Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2008:BF3969

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
21-02-2008
Datum publicatie
01-10-2008
Zaaknummer
07/904 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser behoort niet tot de kring van rechthebbenden, als bedoeld in artikel 11 van de WWB, en afwijzing van de aanvraag om bijstandsuitkering is niet in strijd met het bepaalde in artikel 3 van het EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector Bestuursrecht

Kenmerk: 07/904 WWB

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken d.d. 21 februari 2008

in het geding tussen

[eiser], [woonplaats]

en

Het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst van de gemeenten Aa en Hunze, Assen en Tynaarlo, verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 12 september 2007, verzonden op 17 september 2007, heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen het besluit van 1 november 2006 ongegrond verklaard en laatstgenoemd besluit gehandhaafd, inhoudende dat de aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) wordt afgewezen, aangezien eiser niet tot de kring van rechthebbenden behoort, als bedoeld in artikel 11 van de WWB.

Namens eiser is bij brief van 22 oktober 2007, aangevuld bij brief van 23 november 2007, tegen dit besluit bij de rechtbank beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 17 december 2007 de op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift ingezonden. De gemachtigde van eiser heeft hiervan een afschrift ontvangen.

Bij afzonderlijke brief van 25 januari respectievelijk 11 februari 2008 hebben partijen de rechtbank toestemming gegeven de zaak zonder zitting af te doen.

II. Motivering

Feiten en omstandigheden

Bij haar oordeelsvorming betrekt de rechtbank de navolgende feiten en omstandigheden.

Eiser heeft op 18 mei 2006 een aanvraag om bijstandsuitkering ingevolge de WWB bij verweerder ingediend.

Verweerder heeft bij besluit van 16 juni 2006 de aanvraag om bijstand buiten behandeling gelaten wegens het niet verstrekken van de voor het recht op bijstand noodzakelijke

gegevens.

Namens eiser is bij brief van 17 juli 2006 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Met overneming van het advies van de bezwaarschriftencommissie heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser gegrond verklaard en is bij besluit van 1 november 2006 alsnog de aanvraag om bijstand afgewezen op grond van het feit dat eiser niet behoort tot de kring van rechthebbenden, als bedoeld in artikel 11 van de WWB.

Namens eiser is bij brief van 17 oktober 2006 beroep ingediend bij de rechtbank. Bij uitspraak van 4 mei 2007 is het beroep van eiser niet-ontvankelijk verklaard, aangezien het besluit van 1 november 2006 valt aan te merken als een primair besluit en het procesbelang is komen te ontvallen.

Eiser is in de gelegenheid gesteld het bezwaarschrift mondeling toe te lichten bij de bezwaarschriftencommissie, van welke gelegenheid namens hem op 23 augustus 2007 gebruik is gemaakt. Een verslag van de hoorzitting bevindt zich onder de gedingstukken.

De bezwaarschriftencommissie heeft verweerder bij brief van 23 augustus 2007 geadviseerd het bezwaarschrift van eiser ongegrond te verklaren.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder onder ongegrondverklaring van het bezwaarschrift van eiser het primaire besluit gehandhaafd.

Standpunten partijen

Eiser stelt zich primair op het standpunt dat er sprake is van een situatie van rechtmatig verblijf, nu hij over een verblijfsvergunning heeft beschikt en op grond van het derde lid van artikel 11 van de WWB gelijkgesteld kan worden met een Nederlander. Om die reden bestaat er naar de mening van eiser dan ook recht op een bijstandsuitkering.

Voorts is eiser van mening dat op grond van een belangenafweging, als bedoeld in artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het voordeel van hem had moeten uitvallen in die zin dat in zijn specifieke geval tot uitkering had moeten worden overgegaan. In dit verband wijst eiser erop dat hij reeds tijden verstoken is van inkomsten, zodat de redelijkheid in dit specifieke geval met zich mee had moeten brengen dat verweerder over zou gaan tot betaling van bijstand. Naar de mening vloeit uit het niet toekennen van een bijstandsuitkering voort dat er sprake is van een onmenselijke behandeling, als bedoeld in artikel 3 van het Europees Verdrag voor Rechten van de Mens (EVRM).

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit op goede gronden is genomen en verwijst daarbij naar de eerdere uitspraak van de rechtbank en van de Centrale Raad van Beroep (CRvB).

Toepasselijke regelgeving

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.

Artikel 11, tweede lid, WWB bepaalt dat met de Nederlander bedoeld in het eerste lid wordt gelijkgesteld de hier te lande verblijvende vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000.

Ingevolge artikel 11, derde lid, WWB kunnen bij algemene maatregel van bestuur hier te lande verblijvende vreemdelingen, anders dan die bedoeld in artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, voor de toepassing van deze wet met een Nederlander gelijk worden gesteld:

a. ter uitvoering van een verdrag dan wel een besluit van een volkenrechtelijke organisatie, of

b. indien zij, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onderdeel g of h, van die wet en zij aan de in die algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarden voldoen.

Op grond van het op basis van artikel 11, derde lid, WWB vastgestelde Besluit gelijkstelling vreemdelingen wordt voor de toepassing van de Wet werk en bijstand met een Nederlander gelijkgesteld de vreemdeling die, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onder a tot en met e, of l, van de Vreemdelingenwet 2000:

a. voor de beëindiging van dit verblijf een aanvraag heeft ingediend om voortgezette toelating, of

b. binnen de termijn, genoemd in artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, of, buiten die termijn, in geval artikel 6.11 van de Algemene wet bestuursrecht toepassing heeft gevonden, bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen intrekking van de toelating in de zin van artikel 8, onder a tot en met e, of l, van de Vreemdelingenwet 2000.

Artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000, voor zover van belang, luidt:

“De vreemdeling heeft in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf:

a. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14;

b. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20;

c. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28;

d. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33;

e. als gemeenschapsonderdaan zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een

regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap dan wel de

Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;

f. in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van de

verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 14 en 28, terwijl bij of krachtens deze wet dan

wel op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te

blijven totdat op de aanvraag is beslist;

g. in afwachting van de beslissing om een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 20 en 33, of tot het verlengen van de geldigheidsduur van de vergunning, bedoeld in de artikelen 14 en 28, of een wijziging ervan, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist;

h. in afwachting van de beslissing op een bezwaarschrift of een beroepschrift, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist;

(...)

l. indien de vreemdeling verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije.”

Beoordeling

In het onderhavige geval dient beoordeeld te worden of verweerder terecht en op juiste gronden de aanvraag om bijstandsuitkering van eiser heeft afgewezen. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

Eiser stelt zich op het standpunt dat hij ingevolge het bepaalde in artikel 11, derde lid van de WWB recht heeft op een bijstandsuitkering.

De rechtbank kan eiser in de voornoemde stelling niet volgen en overweegt daartoe als volgt.

Tussen partijen is niet in geschil, en de rechtbank neemt dit als een vaststaand gegeven aan, dat de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State bij uitspraak van 13 december 2005 het door eiser ingestelde hoger beroep ongegrond heeft verklaard. Ten tijde van de aanvraag stond derhalve de afwijzing van eisers aanvraag om voortgezet verblijf onherroepelijk vast, zodat eiser reeds daarom niet op grond van het besluit gelijkstelling vreemdelingen voor de toepassing van de WWB aan een Nederlander wordt gelijk gesteld.

De beweerde strijdigheid met de redelijkheid en billijkheid kan aan het vorenstaande niet afdoen nu in dit opzicht geen sprake is van in het bestuursrecht erkende rechtsbeginselen, welke ertoe kunnen leiden dat een wettelijke bepaling buiten toepassing wordt gelaten. Daarbij overweegt de rechtbank dat, nu eiser niet valt onder de in artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB genoemde vreemdelingen, artikel 16, tweede lid, van de WWB, zich verzet tegen het in het onderhavige geval verlenen van bijstand. Het door eiser gedane beroep op toekenning van bijstand op grond van een belangenafweging, als bedoeld in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb faalt reeds omdat deze belangenafweging niet zover strekt dat afgeweken dient te worden van het bepaalde in artikel 16, tweede lid, van de WWB.

Voorts stelt eiser zich op het standpunt dat het niet toekennen van een bijstandsuitkering in het onderhavige geval in strijd is met het bepaalde in artikel 3 van het EVRM.

Het beroep van eiser op het bepaalde in artikel 3 van het EVRM kan in het onderhavige geval niet slagen. Op grond van dit artikel mag niemand worden onderworpen aan folteringen of onmenselijke behandelingen of bestraffingen. Onder verwijzing naar een uitspraak van 6 december 2007 van de CRvB (kenmerk 07/6008 WWB-VV; 07/5048 WWB) is de rechtbank van oordeel dat de afwijzing van de onderhavige bijstandsaanvraag niet kan worden aangemerkt als een schending in vorenbedoelde zin.

Gelet op de voorgaande overwegingen is het beroep ongegrond.

Onder deze omstandigheden acht de rechtbank geen termen aanwezig om een proceskostenveroordeling uit te spreken.

Beslist wordt als volgt.

III. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002 te 3500 DA Utrecht binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.L. Boxum, voorzitter en uitgesproken in het

openbaar op 21 februari 2008

door mr. J.L. Boxum, in tegenwoordigheid van mr. H.L.A. van Kats, griffier.

mr. H.L.A. van Kats mr. J.L. Boxum

Afschrift verzonden op: