Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBASS:2008:BD5322

Instantie
Rechtbank Assen
Datum uitspraak
24-06-2008
Datum publicatie
25-06-2008
Zaaknummer
19-830060/07
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHLEE:2010:BM0294, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tijdens de beraadslaging is de rechtbank gebleken, dat het onderzoek niet volledig is geweest.

Verdachte heeft op 12 augustus 2003 een verklaring ondertekend waarin hij toestemming en opdracht geeft zijn zoon over te dragen aan zijn moeder in Nederland. Daarnaast heeft, blijkens een schrijven van de voorzitter van de rechtbank d.d. 4 maart 2008 (productie 2 pleitnotities d.d. 23 mei 2008), de rechtbank te Guémar het wettelijk voogdijschap van verdachte over [minderjarige] ingaande 27 oktober 2005 voorlopig ingetrokken ten gunste van zijn oom.

Het komt de rechtbank noodzakelijk voor dat op basis van deze documenten een onderzoek zal worden ingesteld en zal worden gerapporteerd omtrent het ouderlijk gezag naar Algerijns/Islamitisch recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ASSEN

Sector strafrecht

Parketnummers: 19/830060-07 en 19/830037-08

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 24 juni 2008 in de zaken van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats en -land] op [geboortedatum] 1970,

thans verblijvende in de penitentiaire inrichting te [plaats van detentie].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 1 juni 2007, 29 juni 2007, 29 april 2008, 23 mei 2008 en 10 juni 2008.

De verdachte is verschenen ter terechtzittingen van 1 juni 2007, 29 juni 2007 en 23 mei 2008 en werd ter terechtzitting van 1 juni 2007 bijgestaan door mr. S. Karkache, advocaat te Rotterdam, en ter terechtzittingen van 29 juni 2007 en 23 mei 2008 telkens bijgestaan door mr. S. Urcun, advocaat te Rotterdam.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman van verdachte heeft een viertal gronden tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie aangevoerd.

1.

Met deze derde en vierde vervolging wordt het ne bis in idem beginsel geschonden, aldus de raadsman in zijn eerste verweer. Voor overtreding van artikel 279 Sr is verdachte namelijk al tweemaal veroordeeld. Eenmaal voor het onttrekken van een kind aan het wettig gezag en eenmaal voor het onttrokken houden van een kind aan het wettig gezag.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Verdachte is bij arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 8 juni 2000 veroordeeld ter zake van het op 10 juli 1999 medeplegen van opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gestelde gezag als bedoeld in artikel 279 Sr en bij arrest van hetzelfde Gerechtshof van 9 april 2004 veroordeeld terzake van het in de periode van 20 september 2000 tot en met 8 april 2003 opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gestelde gezag, eveneens als bedoeld in artikel 279 Sr. Verdachte wordt thans weliswaar wederom vervolgd voor overtreding van datzelfde artikel 279 Sr en gepleegd met betrekking tot dezelfde minderjarige, maar de huidige tenlasteleggingen zien op andere periodes, te weten de periode van 9 april 2003 tot en met 9 februari 2007 (parketnummer 19/830060-07) en de periode van 10 februari 2007 tot en met 29 januari 2008 (parketnummer 19/830037-08). De huidige tenlasteleggingen doelen naar het oordeel van de rechtbank op onttrekken in de zin van onttrokken houden. Er is sprake van andere strafbare feiten in andere periodes en van dubbele vervolging wegens hetzelfde feitelijk gebeuren in de zin van artikel 68 Sr is derhalve geen sprake.

2.

Uit de brief van het gerechtshof van Versailles van 11 december 2007 blijkt dat verdachte aan Nederland is uitgeleverd voor de tenuitvoerlegging van twee arrestatiebevelen, aldus de raadsman in zijn tweede verweer. Het tweede bevel, van 16 maart 2006, is in de lezing van de raadsman echter toegekend voor 1 toekomstig vonnis en dus niet voor 2 of meer toekomstige vonnissen. Van belang is dus dat expliciet staat vermeld dat verdachte voor 1 toekomstig vonnis is uitgeleverd aan Nederland. Verdachte staat echter niet terecht voor 1 toekomstig vonnis maar voor 2 toekomstige vonnissen. Dit is, aldus de raadsman, in strijd met het uitgevaardigde arrestatiebevel en in strijd met de uitleveringsvoorwaarden die tussen Frankrijk en Nederland zijn opgesteld.

De rechtbank verwerpt ook dit verweer. Reeds bij besluit van 4 april 2006 heeft het gerechtshof van Versailles de overlevering van verdachte aan de Nederlandse autoriteiten gelast voor de tenuitvoerlegging van zowel het arrestatiebevel van 22 november 2005 als het arrestatiebevel van 16 maart 2006. Het arrestatiebevel van 22 november 2005 kan hier verder buiten beschouwing blijven omdat het een executie-uitlevering betreft die geen betrekking heeft op de vervolging van de verdachte in de onderhavige zaken. Het laatste bevel, van 16 maart 2006 dus, had inderdaad betrekking op een toekomstig vonnis, namelijk in de zaak onder parketnummer 19/830060-07, waarvan de tenlastegelegde periode begint op 9 april 2003 en van het bestaan van welke zaak het gerechtshof blijkens zijn brief van 11 december 2007 op de hoogte was.

De overlevering van verdachte voor de tenuitvoerlegging van het Europese arrestatiebevel van 16 maart 2006 is dan ook niet gelast voor één (1) toekomstig vonnis maar voor een toekomstig vonnis, namelijk in de zaak onder parketnummer 19/830060-07.

Aldus stond het de officier van justitie vrij de verdachte op 31 maart 2008 wederom te dagvaarden voor een strafbaar feit, gepleegd in de periode van 10 februari 2007 tot en met 29 januari 2008 onder parketnummer 19/830037-08. Deze periode is gelegen na de datum van het besluit van het gerechtshof van Versailles van 4 april 2006, waarbij de overlevering van verdachte werd gelast voor de tenuitvoerlegging van onder meer het arrestatiebevel van 16 maart 2006. Van strijdigheid met het uitgevaardigde arrestatiebevel van 16 maart 2006 of met de uitleveringsvoorwaarden die tussen Frankrijk en Nederland zijn opgesteld, is dan ook geen sprake.

3.

Het derde verweer van de raadsman luidt dat het openbaar ministerie tot vervolging mag overgaan maar daartoe krachtens het opportuniteitsbeginsel niet verplicht is. Door verdachte wederom te vervolgen schendt de officier van justitie de beginselen van een goede procesorde, waaronder het gelijkheidsbeginsel en het verbod van misbruik van bevoegdheden.

De rechtbank overweegt het volgende.

Het opportuniteitsbeginsel heeft als uitgangspunt dat de officier van justitie zelf beslist of een strafbaar feit vervolgd wordt. Hij kan afzien van vervolging als hiermee het algemeen maatschappelijk belang is gediend. Als hij beslist om niet te vervolgen, kan een belanghebbende daarover een klacht indienen bij het gerechtshof met het verzoek alsnog opdracht te geven tot vervolging. Als hij beslist om wel te vervolgen, dient de rechtbank zich over de zaak te buigen. Het rechtsgeding neemt immers pas een aanvang door een dagvaarding die vanwege de officier van justitie aan de verdachte wordt betekend.

Het is dus niet aan de rechtbank om een uitspraak te doen omtrent het opportuniteits-beginsel. De stelling dat de officier van justitie de beginselen van een goede procesorde, waaronder het gelijkheidsbeginsel en het verbod van misbruik van bevoegdheden, heeft geschonden door verdachte wederom te vervolgen, kan dan ook niet door de rechtbank worden getoetst.

Overigens stelt de raadsman dat de zaak tegen verdachte uniek is en dat er geen andere soortgelijke zaken zijn waarmee deze zaak vergeleken kan worden. De visie van de raadsman dat de officier van justitie het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden, lijkt daarmee geen stand te houden.

4.

Als vierde verweer stelt de raadsman dat in tegenstelling tot hetgeen in de tenlastelegging staat vermeld, de feiten niet in Nederland maar in Algerije zijn gepleegd.

De onttrekking vond weliswaar plaats in Nederland maar sindsdien verblijft [minderjarige] in Algerije. Het onttrokken houden vindt dus plaats in Algerije. Er ontbreekt, zo begrijpt de rechtbank het verweer van de raadsman, rechtsmacht.

Ook dit verweer verwerpt de rechtbank. De bevoegdheid van de rechter dient te worden beoordeeld op grondslag van de tenlastelegging. De verdachte wordt verweten dat hij in Assen, althans in Nederland, een minderjarige aan het wettig over hem gestelde gezag heeft onttrokken. Van een onbevoegdheid van de rechter kan dan ook geen sprake zijn. Nu de moeder van [minderjarige], die is belast met het wettig gezag over hem en het opzicht over hem uitoefende, in Nederland woont, is op grond van artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht de Nederlandse strafwet van toepassing.

De officier van justitie kan worden ontvangen in de vervolging van de verdachte.

Motivering

Tijdens de beraadslaging is de rechtbank gebleken, dat het onderzoek niet volledig is geweest.

Verdachte heeft op 12 augustus 2003 een verklaring ondertekend waarin hij toestemming en opdracht geeft zijn zoon over te dragen aan zijn moeder in Nederland. Daarnaast heeft, blijkens een schrijven van de voorzitter van de rechtbank d.d. 4 maart 2008 (productie 2 pleitnotities d.d. 23 mei 2008), de rechtbank te Guémar het wettelijk voogdijschap van verdachte over [minderjarige] ingaande 27 oktober 2005 voorlopig ingetrokken ten gunste van zijn oom.

Het komt de rechtbank noodzakelijk voor dat op basis van deze documenten een onderzoek zal worden ingesteld en zal worden gerapporteerd omtrent het ouderlijk gezag naar Algerijns/Islamitisch recht en zal worden geantwoord op de volgende vragen.

1. Bestaat voor verdachte, gegeven voornoemde rechterlijke uitspraak van de rechtbank te Guémar en het arrest van het gerechtshof te Leeuwarden van 20 september 2000, de mogelijkheid om de minderjarige [minderjarige], zowel juridisch als feitelijk, weer onder het ouderlijk gezag van zijn moeder in Nederland te brengen?

2. Kan de door verdachte op 12 augustus 2003 ondertekende onherroepelijke verklaring (productie 7 pleitnotities d.d. 23 mei 2008) teweeg brengen dat de minderjarige [minderjarige] weer onder het juridisch en feitelijk gezag van zijn moeder in Nederland wordt gebracht, of staat het Algerijns/Islamitisch recht daaraan in de weg?

3. Heeft de beslissing van de rechtbank te Guémar tot gevolg dat aan de ondertekening door verdachte van het hiervoor bedoelde document naar Algerijns/Islamitisch recht geen rechtsgevolg wordt verbonden?

4. Brengt het gegeven dat [minderjarige] onder toezicht van de Algerijnse Staat is geplaatst (productie 4 pleitnotities d.d. 23 mei 2008: brief d.d. 26 maart 2005 van de attaché bij het Algerijnse ministerie van justitie) met zich dat [minderjarige] niet onder het ouderlijk gezag van zijn moeder in Nederland kan worden gebracht?

5. Had verdachte, hoewel zijn wettelijk voogdijschap over [minderjarige] ingaande 27 oktober 2005 voorlopig was ingetrokken en [minderjarige] onder toezicht van de Algerijnse staat was geplaatst, de mogelijkheid om zijn zoontje uit Algerije op legale wijze mee te nemen naar Nederland toen hij na zijn ontvluchting op 21 november 2005 uit de penitentiaire inrichting te Lelystad korte tijd in Algerije verbleef?

6. Welke bepalingen in het Algerijns/Islamitisch recht zijn er naar het oordeel van de deskundige verder nog relevant voor de beoordeling van de onderhavige zaak?

Beslissing

De rechtbank heropent het onderzoek ter terechtzitting in deze zaken en bepaalt dat een onderzoek als voormeld door de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, zal plaatshebben.

De rechtbank stelt daartoe, met schorsing van de zaken tot na afloop van dat onderzoek, de stukken in handen van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank. De rechter-commissaris kan daarbij zoveel meer doen als zij in het belang van het onderzoek noodzakelijk acht.

De rechtbank schorst, nu niet mag worden verwacht dat voormeld onderzoek binnen één maand na heden gereed zal zijn, om deze klemmende reden het onderzoek voor de maximale termijn van drie maanden en beveelt de oproeping van verdachte tegen een nog nader, doch met inachtneming van het bovenstaande, te bepalen terechtzitting en tijdstip.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Schoemaker, voorzitter, en mr. H. Wolthuis en mr. H.K. Elzinga, rechters, in tegenwoordigheid van R.C. Sprong, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 24 juni 2008. Mr. Elzinga is buiten staat dit vonnis binnen de door de wet gestelde termijn mede te ondertekenen.