Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2008:BF4169

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
16-05-2008
Datum publicatie
02-10-2008
Zaaknummer
08/292 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Aanleg van drainage op grond van een aanlegvergunning. Statuten en belanghebbendheid. Afwijzing van het verzoek na een belangenafweging en ondanks motiveringsgebrek. Verhouding tussen aanlegvergunning en de Ffw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector Bestuursrecht

Kenmerk: 08/292 BESLU

Uitspraak van de voorzieningenrechter op de voet van het bepaalde in titel 3 van hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) d.d. 16 mei 2008

in het geding tussen:

Stichting Bollenboos, gevestigd in de gemeente Westerveld, verzoekster,

en

Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Westerveld, verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 18 maart 2008, verzonden op 19 maart 2008, heeft verweerder aanlegvergunning verleend aan de Stichting Maatschappij van Weldadigheid (hierna: de vergunninghouder) ten behoeve van het aanleggen van drainage op het perceel agrarische grond, kadastraal bekend gemeente Vledder, sectie H, nummer 1720.

Namens verzoekster is bij brief van 24 maart 2008 tegen dit besluit bij verweerder bezwaar gemaakt.

Bij brief van 24 maart 2008 is tevens namens verzoekster aan de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Verweerder heeft bij brief van 3 april 2008 de op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift ingezonden. verzoekster heeft hiervan een afschrift ontvangen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de rechtbank op 14 mei 2008, alwaar verzoekster werd vertegenwoordigd door [de man] van de Stichting.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de gemachtigden mw. I. Boer en W. ten Cate.

Voorts zijn namens vergunninghouder verschenen [werknemer], bijgestaan door de gemachtigde mr. C.T. de Weerdt, advocate te Drachten.

II. Motivering

Algemeen

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de recht¬bank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Aangezien tijdig bezwaar is gemaakt tegen het besluit waarop het verzoek betrekking heeft en deze rechtbank in de hoofdzaak bevoegd zal zijn, is voldaan aan het connexiteitsvereiste. Ook overigens is er geen beletsel het verzoek om een voorlopige voorziening ontvankelijk te achten.

Feiten en omstandigheden

Bij zijn oordeelsvorming gaat de voorzieningenrechter uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

Naar aanleiding van een e-mail namens vergunninghouder heeft verweerder in eerste instantie aangegeven dat het aanleggen van drainage binnen de bestemming valt, die rust op het perceel kadastraal bekend gemeente Vledder, sectie H, nummer 1720. Voorts heeft verweerder daarbij aangegeven dat het aanleggen van drainage op het nieuwe gedeelte niet aanlegvergunningplichtig is.

Naar aanleiding van vragen van verzoekster ten aanzien van de aangelegde drainage heeft verweerder in een brief van 4 maart 2008 aan vergunninghouder aangegeven dat bij een nadere toets gebleken is dat drainageactiviteiten op grond van het bepaalde in planvoorschrift 18A van de partiële herziening van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Vledder’ aanlegvergunningplichtig zijn.

Voorts heeft verweerder vergunninghouder in deze brief verzocht (alsnog) een aanvraag om aanlegvergunning ten behoeve van het aanleggen van drainage op het voornoemde perceel in te dienen.

Met het daartoe bestemde formulier is op 6 maart 2007 namens vergunninghouder een aanvraag om aanlegvergunning ten behoeve van het aanleggen van drainage op het voornoemde perceel bij verweerder ingediend.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder aan vergunninghouder een aanlegvergunning verleend ten behoeve van het aanleggen van drainage op het voornoemde perceel.

Verweerder heeft de verleende aanlegvergunning gepubliceerd in het huis-aan-huisblad ‘Da’s Mooi’ van 26 maart 2008.

Standpunten partijen

Verzoekster stelt zich, samengevat, op het standpunt dat verweerder in het onderhavige geval, gelet op het bepaalde in artikel 4, tiende lid, in samenhang gelezen met artikel 5, tiende lid, van de planvoorschriften ten onrechte een aanlegvergunning heeft verleend. In dit verband wijst verzoekster erop dat de vergunning moet worden geweigerd indien hierdoor onevenredige inbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van de bestemming.

Naar de mening van verzoekster voldoen lelievelden niet aan de bestemming, aangezien de hooilanden tevens bestemd zijn voor de opbouw, het behoud en/of herstel van de aan de gronden eigen natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarde. Voorts is verzoekster van mening dat de aanleg van een lelieveld zich niet verhoudt met het beleid van de provincie Drenthe, neergelegd in het Provinciaal Omgevingsplan II (hierna: POP II).

Verzoekster wijst erop dat ter bescherming van de waterstaatkundige belangen en met inachtneming van de huidige richtlijnen alle hoogsalderende gewassen op basis van het bestemmingsplan geweerd dienen te worden.

Verzoekster geeft aan dat op en nabij de lelievelden onder andere de heikikker, de poelkikker, de ringslang en de hazelworm voorkomen. Deze soorten worden genoemd in tabel 2 en 3 van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw), hetgeen in de visie van verzoekster met zich brengt dat voor ruimtelijke ingrepen en regulier beheer een ontheffing op grond van de voornoemde wet dient te worden aangevraagd bij kans op schade. Naar de mening van verzoekster is vergunninghouder in dit opzicht in verzuim gebleven.

Voorts wijst verzoekster erop dat de lelievelden liggen in (a) een gebied met botanische waarden voor sloten, (b) een gebied van belang voor weidevogels en (c) een gebied met waarden voor ganzen, zwanen en steltlopers.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het aanleggen van drainage niet in strijd is met het vigerende bestemmingsplan. In dit verband wijst verweerder erop dat de onderhavige gronden bestemd zijn voor de bedrijfsmatige bewerking en/of beweiding van cultuurgrond, alsmede voor de opbouw, het behoud en/of herstel van de gronden eigen, natuurlijke waarde, alsmede voor eenvoudige dagrecreatieve voorzieningen. Naar de mening van verweerder valt het betelen van grond voor de lelieteelt onder bedrijfsmatige bewerking van cultuurgrond.

Verweerder merkt op dat de drainage aangelegd is om de teelt van lelies mogelijk te maken. In de visie van verweerder is de drainage daarmee ten dienste van de agrarische bestemming. Ook voor ander agrarisch gebruik (maïs, aardappelen) zou mogelijk drainage gewenst zijn. Voorts geeft verweerder aan dat het betreffende perceel al jaren in gebruik is als agrarische grond met wisselend gebruik, zoals grasland en aardappelenteelt. Het zou goed denkbaar zijn dat ook voor dergelijke teelt drainage nodig is.

Toepasselijke regelgeving

Artikel 14 van de Wet op de ruimtelijke ordening (WRO) bepaalt het volgende:

“Bij een bestemmingsplan kan worden bepaald, dat het verboden is binnen een bij het plan aan te geven gebied bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning), voor zover zulks noodzakelijk is:

a. om te voorkomen, dat een terrein minder geschikt wordt voor de verwerkelijking van de daaraan bij het plan gegeven bestemming;

b. ter handhaving en ter bescherming van een verwerkelijkte bestemming als bedoeld onder a.”

Artikel 44 van de WRO bepaalt, voor zover van belang, het volgende:

“1. De aanlegvergunning mag alleen en moet worden geweigerd, indien:

a. het werk of de werkzaamheid in strijd zou zijn met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen;

b. voor het werk of de werkzaamheid een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend.

2. Aan een vergunning mogen slechts voorwaarden worden verbonden ter bescherming van de belangen ten behoeve waarvan de bepalingen strekken krachtens welke de vergunning wordt verleend en waaraan het werk of de werkzaamheid, waarop de aanvraag betrekking heeft, moet voldoen.”

(…)

Het perceel waarop de werkzaamheden worden uitgevoerd valt onder het bestemmingsplan “Buitengebied Vledder”. Het betreffende perceel heeft de bestemming ‘agrarische doeleinden, categorie AL (agrarisch gebied in besloten landschap’). In de partiële herziening op grond van artikel 30 van de WRO heeft dit gebied de aanduiding ‘relatie met beekdal’gekregen.

Blijkens artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften van het vigerende bestemmingsplan zijn de op de kaart voor agrarische doeleinden, categorie AL, agrarisch gebied in besloten landschap aangewezen gronden bestemd voor:

- de bedrijfsmatige bewerking en/of beweiding van cultuurgrond, alsmede voor de opbouw, het behoud en/of het herstel van de aan de gronden eigen natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarde, alsmede voor dagrecreatieve voorzieningen.

Ingevolge artikel 4, achtste lid, van de planvoorschriften van het vigerende bestemmingsplan is het verboden buiten de op de plankaart aangegeven bebouwingsvlakken zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning (aanlegvergunning) van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

a. (…);

b. (…);

c. (…);

d. het diepploegen, egaliseren, afschuiven en ophogen van gronden, voor zover de Ontgrondingwet/-verordening niet van toepassing is;

e t/m j. (…).

Ingevolge artikel 4, tiende lid, van de planvoorschriften van het vigerende bestemmingsplan moet de in lid 8 omschreven vergunning worden geweigerd, indien hierdoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van de bestemming.

Artikel 18A van de partiële herziening van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Vledder’ luidt als volgt:

“1. Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning (aanlegvergunning) van Burgemeester en Wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

- het graven, dempen, verbreden of verdiepen van sloten, dan wel andere ingrepen die het doorstroomprofiel van de sloot verkleinen of vergroten en het verrichten van drainagewerkzaamheden.

2. De aanlegvergunning als bedoeld in het vorige lid is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke van geringe betekenis moeten worden geacht, dan wel het normale onderhoud betreffen.

3. De vergunning als bedoeld in lid 1 wordt slechts geweigerd indien het betreffende werk of de betreffende werkzaamheid onevenredig afbreuk doet aan d, in het bestemmingsplan aan de aangrenzende gronden toegekende functie.”

Beoordeling

Gesteld voor de vraag of er aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Aangezien de drainage ten behoeve van de aanleg van lelievelden reeds gerealiseerd is, wordt het spoedeisende belang aanwezig geacht.

Alvorens tot een inhoudelijke beoordeling van het verzoek te komen, ziet de voorzieningenrechter zich gesteld voor de rechtsvraag of verzoekster als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb kan worden aangemerkt. Dienaangaande wordt als volgt overwogen.

In voornoemd verband heeft de gemachtigde van vergunninghouder zich op het standpunt gesteld dat verzoekster niet als belanghebbende in de zin van voornoemd artikel kan worden beschouwd, aangezien er geen sprake is van een eigen, persoonlijk, actueel en objectief bepaalbaar belang.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge artikel 1:2, derde lid, van de Awb worden ten aanzien van rechtspersonen als hun mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

Artikel 2.1 van de statuten van eiseres luidt als volgt:

“De stichting heeft ten doel:

a. de ecologische, cultuurhistorische en landschappelijke waarden van het landelijk gebied van de provincie Drenthe in stand te houden;

b. de bedreigingen voor de gezondheid van mens en dier en voor het landelijk gebied welke voortkomen uit intensieve teelt van landbouwgewassen en het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen te beperken;

c. duurzame productie van landbouwgewassen op biologische grondslag te bevorderen.”

Gelet op het bepaalde in artikel 1:2, derde lid, van de Awb, is voor de ontvankelijkheid van verzoekster in het onderhavige geval bepalend welke algemene en collectieve belangen verzoekster krachtens haar doelstellingen behartigt.

Tussen partijen is niet in geschil dat deze doelstellingen zijn neergelegd in artikel 2.1 van de statuten van verzoekster. In dit artikel is onder a. bepaald dat verzoekster tot doel heeft de ecologische, cultuurhistorische en landschappelijke waarden van het landelijk gebied van de provincie Drenthe in stand te houden.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de doelstelling van verzoekster voldoende concreet bepaald en kan zij in het onderhavige geval als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb worden aangemerkt.

Inhoudelijk overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

Ter beoordeling van de voorzieningenrechter ligt voor een door verweerder genomen besluit tot het verlenen van een aanlegvergunning aan vergunninghouder ten behoeve van het aanleggen van drainage op het voornoemde perceel in de gemeente Westerveld.

Blijkens de motivering van het thans bestreden besluit stelt verweerder zich op het standpunt dat de aanleg van drainage op het voornoemde perceel zich verhoudt met de planvoorschriften van het vigerende bestemmingsplan en dat er om die reden geen aanleiding bestaat om de aanlegvergunning te weigeren. In dit verband wijst verweerder erop dat het betelen van grond ten behoeve van de lelieteelt valt onder bedrijfsmatige bewerking van cultuurgrond.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Tussen partijen is niet in geschil, en de voorzieningenrechter neemt dit als een vaststaand gegeven aan, dat voor het aanleggen van drainage op grond van de planvoorschriften een aanlegvergunning van verweerder vereist is.

Blijkens artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften van het vigerende bestemmingsplan zijn de op de kaart voor agrarische doeleinden, categorie AL, agrarisch gebied in besloten landschap aangewezen gronden bestemd voor:

- de bedrijfsmatige bewerking en/of beweiding van cultuurgrond, alsmede voor de opbouw, het behoud en/of het herstel van de aan de gronden eigen natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarde, alsmede voor dagrecreatieve voorzieningen.

Ingevolge artikel 4, achtste lid, van de planvoorschriften van het vigerende bestemmingsplan is het verboden buiten de op de plankaart aangegeven bebouwingsvlakken zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning (aanlegvergunning) van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

a. (…);

b. (…);

c. (…);

d. het diepploegen, egaliseren, afschuiven en ophogen van gronden, voor zover de Ontgrondingwet/-verordening niet van toepassing is;

e t/m j. (…).

Ingevolge artikel 4, tiende lid, van de planvoorschriften van het vigerende bestemmingsplan moet de in lid 8 omschreven vergunning worden geweigerd, indien hierdoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van de bestemming.

Artikel 18A van de partiële herziening van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Vledder’ luidt als volgt:

“1. Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning (aanlegvergunning) van Burgemeester en Wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

- het graven, dempen, verbreden of verdiepen van sloten, dan wel andere ingrepen die het doorstroomprofiel van de sloot verkleinen of vergroten en het verrichten van drainagewerkzaamheden.

2. De aanlegvergunning als bedoeld in het vorige lid is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke van geringe betekenis moeten worden geacht, dan wel het normale onderhoud betreffen.

3. De vergunning als bedoeld in lid 1 wordt slechts geweigerd indien het betreffende werk of de betreffende werkzaamheid onevenredig afbreuk doet aan d, in het bestemmingsplan aan de aangrenzende gronden toegekende functie.”

Gelet op het voornoemde wettelijk kader dient te worden vastgesteld dat het in het leven geroepen aanlegverguningstelsel niet slechts ziet op bescherming van de bestemming ‘bedrijfsmatige bewerking en/of beweiding van cultuurgrond’, maar ook van de bestemming ‘opbouw, het behoud en/of het herstel van de aan de gronden eigen natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarde, alsmede voor dagrecreatieve voorzieningen’.

Vastgesteld dient te worden dat verweerder in de motivering van het thans voorliggende besluit geen (enkele) aandacht heeft besteed aan het feit of verlening van de aanlegvergunning zich verhoudt met de opbouw, behoud en/of herstel van de aan de gronden eigen natuurlijke en cultuurhistorische waarde. Gelet op de redactie van het voornoemde planvoorschrift was verweerder daartoe naar het oordeel van de voorzieningenrechter wel gehouden, aangezien er sprake is van een nevengeschikte bestemming. Steun voor zijn uitspraak vindt de voorzieningenrechter in jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRS), waarbij verwezen wordt naar een uitspraak van 20 februari 2008, LJN BC4692.

Uit het voorgaande volgt dat het thans bestreden besluit op een ondeugdelijke motivering berust, hetgeen strijd met het bepaalde in artikel 3:46 van de Awb met zich brengt. Het gegeven dat de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft aangevoerd dat de afweging of het verlenen van de onderhavige aanlegvergunning past binnen de voornoemde bestemming in onderliggende (interne) notities onderbouwd is, maakt dit niet anders, aangezien deze stukken geen onderdeel uitmaken van het dossier.

Ter beoordeling van de voorzieningenrechter ligt vervolgens de rechtsvraag voor of er, gelet op het geconstateerde motiveringsgebrek, aanleiding bestaat om een voorlopige voorziening te treffen hangende de bezwaarfase.

De voorzieningenrechter beantwoordt voornoemde rechtsvraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

Niet uitgesloten kan worden geacht dat verweerder het motiveringsgebrek in de bezwaarfase (alsnog) kan helen, zodat er om die reden geen aanleiding bestaat om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen. Ook een belangenafweging noopt hier niet toe, gelet op de betrokken belangen van de vergunninghouder, het feit dat de drainage inmiddels aangelegd is en het poten van de bollen inmiddels in volle gang is. Daarbij komt dat het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening leidt tot de verstrekkende consequentie dat de reeds aangelegde drainage (mogelijk) tijdelijk dient te worden verwijderd. Daartoe ziet de voorzieningenrechter na een afweging van de betrokken belangen geen aanleiding.

Voorts overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

Voor zover verzoekster betoogt dat de onderhavige aanlegvergunning niet verleend had kunnen worden in verband met strijd met de Ffw, kan de voorzieningenrechter haar in deze stelling niet volgen. Daartoe wordt als volgt overwogen.

Onder verwijzing naar een uitspraak van 18 april 2007 van de ABRS, gepubliceerd onder LJN BA3190, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de stelling dat voor het aanleggen van drainage, waarvoor de aanlegvergunning is verleend, een ontheffing op grond van de Ffw nodig is in de onderhavige procedure geen rol speelt, aangezien artikel 44, eerste lid aanhef en onder a, van de WRO limitatief een aantal weigeringsgronden opsomt. Daartoe behoort niet het ontbreken van een ontheffing ingevolge de Ffw. In zoverre kan de grief van verzoekster dan ook niet slagen.

Ook de door verzoekster ingenomen stellingen met betrekking tot provinciale beleidsuitgangspunten inzake water, verdroging en milieukwaliteitseisen kunnen, gelet op het imperatieve karakter van artikel 44, eerste lid, van de WRO naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet betrokken worden in de beoordeling of verweerder in het onderhavige geval had moeten afzien van het verlenen van een aanlegvergunning. Het gegeven dat het vigerende bestemmingsplan ouder is dan tien jaar doet hieraan niet af.

Gelet op de voorgaande overwegingen ziet de voorzieningenrechter geen reden een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek daartoe wordt dan ook afgewezen.

Aangezien het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen, bestaat er geen aanleiding om een proceskostenveroordeling, als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb, uit te spreken.

Beslist wordt als volgt.

III. Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. W.P. Claus, voorzieningenrechter en uitgesproken in het

openbaar op 16 mei 2008

door mr. W.P. Claus, in tegenwoordigheid van mr. H.L.A. van Kats, griffier.

mr. H.L.A. van Kats mr. W.P. Claus

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.