Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2008:BF4130

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
08-05-2008
Datum publicatie
02-10-2008
Zaaknummer
08/355
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verlenen van een kapvergunning voor een beeldbepalende beuk in Assen. Verweerder is onvoldoende ingegaan op de stellingen van de door verzoekster ingeschakelde bomendeskundige en heeft onvoldoende gemotiveerd dat er sprake is van een gevaarzettende boom door 'uitzakken'. Voorts is er sprake van een ongemotiveerde belangenafweging. Verhouding tussen kappen en de Flora- en faunawet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector Bestuursrecht

Kenmerk: 08/355 en 08/356 BESLU

Uitspraak van de voorzieningenrechter op de voet van het bepaalde in titel 3 van hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) d.d. 8 mei 2008

in het geding tussen:

[verzoekster], [woonplaats]

en

Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Assen, verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2008 heeft verweerder onder weerlegging van de zienswijze van verzoekster besloten tot het verlenen van een kapvergunning aan Stagoed Investment B.V. (hierna: de vergunninghouder) ingevolge artikel 4.5.2, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Assen 1993 (hierna: APV) ten behoeve van de kap van een beuk op het perceel Hendrik de Ruiterstraat 3 te Assen.

Namens verzoekster is bij brief van 22 april 2008 tegen dit besluit bij de rechtbank beroep ingesteld.

Bij brief van 22 april 2008 is tevens namens verzoekster aan de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Bij uitspraak van 22 april 2008 heeft de voorzieningenrechter het besluit tot het verlenen van kapvergunning geschorst tot en met 8 mei 2008.

Verweerder heeft bij brief van 24 april 2008 de op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift ingezonden. De gemachtigde van verzoekster heeft hiervan een afschrift ontvangen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de rechtbank op 8 mei 2008, alwaar verzoekster in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. M. Arends, advocate te Assen.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de gemachtigde mr. A.J. Pronk en N.N. Broekhuizen.

Namens vergunninghouder is verschenen [belanghebbende]

II. Motivering

Algemeen

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is voorts bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan wanneer beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich hier voor.

Feiten en omstandigheden

Bij haar oordeelsvorming betrekt de voorzieningenrechter de navolgende feiten en omstandigheden.

Stagoed Investment B.V. is eigenaar van het perceel Hendrik de Ruiterstraat 3 te Assen, waarop de te kappen beuk zich bevindt.

Namens vergunninghouder is met het daartoe bestemde formulier op 30 januari 2008 een aanvraag om kapvergunning voor het kappen van een beuk op het voornoemde perceel bij verweerder ingediend. Blijkens het aanvraagformulier is de reden van de aanvraag gelegen in het feit dat de aanwezige beuk veel licht weg neemt bij het pand aan de Oranjestraat 120 te Assen. Voorts wordt de tuin opgeschoond, nu er 25 jaar niets aan gebeurd is.

Verweerder heeft de voornoemde aanvraag om kapvergunning getoetst aan de sneltoetscriteria en is tot de conclusie gekomen dat deze aanvraag ter beoordeling en advisering aan een groendeskundige van de gemeente dient te worden voorgelegd.

Op een adviesformulier heeft een medewerker van de afdeling Stadsbeheer op 8 februari 2008 aangegeven dat de kap van de beuk ‘akkoord’ is.

Verweerder heeft bij brief van 12 februari 2008 aan vergunninghouder meegedeeld dat naar aanleiding van de voornoemde aanvraag ingevolge het bepaalde van artikel 4.5.1 tot en met 4.5.11 van de APV en de afgeleide sneltoetscriteria een concept-kapvergunning voor het kappen van één beuk op het perceel Hendrik de Ruiterstraat 3 te Assen is verleend.

Verweerder heeft de concept-kapvergunning gepubliceerd in het huis-aan-huisblad ‘Het Gezinsblad’ van 20 februari 2008.

Naar aanleiding van de voormelde publicatie heeft verzoekster bij brief van 1 april 2008 een zienswijze bij verweerder ingediend.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder onder weerlegging van de zienswijze van verzoekster besloten tot het verlenen van kapvergunning ten behoeve van het kappen van een beuk op het perceel Hendrik de Ruiterstraat 3 te Assen.

Verweerder heeft het voornoemde besluit gepubliceerd in het huis-aan-huisblad ‘Het Gezinsblad’ van 23 april 2008.

Standpunten partijen

Verzoekster merkt op dat in het bestreden besluit wordt onderschreven dat de beuk een beeldbepalend karakter heeft voor de omgeving en dat door verwijdering van de beuk het straatbeeld redelijk ingrijpend verandert. Daarnaast wordt erkend dat het een buurt betreft met weinig groen.

Verzoekster stelt zich op het standpunt dat, gelet op het beoordelingskader van de APV, een onjuiste belangenafweging heeft plaatsgevonden. Verzoekster wijst er in dit verband op dat verweerder miskend heeft dat het hier niet zomaar een beuk betreft, maar een zogenaamde beukenstoel met acht reusachtige stammen, gezamenlijk uitlopend in een imposante kruin. Onder verwijzing naar een verklaring van 21 april 2008 van bioloog-bosecoloog en bomendeskundige Van der Lans stelt verzoekster zich op het standpunt dat de beukenstoel een monumentale waarde vertegenwoordigt en in een optimale omgeving staat. Bovendien staat de beuk in een oude bostuin met grote natuurwaarde. Aangezien dit soort tuinen en dit soort groeiplaatsen weinig voorkomen in Assen dient de beuk behouden te blijven.

Voorts is verzoekster van mening dat het thans bestreden besluit in strijd komt met de algemene verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw). Deze periode van het jaar is aan te merken als het broedseizoen van de vogels. Vogels worden extra beschermd tijdens het broedseizoen. Er mag dan ook geen gebruik worden gemaakt van de kapvergunning totdat een ontheffing van de Ffw is verleend. Nu er geen sprake is van een gevaarlijke en acute situatie (er is bijvoorbeeld geen dreiging dat de boom zal omvallen), zal deze ontheffing naar de mening van verzoekster niet verleend worden. Van een ontheffing krachtens de Ffw is verzoekster echter niet gebleken, zodat verzoekster het ervoor houdt dat kappen tijdens het broedseizoen (gemiddeld van 15 maart tot 15 juli, maar soms tot medio augustus) niet is toegestaan.

Verweerder verwijst naar de motivering van het thans bestreden besluit en merkt op dat de ontheffing krachtens de Ffw een ander beoordelingskader en een andere procedure kent dan de kapvergunning. In de APV is niet opgenomen dat een kapvergunning wordt geweigerd bij strijd met voorschriften van de Ffw. De houder/aanvrager van de kapvergunning dient zelf een ontheffing krachtens de Ffw aan te vragen.

Toepasselijke regelgeving

Ingevolge artikel 4.5.2, eerste lid, van de APV is het verboden zonder vergunning van het college van burgemeester en wethouders houtopstand te vellen of te doen vellen.

Ingevolge artikel 4.5.4A, eerste lid, van de APV kan het college van burgemeester en wethouders de vergunning weigeren op grond van:

a. de natuurwaarde van de houtopstand;

b. de landschappelijke waarde van de houtopstand;

c. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;

d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;

e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;

f. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.

Ingevolge het derde lid van dit artikel kan het college van burgemeester en wethouders toestemming geven tot direct vellen, indien sprake is van grote gevaarzetting of vergelijkbaar spoedeisend belang.

Beoordeling

Gesteld voor de vraag of er aanleiding bestaat de bij uitspraak van 22 april 2008 getroffen voorlopige voorziening op te heffen, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Ter beoordeling van de voorzieningenrechter ligt voor een door verweerder genomen besluit tot het verlenen van een kapvergunning ten behoeve van de kap van een beuk op het perceel Hendrik de Ruiterstraat 3 te Assen.

Blijkens de motivering van het thans bestreden besluit stelt verweerder zich op het standpunt dat de beuk weliswaar een beeldbepalend karakter voor de omgeving heeft, maar dat er een belangrijke reden is om de kapvergunning desondanks te verlenen. De fysieke gesteldheid van de boom is dusdanig dat kap onvermijdelijk is. In dit verband wijst verweerder erop dat de stammen ‘uitzakken’, waardoor de beuk op korte termijn niet meer kan blijven staan. Daarbij komt dat de beuk de lichtinval bij het pand aan de Oranjestraat 120 behoorlijk beperkt en dat snoei geen optie (meer) is.

Verzoekster heeft zich onder verwijzing naar een rapportage van 21 april 2008 van boomdeskundige Van der Lans op het standpunt gesteld dat de onderhavige beuk gezond en beeldbepalend is, alsmede een monumentale waarde heeft.

Tussen partijen is niet in geschil, en de voorzieningenrechter neemt dit als een vaststaand gegeven aan, dat de onderhavige beuk beeldbepalend is voor de omgeving.

Voorts dient uit de door verzoekster in het geding gebrachte rapportage van de voornoemde deskundige te worden afgeleid dat het voor Assen een zeer grote en monumentale beuk betreft. Waarschijnlijk bestaande uit vier verschillende beuken, die tegelijkertijd geplant tezamen zijn uitgegroeid tot een zogenaamde beukenstoel met een bijzondere habitus. Momenteel zijn er acht verschillende stammen aanwezig, die hoog uitreizen boven de oude tuin en de omringende huizen. Voorts heeft de bomendeskundige in het voornoemde rapport aangegeven dat het gaat om een beuk van zeker vijftig jaar oud die een gezonde indruk maakt.

Vervolgens komt de voornoemde bomendeskundige tot de conclusie dat de beukenstoel monumentale waarde heeft, dat de beuk gezond is en in een optimale omgeving staat. De beuk kan dan ook nog vele tientallen jaren mee en de kapvergunning zou geweigerd moeten worden.

De voorzieningenrechter overweegt dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de deskundigheid van de door verzoekster ingeschakelde deskundige en aan de juistheid van de door hem op schrift gezette bevindingen in de rapportage van 21 april 2008 met betrekking tot de beuk. Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat de motivering van het thans bestreden besluit voor wat betreft de fysieke gesteldheid van de beuk en de noodzaak tot kap in verband met het ‘uitzakken’ van de stammen niet onderbouwd wordt door de onderliggende gedingstukken. Niet valt in te zien dat uit het advies van 8 februari 2008 van een medewerker van de afdeling Stadsbeheer volgt dat er sprake is van het ‘uitzakken’ van de stammen. Evenzeer ontbreekt een onderbouwing voor het standpunt dat het snoeien van de beuk in het onderhavige geval geen optie is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kleeft er dan ook een motiveringsgebrek aan het thans bestreden besluit.

Voorts is naar het oordeel van de voorzieningenrechter in het onderhavige geval onduidelijk gebleven in hoeverre verweerder de bij het bestreden besluit betrokken, tegenstrijdige belangen van de verschillende partijen tegen elkaar heeft afgewogen. In dit verband wijst de voorzieningenrechter erop dat uit de motivering van het bestreden besluit en uit het verhandelde ter zitting niet is gebleken op grond van welke belangen de beeldbepalende beukenstoel op het voornoemde perceel gekapt dient te worden. Voorts is door verweerder onvoldoende ingegaan op de door de deskundige naar voren gebrachte stellingnamen in de vorengenoemde rapportage. De enkele stelling, zoals ter zitting door de gemachtigde van verweerder naar voren gebracht, dat in één van de stammen van de beukenstoel een schimmel is aangetroffen, is daarvoor onvoldoende. Door verweerder is dan ook onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er in het onderhavige geval sprake is van een zieke beuk dan wel een gevaarzettende beuk in verband met ‘uitzakken’.

Gelet op de bijzondere waarden die de beuk vertegenwoordigt, is het naar het oordeel van de voorzieningenrechter aangewezen dat nader wordt onderzocht of een alternatief voor kap mogelijk is, alvorens tot het eventueel vellen van de beuk wordt overgegaan. Deze waarden vormen een algemeen belang, zodat het in de rede ligt dat verweerder zich niet aan zijn zorgplicht als bestuursorgaan onttrekt bij het faciliteren van een oplossing.

Gelet op de voorgaande overwegingen is het beroep van verzoekster gegrond en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. Hieruit volgt dat verweerder opnieuw dient te beslissen op de aanvraag om kapvergunning. Nu er in het onderhavige geval teruggevallen wordt op de aanvraag om kapvergunning bestaat er geen aanleiding de getroffen voorlopige voorziening te continueren, aangezien er geen besluit tot het verlenen van kapvergunning (meer) bestaat.

In dit verband wijst de voorzieningenrechter partijen er ten overvloede op dat er niet gekapt mag worden.

Hoewel hiermee volstaan kan worden, ziet de voorzieningenrechter nog aanleiding het volgende te overwegen.

Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat geen gebruik kan worden gemaakt van de onderhavige kapvergunning, aangezien deze in verband met het broedseizoen van vogels strijdig is met het bepaalde in de Ffw.

De voorzieningenrechter overweegt dat de APV niet vereist dat sprake is van een onherroepelijke ontheffing op grond van de Ffw. Hetgeen verzoekster daaromtrent heeft aangevoerd, kan niet tot weigering van de kapvergunning leiden en gaat het toetsingskader dat van toepassing is bij het besluit omtrent de verlening van de kapvergunning te buiten. Steun voor haar oordeel vindt de voorzieningenrechter in jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS), waarbij verwezen wordt naar de uitspraak van 6 juli 2005, gepubliceerd in AB 2005/380. In zoverre kan de grief van verzoekster dan ook niet slagen.

Aangezien het beroep gegrond wordt verklaard, ziet de voorzieningenrechter ingevolge het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten van verzoekster te veroordelen. Onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht kunnen deze kosten begroot worden op € 645,72, waarvan € 644,-- voor verleende rechtshulp en € 1,72, zijnde de reiskosten van verzoekster.

Beslist wordt als volgt.

III. Beslissing

De voorzieningenrechter:

Ten aanzien van het beroep

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder opnieuw dient te beslissen op de aanvraag om kapvergunning, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster ten bedrage van € 644,-- en bepaalt dat de gemeente Assen deze kosten aan de griffier dient te voldoen;

- veroordeelt verweerder in de reiskosten van verzoekster ten bedrage van € 1,72 en bepaalt dat de gemeente Assen deze kosten alsmede het door verzoekster betaalde griffierecht ad € 145,-- aan haar dient te vergoeden.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening:

- heft de getroffen voorlopige voorziening op.

Uitsluitend tegen de uitspraak op het beroep kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ’s-Gravenhage. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroepsschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019 te 2500 EA ‘s-Gravenhage binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.

Aldus gegeven door mr. K. Wentholt, voorzieningenrechter en uitgesproken in het

openbaar op 8 mei 2008

door mr. K. Wentholt, in tegenwoordigheid van mr. H.L.A. van Kats, griffier.

mr. H.L.A. van Kats mr. K. Wentholt

Afschrift verzonden op: