Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2008:BG7057

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
11-12-2008
Datum publicatie
16-12-2008
Zaaknummer
07/53 BELEI
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De vermindering van subsidie voor de uitvoering van de Wsw is gebaseerd op het feit dat voor een aantal door eiser te werk gestelde personen de geldigheidsduur van de indicatiebeschikking is verstreken zonder dat tijdig in herindicatie is voorzien. Dit handelen in strijd met de regels is met name gelegen in het niet nakomen van de artikelen 2, 7 en 11 van de Wsw. Uit de jurisprudentie blijkt dat de uitwerking die aan artikel 4, eerste lid, van het Besluit vaststelling subsidie is gegeven niet de in artikel 9, derde lid, van de Wsw gestelde grenzen te buiten gaat. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder voor wat betreft de geldigheidsduur van de indicatienesluiten een verlengingsbesluit had moeten nemen. Er is sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector Bestuursrecht

Kenmerk: 07/53 BELEI

Uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken d.d. 11 december 2008

in het geding tussen

Dagelijks Bestuur van het Werkvoorzieningschap Alescon, gevestigd te Hoogeveen, eiser,

en

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 4 december 2006 heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen het besluit van 4 mei 2006 ongegrond verklaard en laatstgenoemd besluit gehandhaafd, inhoudende de vaststelling van subsidie ingevolge de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) voor het jaar 2004 op een bedrag van € 43.336.380,-.

Namens eiser is bij brief van 12 januari 2007 tegen dit besluit bij de rechtbank beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 12 maart 2007 de op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift ingezonden. De gemachtigde van eiser heeft hiervan een afschrift ontvangen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 7 november 2008, alwaar eiser zich heeft laten vertegenwoordigen door [appellant]

Voor verweerder zijn verschenen mr. H.P.E. Schenkels en M.G. de Widt.

II. Motivering

Feiten en omstandigheden

Bij besluit van 6 oktober 2004 heeft verweerder in het kader van de Wsw aan eiser subsidie verleend ten bedrage van € 43.717.334,-.

Bij besluit van 4 mei 2006 heeft verweerder op grond van artikel 9, eerste lid, van de Wsw en artikel 2, derde lid, van het Besluit vaststelling subsidie Wet sociale werkvoorziening (Besluit vaststelling subsidie) de subsidie aan eiser voor het jaar 2004, in afwijking van de bij beschikking van 6 oktober 2004 op grond van artikel 8, eerste lid, van de Wsw aan eiser verleende subsidie, vastgesteld op € 43.336.380.

De subsidie is lager vastgesteld in verband met overschrijding van de herindicatietermijnen. Derhalve wordt op grond van artikel 9, eerste lid, onder c van de Wsw juncto artikel 2, derde lid en artikel 4, eerste lid, van het Besluit vaststelling subsidie een bedrag van

€ 499.903,- teruggevorderd.

Hiertegen heeft eiser bij brief van 12 juni 2006 bezwaar aangetekend. Namens eiser zijn de bezwaren op 15 augustus 2006 mondeling toegelicht.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

Standpunten partijen

Eiser heeft in beroep verwezen naar de bezwaren die in de bezwaarprocedure zijn aangevoerd.

Eiser stelt zich op het standpunt dat er sprake is van strijd met toepasselijke wet- en regelgeving. De Staatssecretaris meent ten onrechte dat in de periode dat een Wsw-medewerker niet over een geldige indicatie beschikt, deze dienstbetrekking niet voor subsidiëring in aanmerking komt. Voor deze stelling is geen basis te vinden in de Wsw of het Besluit vaststelling subsidie. Er is ten onrechte geen subsidie verstrekt wegens overschrijding van de herindicatietermijn. Weigering van de subsidie kan pas aan de orde zijn als na herindicatie de medewerker niet meer tot de doelgroep blijkt te behoren.

Eveneens meent eiser dat verweerder nu handelt in strijd met artikel 6, tweede lid, onder b juncto artikel 9, eerste lid, onder b van de Wsw.

Tevens kan eiser zich niet verenigen met de uitleg van de Staatssecretaris ten aanzien van de uitleg van artikel 8, derde lid, van het Besluit indicatie sociale werkvoorziening (Bisw). Naar de mening van eiser geeft de toelichting op artikel 8, derde lid van het Bisw aan dat de indicatie nog twee maanden geldig blijft indien niet tijdig op een aanvraag tot herindicatie is beslist.

Eiser is van mening dat er sprake is van strijd met het vertrouwens – en rechtzekerheidsbeginsel.

Eveneens heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel.

Verweerder heeft in het verweerschrift zijn standpunt gehandhaafd.

Toepasselijke regelgeving

Bij de beoordeling van het geschil dient te worden uitgegaan van de wet- en regelgeving zoals die van kracht was op 1 januari 2004.

Artikel 2, eerste lid, van de Wsw bepaalt - voor zover hier van belang - dat de gemeente er zorg voor draagt dat zij aan zoveel mogelijk ingezetenen, die blijkens een indicatiebeschikking of herindicatiebeschikking tot de doelgroep behoren, een dienstbetrekking krachtens arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht aanbiedt voor het verrichten van arbeid onder aangepaste omstandigheden.

Ingevolge het derde lid van artikel 2 van de Wsw kan het gemeentebestuur een rechtspersoon aanwijzen ten behoeve van de uitvoering van deze wet. Het gemeentebestuur regelt in het aanwijzingsbesluit de inhoud van de rechtsbetrekking tussen de gemeente en de betrokken rechtspersoon.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wsw kan het college van burgemeester en wethouders een subsidie verstrekken aan een werkgever, die met een ingezetene die blijkens een indicatiebeschikking of herindicatiebeschikking tot de doelgroep behoort, een arbeidsovereenkomst sluit, indien:

a. in de beschikking is aangegeven, dat die ingezetene in aanmerking komt voor toepassing van dit hoofdstuk; en

b. de inpassing in de arbeid van betrokkene, met inbegrip van begeleiding op zijn werkplek, adequaat wordt verzorgd.

Ingevolge artikel 7, tweede lid, van de Wsw kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van dit artikel.

In artikel 8, eerste lid, van de Wsw is bepaald dat het Rijk aan de gemeente een subsidie voor de uitvoering van de hoofdstukken 2 en 3 verstrekt.

Artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wsw luidt als volgt:

1. Na afloop van het jaar stelt Onze Minister de subsidie vast. De vastgestelde subsidie kan van de verleende subsidie afwijken, voor zover:

a. de som van de produkten van het, op basis van een volledige werkweek berekende, aantal in dat jaar gerealiseerde arbeidsjaren uit dienstbetrekkingen en arbeidsovereenkomsten als bedoeld in de hoofdstukken 2 en 3 in elke arbeidshandicapcategorie en het bij die arbeidshandicapcategorie behorende bedrag als bedoeld in artikel 8, derde lid, minder bedraagt dan de verleende subsidie;

b. (...);

c. het gemeentebestuur niet handelt in overeenstemming met de bij of krachtens deze wet gestelde regels, of daarop niet dan wel onvoldoende toeziet, met uitzondering van de artikelen 2, eerste lid en derde lid, en 5.

Artikel 9, derde lid, van de Wsw bepaalt dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld voor de subsidievaststelling en de gevolgen daarvan voor de subsidieverlening voor de komende jaren.

Ingevolge artikel 2, derde lid, van het Besluit vaststelling subsidie wordt, indien de subsidie aan de gemeente lager wordt vastgesteld dan de verleende subsidie over het subsidiejaar, het verschil teruggevorderd dan wel verrekend met de subsidie over het lopende subsidiejaar.

Artikel 4, eerste lid, van het Besluit vaststelling subsidie bepaalt dat, in een geval als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de wet de minister het bedrag van de maatregel vaststelt op het bedrag dat in strijd met het bij of krachtens de wet bepaalde aan subsidie is besteed.

Onder een maatregel wordt blijkens artikel 1, onderdeel d, van het Besluit vaststelling subsidie verstaan: het ten opzichte van de subsidieverlening, bedoeld in artikel 8 van de wet, lager vaststellen van de subsidie op grond van artikel 9 van de wet.

Ingevolge artikel 11 van de Wsw stelt het gemeentebestuur van personen, die voor indicatie zijn aangemeld dan wel die zich daartoe hebben aangemeld, gehoord de commissie, bedoeld in artikel 12, bij beschikking vast:

a. of deze behoren tot de doelgroep;

Het tweede lid bepaalt dat het gemeentebestuur periodiek herindicatie van personen overeenkomstig de krachtens artikel 6, tweede lid, onderdeel a, gestelde regels, gehoord de commissie, bedoeld in artikel 12 verricht.

Artikel 11, vijfde lid bepaalt dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld met betrekking tot de krachtens dit artikel aan de gemeente opgedragen taken en de wijze van uitoefening daarvan.

De indicatiestelling en de daaraan te stellen voorwaarden zijn nader uitgewerkt in het Bisw. Artikel 8, eerste lid, van dat besluit bepaalt dat telkens uiterlijk twee maanden voor het verstrijken van de geldigheidsduur van een indicatie door het gemeentebestuur een advies ten behoeve van een herindicatie wordt aangevraagd bij de commissie. Ingevolge het derde lid van dit artikel zijn de regels met betrekking tot de indicatie van overeenkomstige toepassing op een aanvraag tot herindicatie, met dien verstande dat zo nodig de geldigheidsduur van de indicatie, bedoeld in artikel 5, derde lid, onder h, met maximaal 2 maanden wordt verlengd.

Beoordeling

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verweerder terecht en op juiste gronden is gekomen tot het thans bestreden besluit. De rechtbank overweegt als volgt.

Bij besluit van 6 oktober 2006 is aan eiser subsidie verleend ten bedrage van € 43.717.334. De subsidievaststelling is echter € 499.903,- lager uitgevallen vanwege te laat genomen herindicatiebesluiten.

Voor de uitvoering van de Wsw wordt aan gemeenten (c.q. openbare lichamen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen) subsidie verleend. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Wsw verstrekt het Rijk aan de gemeente een subsidie voor - kort gezegd - de uitvoering van de sociale werkvoorziening. In artikel 8, derde lid, is bepaald dat de hoogte van de subsidie, overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur (AMvB) gestelde regels, wordt bepaald aan de hand van - onder meer - een door verweerder voor elke gemeente vast te stellen aantal dienstbetrekkingen op basis van een volledige werkweek dan wel arbeidsovereenkomsten op grond van artikel 7, alsmede een door de Minister jaarlijks vast te stellen bedrag per arbeidsovereenkomst en per dienstbetrekking.

De vermindering van de subsidie is toegepast omdat voor een aantal door eiser te werk gestelde personen de geldigheidsduur van de indicatiebeschikking is verstreken zonder dat tijdig in herindicatie is voorzien. Verweerder heeft zich op dit standpunt gesteld nu eiser niet tijdig de herindicatiebesluiten heeft aangevraagd, dan wel ten onrechte heeft gemeend dat de indicatiebesluiten van rechtswege werden verlengd met twee maanden bij het niet tijdig nemen van herindicatiebesluiten. Tengevolge van het niet tijdig herindiceren heeft volgens verweerder een aantal werknemers van eiser gedurende enige tijd zonder geldige indicatie gewerkt.

Door eiser is niet betwist dat hij heeft nagelaten tijdig een herindicatie te vragen voor een door verweerder vastgesteld aantal personen.

Om tot de doelgroep van de wet te kunnen worden gerekend is naar de mening van verweerder een indicatiebeschikking wettelijk vereist. Uit artikel 8 van de Wsw blijkt dat het Rijk aan de gemeente subsidie verstrekt voor de uitvoering van ondermeer Hoofdstuk 2 van de Wet, waar artikel 2 onderdeel van is. Hieruit kan naar de mening van verweerder niet anders volgen dan dat rijkssubsidie niet kan worden gebruik voor personen die niet tot de doelgroep van de wet behoren en de op deze wijze verrichte arbeid is door verweerder bij de subsidievaststelling buiten beschouwing gelaten.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd artikel 9, eerste lid, onder c, van de Wsw juncto artikel 2, derde lid, en artikel 4, eerste lid, van het Besluit vaststelling subsidie.

De rechtbank stelt vast dat de Centrale Raad van Beroep bij uitspraak van 14 februari 2008, LJN: BC 5634, heeft overwogen dat vaststaat dat is gehandeld in strijd met de voor aanvrager geldende regels door ten aanzien van enkele personen die een Wsw-dienstverband vervulden, niet tijdig een herindicatie te vragen, waardoor deze personen gedurende enige tijd zonder een geldige indicatie werkzaam zijn geweest in Wsw-verband. De Raad deelt voorts het standpunt van de minister dat dit handelen in strijd met de regels als verwijtbaar moet worden aangemerkt. Dat voor de betrokkenen naderhand alsnog een herindicatie is verleend, kan hieraan niet afdoen, aangezien de herindicatie geen terugwerkende kracht heeft. Zoals de Raad bij uitspraak van 17 augustus 2006, LJN AY6983, heeft overwogen, is het behoren tot de doelgroep van de Wsw een voorwaarde om van uitvoering van de sociale werkvoorziening te kunnen spreken en (her)indicatie het aangewezen middel om vast te stellen of iemand tot die doelgroep behoort. In bovengenoemde uitspraak heeft de Raad tevens geoordeeld dat artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsw zelf reeds een toereikende grondslag biedt om bij de vaststelling van de subsidie een vermindering toe te passen.

Voorts heeft de Raad in de uitspraak van 14 februari 2008 overwogen dat de uitwerking die in artikel 4, eerste lid, van het Besluit vaststelling subsidie is gegeven, niet de in artikel 9, derde lid, van de Wsw gestelde grenzen te buiten gaat. De Raad acht hierbij in de eerste plaats van belang dat de minister alleen dan tot hantering van bedoeld artikel 4, eerste lid, van het Besluit vaststelling subsidie overgaat, wanneer sprake is van verwijtbaar handelen in strijd met de geldende regels. Voorts neemt de Raad in aanmerking dat de subsidie, ingevolge artikel 4, eerste lid, van voornoemd Besluit vaststelling subsidie slechts wordt verminderd, voor zover deze niet is gebruikt voor het doel waarvoor het was verleend, terwijl de artikelen 5 en volgende van bedoeld Besluit vaststelling subsidie vervolgens een nadere regeling geven voor de situatie dat het bedrag dat in strijd met het bij of krachtens de wet bepaalde aan subsidie is besteed niet is vast te stellen.

De stelling van eiser dat sprake is van strijd met toepasselijke wet- en regelgeving, nu voor de stelling van verweerder geen basis is te vinden in de Wsw of het Besluit vaststelling subsidie, kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet worden gevolgd. Het handelen in strijd met de regels is met name gelegen in het niet nakomen van de artikelen 2, 7 en 11 van de Wsw. Door het niet tijdig herindiceren is niet vast te stellen of er sprake is van een dienstbetrekking met een persoon die tot de doelgroep behoort. Ten onrechte meent eiser dat weigering van de subsidie pas aan de orde kan zijn als na herindicatie de medewerker niet meer tot de doelgroep blijkt te behoren.

Uit de aangehaalde jurisprudentie blijkt dat de uitwerking die aan artikel 4, eerste lid, van het Besluit vaststelling subsidie is gegeven, niet de in artikel 9, derde lid, van de Wsw gestelde grenzen te buiten gaat nu alleen tot hantering van artikel 4, eerste lid, van het Besluit vaststelling subsidie, wordt overgegaan indien sprake is van verwijtbaar handelen in strijd met de geldende regels. Ook in het onderhavige geval heeft verweerder de verwijtbaarheid bij de beoordeling betrokken.

Door eiser is in dit kader ter zitting aangevoerd, als een aanvullende motivering op hetgeen in bezwaar reeds is aangevoerd, dat jarenlang de individuele bedrijven zelf verplicht waren de organisatie rondom het proces van herindicatie te organiseren. Per 1 januari 2004 zouden echter de werkzaamheden in het kader van de herindicaties worden overgeheveld naar het CWI. Vervolgens is de overdrachtsdatum verschoven naar 1 oktober 2004 en uiteindelijk heeft pas per 1 januari 2005 de overdracht plaatsgevonden. Dit heeft tot veel onduidelijkheid geleid bij eiser.

Daarbij heeft eiser aangegeven dat één van de meest essentiële functionarissen in het herindicatieproces binnen de organisatie van Alescon in 2004 volstrekt onverwacht kwam te overlijden. Dit leidde tot problemen in de uitvoering nu de betreffende functionaris over specifieke kennis beschikte. In combinatie met de verwachte overgang van het proces naar het CWI leidde dit ertoe dat het voor eiser nog moeilijker werd de processen binnen de reguliere termijnen af te handelen.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat de overdracht van de indicatiestelling aan het CWI dusdanig nadelige gevolgen heeft gehad dat de aanvragen voor herindicatiebesluiten niet tijdig konden worden ingediend. Net als voorheen waren de aanvragen aan termijnen gebonden en de handelswijze in het kader van de herindicatiebesluiten is niet aangepast. Het indienen van de aanvragen zou slechts bij een andere instantie moeten gebeuren. Dat de herindicaties nu waren uitbesteed aan het Aob Kompaz en het contract hiermee zou zijn beëindigd hetgeen tot problemen zou hebben geleid, is evenmin nader onderbouwd door eiser.

De wijzigingen die hebben plaatsgevonden in de personele bezetting en de gevolgen hiervan dienen naar het oordeel van de rechtbank tevens voor risico van eiser te komen. Gelet op het feit dat de herindicatiebesluiten nog immer tijdig dienen te worden aangevraagd had eiser hiertoe adequate maatregelen moeten nemen. Dat de personele onderbezetting mede is ingegeven door het onverwachte overlijden van een medewerkster kan, hoe pijnlijk ook, niet leiden tot een geslaagd beroep op het ontbreken van de verwijtbaarheid nu naar het oordeel van de rechtbank het tot de verantwoordelijkheid van eiser behoort om vervolgens passende maatregelen te treffen.

De gemachtigde van eiser heeft aangegeven op verzoek van Minister de Geus een notitie te hebben opgesteld, maar hierop geen reactie te hebben ontvangen van verweerder. Naar het oordeel van de rechtbank kan echter niet worden aangenomen dat een algemene notitie die aan de Minister is gericht, daarmee tevens is ingebracht in een bezwaarprocedure, als deze niet als zodanig is toegezonden aan verweerster.

Door eiser is voorts aangegeven dat hij zich niet kan verenigen met de uitleg van artikel 8, derde lid, van het Bisw door verweerder. Uit de toelichting op bovengenoemd artikel zou duidelijk op te maken zijn dat de indicatie nog twee maanden geldig blijft indien niet tijdig op een aanvraag tot herindicatie is beslist. Verweerder is echter van mening dat er geen sprake is van een van rechtswege verlenging, maar dat er sprake moet zijn van een besluit tot verlenging.

Anders dan de rechtbank 's-Hertogenbosch in haar uitspraak van 20 oktober 2006, zaaknummer AWB 06/1778, oordeelt de rechtbank Assen in overeenstemming met de rechtbank Groningen in haar uitspraak van 21 december 2007, LJN: BC4591, dat uit het derde lid van artikel 8 van het Bisw niet volgt dat na het verstrijken van de geldigheidsduur van de indicatie deze van rechtswege met twee maanden wordt verlengd. Integendeel, de rechtbank is van oordeel dat uit de formulering en de context van bedoeld artikellid juist blijkt dat het gemeentebestuur op basis van een individuele afweging per geval een uitdrukkelijk besluit tot verlenging van de geldigheidsduur dient te nemen. In dit verband wijst de rechtbank in het bijzonder op het gebruik in het derde lid van het werkwoord 'worden' en op het feit dat verlenging alleen 'zo nodig' en 'met maximaal 2 maanden' plaatsvindt. Dat uit de nota van toelichting bij het Besluit indicatie sociale werkvoorziening (Stb. 1997, 469, blz. 20), wat daarvan verder ook zij, ook een andere conclusie zou kunnen worden getrokken, kan daar naar het oordeel van de rechtbank niets aan afdoen.

Naar het oordeel van de rechtbank had eiser dan ook nadrukkelijk een verlengingsbesluit moeten nemen, wanneer dit naar zijn mening aangewezen was. Eiser heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat als na afloop van het indicatiebesluit geen herindicatiebesluit was genomen, de indicatiebeschikking van rechtswege met twee maanden zou worden verlengd.

Voorts beroept eiser zich op het vertrouwensbeginsel en rechtszekerheidsbeginsel. Eiser is van mening dat hij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat bij de vaststelling van de subsidie in het kader van de Wsw over 2003 en de daarop volgende jaren de niet tijdig verrichte herindicaties buiten beschouwing zouden worden gelaten. Ondanks het feit dat de staatsecretaris beschikte over een basis om de subsidie lager vast te stellen in de vorm van het Besluit vaststelling subsidie heeft de staatssecretaris over de jaren 2001 en 2002 geen maatregel opgelegd. Eiser mocht er nu op vertrouwen dat er geen maatregel zou worden opgelegd over de volgende jaren.

De rechtbank overweegt dat op geen enkele wijze is gebleken dat aan het gedoogbeleid voor de subsidiejaren 2001 en 2002 een doorlopend karakter is toegekend. Eiser heeft aan het voeren van het gedoogbeleid voor 2001 en voor 2002 niet het vertrouwen kunnen ontlenen dat een dergelijk beleid ook gevoerd zou worden voor de daarop volgende subsidiejaren. Hierbij is ook van belang dat uit de aard regelgeving nageleefd behoort te worden en dat het gedogen van niet-naleving per definitie een uitzondering is.

Eiser meent tevens dat er sprake is van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Dit is volgens eiser vooral gelegen in het feit dat er geen aandacht is geschonken aan de bijzondere omstandigheden die geleid hebben tot niet tijdige herindicaties, althans dat dit onvoldoende heeft meegewogen bij de beoordeling.

In het bestreden besluit is echter naar het oordeel van de rechtbank voldoende aandacht geschonken aan het eventueel ontbreken van de verwijtbaarheid. Voor zover er sprake is van het niet tijdig indienen van de aanvragen is naar het oordeel van de rechtbank terecht overwogen dat er geen sprake is van een dusdanig bijzondere situatie dat het niet halen van de termijnen niet verwijtbaar is. Voor zover de herindicatiecommissie te laat zou hebben beslist bestond voor eiser de mogelijkheid tot verlenging van de indicatietermijn met maximaal twee maanden.

Eveneens is er volgens eiser sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel. Verweerder had de mate van verwijtbaarheid van eiser dienen mee te wegen. Door dit niet te doen is gehandeld in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Deze beroepsgrond kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen nu bij de beoordeling wel degelijk de verwijtbaarheid van eiser is meegewogen. Daaraan voegt de rechtbank toe dat de Centrale Raad van Beroep in haar uitspraken heeft geoordeeld dat er geen sprake is van een punitieve sanctie. Het gaat slechts om het bij de vaststelling van subsidie buiten beschouwing laten van dienstverbanden die niet voldoen aan een wezenlijk kenmerk van de activiteiten waarvoor indertijd subsidie is verleend.

Verder heeft verweerder in het thans bestreden besluit voldoende uiteengezet waarom de situatie in de gemeente Stadskanaal, waarnaar in beroep door eiser wordt verwezen, niet als een gelijk geval kan worden aangemerkt. Van schending van het gelijkheidsbeginsel is de rechtbank niet gebleken.

Gezien het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden is overgegaan tot de onderhavige vermindering van de subsidie, waarvan de berekening door eiser overigens niet is betwist. Gelet op het bepaalde in artikel 2, derde lid, van het Besluit vaststelling subsidie is verweerder eveneens op goede gronden overgegaan tot de uit de vermindering voortvloeiende terugvordering.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.

III. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond

Aldus gegeven door mr. L. Mulder, voorzitter en mrs. E. Läkamp en T.M.L.Veen, leden, uitgesproken in het openbaar op 11 december 2008 door mr. L. Mulder, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Melissen, griffier.

mr. H.E. Melissen mr. L. Mulder

Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002 te 3500 DA Utrecht binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak.

Afschrift verzonden op: