Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2008:BF3914

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
28-07-2008
Datum publicatie
01-10-2008
Zaaknummer
06/1256 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het door eiser geclaimde bedrag wegens immateriële schade (€ 75.000,-) acht de rechtbank gelet op jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep evenwel niet toewijsbaar. De rechtbank acht een bedrag ad € 7500,- gelet op alle omstandigheden billijk. Daarnaast wordt een bedrag aan materiële schadevergoeding toegekend. In totaal dient verweerder, naast een reeds betaald bedrag ad € 3.445,15, een bedrag ad € 7.986,- te voldoen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector Bestuursrecht

Kenmerk: 06/1256 WAO

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken d.d. 28 juli 2008

in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 15 september 2006 heeft verweerder aan eiser een bedrag aan schadevergoeding van € 2.991,70 + wettelijke rente (totaal: € 3.445,15) toegekend.

Namens eiser is bij brief van 26 oktober 2006 tegen dit besluit bij de rechtbank beroep ingesteld, waarbij onverkort is vastgehouden aan de reeds eerder ingediende claim van

€ 98.423,16.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift ingezonden. De gemachtigde van eiser heeft hiervan een afschrift ontvangen.

Het beroep is aan de orde gesteld ter zitting van de rechtbank op 13 juli 2007, alwaar partijen zonder bericht van verhindering niet zijn verschenen.

De rechtbank heeft geoordeeld dat het onderzoek niet volledig is geweest, waarna is besloten tot heropening van het onderzoek.

De rechtbank heeft nadere vragen gesteld aan de eiser behandelend psychiater F.J.W. Westerouen van Meeteren. Deze heeft gereageerd bij brieven van 26 augustus 2007 en

18 april 2008. Namens verweerder heeft bezwaarverzekeringsarts N. Visser hierop bij rapportages van 12 oktober 2007 en 14 mei 2008 gereageerd.

Desgevraagd hebben partijen toestemming verleend om de zaak zonder verdere behandeling ter zitting af te doen.

Bij brief van 17 juni 2008 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

II. Motivering

Feiten en omstandigheden

Eiser, geboren op 2 juli 1975 te Nepal, is in 2000 naar Nederland gekomen. Vanaf

9 oktober 2000 is eiser via een uitzendbureau ongeveer 8 maanden bij diverse werkgevers werkzaam geweest. Op 12 september 2001 is eiser in zijn functie als fulltime monteur feestverlichting uitgevallen als gevolg van pijn in de borst (syndroom van Tietze) en hyperventilatie.

Eiser heeft verweerder verzocht hem in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

Bij primair besluit van 12 september 2002 heeft verweerder geweigerd tot toekenning van een WAO-uitkering per 11 september 2002 over te gaan.

In de periode november 2002 tot en met april 2003 heeft eiser een zwervend bestaan geleid.

Vanaf mei 2003 tot medio juni 2004 is eiser weer via uitzendbureaus gaan werken.

Bij besluit op bezwaar van 19 februari 2003 heeft verweerder geweigerd eiser voor een uitkering in aanmerking te brengen daar eiser geacht wordt reeds bij aanvang van de verzekering volledig arbeidsongeschikt te zijn geweest, zodat deze arbeidsongeschiktheid geheel en blijvend buiten aanmerking dient te worden gelaten.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 29 oktober 2003 het besluit vernietigd en daarbij het volgende overwogen:

“De rechtbank is er evenwel niet van overtuigd geraakt dat deze medische toestand ook reeds op datum aanvang verzekering, 9 oktober 2000, bestond.

Verweerder heeft zijn standpunt slechts gebaseerd op het feit dat eiser -onbetwist- een heel moeilijke jeugd heeft gehad en derhalve (per definitie?) na aankomst in Nederland tot geen arbeid in staat was. Verweerder heeft bijvoorbeeld geen informatie vergaard bij eisers werkgevers over de wijze waarop eiser zijn werkzaamheden verrichtte en de aard van de ziekmeldingen in de periode 9 oktober 2000 – 12 september 2001. In dat verband wijst de rechtbank op vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep dat voor de toepassing van het begrip ‘algehele arbeidsongeschiktheid’ niet zonder meer en alleen beslissende betekenis kan worden toegekend aan het medisch oordeel, maar in voorkomende gevallen eveneens acht moet worden geslagen op een eventueel feitelijk verrichte arbeidsprestatie.”

Naar aanleiding van deze uitspraak heeft verweerders bezwaararbeidskundige Westerman, zo blijkt uit diens rapportage van 27 april 2004, onderzoek verricht naar de wijze waarop eiser heeft gefunctioneerd in de bedrijven waar hij in de periode 9 oktober 2000 tot 17 juni 2001 als uitzendkracht werkte. De bezwaararbeidskundige heeft gerapporteerd dat eiser in deze periode matig tot goed functioneerde en dat het uitzendbureau zeker zou proberen eiser weer aan werk te helpen, indien deze zich zou melden.

De bezwaarverzekeringsarts Visser heeft op 5 mei 2004 aan verweerder gerapporteerd, dat nu er geen aanwijzingen zijn dat eiser in zijn werk dusdanig slecht heeft gefunctioneerd dat arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering kan worden aangenomen, eiser op basis van onderzoek en informatie van de behandelend psychiater per einde wachttijd op medische gronden als volledig arbeidsongeschikt moet worden beschouwd.

Op 7 mei 2004 heeft verweerder een nieuw besluit op bezwaar genomen, waarbij is beslist dat eiser per einde wachttijd (11 september 2002) als volledig arbeidsongeschikt wordt beschouwd en hem per deze datum een WAO-uitkering wordt toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

In januari 2005 heeft eiser verweerder verzocht om vergoeding van diverse schadeposten, waarbij in totaal een bedrag is geclaimd van € 524.130,-.

Bij brief van 3 augustus 2005 heeft J.R. Beukema zich als gemachtigde gesteld.

Bij brief van 30 januari 2006 heeft eisers gemachtigde een bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding geclaimd van in totaal € 101.414,86.

Op 27 april 2006 is namens eiser bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing op het verzoek om schadevergoeding.

Op 4 september 2006 heeft de bezwaarverzekeringsarts Visser nader gerapporteerd.

Bij brief van 6 september 2006 is eiser op de hoogte gesteld van de voorgenomen

beslissing. De kosten van de gemachtigde, voor zover deze redelijk zijn, komen voor vergoeding in aanmerking. Hiervoor zal een bedrag van € 2.991,70 worden overgemaakt.

De wettelijke rente is vastgesteld op € 345,07.Voor het overige zal de vordering worden afgewezen.

Bij het thans bestreden besluit is een bedrag van in totaal € 3.445,15 aan schadevergoeding toegekend. Dit bedrag is op 18 september 2006 betaalbaar gesteld.

Beoordeling

Partijen worden verdeeld gehouden door de vraag of verweerder terecht het verzoek van eiser tot vergoeding van materiele en immateriële schade in totaal € 101.414,86 heeft afgewezen en heeft kunnen volstaan met toekenning van een vergoeding van € 3.445,15, voor kosten rechtsbijstand en wettelijke rente.

Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank stelt vast dat verweerders besluit het gevolg is van een door eiser gedaan verzoek tot het nemen van een zelfstandig schadebesluit. Gelet op het feit dat dit verzoek het rechtstreekse gevolg is van de vernietiging van verweerders besluit van 19 februari 2003 is de rechtbank bevoegd van het onderhavige beroep kennis te nemen.

Vervolgens stelt de rechtbank vast dat volgens inmiddels vaste jurisprudentie de beoordeling van zelfstandige schadebesluiten aan de hand van dezelfde materiele criteria plaatsvindt als de beoordeling van schadeverzoeken ex artikel 8:73 Awb. Conform eveneens bestendige jurisprudentie wordt bij deze laatste beoordeling aansluiting gezocht bij het civiele schadevergoedingsrecht als geregeld in het Burgerlijk Wetboek (BW) en de ter zake gevormde jurisprudentie.

Dit betekent dat dient te worden beoordeeld of in de onderhavige zaak sprake is van onrechtmatig handelen aan de zijde van verweerder en of verweerder dientengevolge als schadeplichtig dient te worden aangemerkt. In dat kader overweegt de rechtbank dat blijkens jurisprudentie van de Hoge Raad in het geval een overheidslichaam een besluit heeft genomen dat naderhand door de bestuursrechter wegens strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel wordt vernietigd, er in beginsel van moet worden uitgegaan dat dat overheidslichaam een onrechtmatige daad heeft begaan jegens degene die door dat besluit is getroffen, (zie o.a. HR 31 mei 1991, NJ 1993, 112).

Met de vernietiging van een besluit is naast de onrechtmatigheid tevens de schuld van het overheidslichaam in beginsel gegeven, ongeacht de vraag of het bestuursorgaan van haar handelen een verwijt kan worden gemaakt.

De rechtbank ziet geen aanleiding in de onderhavige zaak de gang van zaken rond verweerders vernietigde besluit van 19 februari 2003 anders te beoordelen zodat daarmee het onrechtmatig handelen door verweerder jegens eiser alsmede diens schuld dient te worden aangenomen.

Vervolgens heeft de rechtbank te beoordelen of eiser als gevolg van dit verwijtbaar onrechtmatig handelen inderdaad schade heeft geleden.

Op grond van artikel 6:95 BW bestaat schade die op grond van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding moet worden vergoed, ‘in vermogensschade en ander nadeel, dit laatste voor zover de wet op vergoeding hiervan recht geeft’.

De rechtbank stelt vast dat de schade die in beroep door eiser wordt geclaimd bestaat uit zowel vermogensschade, te weten hypothecaire verplichtingen ad € 22.231,58 en overige kosten van in totaal € 1.191,58, zijnde reiskosten en eigen bijdrage behandeling psychiater als uit ‘ander nadeel’, namelijk een vergoeding van immateriële schade ter hoogte van € 75.000,-.

Ingevolge artikel 6:106, lid 1, aanhef en onder b, BW, heeft de benadeelde voor het nadeel dat niet uit vermogensschade bestaat, recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, indien de benadeelde (lichamelijk) letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

Zoals de Centrale Raad van Beroep heeft overwogen in zijn uitspraak van 16 april 1996, gepubliceerd in JB 1996, 117, kan geestelijk leed van een benadeelde onder omstandigheden worden aangemerkt als een aantasting van zijn persoon, die recht geeft op vergoeding van immateriële schade. Daarvan zal echter niet snel sprake zijn. Uit de geschiedenis van de

totstandkoming van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW moet immers worden afgeleid dat de wetgever hier het oog heeft gehad op ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer als ook op andere persoonlijkheidsrechten van de betrokkene.

Voorts moet worden bedacht overeenkomstig het arrest van de Hoge Raad van 13 januari 1995, gepubliceerd in NJ 1997, 366, dat in gevallen als het onderhavige in de regel wel sprake zal zijn van meer of minder sterk psychisch onbehagen en van een zich gekwetst voelen door een onrechtmatig besluit.

De eiser behandelend psychiater Westerouen van Meeteren heeft gerapporteerd dat hem tijdens gesprekken met eiser is gebleken dat er o.a. ten gevolge van financiële nood in de periode september 2002 tot juni 2004 sprake was van een verergering van eisers psychische klachten.

Bezwaarverzekeringsarts Visser concludeerde in haar rapport van 4 september 2006 dat in deze periode september geen sprake is geweest van een toename van het medisch lijden, inclusief de eventuele aannemelijke of aangetoonde bijwerkingen van medicatie.

Op basis van deze conclusie heeft verweerder thans beslist dat er geen plaats is om hiervoor enige vergoeding toe te kennen.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van de beschikbare stukken, waaronder met name de diverse rapporten van de eiser behandelend psychiater Westerouen van Meeteren

genoegzaam aannemelijk is geworden dat de psychische klachten, waaraan eiser in 2002 onbetwist leed, zich hebben verergerd als gevolg van het niet erkend worden in deze klachten en het –dientengevolge- uitblijven van financiële ondersteuning in de kosten van het bestaan in de vorm van een WAO-uitkering.

Ten aanzien van het standpunt van verweerder dat de schade mede het gevolg is geweest van de huwelijksproblemen van eiser, die uiteindelijk hebben geresulteerd in een echtscheiding, overweegt de rechtbank dat bij een onrechtmatige daad die bestaat in het toebrengen van letsel, de gevolgen van een door de persoonlijke predispositie van het slachtoffer bepaalde reactie op die daad in het algemeen als een gevolg van de onrechtmatige daad aan de dader moeten worden toegerekend. Dit zou anders zijn in geval van bijzondere omstandigheden, doch daarvan is de rechtbank niet gebleken.

Naar het oordeel van de rechtbank staat de schade in de vorm van een toename van stemmingsstoornissen en angstklachten gelet op het voorgaande in een zodanig verband met het vernietigde besluit dat zij verweerder, als een gevolg van het vernietigde besluit van 19 februari 2002, kan worden toegerekend.

Westerouen van Meeteren heeft er op gewezen dat eiser, die vanaf september 2002 iedere vorm van inkomen miste, zich in de periode mei 2003 tot en met juni 2004 (moment waarop de uitkering betaalbaar werd gesteld) gedwongen zag met redelijk zware psychofarmaca als medicatie ongeschoolde arbeid te verrichten, met alle risico’s van dien. De stress van het niet uitgekeerd krijgen van een uitkering en het gedwongen zijn een eigen inkomen te genereren middels zware lichamelijke arbeid veroorzaakten bij eiser een stressgerelateerd psychosomatisch ziektebeeld met sterke stemmingsstoornissen. Eisers lijden nam in die periode significant toe. De medicatie diende te worden aangepast en egosteunende psychotherapie was noodzakelijk om verder afglijden te voorkomen. Doordat eiser wegens geldgebrek niet in staat was de praktijk frequent te bezoeken, was het praktisch onmogelijk te werken aan verbetering van de klachten.

De rechtbank acht het door Westerouen van Meeteren (bij wie eiser onder behandeling stond) gestelde toereikend om te kunnen concluderen dat eiser ‘in zijn persoon is aangetast’ in de zin van artikel 6:106 BW.

Zonder afbreuk te willen doen aan het door eiser geleden leed, acht de rechtbank evenwel het gevorderde bedrag van € 75.000,-, gelet op jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep in min of meer vergelijkbare zaken (waaronder LJN: AT 9093) niet toewijsbaar.

Gelet op alle omstandigheden acht de rechtbank in het onderhavige geval een bedrag van

€ 7.500,- als vergoeding van de door eiser geleden immateriële schade billijk.

Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of eiser geacht kan worden materiële schade te hebben geleden als gevolg van verweerders onrechtmatig handelen.

In dat verband stelt de rechtbank vast dat eiser hypothecaire kosten, reiskosten en kosten eigen bijdrage AWBZ heeft opgevoerd.

Wil een verzoek om schadevergoeding voor inwilliging in aanmerking komen dan moet zijn voldaan aan de zogeheten causaliteitseis, dat wil zeggen dat de gestelde schade in zodanig verband moet staan met het onrechtmatig genomen besluit dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kan worden toegerekend. Bij de beoordeling of toegerekend moet worden, acht de Centrale Raad van Beroep ook de aard en strekking van het vernietigde besluit een relevante factor.

De omstandigheid dat slechts schade die het gevolg is van het vernietigde besluit, in casu het besluit van 19 februari 2003, voor vergoeding in aanmerking kan komen, laat de mogelijkheid onverlet om schade bij de burgerlijke rechter te vorderen op grond van een ander dan op het nemen en handhaven van het vernietigde besluit te funderen onrechtmatig handelen of nalaten van het bestuursorgaan.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de vraag of de hiervoor genoemde kosten als een zodanig rechtstreeks en algemeen gangbaar gevolg van het vernietigde besluit van verweerder kunnen worden aangemerkt dat die kosten voor rekening van verweerder dienen te komen, als volgt.

Hypothecaire verplichtingen

Gesteld is dat eiser, na mededelingen van verweerder in 2002 dat er geen uitkering zou worden verstrekt, veronderstelde dat de in mei 2001 aangegane hypothecaire verplichtingen in het gedrang zouden komen, waarna hij is overgegaan tot oversluiting van zijn hypotheek. De kosten hiervan bedragen, zo blijkt uit het schrijven van 24 januari 2006 van eisers assurantiebemiddelaar, € 22.231,58.

Verweerder neemt het standpunt in dat het feit dat eiser zich gedwongen zag zijn hypothecaire verplichtingen te wijzigen niet leidt tot het toekennen van schadevergoeding. De schade zou het gevolg kunnen zijn van het uitblijven van de betaling en is daarmee gefixeerd op de wettelijke rente, echter met de overgelegde stukken is de eventuele schade onvoldoende aangetoond.

Zoals de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak van 16 april 1996, gepubliceerd in JB 1996, 118, heeft overwogen, normeert artikel 6:119 van het BW de omvang en de duur van de verplichting tot vergoeding van de schade wegens vertraging in de voldoening van een geldsom. In het eerste lid van dat artikel is bepaald dat schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar in verzuim is geweest. Een en ander brengt mee dat er in dit geval geen plaats is voor vergoeding van de uit de vertraagde betaling van de uitkering, naar wordt gesteld, voortgevloeide kosten in verband met het oversluiten van de hypotheek. Zelfstandige vergoeding van deze gestelde schadepost acht de Centrale Raad van Beroep dan ook niet aangewezen. De rechtbank concludeert dat eiser niet heeft onderbouwd dat in het onderhavige geval anders geoordeeld zou moeten worden en wijst de vordering dan ook af.

Reiskosten

a. Eiser heeft verzocht om vergoeding van reiskosten naar zijn familie in Engeland. In de periode dat hij een zwervend bestaan leidde heeft hij daar bij zijn zuster hulp gezocht. Deze reiskosten bedragen € 549,58.

De rechtbank is van oordeel dat deze kosten niet voor toewijzing in aanmerking komen, daar niet is komen vast te staan dat de reis naar Engeland een aannemelijk dan wel logisch gevolg is van verweerders besluit van 19 februari 2003. De gestelde schade staat naar het oordeel van de rechtbank in een te ver verwijderd verband tot het onrechtmatige besluit.

b. Eiser heeft verzocht om vergoeding van reiskosten voor bezoeken aan zijn behandelend psychiater. De kosten van de -26- reizen per openbaar vervoer [woonplaats]-Groningen vv bedragen € 156,00; dit bedrag moet worden verdubbeld omdat eiser niet in staat was te reizen zonder zijn partner.

Nu vastgesteld is dat jegens eiser toerekenbaar onrechtmatig is gehandeld, als gevolg waarvan, zoals hiervoor overwogen, aangenomen moet worden dat zich bij eiser toegenomen psychische klachten hebben ontwikkeld, dient de schade die daarvan het gevolg is te worden vergoed. De rechtbank acht de door eiser gevorderde schadevergoeding wegens reiskosten naar Groningen, die gemaakt zijn ten behoeve van de behandeling door psychiater Van Westerouen van Meeteren aannemelijk en dientengevolge toewijsbaar tot een bedrag van € 156,-. De rechtbank ziet geen aanleiding om tot verdubbeling van dit bedrag over te gaan omdat uit de stukken niet genoegzaam is gebleken dat eiser niet zonder zijn partner kon reizen. In dat verband wijst de rechtbank er o.a. op dat eiser vanaf mei 2003 weer werkte, wat naar het oordeel van de rechtbank impliceert dat eiser in ieder geval op dat moment in staat moet worden geacht alleen te kunnen reizen.

Kosten eigen bijdrage 22 psychotherapiezittingen ad € 15,-

Nu deze kosten het gevolg zijn van het eiser aangedane geestelijk leed kan de rechtbank niet anders oordelen dan dat ook deze kosten aan verweerder zijn toe te rekenen.

Gezien het vorenstaande en in het belang van een finale geschillenbeslechting overweegt de rechtbank dat verweerder in het bestreden besluit, naast de reeds toegekende schadevergoeding ad € 3.445,15, de gestelde materiële en immateriële schade had dienen te vergoeden tot een bedrag van € 7.986,-. Het bestreden besluit dient in zoverre dan ook vernietigd te worden.

Eiser heeft verzocht verweerder te veroordelen in de wettelijke rente over de vast te stellen schadevergoeding. De rechtbank acht deze eis toewijsbaar. In overeenstemming met vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is de rechtbank van oordeel dat de ingangsdatum van de wettelijke rente bepaald dient te worden op de datum van het bestreden besluit.

Tot slot acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in het kader van de behandeling van dit beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 322,- zijnde kosten rechtsbijstand en € 88,80 zijnde declaraties Westerouen van Meeteren. Tevens dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht ad € 38,- te vergoeden.

De rechtbank beslist als volgt.

III. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 15 september 2006;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- bepaalt dat verweerder aan eiser nog dient te vergoeden € 7.986,- voor de (im)materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals hiervoor aangegeven en te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten, aan de zijde van eiser begroot op

€ 410,80 te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

- bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het betaalde griffierecht ten bedrage van € 38,- dient te vergoeden.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002 te 3500 DA Utrecht binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak.

Aldus gegeven door mr. W.P. Claus, voorzitter en uitgesproken in het

openbaar op 28 juli 2008

door mr. W.P. Claus, in tegenwoordigheid van H.J. Boerma, griffier.

H.J. Boerma mr. W.P. Claus

De griffier is buiten staat te tekenen

Afschrift verzonden op: