Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2008:BF4571

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
23-05-2008
Datum publicatie
02-10-2008
Zaaknummer
07/789 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontslag op eigen verzoek van vrijwilliger bij de brandweer. De gespreksverslagen en de overige gedingstukken geven geen aanleiding om te oordelen dat het verzoek van eiser het gevolg is geweest van dwaling. Om die reden kan het ontslagverzoek aan hem worden toegerekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector Bestuursrecht

Kenmerk: 07/789 AW

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken d.d. 23 mei 2008

in het geding tussen

[eiser], [woonplaats]

en

Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Borger-Odoorn, verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 8 augustus 2007, verzonden op 9 augustus 2007, heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen het besluit van 28 november 2006, bekend gemaakt op 6 december 2006, ongegrond verklaard en laatstgenoemd besluit gehandhaafd, inhoudende het verlenen van eervol ontslag, op eigen verzoek, aan eiser met ingang van 8 november 2006.

Eiser heeft bij brief van 11 september 2007 tegen dit besluit bij de rechtbank beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 15 oktober 2007 de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden, later gevolgd door een verweerschrift bij brief van 21 december 2007. Eiser heeft hiervan een afschrift ontvangen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 17 april 2008, alwaar eiser in persoon is verschenen.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door W. van Boggelen, gemeentesecretaris, bijgestaan door de gemachtigde mr. G. Ham, advocaat te Groningen.

Voorts zijn door eiser als getuigen meegebracht [de man]

II. Motivering

Feiten en omstandigheden

Bij haar oordeelsvorming betrekt de rechtbank de navolgende feiten en omstandigheden.

Eiser was als vrijwilliger (in de rang van brandmeester) werkzaam bij de brandweer van de gemeente Borger-Odoorn. Hij was gestationeerd op de brandweerkazerne in Borger.

Op zaterdag 23 september 2006 is de nieuwe brandweerkazerne in Borger geopend. Tijdens de feestelijke opening heeft zich een incident voorgedaan, waarbij meerdere medewerkers van de brandweer betrokken waren. Het incident hing samen met het (ongeoorloofde) gebruik van alcohol door dienstdoende vrijwilligers. Daarbij heeft eiser, die op dat moment in dienst was, op enig moment bier tegen de ramen van het nieuwe gebouw gegooid. Daarop heeft de brandweercommandant hem van zijn dienst ontheven. Als gevolg daarvan is onenigheid ontstaan. Daarbij waren onder meer eiser en de brandweercommandant betrokken.

Namens verweerder is het voorval direct besproken met de direct betrokkenen (op 26 september 2006) en vervolgens ook met de leden van de brandweerpost Borger (op 2 oktober 2006). Van deze gesprekken is een verslag opgemaakt.

Vervolgens heeft verweerder aan een onafhankelijke adviseur, [de man], opdracht gegeven de problematiek bij de brandweerploeg Borger te onderzoeken. Op 19 oktober 2006 heeft de voornoemde adviseur over zijn bevindingen gerapporteerd aan verweerder. Uit de rapportage blijkt dat er veel kritiek is op het functioneren van zowel eiser als de brandweercommandant. De adviseur heeft tijdens een toelichting op zijn bevindingen desgevraagd geconcludeerd dat eiser het brandweerkorps dient te verlaten en dat de brandweercommandant zeker één tot twee jaar bij de brandweerploeg moet wegblijven.

Op 30 oktober 2006 zijn de uitkomsten van het onderzoek van de adviseur namens verweerder met eiser (en ook met de brandweercommandant) besproken. Tijdens dit gesprek is eiser meegedeeld dat hij voor de duur van ten hoogste drie maanden wordt geschorst en dat hij, voordat hij eventueel zou kunnen terugkeren, een coachingstraject zou dienen te volgen. Tevens is eiser meegedeeld dat eerst zou worden onderzocht of er een disciplinaire maatregel zou worden genomen. Tot slot is hem laten weten dat de mening van het korps daarbij van groot belang zou zijn.

Op 30 oktober 2006 zijn de bevindingen tevens namens verweerder meegedeeld aan de brandweerpost Borger.

Vervolgens is namens verweerder op 2 november 2006, naar aanleiding van signalen uit het brandweerkorps, opnieuw gesproken met de vrijwilligers die zijn gestationeerd in de brandweerkazerne te Borger. Daarbij is onder meer aan de vrijwilligers de vraag voorgelegd wat zij zouden doen als eiser zou blijven of vertrekken. Zes personen gaven aan te zullen vertrekken of zich ziek te zullen melden als eiser zou blijven. Twee personen gaven aan te zullen vertrekken als eiser zou worden ontslagen.

Verweerder heeft eiser bij brief van 6 november 2006 meegedeeld dat op 7 november 2006 een besluit zou worden genomen met inachtneming van de bevindingen van de adviseur en de resultaten van het overleg met de brandweerpost Borger.

Op 8 november 2006 heeft hierover een gesprek plaatsgevonden met eiser. In dit gesprek heeft eiser verweerder verzocht hem ontslag te verlenen. Tevens heeft eiser tijdens dit gesprek zijn pieper ingeleverd. Zijn brandweerkleding had eiser al eerder ingeleverd.

Bij primair besluit van 28 november 2006, bekend gemaakt op 6 december 2006, heeft verweerder eiser met ingang van 8 november 2006 eervol ontslag verleend op eigen verzoek.

Namens eiser is bij brief van 20 december 2006 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Eiser is in de gelegenheid gesteld het bezwaarschrift mondeling toe te lichten bij de Bezwarencommissie van de gemeente Borger-Odoorn (hierna: de Commissie), van welke gelegenheid hij op 12 maart 2007 gebruik heeft gemaakt. Een verslag van de hoorzitting bevindt zich onder de gedingstukken.

De Commissie heeft verweerder bij brief van 11 juni 2007 geadviseerd het bestreden besluit te herroepen. Daartoe heeft de Commissie onder meer als volgt overwogen:

“(…) Daarnaast betwijfelt de commissie of [eiser] de expliciete wil heeft gehad om vrijwillig ontslag te nemen tijdens het gesprek op 8 november 2006. Hij heeft weliswaar werkkleding en pager ingeleverd en tegenover de gemeente mondeling verklaard dat hij ontslag neemt, maar hij heeft daarbij duidelijk laten blijken – zo blijkt uit het verslag van dit gesprek en nog eens bevestigd tijdens de hoorzitting – dat hij dat onder protest heeft gedaan en in de veronderstelling – en daarmee onder voorwaarde – dat ook de brandweercommandant het korps in Borger zou verlaten.

De commissie kan zich voorstellen dat er na 8 november 2006 bij [eiser] twijfels zijn gerezen of de brandweercommandant het korps daadwerkelijk – voor goed – heeft verlaten, nu hem dat uit geen enkel schriftelijk stuk van burgemeester en wethouders of anderszins is gebleken. De commissie acht het aannemelijk dat [eiser] zijn beslissing op basis van een verkeerde voorstelling van zaken heeft genomen.

Bezwaardes stelling dat hij niet de wilsuiting heeft gedaan om vrijwillig ontslag te nemen, wordt ook ondersteund door het feit dat hij zijn (vermeende) ontslagname naderhand niet schriftelijk heeft bevestigd, hoewel daarom wel uitdrukkelijk door de personeelsconsulent – zo is tijdens de zitting gebleken – na afloop van het gesprek op 8 november 2006 is verzocht.

Wat daarvan verder ook zij, de commissie meent dat er gezien bovengenoemde omstandigheden, geen sprake is van een vrijwillige en onvoorwaardelijke ontslagaanvraag als bedoeld in artikel 19:1:37 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling voor gemeenteambtenaren (CAR) en de Uitwerkingsovereenkomst (UWO). (…).”

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder, in afwijking van het voornoemde advies, het bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

Standpunten partijen

Eiser stelt zich samengevat op het standpunt dat verweerder hem niet mocht ontslaan, aangezien hij niet om ontslag zou hebben verzocht. Eiser benadrukt dat door de burgemeester zou zijn gezegd dat de beslissing (eiser mocht na een coachingstraject terugkeren en de brandweercommandant zou ontslag krijgen) bindend was.

Voorts verzoekt eiser verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de door hem geleden schade.

Verweerder stelt zich onder verwijzing naar het gespreksverslag van 8 november 2006 op het standpunt dat er in het onderhavige geval sprake is van een eigen en in vrijheid genomen beslissing van eiser om ontslag te nemen. In dit verband wijst verweerder erop dat uit het verslag van de hoorzitting blijkt dat eiser aangegeven heeft dat het gespreksverslag van 8 november 2006 juist is. Voorts wijst verweerder erop dat eiser in de media verkondigd heeft dat hij zelf ontslag heeft genomen. Het ontslagverzoek is bovendien bevestigd door de symbolische handeling van het inleveren van de pieper (pager). In brandweerland geldt immers als ongeschreven regel dat wie zijn pieper inlevert, daarmee te kennen geeft ontslag te willen nemen. Naar de mening van verweerder is er dan ook sprake van een ondubbelzinnige en onmiskenbare wilsuiting van eiser die was gericht op het beëindigen van zijn betrekking bij de vrijwillige brandweer van de gemeente Borger-Odoorn.

Verweerder deelt voorts niet de stelling dat het verzoek van eiser zou zijn gedaan onder een verkeerde voorstelling van zaken. Eiser heeft ook nooit aangegeven slechts ontslag te wensen onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat ook de brandweercommandant het brandweerkorps zou verlaten. Van een voorwaardelijk ontslagverzoek was dan ook geen sprake.

Bovendien heeft verweerder de betrokken brandweercommandant ook feitelijk ontheven van zijn taak als commandant van het brandweerkorps als gevolg van de rapportage van de voornoemde adviseur. Het was duidelijk dat voor zijn aanblijven onvoldoende draagvlak bestond. Weliswaar was het dienstverband van betrokkene ten tijde van het bestreden besluit nog niet beëindigd, maar hij was niet langer werkzaam voor de gemeentelijke brandweer als commandant. Betrokkene was op dat moment tewerkgesteld bij de regionale brandweer Drenthe, zonder enige (hiërarchische) bemoeienis met het gemeentelijke brandweerkorps.

Met betrekking tot de afspraak voor wat betreft het coachingstraject van eiser wijst verweerder erop dat aan eiser op 30 oktober 2006 is meegedeeld dat eerst zou worden onderzocht of hem een (disciplinaire) maatregel zou worden opgelegd. Pas indien er sprake zou zijn van een terugkeer, zou het coachingstraject aan de orde kunnen zijn. Voor zover die afspraak al is gemaakt – verweerder betwist dat – wijst verweerder erop dat eiser er zelf voor heeft gekozen ontslag te nemen.

Voorts is verweerder van mening dat er (thans) geen aanleiding bestaat om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:73 van de Awb.

Toepasselijke regelgeving

Artikel 19:1:37 van de CAR/UWO vrijwillige brandweer geeft een regeling voor het geval dat de vrijwilliger op zijn eigen verzoek ontslag aanvraagt. Dit ontslag wordt hem eervol verleend.

Beoordeling

In het onderhavige geval dient beoordeeld te worden of verweerder aan eiser terecht en op goede gronden (eervol) ontslag op eigen verzoek met ingang van 8 november 2006 heeft verleend. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat in het algemeen ontslag op aanvraag overigens kan en behoort te worden verleend, indien gesproken kan worden van een duidelijke, onvoorwaardelijke aanvraag, die kan worden aangemerkt als een deugdelijke wilsverklaring. In situaties waarin de ambtenaar op zijn eigen aanvraag om ontslag terugkomt, stellende dat hij het ontslag niet wilde of omdat er sprake was van dwaling, is voor het antwoord op de de vraag of het ontslagbesluit vernietigd dient te worden van doorslaggevend belang of de aanvraag aan de ambtenaar kan worden toegerekend (zie Centrale Raad van Beroep (CRvB), 4 december 1986, TAR 1987/34).

In het onderhavige geval dient dan ook in de eerste plaats beoordeeld te worden of eiser onmiskenbaar de wil had een ontslagverzoek te doen.

Vast staat dat eiser blijkens het verslag van het gesprek op 8 november 2006 aan het begin van het gesprek om ontslag heeft verzocht. Voorafgaand aan dit gesprek heeft eiser zijn brandweerkleding ingeleverd en tijdens het gesprek zijn ‘pieper’. Voorts staat vast dat eiser de juistheid van het verslag van het gesprek op 8 november 2006 niet betwist.

De rechtbank begrijpt vervolgens het betoog van eiser aldus dat hij in de veronderstelling verkeerde dat ook de brandweercommandant bij het korps Borger-Odoorn zou vertrekken, terwijl dat niet is gebeurd, en dat daarom op grond van dwaling een ontslagverzoek is ingediend.

De rechtbank is van oordeel dat het beroep op dwaling in het onderhavige geval niet kan slagen. Daartoe wordt als volgt overwogen.

Uit het gespreksverslag van 8 november 2006 blijkt niet dat het vertrek van de brandweercommandant bij het korps Borger-Odoorn medebepalend is geweest voor eiser om een ontslagverzoek in te dienen. Voorts dient uit het verslag van 30 oktober 2006 te worden afgeleid dat de brandweercommandant uit zijn functie zou worden ontheven en dat gebleken is dat [de man] als brandweercommandant ad interim is benoemd bij het korps Borger-Odoorn. Het feit dat [de man], anders dan als commandant, bij het korps Borger-Odoorn van de brandweer werkzaam bleef, maakt niet dat geconcludeerd dient te worden dat eiser heeft gedwaald voor wat betreft zijn ontslagverzoek, aangezien op 30 oktober 2006 aangegeven is dat [de man] uit zijn functie van brandweercommandant zou worden ontheven. Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook niet gezegd worden dat er in verband met het beroep op dwaling in het onderhavige geval geen sprake is van een duidelijk en onvoorwaardelijk ontslagverzoek van eiser. Dit te meer nu eiser in de tijdsperiode tussen het ontslagverzoek en het primaire ontslagbesluit zijn ontslagverzoek niet heeft ingetrokken.

Nog daargelaten of uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting duidelijk geworden is of verweerder op 30 oktober 2006 definitief beslist had om niet tot het ontslag van eiser over te gaan, kan de stelling van eiser dienaangaande niet tot een ander oordeel leiden, nu het ontslag, zoals hierboven geconstateerd is, op een duidelijk en ondubbelzinnig ontslagverzoek van eiser zelf berust.

Gelet op de voorgaande overwegingen is het beroep van eiser ongegrond. Onder die omstandigheden is er geen reden om schadevergoeding op grond van het bepaalde in artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan eiser toe te kennen. Het verzoek daartoe wordt dan ook afgewezen.

De rechtbank ziet geen aanleiding om een proceskostenveroordeling, als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb, uit te spreken.

Beslist wordt als volgt.

III. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002 te 3500 DA Utrecht binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.L. Boxum, voorzitter en uitgesproken in het

openbaar op 23 mei 2008

door mr. J.L. Boxum, in tegenwoordigheid van mr. H.L.A. van Kats, griffier.

mr. H.L.A. van Kats mr. J.L. Boxum

Afschrift verzonden op: