Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2008:BF4942

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
11-08-2008
Datum publicatie
02-10-2008
Zaaknummer
08/658 en 08/659 BSTPL
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Aangezien het onderhavige voorbereidingsbesluit onder meer is ingegeven teneinde aansluiting te (kunnen) zoeken bij de reeds bestaande (monumentale) bebouwing in de directe omgeving van het Wanderterrein in Assen, kan naar oordeel van de voorzieningenrechter niet op voorhand en bij een globale beschouwing geconcludeerd worden dat de voorgenomen (bouw)plannen in planologisch opzicht onaanvaardbaar zijn. Van de door verweerder verrichte belangenafweging kan evenmin gezegd worden dat deze kennelijk onredelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector Bestuursrecht

Kenmerk: 08/658 en 08/659 BSTPL

Uitspraak van de voorzieningenrechter op de voet van het bepaalde in titel 3 van hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) d.d. 11 augustus 2008

in het geding tussen:

[verzoekster], [woonplaats],

en

de Raad van de gemeente Assen, verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2008, verzonden op 25 juni 2008, heeft verweerder de bezwaren van verzoekster tegen het besluit van 20 december 2007 ongegrond verklaard en laatstgenoemd besluit gehandhaafd, inhoudende het nemen van een voorbereidingsbesluit, als bedoeld in artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), voor een gebied, begrensd door de Vaart Zz en de Prinses Irenestraat (locatie Wanderterrein) te Assen.

Verzoekster heeft bij brief van 24 juli 2008 tegen dit besluit bij de rechtbank beroep ingesteld.

Bij brief van 24 juli 2008 heeft verzoekster tevens aan de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Verweerder heeft bij brief van 29 juli 2008 de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden, later gevolgd door een verweerschrift bij brief van 31 juli 2008. Verzoekster heeft hiervan een afschrift ontvangen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de rechtbank op 7 augustus 2008, alwaar verzoekster in persoon is verschenen, vergezeld door haar echtgenoot.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de gemachtigde A. Nijmeijer.

II. Motivering

Algemeen

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is voorts bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan wanneer beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich hier voor.

Feiten en omstandigheden

Bij zijn oordeelsvorming betrekt de voorzieningenrechter de navolgende feiten en omstandigheden.

Verzoekster is eigenaar van een perceel grond, met de kadastrale aanduiding Assen I, 9329, groot 10 are en 30 cantiare. Dit perceel is gelegen aan de westzijde van het voormalige Wanderterrein aan de Vaart Zz te Assen.

In het kader van de herinrichting van het Wanderterrein heeft de gemeente Assen het voornemen om op het voornoemde terrein circa dertig woningen met bijbehorende voorzieningen (erven, openbare verhardingen, paden, parkeer- en groenvoorzieningen) te realiseren. Daarbij is het de bedoeling om de bebouwing aan de Vaartzijde aan te passen (in hoogte en massa) aan de monumentale bebouwing in de directe omgeving. Voor wat betreft het binnenterrein is het voornemen om grondgebonden woningen te realiseren.

Aangezien de ruimtelijke ontwikkeling niet conform het vigerende bestemmingsplan ‘Beschermd stadsgezicht Assen c.a.’ is, en voornoemd bestemmingsplan ouder is dan tien jaar, is een voorbereidingsbesluit vereist. Een voorbereidingsbesluit is noodzakelijk om ongewenste ontwikkelingen in dit gebied te voorkomen en gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken.

Bij primair besluit van 20 december 2007 heeft verweerder een voorbereidingsbesluit genomen voor het gebied, begrensd door de Vaart Zz en de Prinses Irenestraat (locatie Wanderterrein) te Assen.

Verweerder heeft het voorbereidingsbesluit op 27 december 2007 onder meer gepubliceerd in het huis-aan-huisblad ‘Het Gezinsblad’.

Verweerder heeft een tekstueel aangepast voorbereidingsbesluit op 23 januari 2008 onder meer gepubliceerd in het huis-aan-huisblad ‘Het Gezinsblad’.

Verzoekster heeft bij brief van 27 februari 2008 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Verzoekster is in de gelegenheid gesteld het bezwaarschrift mondeling toe te lichten bij de Algemene Commissie Bezwaarschriften (hierna: de Commissie), van welke gelegenheid namens haar op 25 maart 2008 gebruik is gemaakt. Een verslag van de hoorzitting bevindt zich onder de gedingstukken.

De Commissie heeft verweerder bij brief van 25 maart 2008, verzonden op 10 april 2008, geadviseerd het bezwaarschrift van verzoekster ongegrond te verklaren. Voorts heeft verweerder in het voornoemde advies aangegeven het verzoek van verzoekster om het perceel aan de Van Limburg Stirumstraat 14a alsnog onderdeel te laten uitmaken van het onderhavige voorbereidingsbesluit te honoreren.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder, onder ongegrondverklaring van het bezwaarschrift van eiser, het primaire besluit gehandhaafd en het verzoek van verzoekster om het voornoemde perceel onderdeel te laten uitmaken van het voorbereidingsbesluit afgewezen.

Standpunten partijen

Verzoekster stelt zich op het standpunt dat de plannen van Woonconcept om op het Wanderterrein een aantal halfvrijstaande woningen te realiseren de mogelijkheden op haar perceel één of meer woningen te bouwen sterk beperkt, zo niet onmogelijk maakt. Voorts wijst verzoekster erop dat Woonconcept op het Wanderterrein vrijwel zeker toestemming krijgt om op de oppervlakte van haar perceel 3 tot 4 woningen te bouwen.

Verzoekster merkt daarnaast op dat de Commissie in haar advies erop gewezen heeft dat in het kader van een bestemmingsplan- of vrijstellingsprocedure aandacht dient te worden besteed aan de gerechtvaardigde belangen van haar. Naar de mening van verzoekster is daarvan in het onderhavige geval geen sprake.

Verweerder geeft aan dat het genomen voorbereidingsbesluit als zodanig geen basis biedt voor het verlenen van een bouwvergunning. Daarvoor zal eerst een planologische procedure gevoerd moeten worden. In het kader van die procedure zal verzoekster ook haar belangen naar voren kunnen brengen.

Naar aanleiding van het bezwaarschrift en gelet op het advies van de Commissie is door verweerder nagegaan of er in beginsel stedenbouwkundig/ruimtelijk mogelijkheden konden worden geboden voor woningbouw op het perceel van verzoekster waarvoor mogelijk het gebied van het voorbereidingsbesluit kon worden uitgebreid.

Naar de mening van verweerder leidt het bieden van dergelijke mogelijkheden op het perceel van verzoekster echter tot een stedenbouwkundige situatie, waarin nieuwe woningen aan alle zijden grenzen aan achterkanten van bestaande woningen. Dit is in de visie van verweerder ongewenst uit een oogpunt van herkenbaarheid en vindbaarheid van de woning.

Voorts wijst verweerder erop dat het beperkte karakter van het voorbereidingsbesluit met zich brengt dat de belangen van verzoekster in de te volgen planologische procedure nog ingebracht kunnen worden.

Toepasselijke regelgeving

Artikel 21 van de WRO luidt, voor zover van belang, als volgt:

‘1. De gemeenteraad kan verklaren dat een bestemmingsplan wordt voorbereid (voorbereidingsbesluit). (…);

2. Bij een voorbereidingsbesluit wordt bepaald voor welk gebied het geldt en met ingang van welke dag het in werking treedt;

3. (…);

4. Een besluit als in het eerste lid bedoeld vervalt, indien niet binnen één jaar na de datum van inwerkingtreding daarvan het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd.

(…).’

Beoordeling

Gesteld voor de vraag of er aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat het vereiste spoedeisende belang aanwezig moet worden geacht.

Ter beoordeling van de voorzieningenrechter ligt voor een door verweerder na bezwaar gehandhaafd besluit tot het nemen van een voorbereidingsbesluit, begrensd door de Vaart Zz en de Prinses Irenestraat (locatie Wanderterrein) te Assen. Voorts heeft verweerder aangegeven dat het perceel van verzoekster aan de Van Limburg Stirumstraat niet (alsnog) deel gaat uitmaken van het onderhavige voorbereidingsbesluit.

Bij de toepassing van de bevoegdheid van artikel 21, eerste lid, van de WRO komt verweerder een grote mate van beleidsvrijheid toe. Hieruit volgt dat de rechterlijke toetsing van het besluit marginaal dient te zijn.

In dit verband acht de voorzieningenrechter voorts van belang dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarbij onder meer verwezen wordt naar AB 2007/84, naar voren komt dat indien met een genoemd doel een voorbereidingsbesluit genomen wordt, slechts dan aanleiding zal zijn voor de conclusie dat de gemeenteraad daartoe niet in redelijkheid heeft kunnen beslissen, indien reeds bij een globale beschouwing aanstonds duidelijk had behoren te zijn dat de voorgenomen (bouw)plannen in planologisch opzicht onaanvaardbaar zijn.

Uit de gedingstukken dient te worden afgeleid dat het nemen van een voorbereidingsbesluit in het onderhavige geval ingegeven is om aansluiting te zoeken bij de reeds bestaande (monumentale) bebouwing in de directe omgeving van het Wanderterrein. In het licht van de voornoemde jurisprudentie kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter in het onderhavige geval dan ook niet op voorhand gezegd worden dat dit plan in planologisch opzicht onaanvaardbaar is.

In het kader van een te verrichten belangenafweging of het perceel van verzoekster alsnog onderdeel kon gaan uitmaken van het onderhavige voorbereidingsbesluit heeft verweerder aangegeven dat het bieden van dergelijke mogelijkheden op het perceel van verzoekster echter tot een stedenbouwkundige situatie leidt, waarin nieuwe woningen aan alle zijden grenzen aan achterkanten van bestaande woningen. Dit is in de visie van verweerder ongewenst uit een oogpunt van herkenbaarheid en vindbaarheid van de woning.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder het algemeen belang afgewogen tegen de belangen van verzoekster en kan niet gezegd worden dat deze belangenafweging kennelijk onredelijk is. In dit verband wijst de voorzieningenrechter erop dat verweerder in stedenbouwkundig opzicht van doorslaggevend belang heeft mogen achten dat het betrekken van het perceel van verzoekster in het onderhavige voorbereidingsbesluit zal leiden tot de minder gewenste ruimtelijke ontwikkeling dat de nieuwe woningen aan alle zijde worden omsloten door de achterkant van andere woningen. Verweerder kan dan ook gevolgd worden in de stelling dat dit ongewenst is uit een oogpunt van de herkenbaarheid en vindbaarheid van de woning. Het gegeven dat verzoekster vreest dat het terrein bij vervreemding aan verweerder dan wel aan Woonconcept alsnog bestemd zal worden voor woningbouw doet naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet af aan de juistheid van de thans door verweerder gemaakte belangenafweging in het kader van het voorliggende voorbereidingsbesluit.

Gelet op de voorgaande overwegingen is het beroep van eiser ongegrond. Onder deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek daartoe wordt dan ook afgewezen.

De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig om een proceskostenveroordeling, als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb, uit te spreken.

Beslist wordt als volgt.

III. Beslissing

De voorzieningenrechter:

Ten aanzien van het beroep

- verklaart het beroep ongegrond.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. W.P. Claus, voorzieningenrechter en uitgesproken in het

openbaar op 11 augustus 2008

door mr. W.P. Claus, in tegenwoordigheid van mr. H.L.A. van Kats, griffier.

mr. H.L.A. van Kats mr. W.P. Claus

Uitsluitend tegen de uitspraak op het beroep kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ’s-Gravenhage. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroepsschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019 te 2500 EA ‘s-Gravenhage binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.

Afschrift verzonden op: