Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2008:BF4709

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
23-05-2008
Datum publicatie
02-10-2008
Zaaknummer
07/757 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Plaatsingsperikelen van verschillende ambtenaren en de omvang van de heroverweging in bezwaar. Plaatsingsbesluiten hangen met elkaar samen en voor plaatsing blijft de volgorde op de plaatsingslijst bepalend. Dat een ambtenaar heeft berust in plaatsing in Havelte doet niet af aan dit gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector Bestuursrecht

Kenmerk: 07/757 AW

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken d.d. 23 mei 2008

in het geding tussen

[eiser], [woonplaats]

en

De Staatssecretaris van Defensie, verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 20 juli 2007 heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen het besluit van 11 januari 2006 ongegrond verklaard en laatstgenoemd besluit gehandhaafd, inhoudende het plaatsen van eiser op de functie van medewerker distributiecentrum bij het Materieellogistiekpeloton te Assen.

Namens eiser is bij brief van 28 augustus 2007, aangevuld bij brief van 30 augustus 2007, tegen dit besluit bij de rechtbank beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 28 september 2007 de op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift ingezonden. De gemachtigde van eiser heeft hiervan een afschrift ontvangen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 17 april 2008, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. M.M. Pasman.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de gemachtigde Kap mr. D. den Hollander.

II. Motivering

Feiten en omstandigheden

Voor een relevant overzicht van de feiten verwijst de rechtbank naar de uitspraak van 28 juni 2007 in de procedure met het kenmerk 06/1175 AW. Hieraan wordt het volgende toegevoegd.

Bij uitspraak van 28 juni 2007 heeft de rechtbank het beroep van eiser tegen het eerdere besluit op bezwaar gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen opnieuw te beslissen op het bezwaarschrift van eiser, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

In de uitspraak van 28 juni 2007 is onder meer het volgende is overwogen:

“(…) De rechtbank is vervolgens van oordeel dat verweerder het besluit om eiser in Assen te werk te stellen in plaats van in Coevorden onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd. Daartoe wordt als volgt overwogen.

In het voornemen van 19 oktober 2005 tot plaatsing van eiser in Assen gaf verweerder nadrukkelijk aan, dat tegen de voorgenomen plaatsing binnen 4 weken bedenkingen konden worden geuit. Op grond van die bedenkingen zou de voorgenomen plaatsing worden herbezien. Dit betekent, aldus de brief van 19 oktober 2005, dat de uitkomst van die heroverweging nog gevolgen kon hebben voor personeel aan wie verweerder eveneens een voornemen heeft verzonden en waartegen zij geen bedenkingen hebben ingediend.

Anders dan verweerder tijdens de bezwaarhoorzitting heeft verklaard waren tot aan het primaire besluit de personen uit de “top 10” dus nog niet definitief geplaatst.

Op 19 oktober 2005 had verweerder, kennelijk met toepassing van bovengenoemde criteria, de bedoeling [betrokkene] in Coevorden te plaatsen. In de brief van 15 november 2005 met bedenkingen tegen het voornemen geeft eiser reeds aan dat zijn grootste bezwaar tegen de plaatsing is, dat [de man] in plaats van eiser in Coevorden werkzaam mag blijven. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam, dat reeds tijdens de procedure tegen het voornemen tot plaatsing van eiser in Assen (en dus voorafgaand aan het definitieve besluit tot plaatsing) [de man] in plaats van [betrokkene] in Coevorden is geplaatst.

Het staat vast dat [de man] aanvankelijk herplaatsingskandidaat was en dat het beleid inhoudt dat bij gelijke voorkeuren in beginsel de volgorde van de plaatsingslijst wordt aangehouden bij de plaatsing van de medewerkers over de standplaatsen. In dat licht is onvoldoende deugdelijk gemotiveerd waarom op basis van de bedenkingen van eiser tegen het voornemen niet bij de definitieve plaatsing alsnog is besloten om eiser (dan wel iemand die via de volgorde van de herplaatsingslijst nog eerder dan eiser in aanmerking kwam om een eventuele voorkeur voor Coevorden gehonoreerd te zien) in Coevorden tewerk te stellen.

Dit klemt te meer nu eiser voorts bijzondere persoonlijke omstandigheden heeft aangevoerd die pleiten voor plaatsing in Coevorden. (…).’

Bij het thans bestreden nieuwe besluit op bezwaar heeft verweerder erkend dat de plaatsingsprocedure niet correct is verlopen, maar voorts het primaire besluit om eiser te plaatsen in Assen niet herroepen. Reden hiervoor is dat de heer [betrokkene], die in Havelte is geplaatst maar ook had aangegeven in Coevorden te willen worden geplaatst, op grond van anciënniteit hoger op de plaatsingslijst stond dan eiser. Bij een juist verloop van de plaatsingsprocedure was eiser derhalve ook niet in Coevorden geplaatst.

Standpunten partijen

Eiser stelt zich op het standpunt dat vernietiging van een besluit tot gevolg heeft dat het besluit geacht moet worden in juridische zin nooit te hebben bestaan en dat de daaraan verbonden rechtsgevolgen met terugwerkende kracht ongedaan worden gemaakt. Vernietiging werkt dus in beginsel ex tunc. Naar de mening van eiser brengt dit met zich dat verweerder aan de hand van de situatie op 20 juli 2007 had moeten beoordelen in hoeverre de heer [betrokkene] nog in aanmerking zou zijn gekomen voor plaatsing in Coevorden. Het feit dat de heer [betrokkene] zijn voorkeur voor plaatsing in Coevorden kenbaar heeft gemaakt is niet van belang. Het gaat er in de visie van eiser om of de heer [betrokkene] bezwaar en beroep heeft aangetekend tegen het besluit om hem te plaatsen in Havelte. Nu dit niet is gebeurd is het besluit tot overplaatsing van de heer [betrokkene] naar Havelte op het moment van het thans bestreden besluit een rechtens onaantastbaar besluit geworden. Eiser stelt zich dan ook op het standpunt dat de heer [betrokkene] op grond van anciënniteit niet meer in aanmerking komt voor een hogere plaats op de plaatsingslijst.

Onder verwijzing naar de eerdere uitspraak is eiser van mening dat juist de extra reistijd tussen Assen en Coevorden schade oplevert, aangezien hij deze tijd niet kan besteden aan zijn bedrijf. Het is dan ook de combinatie van zijn eigen bedrijf en de extra reistijd, welke voor eiser als zwaarwegend moeten worden beschouwd.

Nu het bezwaarschrift gegrond is verklaard en verweerder erkent dat het op haar weg had gelegen de plaatsingsvolgorde opnieuw te bezien, is er naar de mening van eiser feitelijk sprake van herroeping van het primaire besluit. Eiser meent dan ook dat de kosten van de bestuurlijke voorprocedure voor vergoeding in aanmerking komen langs de weg van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb. Gezien de weigering van verweerder om de kosten van de bestuurlijke voorprocedure te vergoeden, verzoekt eiser de rechtbank om op grond van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak te voorzien.

Voorts verzoekt eiser de rechtbank om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de thans begrote schade, zijnde € 4.854,60 netto, die hij heeft geleden op grond van artikel 8:73 van de Awb.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de feitelijke gevolgen van het besluit niet worden geraakt door een vernietigingsbesluit. De vraag of gebruik is gemaakt van rechtsmiddelen brengt geen wijziging teweeg in de feitelijke rangorde op basis van anciënniteit ten tijde dat de herschikking van de plaatsing(en) had dienen te geschieden. Waar het op basis van de bedenkingen van eiser op de weg van verweerder had gelegen de rangorde te herschikken, nadat gebleken was dat de eerste plaats op de lijst van tien gegadigden was vrijgekomen en als gevolg daarvan de plaatsingsmogelijkheid te Coevorden, had verweerder hoe dan ook de standplaats Coevorden op grond van de anciënniteitvolgorde eerst aan de heer [betrokkene] moeten aanbieden. Verweerder wijst er allereerst op dat op het moment dat de herschikking had dienen plaats te vinden naar aanleiding van eisers bedenkingen in relatie tot het feit dat de eerste plaats op de lijst van tien was vrijgekomen, de plaatsingsprocedure nog niet was afgerond, zodat er nog geen sprake was van een rechtens onaantastbare beslissing ten aanzien van de plaatsing van de heer [betrokkene] te Havelte. Maar zelfs als daarvan wel sprake zou zijn en de heer [betrokkene] zou hebben berust in de plaatsing te Havelte, dan had het zorgvuldigheidshalve bij het wegvallen van nummer één op de lijst op de weg van verweerder gelegen om hem als eerste de standplaats Coevorden aan te bieden. Naar de mening van verweerder zou het onaantastbaar worden van het plaatsingsbesluit de ingangsdatum van het dienstverband en daarmee zijn hogere anciënniteitpositie ten opzichte van eiser niet hebben kunnen aantasten.

Voorts is verweerder van mening dat het rechtszekerheidsbeginsel niet toelaat dat eiser in Coevorden wordt geplaatst. De formatieplaats medewerker distributiecentrum te Coevorden wordt thans bezet door [de man], die destijds niet op de lijst van tien stond, maar de elfde positie innam en de status van herplaatsingskandidaat had. Hij was te Coevorden geplaatst nadat, en tevens omdat, de eerste tien rechthebbenden (waaronder de heer [betrokkene] en eiser) al geplaatst waren. Van verweerder kan thans in alle redelijkheid niet gevergd worden dat [de man] alsnog overgeplaatst wordt ten gunste van eiser. Een dergelijk besluit zou niet rechtmatig zijn jegens [de man], immers in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Verweerder merkt op dat dit (subsidiaire) argument in de nieuwe beslissing op bezwaar niet genoemd is. Voor het geval de rechtbank het anciënniteitargument niet valide acht, beroept verweerder zich op de ten tijde van de nieuwe beslissing geldende omstandigheid dat de plaatsing van [de man] te Coevorden op grond van het rechtszekerheidsbeginsel in redelijkheid niet ongedaan kan worden gemaakt.

Verweerder geeft aan dat volgens de routeplanner de reistijd van het woonadres van eiser naar zijn plaats van tewerkstelling te Assen ongeveer 40 minuten bedraagt (enkele reis). Naar de mening van verweerder is dit een alleszins acceptabele reistijd. Het hebben van een eigen bedrijf is bovendien een omstandigheid die volledig in de risicosfeer van eiser ligt. Verweerder meent dat er geen sprake is van een zodanig zwaarwegend belang dat dit ten tijde van het nemen van de eerste beslissing op bezwaar noopte tot afwijking van de afgesproken volgorde van plaatsing.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet voor schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb in aanmerking komt, omdat de vernietiging van het besluit door de rechtbank namelijk niet het gevolg is van een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid jegens eiser, doch van een motiveringsgebrek. Omdat de beslissing inhoudelijk niet onjuist was, maakt eiser evenmin aanspraak op proceskosten ter zake van de bestuurlijke voorprocedure.

Toepasselijke criteria voor het bepalen van de plaats van terwerkstelling

Voor het bepalen van de plaatsen van tewerkstelling bestaan geen wettelijke regels. Verweerder heeft aangegeven dat de toewijzing van de plaats van tewerkstelling van na de reorganisatie herplaatste kandidaten in beginsel geschiedt naar aanleiding van de kenbaar gemaakte voorkeuren. Ingeval meerdere personen een gelijke voorkeur hebben wordt de volgorde van de plaatsingslijst aangehouden, tenzij zwaarwegende belangen een andere plaatsing zouden rechtvaardigen.

Beoordeling

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of het bestreden besluit op bezwaar, waarbij het primaire besluit om eiser in Assen en niet in Coevorden te plaatsen niet wordt herroepen, de toetsing in rechte kan doorstaan. Hieromtrent wordt als volgt overwogen.

De rechtbank stelt allereerst vast dat bij uitspraak van 28 juni 2007 het beroep van eiser gegrond is verklaard, het besluit op bezwaarschrift van 7 september 2006 is vernietigd en verweerder is opgedragen om opnieuw op het bezwaarschrift van eiser te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak. De criteria om te komen tot het toewijzen van de plaats van tewerkstelling zijn niet onredelijk geacht.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat niet in geschil is dat er na de reorganisatie slechts één plaats in Coevorden beschikbaar was en dat ten tijde van het primaire besluit [betrokkene] hoger op de plaatsingslijst stond dan eiser en die weer hoger dan [de man].

Verder heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank in het thans bestreden besluit in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in de eiser persoonlijk betreffende omstandigheid dat hij een bedrijf in Coevorden heeft en de extra reistijd van Coevorden naar Assen als een onevenredige belasting ervaart, geen zodanig zwaarwegend belang is gelegen, dat ten koste van iemand die hoger staat op de plaatsingslijst zou moeten worden afgeweken van de plaatsingslijst. Verweerder heeft derhalve de volgorde van de plaatsingslijst bepalend kunnen achten voor de vraag wie in Coevorden wordt geplaatst

Vervolgens stelt de rechtbank vast dat verweerder in het nieuwe besluit op bezwaar uitsluitend heeft bezien of eiser er ten tijde van het primaire besluit bij toepassing van de plaatsingslijst recht op zou hebben gehad in Coevorden te worden geplaatst.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder aldus niet op de juiste wijze het primaire besluit heeft heroverwogen. De aard van een plaatsingsbesluit brengt niet mee dat in afwijking van de hoofdregel bij het besluit op bezwaar slechts de feiten en omstandigheden behoeven te worden betrokken zoals die bestonden ten tijde van het primaire besluit. Dit betekent dat verweerder gehouden was om te beoordelen of eiser, bij toepassing van de plaatsingscriteria ten tijde van het besluit op bezwaar, aanspraak had op plaatsing in Coevorden. Daarvoor was vereist dat verweerder zou bezien of de heer [betrokkene] nog prijs stelt op plaatsing in Coevorden. Indien de heer [betrokkene] daarop geen prijs meer stelt maakt eiser op grond van de plaatsingscriteria aanspraak op plaatsing in Coevorden. Verweerder heeft, door te volstaan met de vaststelling dat volgens de oorspronkelijke plaatsingslijst [betrokkene] ten tijde van het primaire besluit eerder dan eiser in aanmerking zou zijn gekomen voor plaatsing in Coevorden, zodat hij alsdan toch ook in Assen zou zijn geplaatst, niet voldaan aan de eis om bij het besluit op bezwaar rekening te houden met de feiten en omstandigheden ten tijde van het nieuwe besluit op bezwaar. Het besluit is derhalve genomen in strijd met het bepaalde in artikel 7:11, eerste lid, van de Awb.

Met betrekking tot de stelling van verweerder in het verweerschrift dat hij jegens [de man] onrechtmatig, want in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, zou handelen indien [de man] alsnog zou worden overgeplaatst ten behoeve van eiser, overweegt de rechtbank als volgt.

Tussen de besluiten tot plaatsing van de tien personen met vergelijkbare functies die zouden worden herplaatst na de reorganisatie bestaat een onlosmakelijke samenhang. Dit geldt in het bijzonder voor de besluiten tot plaatsing van [de man], [betrokkene] en eiser. De essentie van het geschil betreft immers de vraag wie recht heeft om in Coevorden te worden geplaatst. In deze situatie moet er naar het oordeel van de rechtbank van worden uitgegaan dat het bezwaar dat eiser heeft gemaakt tegen het besluit om hem in Assen te plaatsen, moet worden geacht tevens te zijn gericht tegen het besluit om [de man] in Coevorden te plaatsen. Een andere benadering zou er immers toe leiden dat eiser met zijn bezwaar niet het beoogde doel, plaatsing in Coevorden, zou kunnen bereiken, hetgeen het bezwaar zinledig zou maken.

Nu eiser moet worden geacht tevens bezwaar te hebben gemaakt tegen het besluit om [de man] in Coevorden te plaatsen, kan gegrondverklaring van het bezwaar ook betekenen dat het plaatsingsbesluit van [de man] wordt herroepen. Daar dit inherent is aan de bezwaarprocedure slaagt het beroep op de rechtszekerheid ten behoeve van [de man] niet.

In dit verband overweegt de rechtbank verder dat de stelling van eiser dat [betrokkene] geen aanspraak meer kan maken op plaatsing in Coevorden omdat hij geen bezwaar heeft gemaakt tegen zijn plaatsing in Havelte, evenmin wordt gevolgd. Het procesrechtelijke gegeven dat [betrokkene] heeft berust in plaatsing in Havelte staat los van de inhoudelijke vraag wie recht heeft op plaatsing in Coevorden. Voor dat laatste blijft de volgorde op de plaatsingslijst bepalend.

Uit het bovenstaande volgt dat het beroep gegrond wordt verklaard. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 7:11, tweede lid Awb en artikel 3:2 Awb.

Voorts overweegt de rechtbank nog dat [de man] en de heer [betrokkene] beide belanghebbende zijn te achten bij de besluitvorming. Nu beide tot dusver geen partij zijn geweest in het geding ziet de rechtbank geen mogelijkheid om het geschil finaal te beslechten. Verweerder zal beide personen in de gelegenheid dienen te stellen om te worden gehoord voordat opnieuw wordt beslist op het bezwaar.

Nu nog niet vaststaat of het besluit om eiser in Assen te plaatsen in rechte stand kan houden kan thans het verzoek van eiser om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de schade niet worden gehonoreerd.

Het verzoek van eiser om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de kosten voor de verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase komt thans evenmin voor honorering in aanmerking. Anders dan eiser lijkt te stellen kan op grond van artikel 7:15 Awb slechts sprake zijn van vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar indien het primaire besluit wordt herroepen (wegens aan verweerder te wijten onrechtmatigheid). Thans staat niet vast dat het primaire besluit had moeten worden herroepen. Verweerder zal in het nieuw te nemen besluit op bezwaar ook dienen te beslissen op het verzoek tot vergoeding van de door eiser in de bezwaarfase gemaakte proceskosten.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser in verband met de behandeling van het beroep ten bedrage van € 644,- en bepaalt dat de Staat der Nederlanden deze kosten, alsmede het door eiser betaalde griffierecht ad € 141,- aan eiser dient te vergoeden.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002 te 3500 DA Utrecht binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.L. Boxum, voorzitter en uitgesproken in het

openbaar op 23 mei 2008

door mr. J.L. Boxum, in tegenwoordigheid van mr. H.L.A. van Kats, griffier.

mr. H.L.A. van Kats mr. J.L. Boxum

Afschrift verzonden op: