Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2008:BF6667

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
20-05-2008
Datum publicatie
07-10-2008
Zaaknummer
08/336 WW44
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verlenen van bouwvergunning onder vrijstelling, als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO aan een woningstichting ten behoeve van de bouw van acht woningen. Onvoldoende ruimtelijke onderbouwing van de vrijstelling, aangezien een visie op de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het betrokken gebied, waarbinnen het project moet passen, ontbreekt. Voorts sprake van welstandsadvies dat niet past binnnen de uitgangspunten van de vastgestelde welstandsnota voor het betrokken gebied. Dit welstandsadvies mocht verweerder niet zonder aan het bestreden besluit ten grondslag leggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector Bestuursrecht

Kenmerk: 08/336 WW44

Uitspraak van de voorzieningenrechter op de voet van het bepaalde in titel 3 van hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) d.d. 20 mei 2008

in het geding tussen:

[verzoeker], [woonplaats],

en

Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Aa en Hunze, verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 25 maart 2008, verzonden op 7 april 2008, heeft verweerder bouwvergunning onder vrijstelling, als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), verleend aan Woningstichting ‘De Volmacht’ (hierna: de vergunninghouder) ten behoeve van het oprichten van acht woningen op de percelen Nijlanderstraat 26, 28, 30 en 32 te Rolde, kadastraal bekend gemeente Rolde, sectie R, nrs. 1449, 1450, 1451 en 1464.

Verzoekers hebben bij brief van 12 april 2008 tegen dit besluit bij verweerder bezwaar gemaakt.

Bij brief van 14 april 2008 hebben verzoekers tevens aan de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Verweerder heeft bij brief van 21 april 2008 de op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift ingezonden. De gemachtigde van verzoeker heeft hiervan een afschrift ontvangen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de rechtbank op 14 mei 2008, alwaar namens verzoekers J. Gankema is verschenen, vergezeld door zijn echtgenote.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de gemachtigde mr. drs. E.A.A. van Dam.

Voorts is namens vergunninghouder verschenen [belanghebbende]

II. Motivering

Algemeen

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de recht¬bank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Aangezien tijdig bezwaar is gemaakt tegen het besluit waarop het verzoek betrekking heeft en deze rechtbank in de hoofdzaak bevoegd zal zijn, is voldaan aan het connexiteitsvereiste. Ook overigens is er geen beletsel het verzoek om een voorlopige voorziening ontvankelijk te achten.

Feiten en omstandigheden

Bij zijn oordeelsvorming betrekt de voorzieningenrechter de navolgende feiten en omstandigheden.

Vergunninghouder is/was eigenaar van de bouwwerken aan de Nijlanderstraat 26 tot en met 32 te Rolde.

Vergunninghouder heeft een sloopvergunning aangevraagd en verweerder heeft de gevraagde sloopvergunning, onder voorwaarden, verleend. Het daartegen gerichte bezwaarschrift is ongegrond verklaard door verweerder. Bij uitspraak van 21 december 2007 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

De reden van de sloop is gelegen in het feit dat vergunninghouder aangegeven heeft dat de renovatie van de vier bestaande huurwoningen zowel bouwtechnisch als functioneel niet meer rendabel is. De grote behoefte aan huurwoningen voor senioren vraagt om vermeerdering van het aantal woningen voor deze doelgroep. Vergunninghouder heeft aangegeven op deze locatie woningen en een appartementsgebouw voor senioren te willen realiseren. Daartoe heeft vergunninghouder een schetsplan bij verweerder ingediend.

Verweerder heeft het schetsplan van vergunninghouder ter advisering voorgelegd aan de welstandscommissie ‘Stichting het Drents Plateau’ (hierna: de welstandscommissie). In een advies van 27 juli 2006 naar aanleiding van het ingediende schetsplan heeft de welstandscommissie aangegeven dat het ontwerp voor de woningen bij de definitieve indiening op een positieve beoordeling rekenen en het ontwerp voor het appartementengebouw kan dat bij een definitieve indiening niet.

Naar aanleiding van het voornoemde advies heeft verweerder bij brief van 29 augustus 2006, verzonden op 1 september 2006, aangegeven aan vergunninghouder dat men in de gelegenheid wordt gesteld om binnen zes maanden na verzending van deze brief het schetsplan aan te passen aan de in het welstandsadvies genoemde punten.

Het aangepaste schetsplan (grondgebonden woningen in plaats van een appartementsgebouw) is opnieuw ter advisering voorgelegd aan de welstandscommissie. In een advies van 30 november 2006 heeft de welstandscommissie aangegeven dat het ontwerp bij een definitieve indiening op een positieve beoordeling kan rekenen.

Met het daartoe bestemde formulier heeft W. Bijker namens vergunninghouder op 5 februari 2007 een aanvraag om een reguliere bouwvergunning ten behoeve van het oprichten van acht woningen op de percelen Nijlanderstraat 26, 28, 30 en 32 te Rolde bij verweerder ingediend.

Het bouwplan is ter advisering voorgelegd aan de welstandscommissie. In een advies van 14 juni 2007 heeft de welstandscommissie aangegeven dat het onderhavige bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand.

De raad van de gemeente Aa en Hunze heeft bij besluit van 25 april 2007 een voorbereidingsbesluit genomen voor de percelen Nijlanderstraat 26, 28, 30 en 32 te Rolde. Dit voorbereidingsbesluit treedt op 3 mei 2007 in werking.

Verweerder heeft het voorbereidingsbesluit gepubliceerd in het huis-aan-huisblad ‘De Schakel’ van 2 mei 2007. Voorts heeft verweerder het voornemen tot het verlenen van vrijstelling, als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO, gepubliceerd in het voornoemde huis-aan-huisblad.

Verzoekers hebben bij brief van 10 juni 2007 een zienswijze bij verweerder ingediend.

Verweerder heeft op 23 oktober 2007 het eindverslag inzake de vrijstellingsprocedure voor acht woningen aan de Nijlanderstraat te Rolde vastgesteld.

In een publicatie in het huis-aan-huisblad ‘De Schakel’ van 31 oktober 2007 heeft verweerder aangegeven dat het ontwerp van het te nemen vrijstellingsbesluit, voorzien van een ruimtelijke onderbouwing, met de daarop betrekking hebbende stukken met ingang van 1 november 2007 gedurende zes weken ter inzage ligt in het gemeentehuis.

Naar aanleiding van deze publicatie hebben verzoekers bij brief van 8 december 2007 een zienswijze bij verweerder ingediend.

Met het daartoe bestemde formulier heeft verweerder op 7 februari 2008 een aanvraag om een verklaring van geen bezwaar ingediend bij het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Drenthe (hierna: college van GS).

Het college van GS heeft bij besluit van 5 maart 2008 aan verweerder een verklaring van geen bezwaar afgegeven voor het voornoemde bouwplan.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder bouwvergunning onder vrijstelling, als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO, verleend aan vergunninghouder ten behoeve van het oprichten van acht woningen op de percelen Nijlanderstraat 26, 28, 30 en 32 te Rolde, kadastraal bekend gemeente Rolde, sectie R, nrs. 1449, 1450, 1451 en 1464.

Standpunten partijen

Verzoekers stellen zich op het standpunt dat hun woonomgeving en privacy zodanig wordt aangetast door de voornoemde ontwikkeling dat er sprake is van het negatief beïnvloeden van het woongenot. In dit verband wijzen verzoekers erop dat het niet gaat om seniorenwoningen, zoals in het Woonplan 2005-2015 wordt gesuggereerd, maar om eengezinswoningen. De woningen hebben daarvoor een buitensporige omvang. De hoofdmassa van één van deze woningen is net zo groot als de hoofdmassa van twee nu aanwezige woningen. De hoofdmassa van acht te bouwen woningen beslaat dus 16x de omvang van de huidige woningen.

Verzoekers geven aan dat de toegang van vijf van de acht geplande woningen plaatsvindt vanaf de Schoolstraat. De verkeerssituatie ter plekke wordt in zijn visie hierdoor sterk nadelig beïnvloed. Bovendien worden er parkeerproblemen gecreëerd.

Verzoekers zijn voorts van mening dat de voorgenomen bouwplannen volledig in strijd zijn met de ‘Nota Welstandsbeleid Aa en Hunze 2005-1’ (hierna: de welstandsnota). Verzoekers wijzen er in dit verband op dat Rolde een esdorp is en dient te blijven. Tevens is er sprake van een ‘Nationaal Beek en Esdorpen Landschap’. Dit wordt bevestigd door de voornoemde welstandsnota, waarin het welstandsgebied wordt aangegeven als ‘niet planmatige uitbreiding’. Verder wordt aangegeven dat de ‘Nijlanderstraat’ onder het welstandsregime ‘handhaven’ valt. Naar de mening van verzoeker heeft het voornoemde bouwplan een dusdanig stedenbouwkundig karakter (verstening) dat het niet past in de bebouwde omgeving Nijlanderstraat/Schoolstraat.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de welstandscommissie het bouwplan getoetst heeft aan de welstandscriteria, die gelden voor het gebied ‘Niet-planmatige uitbreiding’ en tot het oordeel is gekomen dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand. Ondanks een verdubbeling van het aantal woningen is het bouwplan naar de mening van verweerder ter plaatse in te passen zonder afbreuk te doen aan het bestaande ruimtelijke beeld, gezien de omvang en de verschijningsvorm van de bouwmassa in relatie tot de grootte van het perceel.

Voorts geeft verweerder aan dat per woning op het eigen erf kan worden geparkeerd. De huidige verkeersdruk in de Schoolstraat is zodanig laag dat een toename daarvan door vijf extra woningen redelijkerwijs niet tot problemen leidt. Er zal sprake zijn van een kortere afstand tussen de nieuwe bebouwing en het perceel Schoolstraat 32 dan nu nog het geval is. Naar de mening van verweerder betekent dit echter niet dat er sprake is van een onevenredige aantasting van de woonomgeving en privacy.

Toepasselijke regelgeving

Artikel 40, eerste lid, van de Woningwet (Wonw) bepaalt, dat het verboden is te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

Artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wonw bepaalt dat de reguliere bouwvergunning slechts mag en moet worden geweigerd, indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

Op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO, kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk, intergemeentelijk of regionaal structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

Op grond van artikel 19, vierde lid, van de WRO wordt vrijstelling krachtens het eerste lid van artikel 19 WRO niet verleend voor een project dat wordt uitgevoerd in een gebied waarvoor:

a. het bestemmingsplan niet tijdig overeenkomstig artikel 33, eerste lid, is herzien of

b. geen vrijstelling overeenkomstig artikel 33, tweede lid, is verleend, tenzij voor het gebied een voorbereidingsbesluit geldt of een ontwerp voor een herziening ter inzage is gelegd.

Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad verklaren dat een bestemmingsplan wordt voorbereid.

Beoordeling

Gesteld voor de vraag of er aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Aangezien vergunninghouder gebruik kan maken van de verleende bouwvergunning onder vrijstelling, wordt het spoedeisende belang aanwezig geacht.

Ter beoordeling van de voorzieningenrechter ligt voor een door verweerder genomen primair besluit tot het verlenen van bouwvergunning onder vrijstelling, als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO aan vergunninghouder ten behoeve van het oprichten van acht woningen op de percelen Nijlanderstraat 26, 28, 30 en 32 te Rolde.

De percelen, waarop het voornoemde bouwplan betrekking heeft, zijn gelegen in het vigerende bestemmingsplan ‘Rolde Kom’ en hebben de bestemming ‘Eengezinshuizen, vrijstaand of dubbel, met bijbehorende tuinen (B3)’.

Ingevolge artikel 6, tweede lid aanhef sub a en onder 2, van de planvoorschriften zijn twee bebouwingsvlakken aangeduid, waarbinnen maximaal vier woningen kunnen worden gebouwd. Voorts zijn de woningen deels buiten de aangegeven bebouwingsvlakken geprojecteerd.

Tussen partijen is niet in geschil, en de voorzieningenrechter neemt dit als een vaststaand gegeven aan, dat het onderhavige bouwplan in strijd komt met de planvoorschriften van het vigerende bestemmingsplan.

Partijen worden allereerst verdeeld gehouden over de rechtsvraag of verweerder in het onderhavige geval in redelijkheid vrijstelling voor het voornoemde bouwplan heeft kunnen verlenen. Dienaangaande wordt als volgt overwogen.

Voorop gesteld dient te worden dat aan de formele vereisten voor het verlenen van vrijstelling, als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO is voldaan in het onderhavige geval. Ten tijde van het thans bestreden besluit is er sprake van een geldig voorbereidingsbesluit en is er door het college van GS een verklaring van geen bezwaar afgegeven.

Voorts wordt het volgende overwogen.

Artikel 19, eerste lid, van de WRO vereist dat het besluit tot vrijstelling is voorzien van een deugdelijke motivering, met name gelegen in een ruimtelijke onderbouwing van het project en in een belangenafweging.

De eisen die worden gesteld aan deze ruimtelijke onderbouwing zijn zwaarder naarmate de inbreuk van het project op het geldende planologische regime groter is. Het project bestaat in dit geval uit het bouwen van acht woningen op de percelen Nijlanderstraat 26, 28, 30 en 32 te Rolde.

De voorzieningenrechter is (vooralsnog) van oordeel dat het onderhavige project, gelet op de omvang en de uitstraling daarvan op de omgeving alsmede het toekomstige gebruik, als een relatief grote inbreuk op het geldende planologische regime moet worden beschouwd. Vorenstaande betekent dat in het onderhavige geval hoge eisen dienen te worden gesteld aan de planologische onderbouwing van het project.

In opdracht van verweerder heeft Buro Vijn B.V. op 5 oktober 2007 een notitie met betrekking tot de ruimtelijke onderbouwing voor de bouw van acht woningen opgesteld. In de voornoemde notitie met betrekking tot de ruimtelijke onderbouwing is onder meer aangegeven dat het project aanvaardbaar wordt geacht, gelet op de volgende redenen:

- er is sprake van het aansluiten bij provinciaal en gemeentelijk beleid;

- er is geen sprake van onaanvaardbare gevolgen voor archeologische waarden;

- er is geen sprake van onaanvaardbare gevolgen voor natuurwaarden;

- er zijn geen bodemkundige bezwaren;

- er zijn geen verkeerskundige bezwaren;

- er zijn geen waterkundige bezwaren;

- de uitvoerbaarheid van het project komt vanuit het oogpunt van omgevingsaspecten niet in het geding.

Met betrekking tot de vereisten voor een goede ruimtelijke onderbouwing overweegt de voorzieningenrechter dat daarbij sprake moet zijn van:

- een weergave van de ruimtelijke effecten van het project, waarvoor de vrijstelling wordt verleend, op het desbetreffende gebied; en

- een visie op de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het betrokken gebied, waarbinnen het project moet passen.

De rechterlijke toetsing van de door verweerder gegeven ruimtelijke onderbouwing, onder meer neergelegd in de voornoemde rapporten en door Buro Vijn B.V. opgestelde notitie, aan de hiervoor genoemde twee criteria dient naar het oordeel van de voorzieningenrechter terughoudend te zijn. Hierbij moet bedacht worden dat aan verweerder bij de invulling hiervan een zekere ruimte toekomt. De beoordeling dient zich te beperken tot de vraag of de gegeven ruimtelijke onderbouwing naar haar aard en inhoud en de wijze van totstandkoming in redelijkheid in rechte kan worden gehandhaafd. In dit licht bezien, overweegt de voorzieningenrechter ten aanzien van de hiervoor genoemde criteria het volgende.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het effect van het onderhavige project (de bouw van acht woningen), op het gebied, waarin het wordt geprojecteerd, is beschreven in de ruimtelijke notitie van verweerder. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de ruimtelijke effecten op het gebied en het vigerende bestemmingsplan juist zijn beschreven.

Anders ligt dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter voor wat betreft het tweede criterium, waarbij het gaat om een visie op de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het betrokken gebied, waarbinnen het project moet passen.

In dit kader acht de voorzieningenrechter de uitspraak van 4 april 2007 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS), LJN BA2233 van belang. In voornoemde uitspraak overwoog de ABRS onder meer het navolgende:

“(…) Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld in de uitspraak van 8 februari 2006 in zaak no. 200501120/1 heeft de wetgever met artikel 19, eerste lid, van de WRO voorzien in een naast de bestemmingsplanprocedure staande en los daarvan toepasbare bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling van het geldende bestemmingsplan voor een project. Voor de toepassing van deze bevoegdheid geldt de eis dat het project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Verder dient het vrijstellingsbesluit ingevolge artikel 19a, eerste lid, van de WRO naast de ruimtelijke onderbouwing, een beschrijving van het betrokken project en de afwegingen die aan het verlenen van de vrijstelling ten grondslag liggen, te bevatten. Deze vereisten gelden onverkort bij toepassing van artikel 19, vierde lid, van de WRO. Dit betekent voor de toepassing van laatstgenoemde bepaling dat, indien er een door de gemeenteraad genomen voorbereidingsbesluit geldt ten tijde van het verlenen van de vrijstelling, voor de ruimtelijke onderbouwing van het project niet met dit voorbereidingsbesluit kan worden volstaan. Daarnaast moet dan immers inhoudelijk zijn ingegaan op in elk geval de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel moet gemotiveerd worden aangegeven waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. (…)”

In hetgeen de gemachtigde van verweerder in het onderhavige geval naar voren heeft gebracht, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om van de voornoemde uitspraak van de ABRS af te wijken. Dit brengt met zich dat geconcludeerd dient te worden dat de thans aanwezige ruimtelijke onderbouwing niet is ingegaan op de vraag of het te realiseren project (de bouw van acht woningen) past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied in Rolde. In de voornoemde notitie met betrekking tot de ruimtelijke onderbouwing wordt op pagina twee aangegeven dat het bouwplan in strijd komt met het vigerende bestemmingsplan. Vervolgens wordt op pagina 5 van de voornoemde notitie opgemerkt dat, gezien het feit dat het projectgebied de benodigde ruimte biedt voor een uitbreiding van het aantal woningen, besloten is om na de sloop het projectgebied in te vullen met acht nieuwe woningen. Op pagina 9 van de voornoemde notitie wordt aangegeven dat het bouwplan past binnen het gemeentelijke beleid en aansluit bij het welstandsbeleid van de gemeente Aa en Hunze. Hieruit volgt dat in de onderhavige ruimtelijke onderbouwing, die aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, geen aandacht is besteed aan de relatie tussen het te realiseren project en het toekomstige bestemmingsplan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter berust het bestreden besluit dan ook op een ontoereikende motivering, hetgeen strijd met het bepaalde in artikel 3:46 van de Awb oplevert. Hetgeen de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft aangevoerd met betrekking tot de reactienota op de zienswijzen maakt dit niet anders, nu ook daarin niet is opgenomen of het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied in Rolde.

Voorts worden partijen verdeeld gehouden door de rechtsvraag of het voornoemde bouwplan aan het welstandsbeleid van verweerder voldoet. Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Naar de mening van verzoeker heeft het voornoemde bouwplan een dusdanig stedenbouwkundig karakter (verstening) dat het niet past in de bebouwde omgeving Nijlanderstraat/Schoolstraat. Voorts is verzoeker van mening dat de welstandscommissie het onderhavige bouwplan op onjuiste wijze heeft getoetst aan de welstandscriteria van de welstandsnota.

De raad van de gemeente Aa en Hunze heeft op 13 april 2005 de welstandsnota vastgesteld.

De percelen, waarop het onderhavige bouwplan betrekking heeft, vallen ingevolge de welstandsnota onder het welstandsgebied ‘Niet-planmatige uitbreiding’. In de welstandsnota wordt onder het kopje ‘waardering, beleid en ontwikkeling’ aangegeven dat er waardering is voor het gevarieerde en dorpse karakter van de bebouwing. Het beleid is gericht op respect voor de ruimtelijke en functionele waardevolle karakteristiek. Ontwikkelingen bestaan slechts uit vervanging, en uitbreidingen zoals toegestaan in de bestemmingsplannen. Onder het kopje ‘welstandsregime’ wordt opgemerkt dat voor deze gebieden een welstandsregime geldt waarbij het incidenteel wijzigen van de bestaande ruimtelijke structuur een uitgangspunt is.

De voorzieningenrechter overweegt dat bij de welstandstoetsing als regel aan het advies van de welstandscommissie groot gewicht moet worden toegekend. Hoewel verweerder niet aan dit advies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor de welstandstoetsing bij hem berust, mag verweerder aan dit advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Het overnemen van het welstandsadvies behoeft in de regel geen nadere toelichting, tenzij de aanvrager of een derdebelanghebbende een tegenadvies heeft overgelegd van een ander deskundig persoon of instantie. Dit is anders indien het welstandsadvies naar inhoud of totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat verweerder dit advies niet - of niet zonder meer- aan zijn welstandsoordeel ten grondslag mocht leggen.

Onder de gedingstukken bevindt zich een welstandsadvies, waarin wordt aangegeven dat het onderhavige bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand. Voorts heeft de welstandscommissie in het advies van 14 juni 2007 aangegeven dat het bouwplan getoetst is aan de welstandscriteria.

Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder aangegeven dat de welstandscommissie aan de hand van de opgestelde welstandscriteria getoetst heeft of het onderhavige bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand. Naar zijn mening gaat de welstandstoets van de welstandscommissie niet zover dat daarin ook de algemene beleidsuitgangspunten voor wat betreft waardering, beleid en ontwikkeling en het welstandsregime dienen te worden betrokken.

Wat er ook zij van de stelling van de gemachtigde van verweerder, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder in de motivering van het thans bestreden besluit ten onrechte niet is ingegaan op de vraag of het onderhavige bouwplan zich verhoudt met het in de welstandsnota geformuleerde beleid inzake de ‘niet-planmatige uitbreiding’. In de welstandsnota wordt onder het kopje ‘waardering, beleid en ontwikkeling’ aangegeven dat er waardering is voor het gevarieerde en dorpse karakter van de bebouwing. Het beleid is gericht op respect voor de ruimtelijke en functionele waardevolle karakteristiek. Ontwikkelingen bestaan slechts uit vervanging, en uitbreidingen zoals toegestaan in de bestemmingsplannen. Vast staat dat het vigerende bestemmingsplan maximaal vier woningen toestaat. In het onderhavige geval gaat het om het bouwen van acht woningen en dient te worden geconstateerd dat er geen sprake is van een op grond van het vigerende bestemmingsplan toegestane uitbreiding. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoet het onderhavige bouwplan dan ook niet aan de algemene beleidsuitgangspunten van de voornoemde welstandsnota voor wat betreft de niet-planmatige uitbreiding. Aan dit gegeven is verweerder zonder enige nadere onderbouwing voorbij gegaan in het onderhavige geval.

Gelet op de voorgaande overwegingen ziet de voorzieningenrechter aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat het (primaire) besluit tot het verlenen van een bouwvergunning onder vrijstelling, als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO ten behoeve van de bouw van acht woiningen wordt geschorst tot zes weken nadat op het bezwaarschrift van verzoeker is beslist.

Aangezien het verzoek om voorlopige voorziening is toegewezen, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om verweerder ingevolge het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten van verzoeker te veroordelen. Onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht kunnen deze kosten worden begroot op € 6,88, zijnde de reiskosten van verzoekers. Voorts ziet de voorzieningenrechter aanleiding om te bepalen dat verweerder het door verzoekers betaalde griffierecht ad € 145,-- aan hen dient te vergoeden.

Beslist wordt als volgt.

III. Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe en schorst het bestreden besluit tot zes weken nadat op het bezwaarschrift van verzoekers is beslist;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers ten bedrage van € 6,88 en bepaalt dat de gemeente Aa en Hunze deze kosten, alsmede het door verzoekers betaalde griffierecht van € 145,-- aan hen dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. E. Läkamp, voorzieningenrechter en uitgesproken in het

openbaar op 20 mei 2008

door mr. E. Läkamp, in tegenwoordigheid van mr. H.L.A. van Kats, griffier.

mr. H.L.A. van Kats mr. E. Läkamp

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.