Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2008:BE2722

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
19-08-2008
Datum publicatie
19-08-2008
Zaaknummer
19.810126/08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat verdachte, gelet op de aard van het letsel, heeft gestoken met een mes op een zeer kwetsbaar deel van het lichaam van het slachtoffer. Hij heeft het slachtoffer geraakt in de hals en het letstel was levensbedreigend. Het door verdachte gebruikte geweld had, als niet tijdig hulp was geboden, ongetwijfeld tot het overlijden van het slachtoffer geleid. Dat het slachtoffer het leven (net) niet heeft verloren is een gelukkige omstandigheid, die geenszins aan de verdiensten van verdachte is te danken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummer: 19.810126-08

vonnis van de Meervoudige kamer d.d. 19 augustus 2008 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

thans verblijvende te [plaats van detentie].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 5 augustus 2008.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.F. Speijdel, advocaat te Enschede.

Tenlastelegging

De verdachte is in gevolge de ter terechtzitting gewijzigde tenlastelegging bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

hij op of omstreeks 5 april 2008 te Fluitenberg, gemeente Hoogeveen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in de hals, althans het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 5 april te Fluitenberg, gemeente Hoogeveen, aan een persoon (te weten [slachtoffer]), opzettelijk en met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel (steekwond in hals met ingesneden halsader en/of halsspier) heeft toegebracht, door deze opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de hals, althans het lichaam te steken;

althans, indien ook terzake van het laatstvermelde geen veroordeling mocht volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 5 april 2008 te Fluitenberg, gemeente Hoogeveen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachte rade aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, na kalm beraad en rustig overleg, met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in de hals, althans het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

Bewijsmotivering

Aan de hand van de inhoud van de stukken en het verhandelde ter zitting komt de rechtbank tot de volgende bevindingen.

Verdachte heeft op de avond van 5 april 2008 een auto bestuurd en deze op de vluchtstrook van de oprit naar de A28 gezet om de bestuurder van de achter hem rijdende auto, het latere slachtoffer [slachtoffer], aan te spreken. Volgens verdachte vertoonde de man hinderlijk verkeersgedrag in de vorm van bumperkleven. Verdachte had daarom enkele malen zijn rem aangeraakt, hetgeen de bestuurder van de andere auto had geïrriteerd. [slachtoffer] had gereageerd met het opsteken van zijn middelvinger door het geopende raam, hetgeen overigens niet door verdachte is gezien. Niet duidelijk is wie van de betrokken personen het eerst uit de auto is gestapt, maar vast staat dat zowel verdachte als het latere slachtoffer zijn uitgestapt. Verdachte loopt naar [slachtoffer] toe. Beiden schuwen een confrontatie niet en er ontstaat een woordenwisseling. Na deze eerste confrontatie loopt verdachte terug naar zijn auto, welke voor de auto van [slachtoffer] stond. Op dat moment maakt [slachtoffer] een 'tsss' geluid, hetgeen door verdachte als een 'fluittoon' wordt omschreven.

Vanaf dit punt lopen de verklaringen van [slachtoffer] en verdachte uiteen.

Verdachte verklaart dat [slachtoffer] achter hem aan kwam lopen en hem vervolgens van achteren een klap gaf. Hierdoor kwam verdachte naar eigen zeggen ten val bij het portier van zijn auto, met een knie op de grond en leunend tegen de dorpel van de auto. Verdachte verklaart dat hij vervolgens een mes pakt, dat in het portiervakje van de auto lag en dat op dat moment [slachtoffer] hem van achteren beet greep, omhoog trok en met een elleboog tegen zijn keel tegen de auto zette. Verdachte zou daardoor in paniek zijn geraakt. Wat er verder precies is gebeurd, weet verdachte niet meer. Mogelijk heeft hij [slachtoffer] van zich afgeduwd, mogelijk deed [slachtoffer] zelf een stap achteruit, maar wel heeft verdachte het idee dat hij [slachtoffer] op dat moment met het mes heeft geraakt.

De verklaring van verdachte komt erop neer dat [slachtoffer] hem bij de tweede confrontatie heeft aangevallen en dat hij zich daartegen heeft verweerd, waarbij hij het slachtoffer per ongeluk met het inmiddels opengeraakte mes zou hebben geraakt.

Echter, de verklaring van verdachte omtrent een dergelijke aanval staat haaks op de verklaring van het slachtoffer [slachtoffer]. [slachtoffer] verklaart direct na het incident dat verdachte weer op hem af kwam lopen, nadat hij een 'tsss' geluid had gemaakt richting verdachte en dat toen een gevecht ontstond waarbij hij twee keer door verdachte is geslagen, links op zijn hoofd en rechts in zijn hals, en een keer is geschopt, en waarbij [slachtoffer] zelf ook een schop en een klap heeft uitgedeeld.

Later heeft [slachtoffer] verklaard dat de volgorde als volgt was: hij krijgt een schop van verdachte en geeft een schop terug. Verdachte slaat hem in zijn hals - hetgeen later de messteek bleek te zijn - en hij slaat terug, maar mist. De verdachte slaat hem nog een keer en raakt hem dan op het hoofd.

De verklaring van [slachtoffer] wordt op een aantal essentiële onderdelen gesteund door de verklaring van [mede-inzittende], de mede-inzittende in de auto van verdachte. Deze verklaart bij de politie tot tweemaal toe dat het verdachte was die na het 'irritante fluitje' weer op [slachtoffer] is afgelopen en niet andersom, dat ze toen met elkaar op de vuist gingen, en dat verdachte daarna terug naar de auto kwam rennen.

Weliswaar is [mede-inzittende] tijdens de reconstructie op deze verklaring teruggekomen, maar de rechtbank hecht daar geen waarde aan nu verdachte en [mede-inzittende] voorafgaand aan de reconstructie samen op één cel hebben gezeten en toen de gelegenheid hebben gehad hun verklaringen op elkaar af te stemmen.

De rechtbank wordt in die opvatting gesteund door het volstrekt ongeloofwaardige verhaal van [mede-inzittende] dat hij - terwijl hij kort daarvoor nog in paniek was - zittend op de passagierstoel van de auto niets heeft gemerkt van de vermeende val van verdachte bij het autoportier en het pakken van het mes omdat hij 'chill' was en zat te sms'en.

De rechtbank acht de verklaring van het slachtoffer betrouwbaarder dan de verklaring van de verdachte. In de eerste plaats zijn er de hiervoor omschreven omstandigheden. Daar komt bij dat het slachtoffer zijn eigen aandeel bij de confrontaties met de verdachte niet onder stoelen of banken steekt. Bovendien blijft zijn verklaring consistent. De verklaring van verdachte daarentegen is op een aantal punten onwaarschijnlijk en geeft voor enkele feitelijkheden geen verklaring. Zo passen het letsel van [slachtoffer] op zijn achterhoofd en de aangetroffen bloedspatjes op de schoenen van verdachte niet bij het verhaal zoals dat door verdachte wordt geschetst. De rechtbank gaat derhalve uit van de lezing van [slachtoffer].

Bewijsmiddelen

De rechtbank acht op grond van de hiervoor gegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, het tenlastegelegde feit bewezen.

Gelet op de vorenstaande bewijsmotivering zal de rechtbank volstaan met een opgave van bewijsmiddelen.

- de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 5 augustus 2008;

- de verklaring van aangever [slachtoffer], opgenomen in dossiernummer PL031E/08-502015, p. 43-47, alsmede zijn verklaring ten tijde van de reconstructie op 16 juni 2008, zoals opgenomen op de tweede DVD van deze recontructie;

- de medische verklaring betreffende [slachtoffer], zijnde een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, opgenomen in dossiernummer PL031E/08-502015, p. 55;

- de letselrapportage betreffende [slachtoffer], opgemaakt d.d. 17 april 2008 door H. Snijders, forensisch geneeskundige, zijnde een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, opgenomen in dossiernummer PL031E/08-502015, p. 57-63.

- de verklaringen van [mede-inzittende], opgenomen in dossiernummer PL031E/08-502015, p. 347-369 en 374-386.

- de verklaring van verbalisanten [verbalisanten], opgenomen in dossiernummer PL031E/08-125222, p. 64-68.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 5 april 2008 te Fluitenberg, gemeente Hoogeveen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet, met een mes in de hals heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag,

strafbaar gesteld bij artikel 287 juncto 45 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid

De raadsman heeft ter terechtzitting betoogd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer. De rechtbank verwerpt dit verweer, nu zij uitgaat van de feiten en omstandigheden zoals hiervoor in de bewijsmotivering is vermeld.

Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake geweest van een directe aanval op verdachte door [slachtoffer]. De noodweersituatie, zoals deze door verdachte wordt geschetst - dat hij door [slachtoffer] werd opgepakt en vervolgens tegen de auto werd vastgezet - acht de rechtbank niet aannemelijk geworden. Van de voor een geslaagd beroep op noodweer vereiste ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding is naar het oordeel van de rechtbank derhalve geen sprake.

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straffen in aanmerking:

- de aard en de ernst van het gepleegde feit;

- de omstandigheden waaronder dit feit is begaan;

- hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte;

- de eis van de officier van justitie, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren;

- het pleidooi van de raadsman van de verdachte inhoudende onder meer een verzoek om een eventueel op te leggen gevangenisstraf te beperken tot de duur van het voorarrest;

- de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 7 mei 2008, waaruit blijkt dat verdachte eerder ter zake van misdrijven is veroordeeld.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging het slachtoffer [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven. De rechtbank is van oordeel dat verdachte, gelet op de aard van het letsel, heeft gestoken met een mes op een zeer kwetsbaar deel van het lichaam van het slachtoffer. Hij heeft het slachtoffer geraakt in de hals en het letstel was levensbedreigend. Het door verdachte gebruikte geweld had, als niet tijdig hulp was geboden, ongetwijfeld tot het overlijden van het slachtoffer geleid. Dat het slachtoffer het leven (net) niet heeft verloren is een gelukkige omstandigheid, die geenszins aan de verdiensten van verdachte is te danken. Verdachte heeft zich na het steekincident uit de voeten gemaakt en zich niet om het slachtoffer bekommerd. Dit soort geweldsdelicten als reactie op irritaties in het verkeer vormen een grove inbreuk op de rechtsorde.

De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat in dit geval een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend is.

De rechtbank neemt echter bij de duur van de gevangenisstraf in aanmerking dat het slachtoffer de confrontatie geenszins uit de weg is gegaan en zelf ook niets heeft gedaan om op dat moment een escalatie van de situatie te voorkomen. De handelingen van verdachte en de bijna fatale gevolgen rechtvaardigen desondanks een forse gevangenisstraf .

Benadeelde partij [slachtoffer]

De rechtbank acht het causaal verband tussen het bewezenverklaarde feit en de schade alsmede de aansprakelijkheid van de verdachte voor die schade bewezen.

De rechtbank acht de benadeelde partij niet ontvankelijk in haar vordering met betrekking tot de in beslag genomen schoenen en het GSM toestel.

De staat van de destijds inbeslaggenomen schoenen is onduidelijk. Uit de aanwezige stukken blijkt niet dat de schade aan het GSM toestel een direct gevolg is van het bewezenverklaarde feit.

Voor dit deel kan de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De overige vordering van de benadeelde partij is door verdachte en diens raadsman onvoldoende weersproken. Derhalve zal de rechtbank de vordering voor dit overige deel toewijzen, te weten een bedrag van € 1930,00 ( € 1600,00 aan immateriële schadevergoeding en € 330,00 als vergoeding voor materiele schade).

Schadevergoedingsmaatregel

Met betrekking tot het bewezenverklaarde feit acht de rechtbank de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk voor de schade, die door het strafbare feit is toegebracht. Aan de verdachte zal de verplichting worden opgelegd dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer].

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 24c, 27 en 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart bewezen dat het tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het strafbare feit zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van de som van € 1930,00 en veroordeelt de verdacht tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] een bedrag van € 1930,00 te betalen, bij gebreke van betaling te vervangen door 40 dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en verstaat dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voormeld bedrag ten behoeve van het slachtoffer de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij doet vervallen, alsmede dat betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partij de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door C.M.M. Oostdam, voorzitter en mr. M.C. Fuhler en mr. H.T. van Voorst, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Harbers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 19 augustus 2008, zijnde mr. E.M. Harbers buiten staat dit vonnis binnen de door de wet gestelde termijn mede te ondertekenen.