Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2008:BG8019

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
09-12-2008
Datum publicatie
22-12-2008
Zaaknummer
08/460 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onvoorwaardelijk strafontslag van een leidinggevende, onder meer wegens onvoldoende controle op een juiste inroostering van zijn medewerkers door zijn roostermaker. Ook de rechtbank is van oordeel dat dit nalaten eiser als plichtsverzuim dient te worden tegengeworpen. De rechtbank acht de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag echter niet evenredig aan de eiser verweten gedraging. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat niet gebleken is dat eiser niet te goeder trouw heeft gehandeld en dat hij zelf niet heeft geprofiteerd van de onregelmatigheden in de door hem goedgekeurde roosters van zijn roostermaker. Bijzonderheid: bij uitspraak van dezelfde datum in de zaak met procedurenummer 08/287 AW heeft de rechtbank het aan de betrokken roostermaker gegeven strafontslag niet onevenredig geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector Bestuursrecht

Kenmerk: 08/460 AW

Uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken d.d. 9 december 2008

in het geding tussen

[eiser]

en

De Minister van Justitie, verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 18 april 2008 heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen het besluit van

6 augustus 2007 ongegrond verklaard en laatstgenoemd besluit gehandhaafd, inhoudende oplegging van de disciplinaire straf van ontslag met bepaling dat deze met onmiddellijke ingang ten uitvoer wordt gebracht.

Namens eiser is bij brief van 16 mei 2008 tegen dit besluit bij de rechtbank beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 19 juni 2008 de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en bij brief van 2 juli 2008 een verweerschrift. De gemachtigde van eiser heeft hiervan een afschrift ontvangen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 27 oktober 2008, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote en mr. A.A.M. van der Zandt.

Voor verweerder zijn verschenen mr. L. de Wit en [de man].

II. Motivering

Feiten en omstandigheden

Eiser is sinds 1 april 1990 werkzaam in dienst bij de Dr. S. van Mesdagkliniek, aanvankelijk als sociotherapeutisch medewerker. Met ingang van 1 januari 2002 vervulde eiser de functie van manager patiënteneenheid op de afdeling zeer intensieve specialistische zorg (ZISZ). Met ingang van 1 januari 2007 is hij benoemd tot manager algemene zaken behandelhuis.

Bij memo van 10 augustus 2006 is eiser door de (toenmalige) leidinggevende van het Bureau Personele Inzet (BPI), [de man], bericht dat zeer onlangs voor een aantal medewerkers van eisers afdeling de gemiddelde onregelmatigheid is vastgesteld omdat ze 55 jaar zijn geworden en recht krijgen op een vaste onregelmatigheidstoeslag (TOD).

In dit memo is -onder meer- het volgende gesteld:

‘Zeer onlangs is voor een aantal medewerkers de gemiddelde onregelmatigheid vastgesteld omdat ze 55 jaar zijn geworden.

Wat nu echter in de praktijk blijkt is dat diezelfde medewerkers, die tot het moment dat ze 55 jaar werden zo veel mogelijk onregelmatige diensten hebben gedraaid om daarmee het gemiddelde omhoog te schroeven, nu ineens geen of nog maar heel weinig onregelmatige diensten draaien. Gebleken is dat deze medewerkers, die tot het moment waarop ze 55 jaar werden zoveel mogelijk onregelmatige diensten hebben gedraaid om daarmee het gemiddelde omhoog te schroeven, vervolgens geen of nog maar heel weinig onregelmatige diensten verrichten.

(…)

Het kan niet de bedoeling zijn dat medewerkers die in de 55 + regeling zitten helemaal geen onregelmatige diensten meer doen en die diensten vervolgens door anderen moeten worden verricht.

De organisatie moet namelijk in die situatie twee maal betalen voor diensten die door medewerkers worden verricht. Door deze wijze van handelen wordt het budget TOD (onnodig) belast.’

De memo sluit af met het verzoek aan eiser om hier aandacht aan te besteden

In reactie hierop heeft eiser [de man] per e-mail op 20 september 2006 medegedeeld, dat

[de man] (zijn roostermaker) bij hem ([de man]) is geweest en dat eiser vervolgens overleg heeft gehad met [de man]. Laatstgenoemde gaat in nauwe samenspraak met eiser met een aantal mensen praten en ze zullen proberen dat een ieder zoveel mogelijk zijn onregelmatige diensten draait.

In januari 2007 heeft eiser van de manager beveiliging, [de man], een signaal gekregen dat het nog steeds niet goed zat. Vervolgens is eiser met zijn personeelsadviseur ([de man]) naar het BPI gegaan voor een overzicht van de weekenddiensten over de afgelopen maanden. Verder hebben zij een uitdraai van de vergoedingen voor onregelmatige diensten over de laatste jaren opgevraagd.

Naar aanleiding van hetgeen eiser hieruit is gebleken heeft hij samen met zijn personeels-adviseur op 16 januari 2007 een gesprek gevoerd met zijn roostermaker [de man]. Eiser heeft hierbij aangegeven dat er een duidelijke trend te zien is, in de zin dat onregelmatig-heidsdiensten enorm oplopen vanaf 12 maanden voor de vaststelling van een vaste toeslag voor onregelmatige diensten (TOD), en dat daardoor de indruk is ontstaan dat er zodanig met weekenddiensten is geschoven dat men in staat is deze toelage op te hogen. De roostermaker heeft als reden voor het oplopen van de onregelmatige diensten aangegeven dat sprake is van onvoldoende bezetting. Daarnaast heeft hij aangegeven dat het in de kliniek algemeen bekend is dat medewerkers hun vaste TOD kunstmatig ophogen. Aan het eind van het gesprek is afgesproken dat nader onderzoek door P & O zal plaatsvinden, dat een sleuteluitdraai zal worden gemaakt en dat de directie zal worden geïnformeerd.

Vervolgens heeft de directie een interne commissie ingesteld, de commissie TOD, teneinde onderzoek te verrichten naar mogelijk oneigenlijk gebruik binnen de afdeling ZISZ van de regeling, op grond waarvan medewerkers vanaf hun 55e een vaste onregelmatigheidstoeslag ontvangen gebaseerd op het gemiddelde over de daaraan voorafgaande periode. De commissie bestond uit [de man], projectmedewerker Facilitaire Dienst, [de man], manager Algemene Zaken Uitstroom en [de man], hoofd P & O en Deskundigheid.

In het kader van dit onderzoek is eiser op 2 februari 2007 gehoord.

In een gesprek op 9 februari 2007 heeft [de man], directeur algemene zaken, eiser medegedeeld dat hij wordt ontheven van zijn taken betreffende de personele planning. Voornoemde directeur heeft hierbij aangegeven dat eiser als verantwoordelijk leidinggevende heeft gefaald. Eiser is hierbij tevens buitengewoon verlof verleend.

Op 17 februari 2007 heeft de commissie TOD omtrent haar bevindingen gerapporteerd aan het management van de Van Mesdagkliniek (naast voornoemde directeur algemene zaken bestaande uit [de man] directeur behandelzaken).

Op grond van de conclusies van deze interne commissie heeft de directeur algemene zaken bij het Bureau Integriteit & Veiligheid (BI&V) van de Dienst Justitiële Inrichtingen van het Ministerie van Justitie, melding gemaakt van een mogelijke integriteitsbreuk en dit bureau verzocht nader onderzoek te verrichten, teneinde het interne onderzoek te valideren. In het kader van het nadere onderzoek is eiser op 11 april 2007 gehoord.

Tijdens een gesprek op 20 februari 2007 hebben voornoemde directeuren eiser medegedeeld dat hij per direct is ontheven uit zijn functie en hem de toegang tot de kliniek is ontzegd. Hierbij is aangegeven dat de uitkomsten van het onderzoek door de commissie TOD bevestigen dat eiser nadrukkelijk heeft gefaald als leidinggevende op het terrein van de personele roosterplanning. Bij besluit van 21 februari 2007 is eiser formeel de toegang tot de kliniek ontzegd. Bij besluit van 1 oktober 2007 heeft verweerder eisers bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard.

Op 1 mei 2007 heeft het BI&V, in de persoon van de betrokken onderzoeker [de man] gerapporteerd en verslag uitgebracht van de onderzoeksbevindingen.

Bij brief van 8 mei 2007 heeft verweerder eiser op de hoogte gesteld van het voornemen hem disciplinair te bestraffen. Hierbij is aangegeven dat uit het verrichtte onderzoek is gebleken dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim, dat eruit heeft bestaan dat hij als verantwoordelijk leidinggevende op de hoogte was van het kunstmatig ophogen van de TOD voor 55-jarigen en dat hij daar geen adequate actie op heeft ondernomen. Verder heeft eiser de inloggegevens van SP-Expert (het dienstroostersysteem) bekendgemaakt aan de roostermaker van de afdeling en hierdoor de controle op dit systeem uit handen gegeven. Hierdoor heeft het kunstmatig ophogen van de TOD jaren kunnen voortbestaan.

Bij brieven van 16 mei 2007 hebben eiser en zijn gemachtigde schriftelijk op dit voornemen gereageerd.

Bij brief van 19 juni 2007 heeft verweerder eiser op de hoogte gesteld van het voornemen tot het opleggen van de disciplinaire straf van ontslag. In deze brief is een aanvulling gegeven op hetgeen hem in de brief van 8 mei 2007 reeds als (vermoedelijk) plichtsverzuim ten laste is gelegd.

Bij brieven van 28 juni 2007 en 3 juli 2007 hebben eiser en zijn gemachtigde op dit voornemen gereageerd.

Bij besluit van 4 juli 2007 heeft verweerder besloten om de ontzegging van de toegang te verlengen en eiser met ingang van laatstgenoemde datum te schorsen op grond van het feit dat aan hem het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk ontslag te kennen is gegeven.

Bij besluit van 6 augustus 2007 heeft verweerder eiser de disciplinaire straf van ontslag opgelegd, met bepaling dat deze met onmiddellijke ingang ten uitvoer wordt gebracht. Hiertoe is, samengevat, overwogen dat uit de conclusies van de interne onderzoekscommis-sie blijkt dat eisers medewerkers de bij het roosteren als uitgangspunt te nemen regelingen voortdurend ernstig hebben overtreden. Door goedkeuring van het rooster en het vrijgeven van het gedraaide rooster voor betaling heeft eiser expliciet zijn goedkeuring gegeven aan de totstandkoming en de wijze van uitvoering van de dienstroosters. Dit is in strijd met de regelgeving en levert derhalve plichtsverzuim op. Als leidinggevende is eiser verantwoordelijk voor de personele planning en de daaraan gerelateerde financiële consequenties. Doordat eiser zijn hiertoe toegekende bevoegdheden niet of onzorgvuldig heeft uitgeoefend, heeft hij zich niet gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt, hetgeen plichtsverzuim oplevert. Het overdragen van zijn bevoegdheden, door bekendmaking van zijn sleutel van SP-Expert, levert eveneens plichtsverzuim op. Ook het gedogen van het feit dat de feitelijke inzet van personeel langdurig en veelvuldig niet strookte met het rooster en het feit dat hiervan op geen enkele wijze een administratie werd bijgehouden, is in strijd met de regelgeving en levert derhalve plichtsverzuim op.

Gelet op eisers positie in de organisatie, de hiermee samenhangende voorbeeldfunctie en de grote financiële consequenties voor de dienst en derden merkt verweerder het plichtsverzuim als zeer ernstig aan. Eiser was mogelijk weliswaar niet exact op de hoogte van de malversaties op de onder hem ressorterende afdelingen, maar dit was voornamelijk het gevolg van het feit dat hij naliet zich voortdurend op de hoogte te (laten) stellen. Gelet op zijn functie als leidinggevende en de wetenschap die hij reeds in februari 2004 bezat, had van hem mogen worden verwacht dat hij voortdurend op de hoogte was van alle relevante informatie omtrent de personele planning, die steeds tot zijn beschikking heeft gestaan. Het feit dat eiser niet (exact) op de hoogte was pleit hem derhalve volgens verweerder niet vrij, integendeel. Als gevolg van eisers nalaten heeft hij de Van Mesdagkliniek maar ook het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds financieel ernstig benadeeld en is het aanzien van de kliniek geschaad. Gelet op de verantwoordelijkheid van een manager patiënteneenheid respectievelijk manager algemene zaken behandelhuis, de voorbeeldfunctie die eiser vervult binnen de kliniek en de lange duur van de periode waarin hij de malversaties heeft laten voortduren, is verweerder van oordeel dat een terugkeer in zijn functie binnen de kliniek is uitgesloten en dat de disciplinaire straf van ontslag passend is.

Eiser heeft tegen dit besluit bij brief van 14 augustus 2007, aangevuld bij brieven van

17 oktober 2007, 16 november 2007 en 20 februari 2008, bezwaar gemaakt.

In het kader van de behandeling van dit bezwaar heeft op 4 maart 2008 een hoorzitting plaatsgevonden ten overstaan van de bezwarencommissie personele aangelegenheden van het expertisecentrum arbeidsjuridisch (bezwarencommissie).

Op 10 maart 2008 heeft de bezwarencommissie advies uitgebracht. Het advies luidt het bezwaar gegrond te verklaren en het besluit van 6 augustus 2007 te herroepen, in die zin dat wordt bepaald dat het strafontslag voorwaardelijk is, met een proeftijd van drie jaar, en aangevuld met de straf van verplaatsing.

De bezwarencommissie is van oordeel dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim, doordat hij zijn sleutel van SP-Expert voor het verrichten van handelingen als manager in dit systeem heeft afgestaan aan zijn roostermaker de heer [de man], en doordat hij als eindverantwoordelijke voor het planningsproces heeft nagelaten toe te zien op de naleving van de regels inzake personele planning en op een zorgvuldige en evenwichtige planning, waardoor overschrijdingen van de wet- en regelgeving met betrekking tot arbeidstijden en onregelmatigheden ten aanzien van de TOD mogelijk waren. Aldus heeft eiser onvoldoende invulling gegeven aan zijn taken en verantwoordelijkheden als manager. Hierbij is vermeld dat eiser tijdens de hoorzitting weliswaar heeft aangegeven opdrachten ter uitvoering van de roosterplanning te hebben gegeven, maar niet te hebben gecontroleerd of deze opdrachten conform zijn instructies werden uitgevoerd.

De bezwarencommissie is echter tevens van oordeel dat verweerder bij het bepalen van de straf onvoldoende rekening heeft gehouden met de staat van dienst van eiser, de cultuur in de Van Mesdagkliniek ten aanzien van het ophogen van TOD, de omstandigheid dat hij niet eerder disciplinair is gestraft en het gegeven dat hem aanvankelijk een andere positie als leidinggevende bij de GGZ onder verantwoordelijkheid van dezelfde directeur is aangeboden, terwijl toen het rapport van de interne onderzoeks-commissie reeds bekend was. Gelet hierop is de bezwarencommissie van oordeel dat de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag de evenredigheidstoets niet kan doorstaan.

Bij het thans bestreden besluit van 18 april 2008 heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen het besluit van 6 augustus 2007 -in afwijking van het advies van de bezwarencommis-sie- ongegrond verklaard en laatstgenoemd besluit gehandhaafd. Hiertoe is, samengevat, overwogen dat eiser heeft nagelaten toe te zien op de naleving van de regels inzake personele planning en op een zorgvuldige en evenwichtige planning, terwijl het feit dat hij aan enkelen - onder voorwaarden - toestemming had verleend TOD op te bouwen (zoals volgens verweerder blijkt uit het verslag van het gesprek met eiser op 20 februari 2007) maar aan anderen juist niet, het feit dat hij wist dat het terugnemen van uren kon leiden tot ongerechtvaardigde verrijking (zoals volgens verweerder blijkt uit het verslag van eiser van het gesprek op 17 februari 2004 met zijn roostermaker) en het feit dat zijn roostermaker kon beschikken over zijn inlogcode voor SP-Expert, juist aanleiding had moeten zijn hier extra aandacht aan te besteden. Verder heeft verweerder erop gewezen dat medewerkers van het Ministerie van Justitie aan hogere integriteitseisen moeten voldoen. Aan de medewerkers van de Dienst Justitiële Inrichtingen worden zelfs nog hogere eisen gesteld. Als gevolg van het feit dat eiser heeft nagelaten zijn verantwoordelijkheden als manager op juiste wijze te vervullen, is zijn integriteit geschonden en het in hem gestelde vertrouwen onherstelbaar beschadigd. Er kan derhalve ondanks zijn staat van dienst absoluut geen sprake zijn van continuering van zijn dienstverband binnen Justitie in welke functie dan ook. Verweerder is daarom van oordeel dat de opgelegde straf evenredig is aan de ernst van het plichtsverzuim.

Standpunten partijen

Verweerder is van opvatting dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim, op grond waarvan het opleggen van de straf van onvoorwaardelijk ontslag gerechtvaardigd is.

Eiser bestrijdt dat sprake is van ernstig plichtsverzuim. Eiser heeft hierbij toegelicht dat de planning en uitvoering van roosters een samenspel betreft van meerdere medewerkers, dat mede gebaseerd is op vertrouwen. Eiser ging er van uit dat zijn medewerkers zich van hun plicht en daarmee samenhangende verantwoordelijkheid bewust waren en daarnaar ook zouden handelen. Eiser is van mening dat hij passende actie heeft ondernomen toen hem andersluidende signalen bereikten. Eiser heeft er op gewezen dat de eerste keer in augustus 2006 geen link is gelegd met oneigenlijke ophoging van TOD door medewerkers. Toen in januari 2007 duidelijk werd dat dit aan de orde was heeft hij hierop ruim voldoende actie ondernomen. Eiser heeft verder naar voren gebracht dat hij te maken had met onderbe-zetting en dat hij redelijkerwijs niet van alles op de hoogte kon zijn. Het is volgens hem niet meer dan logisch dat zaken werden gedelegeerd. Eiser is verder van mening dat verweerder bij de afwijking van het advies van de bezwarencommissie te kort door de bocht is gegaan. Eiser heeft hierbij toegelicht dat uit het gespreksverslag van 20 februari 2007 niet valt te lezen dat hij selectief en voorwaardelijk toestemming zou hebben gegeven om TOD op te bouwen. Eiser heeft nimmer toestemming gegeven aan medewerkers voor het oneigenlijk ophogen van hun TOD. Eiser was er niet van op de hoogte dat dit gebeurde. Eiser heeft verder aangegeven dat het verslag van het verzuimgesprek dat hij op 17 februari 2004 met zijn roosterplanner heeft gevoerd uit zijn verband is gerukt. Dit gesprek was erop gericht om de roostermaker in zijn werk te ondersteunen en zijn taak te verlichten, en richtte zich niet op oneigenlijke opbouw van TOD. Eiser is tevens van mening dat sprake is van een onevenredig zware straf en hij heeft in dit verband onder meer gewezen op zijn onberispelijke staat van dienst. Verder zijn volgens eiser zowel verweerder als de bezwarencommissie niet voldoende ingegaan op c.q. voorbijgegaan aan hetgeen hij eerder heeft aangevoerd.

Toepasselijke regelgeving

Ingevolge artikel 50, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) is de ambtenaar gehouden de plichten uit zijn functie voortvloeiende nauwgezet en ijverig te vervullen en zich te gedragen, zoals een goed ambtenaar betaamt.

Ingevolge artikel 80, eerste lid, van het ARAR kan de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege disciplinair worden gestraft.

Ingevolge artikel 80, tweede lid, van het ARAR omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Ingevolge artikel 81, eerste lid, onder l, van het ARAR behoort ontslag tot de disciplinaire straffen die kunnen worden opgelegd.

Artikel 17 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (BBRA 1984) luidt sedert 1 juli 2006 als volgt:

1. Aan de ambtenaar, die anders dan bij wijze van overwerk, regelmatig of vrij regelmatig arbeid verricht op andere tijden dan op de dagen maandag tot en met vrijdag tussen 8 en 18 uur, wordt een toelage toegekend.

2. De toelage bedraagt per gewerkt uur een percentage van het voor de ambtenaar geldende salaris per uur en wel

a. 20% voor de uren op maandag tot en met vrijdag tussen 6 en 8 uur en tussen 18 en 22 uur;

b. 40% voor de uren op maandag tot en met vrijdag tussen 0 en 6 uur en tussen 22 en 24 uur;

c. 70% voor de uren op zaterdag;

d. 70% voor de uren op zondag;

e. 100% voor de uren op de feestdagen genoemd in artikel 21, zevende lid, onder a, van het ARAR, Eerste Paasdag en Eerste Pinksterdag, met dien verstande dat genoemde percentages worden berekend over ten hoogste het salaris per uur, dat is afgeleid van het salaris behorende bij salarisnummer 10 van salarisschaal.

3. Voor de in het vorige lid onder a genoemde morgen- en avonduren wordt de toelage slechts toegekend, indien de arbeid is aangevangen vóór 7 uur, respectievelijk is beëindigd na 20 uur.

4. In afwijking van het bepaalde in het eerste en het tweede lid ontvangt de ambtenaar met ingang van de maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar bereikt een vaste toelage, mits hij op dat moment gedurende ten minste 5 jaar zonder wezenlijke onderbreking een toelage als bedoeld in het eerste lid heeft genoten.

5. De toelage bedoeld in het vierde lid wordt vastgesteld op het bedrag dat de ambtenaar over de zesendertig kalendermaanden voorafgaande aan de maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar bereikt gemiddeld per maand aan toelage als bedoeld in het eerste lid heeft genoten en wordt aangepast aan algemene salariswijzigingen.

Tot 1 juli 2006 gold ingevolge artikel 17, vijfde lid, van het BBRA 1984 nog een termijn van twaalf kalendermaanden.

Beoordeling

Ter beoordeling van de rechtbank ligt de vraag voor of het bestreden besluit van 18 april 2008, waarbij het primair besluit van 6 augustus 2007 is gehandhaafd inhoudende oplegging aan eiser van de straf van onvoorwaardelijk ontslag, in rechte stand kan houden. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is voor de constatering van plichtsverzuim dat tot disciplinaire bestraffing aanleiding kan geven, noodzakelijk dat op basis van de beschikbare deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar zich aan de hem verweten gedraging heeft schuldig gemaakt.

Verweerder verwijt eiser in de eerste plaats als plichtsverzuim dat hij als verantwoordelijk leidinggevende heeft nagelaten voldoende controle uit te oefenen op een juiste inroostering van zijn medewerkers door zijn roostermaker [de man], in overeenstemming met de daarvoor geldende regels en uitgangspunten. Door dit nalaten is het mogelijk geweest dat deze roostermaker zichzelf en andere medewerkers tijdens de referteperiode voor de opbouw van hun vaste TOD bovenmatig heeft ingeroosterd voor onregelmatige diensten. Door deze oneigenlijke ophoging van de TOD is verweerder benadeeld.

Dienaangaande stelt de rechtbank allereerst vast dat eiser zelf heeft aangegeven dat hij bij de controle van de roosters, die periodiek door hem plaatsvond, niet specifiek heeft gelet op de mogelijkheid van vorenbedoelde bovenmatige inroostering van zijn medewerkers voor onregelmatige diensten tijdens hun referteperiode voor de opbouw van hun vaste TOD. Dit is derhalve op zichzelf niet in geschil. Ook de rechtbank is van oordeel dat eiser als verantwoordelijk leidinggevende hierdoor in de vervulling van zijn controlerende taak te kort is geschoten en dat dit nalaten als plichtsverzuim aan hem dient te worden tegengeworpen.

De rechtbank merkt in dit verband op dat de stelling van eiser, dat specifieke aanwijzingen ontbraken dat er iets mis was met de verdeling van onregelmatige diensten, niet wordt onderschreven. De rechtbank wijst er hierbij op dat eiser bij brief van 16 mei 2007 zelf heeft verklaard dat hij zoals ieder ander binnen de organisatie ‘vaag’ op de hoogte was van het fenomeen kunstmatig ophogen van de TOD. De rechtbank wijst in dit verband tevens op de inhoud van de memo van 10 augustus 2006 van de (toenmalige) leidinggevende van de afdeling BPI ([de man]) aan eiser, waarin onder meer uitdrukkelijk is vermeld dat medewer-kers (van eisers afdeling) die zeer onlangs 55 jaar zijn geworden, tot dat moment zoveel mogelijk onregelmatige diensten hebben gedraaid om daarmee het gemiddelde omhoog te schroeven. In deze memo is eiser voorts gewezen op de (onnodig) extra belasting van het budget TOD en is hij verzocht hier aandacht aan te besteden.

De rechtbank ziet in het vertrouwen dat eiser in zijn roostermaker heeft gesteld evenmin een rechtvaardiging gelegen voor de omstandigheid, dat eiser bij de controle van de roosters niet specifiek heeft gelet op ongerijmdheden met het uitgangspunt van een evenredige verdeling van de onregelmatige diensten over alle betrokken medewerkers, en op de mogelijkheid van bovenmatige inroostering van medewerkers in hun referteperiode. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat dit vertrouwen niet afdoet aan de eigen verantwoordelijkheid van eiser als afdelingsmanager voor een juiste inroostering van zijn medewerkers. Een adequate vervulling van de controlerende taak die eiser als verantwoor-delijk leidinggevende had was te meer van belang, aangezien zijn roostermaker zich in de opbouwfase van zijn vaste TOD bevond en derhalve ook zelf profijt zou hebben bij een bovenmatige inroostering voor onregelmatige diensten.

In dit licht bezien is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiser tevens terecht als plichtsverzuim verwijt, dat hij zijn inlogcode van het gehanteerde dienstroostersysteem SP-Expert bekend heeft gemaakt aan zijn roostermaker. Overigens had eiser volgens de rechtbank gelet op de hierboven weergegeven inhoud van de memo van 10 augustus 2006 van [de man] moeten inzien, dat het vertrouwen in zijn roostermaker niet zonder meer gerechtvaardigd was.

Overigens is de rechtbank niet tot de overtuiging kunnen komen dat eiser niet te goeder trouw heeft gehandeld en dat hij er zich vóór januari 2007 reeds bewust van is geweest, dat zijn roostermaker zichzelf en andere medewerkers op de afdeling bovenmatig inroosterde met het oog op ophoging van hun vaste TOD, en/of dat hij hiervoor zelfs uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat eiser dit van het begin af aan steeds heeft ontkend en dat de beschikbare gegevens onvoldoende aanknopingspunten bieden voor een andersluidend oordeel. De rechtbank merkt hierbij op dat eiser volgens het verslag van het gesprek dat op 20 februari 2007 met hem is gevoerd, heeft aangegeven dat het ophogen van de TOD alleen dan kan als anderen er geen last van hebben en er een evenredige verdeling over de mensen plaatsvindt.

De rechtbank acht op basis van de beschikbare gegevens evenmin aannemelijk dat eiser reeds voordat hij had kennisgenomen van de in januari 2007 opgevraagde sleuteluitdraaien op de hoogte is geweest van de omvang van de dienstruilingen die buiten de roosters om hebben plaatsvonden, en van de daarmee verband houdende omstandigheid dat de vastgestelde roosters geen juist beeld gaven van de medewerkers die de betreffende diensten feitelijk draaiden. De rechtbank wijst er hierbij op dat eiser volgens het verslag van het verzuimbegeleidingsgesprek dat hij op 17 februari 2004 met zijn roostermaker heeft gevoerd heeft aangegeven dat ruilingen beperkt moeten blijven en overigens door de planner moeten worden goedgekeurd. De rechtbank neemt in dit verband in aanmerking dat de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft verklaard dat eiser de ruilingen niet kon zien. Overigens heeft eiser ter zitting verklaard dat hij één keer een signaal heeft gekregen dat zijn roostermaker niet aanwezig was terwijl hij ingeroosterd stond, en dat hij hem daarop heeft aangesproken. Gelet op het voorgaande valt eiser naar het oordeel van de rechtbank ten aanzien van (de omvang van) de dienstruilingen die buiten de roosters om hebben plaatsgevonden, en de daarmee verband houdende aanzienlijke verschillen tussen de vastgestelde roosters en de feitelijk gedraaide diensten, geen plichtsverzuim te verwijten.

Het hierboven vastgestelde plichtsverzuim, dat er uit bestaat dat eiser als verantwoordelijk leidinggevende voor een juiste inroostering van zijn medewerkers, tekort is geschoten in de uitoefening van zijn controlerende taken jegens zijn roostermaker, kan de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag naar het oordeel van de rechtbank niet rechtvaardigen.

De rechtbank acht deze straf niet evenredig aan deze hem verweten gedraging. Daarbij heeft de rechtbank, los van eisers goede staat van dienst tijdens zijn langdurig dienstverband bij de Van Mesdagkliniek, in aanmerking genomen dat op basis van de beschikbare gegevens niet tot de conclusie kan worden gekomen dat eiser niet te goeder trouw heeft gehandeld, en dat hij zelf niet heeft geprofiteerd van de onregelmatigheden in de door hem goedgekeurde roosters van zijn roostermaker.

Gelet op hetgeen hierboven is overwogen komt de rechtbank tot de slotsom dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden en dat het beroep dan ook gegrond dient te worden verklaard.

III. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder opnieuw op de bezwaren

van eiser beslist met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 644,- en wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die deze kosten alsmede het griffierrecht ad € 145,- aan eiser dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. W.P. Claus, voorzitter, mr. K. Wentholt en mr. T.M.L. Veen als leden en uitgesproken in het openbaar op 9 december 2008 door mr. W.P. Claus, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Schoenmakers, griffier.

mr. P.A. Schoenmakers mr. W.P. Claus

Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002 te 3500 DA Utrecht binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak.

Afschrift verzonden op: