaardelijk ontslag gerechtvaardigd is.

Eiser bestrijdt dit. Eiser heeft hierbij, samengevat, toegelicht dat hij gedurende 14 jaar op dezelfde wijze heeft geroosterd, dat dit in alle openheid is gebeurd en dat hij hier niet eerder dan op 16 januari 2007 op is aangesproken. Volgens eiser heeft hij nimmer op eigen initiatief maar steeds in opdracht c.q. met toestemming van de verantwoordelijk leidinggevende Tooren gehandeld. Eiser heeft erop gewezen dat hij de roosters wekelijks heeft besproken met zijn leidinggevende, die deze vervolgens heeft goedgekeurd. Daarnaast werden de roosters maandelijks achteraf door het BPI gecontroleerd. Volgens eiser was sprake van een structureel tekort aan personeel, waardoor extra diensten moesten worden gedraaid, en is binnen de inrichting bekend dat medewerkers in de opbouwfase daartoe vaker bereid zijn. Volgens eiser gingen dienstruilingen buiten hem om en werden deze in afwijking van het roosterbeleid op verzoek van de leidinggevende buiten het systeem gelaten. Hierdoor komt de feitelijke aanwezigheid volgens de sleuteluitdraaien niet overeen met de diensten volgens de goedgekeurde roosters. Deze dienstruilingen werden door de betrokken collega’s onderling geregeld en aangetekend op het goedgekeurde rooster dat in de personeelsruimte hing. Eiser heeft er verder op gewezen dat hij niet in een hiërarchisch hogere positie ten opzichte van zijn collega’s staat en dat het toezicht op de naleving door hen van de regels inzake personele planning aan de leiding en het bevoegd gezag is voorbehouden. Eiser is voorts van mening dat zonder belangenafweging gekozen is voor de zwaarste maatregel, terwijl sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel.

Toepasselijke regelgeving

Ingevolge artikel 50, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) is de ambtenaar gehouden de plichten uit zijn functie voortvloeiende nauwgezet en ijverig te vervullen en zich te gedragen, zoals een goed ambtenaar betaamt.

Ingevolge artikel 80, eerste lid, van het ARAR kan de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege disciplinair worden gestraft.

Ingevolge artikel 80, tweede lid, van het ARAR omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Ingevolge artikel 81, eerste lid, onder l, van het ARAR behoort ontslag tot de disciplinaire straffen die kunnen worden opgelegd.

Artikel 17 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (BBRA 1984) luidt sedert 1 juli 2006 als volgt:

1. Aan de ambtenaar, die anders dan bij wijze van overwerk, regelmatig of vrij regelmatig arbeid verricht op andere tijden dan op de dagen maandag tot en met vrijdag tussen 8 en 18 uur, wordt een toelage toegekend.

2. De toelage bedraagt per gewerkt uur een percentage van het voor de ambtenaar geldende salaris per uur en wel

a. 20% voor de uren op maandag tot en met vrijdag tussen 6 en 8 uur en tussen 18 en 22 uur;

b. 40% voor de uren op maandag tot en met vrijdag tussen 0 en 6 uur en tussen 22 en 24 uur;

c. 70% voor de uren op zaterdag;

d. 70% voor de uren op zondag;

e. 100% voor de uren op de feestdagen genoemd in artikel 21, zevende lid, onder a, van het ARAR, Eerste Paasdag en Eerste Pinksterdag, met dien verstande dat genoemde percentages worden berekend over ten hoogste het salaris per uur, dat is afgeleid van het salaris behorende bij salarisnummer 10 van salarisschaal.

3. Voor de in het vorige lid onder a genoemde morgen- en avonduren wordt de toelage slechts toegekend, indien de arbeid is aangevangen vóór 7 uur, respectievelijk is beëindigd na 20 uur.

4. In afwijking van het bepaalde in het eerste en het tweede lid ontvangt de ambtenaar met ingang van de maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar bereikt een vaste toelage, mits hij op dat moment gedurende ten minste 5 jaar zonder wezenlijke onderbreking een toelage als bedoeld in het eerste lid heeft genoten.

5. De toelage bedoeld in het vierde lid wordt vastgesteld op het bedrag dat de ambtenaar over de zesendertig kalendermaanden voorafgaande aan de maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar bereikt gemiddeld per maand aan toelage als bedoeld in het eerste lid heeft genoten en wordt aangepast aan algemene salariswijzigingen.

Tot 1 juli 2006 gold ingevolge artikel 17, vijfde lid, van het BBRA 1984 nog een termijn van twaalf kalendermaanden.

Beoordeling

Ten aanzien van de fictieve weigering.

Het beroep van 25 maart 2008 was gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaarschrift van 17 december 2007. Nu verweerder met het besluit van 1 april 2008 alsnog op de bezwaren van eiser heeft beslist en overigens niet is gebleken dat hij anderszins nog belang heeft bij een beoordeling van het beroep tegen de fictieve weigering, dient het beroep in zoverre het hiertegen is gericht naar het oordeel van de rechtbank wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk te worden verklaard. Wel bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van eiser, te bepalen op € 80,50, in verband met de indiening van het beroepschrift van 25 maart 2008 tegen de fictieve weigering.

Ten aanzien van het strafontslag.

Het beroep wordt op grond van artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 1 april 2008. Gesteld voor de vraag of dit besluit in rechte stand kan houden overweegt de rechtbank het volgende.

Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is voor de constatering van plichtsverzuim dat tot disciplinaire bestraffing aanleiding kan geven, noodzakelijk dat op basis van de beschikbare deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar zich aan de hem verweten gedraging heeft schuldig gemaakt.

De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting aangegeven dat eiser in de eerste plaats als plichtsverzuim wordt verweten dat hij veelvuldig niet aanwezig is geweest tijdens diensten waarvoor hij zichzelf had ingeroosterd, zoals uit vergelijking van de vastgestelde roosters met de in januari 2007 opgevraagde sleuteluitdraaien is gebleken. De gemachtigde van verweerder heeft hierbij nader toegelicht dat eiser tijdens de 83 weekenddiensten waarvoor hij in 2006 stond ingeroosterd, op 17 weekenddagen en 24 late diensten niet heeft gewerkt. Eiser heeft ook tijdens een vakantie ingeroosterd gestaan. Eiser heeft ter zitting erkend niet aanwezig te zijn geweest tijdens diensten waarvoor hij stond ingeroosterd, en dat er veel diensten werden geruild. Eiser heeft hieraan toegevoegd dat de ruilingen op grond van een besluit van de leiding buiten de vastgestelde roosters werden gelaten.

Verweerder verwijt eiser tevens als plichtsverzuim dat hij zichzelf en andere medewerkers van de afdeling ZISZ gedurende (het laatste jaar van) de referteperiode waarover hun vaste toeslag voor onregelmatige diensten werd berekend (vanaf hun 54e) extra voor onregelmati-ge diensten heeft ingeroosterd met het oog op het verkrijgen van een hogere vaste toelage. De rechtbank stelt in dit verband vast dat eiser op 9 april 2007 55 jaar is geworden en dat het laatste jaar van de referteperiode in zijn geval heeft gelopen van april 2006 tot april 2007. Blijkens de beschikbare gegevens heeft hij zichzelf in de periode van 1 mei 2006 tot 31 december 2006 voor 83 weekenddiensten ingeroosterd, verdeeld over 39 weken. De gemachtigde van verweerder heeft hierbij ter zitting aangegeven dat eiser tot mei 2006 een TOD ontving van gemiddeld € 300,00 per maand, en vanaf laatstgenoemde maand gemiddeld € 1.000,00 per maand. Eiser heeft ter zitting erkend dat hij zichzelf in de opbouwfase (referteperiode) heeft ingeroosterd voor extra onregelmatige diensten.

Naar het oordeel van de rechtbank impliceert het hierboven vermelde besluit van de leiding, wat hier overigens ook van zij, echter nog geen toestemming tot het ruilen van diensten buiten de vastgestelde roosters om op een schaal, zoals waarvan in eisers geval sprake was.

De rechtbank wijst in dit verband onder meer op het verslag van het verzuimbegeleidings-gesprek van 17 februari 2004, volgens welke de afdelingsmanager met eiser heeft besproken dat ruilingen beperkt moeten blijven en overigens door de planner moeten worden goedgekeurd. Dat eiser heeft ontkend dat dit met hem is besproken en dat hij heeft aangegeven dat hij dit verslag eerst in het kader van het onderzoek dat door het BI&V is verricht onder ogen heeft gekregen, maakt dit niet anders. Uit de beschikbare gegevens is immers niet gebleken dat door eisers leidinggevende(n) een verderstrekkende toestemming is verleend voor het ruilen van diensten buiten de vastgestelde roosters om. Dit ligt volgens de rechtbank ook niet voor de hand, waarbij in aanmerking is genomen dat onder meer de bezoldiging en de TOD aan de hand van de vastgestelde roosters worden berekend en uitbetaald, en derhalve van evident belang is dat de vastgestelde roosters een juist beeld geven van de aanwezigheid van de betrokken medewerkers en van de door hen feitelijk verrichte diensten. Het ruilen van diensten in de omvang waarvan in eisers geval sprake is geweest, heeft geleid tot aanmerkelijke verschillen tussen de diensten waarvoor hij was ingeroosterd en die welke hij feitelijk heeft verricht. Eiser heeft hiermee bewerkstelligd dat hij structureel en in een aanzienlijke omvang vergoedingen heeft gekregen voor onregelmatige diensten die hij niet heeft verricht. De rechtbank onderschrijft het standpunt van verweerder dat eiser zich op dit punt schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim.

Voorts is naar het oordeel van de rechtbank de in geding zijnde wijze van inroostering niet in overeenstemming met het in het roosterbeleid neergelegde beginsel van een evenredige verdeling van alle diensten over alle betrokken medewerkers van de afdeling naar rato van hun dienstverband. Dit beleid is neergelegd in de “kaders voor persoonsgericht roosteren

Dr. S. van Mesdagkliniek”. De rechtbank acht niet aannemelijk dat eiser als ervaren roostermaker niet op de hoogte is geweest van het in dit beleid neergelegde uitgangspunt van een evenredige inroostering. Overigens is de rechtbank van oordeel dat het eiser ook los van de inhoud van dit beleid redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat hij verweerder als zijn werkgever benadeelde door zichzelf en andere medewerkers met het oog op de ophoging van zijn en hun vaste TOD extra in te roosteren, en dat hij aldus oneigenlijk gebruik maakte van de hem als roostermaker toebedeelde bevoegdheden. De rechtbank onderschrijft het standpunt van verweerder dat ook dit ernstig plichtsverzuim oplevert. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat eiser uit hoofde van zijn taak als roostermaker een eigen verantwoordelijkheid heeft voor een juiste inroostering, en dat hij zich dan ook niet kan verschuilen achter de eindverantwoordelijkheid die de afdelingsmanager als leidinggevende hiervoor heeft.

Eisers stelling dat extra diensten moesten worden gedraaid vanwege een structurele onderbezetting, kan naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot het door hem gewenste resultaat. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het gestelde tekort aan personeel niet in de weg hoeft te staan aan een evenredige verdeling van onregelmatige diensten over alle betrokken medewerkers van de afdeling.

Het argument van eiser dat medewerkers in de opbouwfase vaker dan andere medewerkers bereid waren onregelmatige diensten te draaien en dat in het kader van persoonsgericht roosteren ook rekening moet worden gehouden met hun wensen, kan evenmin leiden tot het door hem verlangde resultaat. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het, uit hoofde van zijn taak en verantwoordelijkheid als roostermaker, juist (mede) aan eiser was geen gevolg te geven aan wensen van medewerkers, voor zover deze niet in overeenstemming waren met de toepasselijke regels en uitgangspunten voor een juiste inroostering. De omstandigheid dat eiser ten opzichte van de andere medewerkers van de afdeling niet in een hiërarchische verhouding stond, doet daar niets aan af. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat eiser ten einde een zo evenredig mogelijke verdeling van de diensten over de betrokken medewerkers te bewerkstelligen zo nodig ook zijn leidinggevende had kunnen (en moeten) inschakelen. Overigens acht de rechtbank in dit verband van belang dat eiser ook zichzelf heeft ingeroosterd.

De rechtbank wijst in dit verband voorts op de e-mail van de afdelingsmanager van

20 september 2006 aan [de man] naar aanleiding van de memo van 10 augustus 2006 van laatstgenoemde. Volgens de e-mail van 20 september 2006 heeft de afdelingsmanager naar aanleiding hiervan overlegd met eiser en zouden zij in samenspraak proberen dat een ieder zoveel mogelijk zijn onregelmatige diensten zou draaien. De rechtbank stelt vast dat een en ander niet tot het gewenste resultaat heeft geleid.

Eisers grief dat de ophoging van de vaste TOD door inroostering tijdens de referteperiode voor extra onregelmatige diensten binnen de Van Mesdagkliniek en zelfs justitiebreed al jaren een bekend fenomeen was, begrijpt de rechtbank als een beroep op een binnen de organisatie van verweerder bestaande cultuur waarin deze extra ophoging bekend was en werd toegestaan. Naar het oordeel van de rechtbank kan ook deze grief van eiser niet slagen. De rechtbank wijst in dit verband op de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, volgens welke het bestaan van een bepaalde cultuur, nog daargelaten wat daarvan zij, betrokkenen niet ontslaat van hun eigen verantwoordelijkheid voor hun gedrag. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 8 mei 2008, 13 januari 2008, 14 juni 2007 en 2 oktober 2003, gepubliceerd onder LJN: BD2255, BC4301, BA8477 respectievelijk AM0298. De rechtbank ziet niet in dat in het geval van eiser tot een ander oordeel zou moeten worden gekomen. De rechtbank merkt hierbij op dat eiser als roostermaker binnen zijn afdeling een actieve rol heeft gespeeld in het voortbestaan van de gestelde cultuur.

In overeenstemming met de overwegingen van de Centrale Raad van Beroep in laatstgenoemde zaak is de rechtbank van oordeel dat een gebrekkige controle de eigen verantwoordelijkheid van eiser voor de hem verweten gedragingen evenmin kan wegnemen. Eisers grief dat hij de roosters periodiek heeft besproken met zijn leidinggevende, die deze heeft goedgekeurd, en dat de roosters ook werden gecontroleerd door het BPI, kan naar het oordeel van de rechtbank derhalve evenmin leiden tot het door eiser gewenste resultaat. Hierbij merkt de rechtbank nog op dat de leidinggevende heeft aangegeven dat hij niet specifiek heeft gelet op onregelmatigheden met betrekking tot de verdeling van onregelmatige diensten. Overigens is de rechtbank niet gebleken dat deze leidinggevende eiser expliciet toestemming heeft gegeven om zichzelf en andere medewerkers gedurende de referteperiode extra in te roosteren voor onregelmatige diensten teneinde op deze wijze hun vaste TOD op te hogen.

Overigens is de rechtbank van oordeel dat eiser op zichzelf niet als plichtsverzuim kan worden tegengeworpen dat hij gebruik heeft gemaakt van de sleutel van SP-Expert van zijn leidinggevende. Eiser heeft deze sleutel met dat doel van zijn leidinggevende gekregen en ook deze heeft verklaard dat eiser hiervan niet op eigen initiatief gebruik heeft gemaakt, maar in overleg met hem.

Gelet op de ernst van het plichtsverzuim dat is gelegen in de overige hierboven besproken gedragingen, in samenhang bezien, acht de rechtbank de naar aanleiding daarvan door verweerder opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag - anders dan eiser en de bezwarencommissie - niet onevenredig.

Eisers leeftijd, zijn langdurig dienstverband en de omstandigheid dat hij niet eerder disciplinair is gestraft kan niet tot een ander oordeel leiden. Hetzelfde geldt voor de rol van eisers leidinggevende en de afwezigheid van een adequate controle, waarbij de rechtbank nogmaals wijst op de eigen verantwoordelijkheid die eiser als roostermaker had. De rechtbank ziet in deze verantwoordelijkheid alsmede in de actieve bijdrage die eiser als roostermaker heeft geleverd aan de oneigenlijke ophoging van de TOD, ook voldoende rechtvaardiging gelegen voor het verschil in zwaarte met de maatregel van berisping, die ten aanzien van andere medewerkers is getroffen die net als eiser van deze ophoging hebben geprofiteerd.

Gelet op hetgeen hierboven is overwogen komt de rechtbank tot de slotsom dat het bestreden besluit van 1 april 2008 in rechte stand kan houden en dat het beroep inzoverre hiertegen gericht dan ook ongegrond dient te worden verklaard

III. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaarschrift van 17 december 2007 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 80,50 en wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die deze kosten aan eiser dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. W.P. Claus, voorzitter, mr. K. Wentholt en mr. T.M.L. Veen als leden en uitgesproken in het openbaar op 9 december 2008 door mr. W.P. Claus, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Schoenmakers, griffier.

mr. P.A. Schoenmakers mr. W.P. Claus

Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002 te 3500 DA Utrecht binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak.

Afschrift verzonden op: